18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/126


UITVOERINGSRICHTLIJN (EU) 2015/2392 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (1), en met name artikel 32, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Personen die daadwerkelijke of potentiële inbreuken op Verordening (EU) nr. 596/2014 aan de bevoegde autoriteiten melden (klokkenluiders) kunnen nieuwe informatie onder de aandacht van de bevoegde autoriteiten brengen en hen helpen bij het opsporen en bestraffen van marktmisbruik. Klokkenluiders kunnen echter worden ontmoedigd door angst voor represailles, discriminatie of de openbaarmaking van persoonsgegevens. Er zijn derhalve passende regelingen met betrekking tot klokkenluiders nodig om de algemene bescherming en de eerbiediging van de grondrechten van klokkenluiders en beschuldigde personen te waarborgen. Personen die willens en wetens onjuiste of misleidende informatie aan de bevoegde autoriteiten melden, moeten niet als klokkenluiders worden beschouwd en dienen dus niet in aanmerking te komen voor de beschermingsmechanismen.

(2)

Anonieme melding moet door de bevoegde autoriteiten worden toegestaan en de beschermingsmechanismen van deze richtlijn dienen ook van toepassing te zijn wanneer een anonieme klokkenluider in een later stadium besluit zijn identiteit aan de bevoegde autoriteit bekend te maken. Klokkenluiders dienen vrij te zijn om hetzij via interne procedures, voor zover die bestaan, hetzij rechtstreeks inbreuken bij de bevoegde autoriteiten te melden.

(3)

De bevoegde autoriteiten zouden over specifieke personeelsleden moeten beschikken die gekwalificeerd zijn, onder meer op het gebied van de toepasselijke gegevensbeschermingsvoorschriften, voor de verwerking van meldingen van inbreuken op Verordening (EU) nr. 596/2014, de communicatie met de meldende persoon, evenals voor een behoorlijke follow-up van de melding.

(4)

Personen die voornemens zijn om daadwerkelijke of potentiële inbreuken op Verordening (EU) nr. 596/2014 te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. De bevoegde autoriteiten moeten daarom informatie openbaar maken welke gemakkelijk toegankelijk moet zijn, over de beschikbare communicatiekanalen met de bevoegde autoriteiten, over de toepasselijke procedures en over de personeelsleden binnen de autoriteit die zich specifiek bezighouden met meldingen van inbreuken. Alle informatie over meldingen van inbreuken moet transparant, begrijpelijk en betrouwbaar zijn ten einde de melding van inbreuken te bevorderen en niet te ontmoedigen.

(5)

Om te zorgen voor doeltreffende communicatie met de specifieke personeelsleden is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten over verschillende communicatiekanalen beschikken die gebruiksvriendelijk zijn en die voor schriftelijke en mondelinge, alsook voor elektronische en niet-elektronische communicatie kunnen worden gebruikt.

(6)

Het is belangrijk dat de procedures voor de bescherming van in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzame personen, ongeacht de aard van hun werkrelatie en of zij al dan niet worden betaald, deze personen beschermen tegen represailles, discriminatie of andere vormen van rechtstreekse of onrechtstreekse onbillijke behandeling wanneer zij inbreuken melden of worden beschuldigd van inbreuken op Verordening (EU) nr. 596/2014. Onbillijke behandeling kan zeer uiteenlopende vormen aannemen naargelang van de omstandigheden. Daarom moeten individuele gevallen worden beoordeeld op grond van regels van geschillenbeslechting of gerechtelijke procedures die in het nationale recht voorhanden zijn.

(7)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten over adequate beschermingsprocedures beschikken voor de verwerking van meldingen van inbreuken en van de persoonsgegevens van de aangegeven personen. Deze procedures moeten ervoor zorgen dat de identiteit van elke persoon die een melding doet of die wordt aangegeven, in alle fasen van de procedure wordt beschermd. Deze verplichting dient geen afbreuk te doen aan de noodzaak en de evenredigheid van de verplichting tot openbaarmaking van informatie wanneer dit door het Unierecht of de nationale wetgeving wordt voorgeschreven, en dient onderworpen te zijn aan passende waarborgen uit hoofde van die wetgeving, ook in het kader van onderzoek of gerechtelijke procedures of om de vrijheden van anderen te beschermen, zoals het recht op verdediging van de aangegeven persoon.

(8)

Het is uiterst belangrijk en noodzakelijk dat specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit en personeelsleden van de bevoegde autoriteit die toegang krijgen tot informatie welke door een meldende persoon aan de bevoegde autoriteit is verstrekt, zich bij het doorgeven van de gegevens zowel binnen als buiten de bevoegde autoriteit houden aan het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht, ook wanneer de bevoegde autoriteit een onderzoek start of handhavingsmaatregelen vaststelt naar aanleiding van de melding van inbreuken.

(9)

De lidstaten moeten erop toezien dat alle meldingen van een inbreuk naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding bij de bevoegde autoriteit kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, in voorkomend geval als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van handhavingsmaatregelen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) en de nationale wetgeving tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG worden nageleefd.

(10)

De bescherming van de persoonsgegevens van de meldende en van de aangegeven persoon is van cruciaal belang om onbillijke behandeling of imagoschade als gevolg van de bekendmaking van persoonsgegevens, met name gegevens waaruit de identiteit van de betrokkene blijkt, te voorkomen. Daarom dienen de bevoegde autoriteiten naast de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming die voortvloeit uit de omzetting van Richtlijn 95/46/EG, passende gegevensbeschermingsprocedures vast te stellen die specifiek gericht zijn op de bescherming van de meldende en de aangegeven persoon, met inbegrip van een veilig systeem binnen de bevoegde autoriteit dat uitsluitend toegankelijk is voor bevoegd personeel.

(11)

De doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteit naar aanleiding van de melding van een inbreuk zou noodzakelijk kunnen zijn om een dergelijke melding te beoordelen en om de noodzakelijke onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te treffen. Bij de doorgifte van gegevens binnen de bevoegde autoriteit of aan derden moeten de bevoegde autoriteiten de vertrouwelijkheid van die gegevens, overeenkomstig de nationale wetgeving, zoveel mogelijk respecteren.

(12)

De rechten van de aangegeven persoon die beschuldigd wordt van een inbreuk op Verordening (EU) nr. 596/2014, moeten worden beschermd om reputatieschade of andere negatieve gevolgen te voorkomen. Voorts dienen, in alle fasen van de procedure volgend op de melding, het recht op verdediging en de toegang tot rechtsmiddelen van de aangegeven persoon volledig te worden gerespecteerd. De lidstaten dienen het recht op verdediging van de aangegeven persoon te waarborgen, met inbegrip van het recht op toegang tot het dossier, het recht om te worden gehoord en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen een besluit betreffende de aangegeven persoon, overeenkomstig de toepasselijke procedures van nationaal recht in het kader van een onderzoek of de daaropvolgende gerechtelijke procedures.

(13)

Een regelmatige en ten minste tweejaarlijkse (eenmaal per twee jaar) evaluatie van de procedures van de bevoegde autoriteiten moet garanderen dat deze procedures passend en actueel zijn en derhalve aan hun doel beantwoorden. Hiertoe is het belangrijk dat de bevoegde autoriteiten hun eigen ervaringen evalueren en ervaringen en goede praktijken uitwisselen met andere bevoegde autoriteiten.

(14)

Gezien het feit dat de opstelling van gedetailleerde regels voor de bescherming van klokkenluiders het voor de lidstaten moeilijker zou maken de verenigbaarheid en de operationele overeenstemming met hun nationale stelsels, met inbegrip van de administratieve, procedurele en institutionele aspecten daarvan te waarborgen, dient de uitvoeringshandeling een enigszins flexibel karakter te hebben. Deze flexibiliteit zou beter worden bereikt met een richtlijn dan met een verordening en daarom lijkt een richtlijn het geschiktste instrument om de lidstaten in staat te stellen de regelgeving betreffende de melding van inbreuken op efficiënte wijze in hun nationale stelsels, waaronder het institutionele kader, op te nemen.

(15)

Gezien het feit dat Verordening (EU) nr. 596/2014 op 3 juli 2016 in werking treedt, dienen de lidstaten de bepalingen die uit deze richtlijn voortvloeien vanaf 3 juli 2016 om te zetten en toe te passen.

(16)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen stroken met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt regels vast ter specificatie van de in artikel 32, lid 1, van Verordening (EU) nr. 596/2014 vermelde procedures, zoals regelingen inzake de melding van inbreuken en het in behandeling nemen daarvan, alsook maatregelen ter bescherming van personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn, en maatregelen inzake de bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)   „meldende persoon”: een persoon die een daadwerkelijke of potentiële inbreuk op Verordening (EU) nr. 596/2014 bij de bevoegde autoriteit meldt;

2)   „aangegeven persoon”: een persoon die er door de meldende persoon van wordt beschuldigd een inbreuk op Verordening (EU) nr. 596/2014 te hebben gemaakt of te hebben voorgenomen;

3)   „melding van een inbreuk”: een melding door de meldende persoon aan de bevoegde autoriteit inzake een daadwerkelijke of potentiële inbreuk op Verordening (EU) nr. 596/2014.

HOOFDSTUK II

PROCEDURES VOOR HET ONTVANGEN EN IN BEHANDELING NEMEN VAN MELDINGEN VAN INBREUKEN

Artikel 3

Specifieke personeelsleden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over personeelsleden die zich specifiek met de behandeling van meldingen van inbreuken bezighouden („specifieke personeelsleden”). Deze specifieke personeelsleden worden opgeleid voor de behandeling van meldingen van inbreuken.

2.   Specifieke personeelsleden vervullen de volgende taken:

a)

het verstrekken van informatie aan belanghebbenden over de procedures voor het melden van inbreuken;

b)

het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van inbreuken;

c)

het onderhouden van contacten met de meldende persoon indien deze zich bekend heeft gemaakt.

Artikel 4

Informatie over het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van inbreuken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de informatie over het ontvangen van meldingen van inbreuken als bedoeld in lid 2 in een afzonderlijke, gemakkelijk herkenbare en toegankelijke rubriek op hun website publiceren.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat alle volgende elementen:

a)

de communicatiekanalen voor het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van inbreuken en voor het contacteren van de specifieke personeelsleden overeenkomstig artikel 6, lid 1, met inbegrip van:

1)

de telefoonnummers, met de vermelding of de gesprekken bij gebruik van die telefoonlijnen al of niet worden opgenomen;

2)

specifieke elektronische en postadressen, die veilig zijn en geheimhouding waarborgen, om contact op te nemen met de specifieke personeelsleden;

b)

de procedures die van toepassing zijn bij meldingen van inbreuken als bedoeld in artikel 5;

c)

de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen van inbreuken overeenkomstig de procedures voor meldingen van inbreuken als bedoeld in artikel 5;

d)

de procedures voor de bescherming van personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn;

e)

een verklaring waarin duidelijk wordt uitgelegd dat personen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 informatie aan de bevoegde autoriteiten verstrekken, niet geacht worden inbreuk te maken op enige bij overeenkomst of bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking van de openbaarmaking van informatie, en dat deze personen op geen enkele wijze aansprakelijk mogen worden gesteld in verband met deze openbaarmaking van informatie.

3.   De bevoegde autoriteiten kunnen meer gedetailleerde informatie op hun website publiceren over het ontvangen en in behandeling nemen van inbreuken als vermeld in lid 2.

Artikel 5

Procedures die van toepassing zijn op meldingen van inbreuken

1.   De procedures die van toepassing zijn op meldingen van inbreuken als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder b), bevatten duidelijk alle volgende informatie:

a)

dat meldingen van inbreuken ook anoniem kunnen worden ingediend;

b)

de wijze waarop de meldende persoon de verstrekte informatie dient toe te lichten of waarop hij de aanvullende informatie waarover hij beschikt, dient te verstrekken wanneer de bevoegde autoriteit daarom verzoekt;

c)

het soort, de inhoud en het tijdschema van de feedback over het resultaat van de melding van de inbreuk die de meldende persoon na de melding kan verwachten;

d)

de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen van inbreuken, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de omstandigheden waaronder de vertrouwelijke gegevens van een meldende persoon openbaar mogen worden gemaakt overeenkomstig de artikelen 27, 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 596/2014.

2.   De gedetailleerde beschrijving als bedoeld in lid 1, onder d), maakt de meldende persoon attent op de uitzonderlijke gevallen waarin de geheimhouding van gegevens mogelijk niet kan worden gewaarborgd, zoals wanneer de openbaarmaking van gegevens een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door het nationaal recht wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of daaropvolgende gerechtelijke procedures of ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de aangegeven persoon, waarbij in elk afzonderlijk geval op grond van die wetgeving passende waarborgen worden geboden.

Artikel 6

Specifieke communicatiekanalen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten onafhankelijke en autonome communicatiekanalen instellen, die veilig zijn en de geheimhouding waarborgen, voor het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van inbreuken (hierna „specifieke communicatiekanalen” genoemd).

2.   Specifieke communicatiekanalen worden als onafhankelijk en autonoom beschouwd indien zij aan elk van de volgende criteria voldoen:

a)

zij zijn gescheiden van de algemene communicatiekanalen van de bevoegde autoriteit, ook van de kanalen waarlangs de bevoegde autoriteit in het kader van haar normale dagelijkse activiteiten intern en met derde partijen communiceert;

b)

zij zijn op zodanige wijze ontworpen, opgezet en bediend dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie gewaarborgd is en de toegang tot die informatie van niet-geautoriseerde personeelsleden van de bevoegde autoriteit wordt verhinderd;

c)

zij bieden de mogelijkheid om, met het oog op verder onderzoek, duurzame informatie op te slaan overeenkomstig artikel 7.

3.   De specifieke communicatiekanalen bieden de mogelijkheid om daadwerkelijke of potentiële inbreuken te melden op ten minste elk van de volgende wijzen:

a)

een schriftelijke melding van inbreuken in elektronische vorm of op papier;

b)

een mondelinge melding van inbreuken via een telefoonlijn, al of niet met gespreksopname;

c)

een fysieke ontmoeting met specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

4.   De bevoegde autoriteit verstrekt de informatie als bedoeld in artikel 4, lid 2, aan de meldende persoon vóór de ontvangst van de melding van de inbreuk of ten laatste op het moment van de ontvangst van de melding.

5.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de melding van een inbreuk die op andere wijze dan via de specifieke communicatiekanalen als bedoeld in dit artikel wordt ontvangen, via specifieke communicatiekanalen onverwijld en ongewijzigd wordt toegezonden aan de specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

Artikel 7

Registratie van ontvangen meldingen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties een register bijhouden van elke ontvangen melding van een inbreuk.

2.   De bevoegde autoriteiten zenden onverwijld een bevestiging van ontvangst van een schriftelijke melding van een inbreuk naar het post- of e-mailadres dat door de meldende persoon is opgegeven, tenzij de betrokkene hiertegen uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt of de bevoegde autoriteit op redelijke gronden van oordeel is dat de bevestiging van ontvangst van een schriftelijke melding afbreuk zou doen aan de bescherming van de identiteit van de meldende persoon.

3.   Wanneer een telefoonlijn met gespreksopname wordt gebruikt voor het melden van inbreuken, heeft de bevoegde autoriteit het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van:

a)

een audio-opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of

b)

een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit. In gevallen waarin de meldende persoon zijn identiteit heeft bekendgemaakt, biedt de bevoegde autoriteit hem de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

4.   Wanneer een telefoonlijn zonder gespreksopname wordt gebruikt voor het melden van inbreuken, heeft de bevoegde autoriteit het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door de specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit. In gevallen waarin de meldende persoon zijn identiteit heeft bekendgemaakt, biedt de bevoegde autoriteit hem de mogelijkheid het verslag van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

5.   Wanneer een persoon verzoekt om een fysieke bijeenkomst met de specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit voor het melden van een inbreuk overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder c), zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat een volledig en nauwkeurig verslag van de bijeenkomst in een duurzame en opvraagbare vorm wordt bijhouden. De bevoegde instantie heeft het recht om het verslag van de fysieke bijeenkomst te registreren in de vorm van:

a)

een audio-opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of

b)

volledige en nauwkeurige notulen van de bijeenkomst, opgesteld door de specifieke personeelsleden van de bevoegde autoriteit. In gevallen waarin de meldende persoon zijn identiteit heeft bekendgemaakt, biedt de bevoegde autoriteit hem de mogelijkheid de notulen van de bijeenkomst te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

Artikel 8

De bescherming van personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn

1.   De lidstaten stellen procedures vast om te zorgen voor een doeltreffende informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en andere relevante autoriteiten die zich bezighouden met de bescherming van personen die werkzaam zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst en die inbreuken op Verordening (EU) nr. 596/2014 aan de bevoegde autoriteiten melden of die van dergelijke inbreuken worden beschuldigd, tegen represailles, discriminatie of andere vormen van onbillijke behandeling welke het gevolg zijn van of verband houden met de melding van inbreuken op Verordening (EU) nr. 596/2014.

2.   De in lid 1 bedoelde procedures waarborgen ten minste dat:

a)

meldende personen toegang hebben tot volledige informatie en advies over de rechtsmiddelen en procedures die in het kader van het nationale recht voorhanden zijn om hen te beschermen tegen onbillijke behandeling, met inbegrip van de procedures inzake het vorderen van een geldelijke vergoeding;

b)

meldende personen toegang hebben tot effectieve bijstand van bevoegde autoriteiten ten aanzien van elke instantie die betrokken raakt bij de bescherming van deze personen tegen onbillijke behandeling, onder meer door de status van klokkenluider van de meldende persoon in arbeidsgeschillen te bekrachtigen.

Artikel 9

Procedures ter bescherming van persoonsgegevens

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de in artikel 7 vermelde gegevens in een vertrouwelijk en veilig systeem opslaan.

2.   De toegang tot het in lid 1 bedoelde systeem is aan beperkingen onderworpen die ervoor zorgen dat de hierin opgeslagen gegevens alleen beschikbaar zijn voor leden van het personeel van de bevoegde autoriteit voor wie toegang tot deze gegevens noodzakelijk is om hun beroepstaken te vervullen.

Artikel 10

Doorgifte van gegevens binnen en buiten de bevoegde autoriteit

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over passende procedures beschikken voor de doorgifte van persoonsgegevens van de meldende en de aangegeven persoon binnen en buiten de bevoegde autoriteit.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de doorgifte van gegevens in verband met de melding van een inbreuk binnen of buiten de bevoegde autoriteit, niet rechtstreeks of onrechtstreeks de identiteit van de meldende of de aangegeven persoon onthult of enige andere verwijzing bevat naar omstandigheden waaruit de identiteit van de meldende of de aangegeven persoon zou kunnen worden afgeleid, tenzij die doorgifte geschiedt overeenkomstig de in artikel 5, lid 1, onder d), bedoelde geheimhoudingsregels.

Artikel 11

Procedures ter bescherming van de aangegeven personen

1.   Wanneer de identiteit van aangegeven personen niet bekend is bij het publiek, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat hun identiteit ten minste op dezelfde wijze wordt beschermd als die van personen naar wie de bevoegde autoriteit een onderzoek heeft ingesteld.

2.   De procedures van artikel 9 zijn ook van toepassing op de bescherming van de identiteit van aangegeven personen.

Artikel 12

Evaluatie van de procedures door de bevoegde autoriteiten

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten hun procedures voor het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van inbreuken regelmatig, en ten minste om de twee jaar, evalueren. Bij de evaluatie van deze procedures houden de bevoegde autoriteiten rekening met hun eigen ervaring en die van andere bevoegde autoriteiten en passen zij hun procedures dienovereenkomstig aan, waarbij zij tevens de technologische en marktontwikkelingen in aanmerking nemen.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Omzetting

De lidstaten zorgen ervoor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, uiterlijk op 3 juli 2016 worden vastgesteld en bekendgemaakt. Zij delen de Commissie de tekst van deze bepalingen onverwijld mee.

Zij passen de bepalingen toe met ingang van 3 juli 2016.

Wanneer de lidstaten de bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

(2)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.