4.8.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 207/1


BESLUIT (EU) 2015/1339 VAN DE RAAD

van 13 juli 2015

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Tijdens de Klimaatconferentie van Doha in december 2012 hebben de partijen bij het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering („het Protocol van Kyoto”) de wijziging van Doha aangenomen, waarmee een tweede verbintenisperiode in het kader van het Protocol van Kyoto wordt ingesteld, die ingaat op 1 januari 2013 en afloopt op 31 december 2020 („de wijziging van Doha”). De wijziging van Doha houdt een wijziging in van bijlage B bij het Protocol van Kyoto, waarbij voor de in die bijlage opgenomen partijen juridisch bindende mitigatieverplichtingen voor de tweede verbintenisperiode zijn vastgesteld en bepalingen voor de uitvoering van de mitigatieverplichtingen van de partijen tijdens de tweede verbintenisperiode zijn gewijzigd en nader omschreven.

(2)

De Unie en haar lidstaten hebben met de wijziging van Doha ingestemd als onderdeel van een pakket waarbij de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering („het Verdrag”) zijn overeengekomen om uiterlijk in 2015 een protocol, een andere rechtstekst of een rechtskrachtig onderhandelingsresultaat in het kader van het Verdrag aan de nemen, dat van toepassing is voor alle partijen en vanaf 2020 in werking zou moeten treden en zou moeten worden toegepast. De onderhandelingen over dit juridisch bindend instrument worden gevoerd in de Ad-hocwerkgroep inzake het platform van Durban voor versterkte maatregelen.

(3)

De wijziging van Doha moet worden aanvaard door de partijen bij het Protocol van Kyoto en treedt voor de partijen die het hebben aanvaard in werking negentig dagen na de datum waarop de depositaris van het Verdrag een akte van aanvaarding heeft ontvangen van ten minste drie vierde van de partijen bij het Protocol van Kyoto. In totaal zijn voor de inwerkingtreding van de wijziging van Doha 144 akten van aanvaarding vereist.

(4)

De Raad is in zijn conclusies van 9 maart 2012 overeengekomen om voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, voor de Unie en haar lidstaten een gezamenlijke gekwantificeerde emissiereductieverplichting van 20 % voor te stellen. Die verplichting is vastgesteld op basis van de totale broeikasgasemissies die gedurende de periode 2013-2020 krachtens het klimaat- en energiepakket zijn toegestaan (2).

(5)

Conform die aanpak is de Raad ook overeengekomen dat de emissiereductieverplichtingen van de individuele lidstaten niet verder gaan dan de verplichtingen die in wetgeving van de Europese Unie zijn vastgesteld, en dat de verplichtingen overeenkomstig het Protocol van Kyoto gebaseerd worden op de som van de emissies van de lidstaten in het referentiejaar. De Unie en haar lidstaten zijn dienovereenkomstig op de Klimaatconferentie van Doha een gekwantificeerde reductieverplichting overeengekomen die hun gemiddelde jaarlijkse broeikasgasemissies tijdens de tweede verbintenisperiode beperkt tot 80 % van de som van hun emissies in het referentiejaar. Dit komt tot uiting in de wijziging van Doha.

(6)

Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 9 maart 2012 hebben de Unie en haar lidstaten tevens aangeboden om in de periode tot 2020 over te gaan op een reductie van 30 % ten opzichte van de niveaus van 1990, als onderdeel van een wereldwijde en integrale overeenkomst voor de periode na 2012, op voorwaarde dat andere ontwikkelde landen vergelijkbare emissiereducties toezeggen, en dat ontwikkelingslanden naar hun verantwoordelijkheden en respectieve vermogens een passende bijdrage leveren. Dit aanbod komt ook tot uiting in de wijziging van Doha.

(7)

De doelstellingen voor de Unie en haar lidstaten zijn in de wijziging van Doha opgenomen met een voetnoot die stelt dat deze doelstellingen gebaseerd zijn op de veronderstelling dat zij overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto door de Europese Unie en haar lidstaten gezamenlijk zullen worden nagekomen. De Unie, haar lidstaten, Kroatië en IJsland hebben bij de goedkeuring van de wijziging van Doha tevens een gemeenschappelijke verklaring afgelegd waarin zij hun voornemen uitspreken om hun verplichtingen voor de tweede verbintenisperiode gezamenlijk na te komen. Deze verklaring komt tot uiting in het verslag van de Conferentie en wordt herhaald in de conclusies van de Raad van 17 december 2012.

(8)

Door hun beslissing om overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto hun verplichtingen gezamenlijk na te komen, zijn de Unie en haar lidstaten overeenkomstig lid 6 van dat artikel en met artikel 24, lid 2, van het Protocol van Kyoto gezamenlijk verantwoordelijk voor de nakoming van hun gekwantificeerde emissiereductieverplichtingen uit hoofde van artikel 3, lid 1 bis, van het Protocol van Kyoto. Bijgevolg, en overeenkomstig artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, hebben de lidstaten elk voor zich en gezamenlijk de verplichting alle passende maatregelen te treffen, zowel algemene maatregelen als bijzondere, om te waarborgen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de acties van de instellingen van de Unie worden nagekomen, de nakoming van deze verplichtingen te bevorderen, en zich te onthouden van iedere handeling die de verwezenlijking ervan in het gedrang kan brengen.

(9)

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het Protocol van Kyoto dat die partijen in staat stelt hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto gezamenlijk na te komen, stellen de Unie, haar lidstaten, Kroatië en IJsland in dezelfde verklaring voorts dat artikel 3, lid 7 ter, van het Protocol van Kyoto wordt toegepast op de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid uit hoofde van de overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming van de verplichtingen van de Unie, haar lidstaten, Kroatië en IJsland, en niet wordt toegepast op de lidstaten, Kroatië en IJsland afzonderlijk. De Raad heeft tijdens zijn zitting van 15 december 2009 het verzoek van IJsland verwelkomd om zijn verplichtingen tijdens de tweede verbintenisperiode gezamenlijk met de Unie en haar lidstaten na te komen en heeft de Commissie verzocht een aanbeveling in te dienen voor het openen van de noodzakelijke onderhandelingen met IJsland over een overeenkomst die in overeenstemming is met de beginselen en criteria van het klimaat- en energiepakket van de Unie. De Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en IJsland, anderzijds, betreffende de deelname van IJsland aan de gezamenlijke nakoming van de verbintenissen van de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (3) („de overeenkomst met IJsland”) stelt de voorwaarden voor die deelname vast.

(10)

Overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto moeten de partijen die hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto gezamenlijk nakomen in de desbetreffende overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming de respectieve emissieniveaus bepalen die aan elk van de partijen zijn toegekend. Overeenkomstig het Protocol van Kyoto moeten de partijen bij een overeenkomst inzake de gezamenlijke nakoming het secretariaat van het Verdrag op de datum van neerlegging van hun akten van bekrachtiging of goedkeuring in kennis stellen van de voorwaarden van die overeenkomst.

(11)

De lidstaten zijn uit hoofde van het Verdrag en het Protocol van Kyoto primair verantwoordelijk voor hun uitstoot. Om de boekhouding en naleving in de tweede verbintenisperiode te vergemakkelijken, zijn zij voornemens de Unie te belasten met het beheer van een deel van de hun toegewezen eenheden door voor de Unie een toegewezen hoeveelheid in het leven te roepen.

(12)

Overeenkomstig de bestaande wetgeving van de Unie dekt het respectieve emissieniveau dat aan de Unie is toegekend de emissies van broeikasgassen in het kader van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), voor zover deze broeikasgasemissies genoemd worden in bijlage A bij het Protocol van Kyoto.

(13)

De respectieve emissieniveaus van de lidstaten en IJsland dekken de broeikasgasemissies per bron en verwijderingen per put op hun grondgebied, voor zover deze bronnen en putten niet vallen onder Richtlijn 2003/87/EG maar onder het Protocol van Kyoto. Dat omvat alle emissies per bron en verwijderingen per put als gevolg van op de mens terug te voeren landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw (LULUCF) die vallen onder artikel 3, leden 3 en 4, van het Protocol van Kyoto die worden geboekt door de respectieve lidstaten en IJsland, evenals alle emissies van stikstoftrifluoride (NF3).

(14)

Elke netto-emissie als gevolg van LULUCF of NF3 in een lidstaat kan gecompenseerd worden door de overschotten van die lidstaat in andere sectoren die niet onder de regeling van de Unie voor de handel in emissierechten vallen of door gebruik te maken van de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto. Een lidstaat kan voor het compenseren van emissies als gevolg van LULUCF of NF3 ook gebruikmaken van overtollige emissierechten die uit zijn reserve van overschotten van de eerste verbintenisperiode zijn overgedragen, voor zover de emissies van die lidstaat zijn toegewezen hoeveelheid overschrijden. Indien blijkt dat een lidstaat toch nog te kampen krijgt met aanzienlijke onverwachte netto-emissies als gevolg van LULUCF of NF3, ondanks het voeren van een kordaat beleid om deze te beperken, dan moet de Commissie andere opties overwegen om een dergelijke lidstaat bij te staan.

(15)

Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 9 maart 2012 en het aanbod van de Unie en haar lidstaten om in de tweede verbintenisperiode een doelstelling van 80 % op te nemen, zijn de emissieniveaus van de lidstaten gelijk aan de som van hun jaarlijkse emissieruimte voor de periode 2013-2020, zoals bepaald overeenkomstig Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (5). Dat cijfer, gebaseerd op de GWP-waarden van het vierde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, is vastgesteld in bijlage II bij Besluit 2013/162/EU van de Commissie (6) en aangepast bij Uitvoeringsbesluit 2013/634/EU van de Commissie (7). Het emissieniveau voor IJsland is vastgesteld in de overeenkomst met IJsland.

(16)

Overeenkomstig overweging 11 toegewezen eenheden die aan het einde van de tweede verbintenisperiode beschikbaar zijn in het register van de Unie, moeten opnieuw in de registers van de lidstaten worden opgenomen nadat de Unie heeft voldaan aan haar verplichting uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) en onverminderd artikel 10, lid 7, van die verordening. De toewijzing van de teruggegeven toegewezen eenheden heeft betrekking op de unieke omstandigheden van de bekrachtiging van de wijziging van Doha, en geldt niet voor en doet geen afbreuk aan de verdeling van de inspanningen tussen de lidstaten in andere contexten, hetzij op internationaal niveau hetzij op het niveau van de Unie.

(17)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 525/2013 moeten de lidstaten rapporteren over de werkelijke of geschatte toewijzing van geverifieerde emissies die zijn gerapporteerd door installaties en exploitanten krachtens Richtlijn 2003/87/EG aan de broncategorieën van de nationale broeikasgasinventaris en, waar mogelijk, over de verhouding van die geverifieerde emissies tot de totale gerapporteerde broeikasgasemissies in die broncategorieën. Dat stelt de lidstaten in staat afzonderlijk te rapporteren over de emissies die verband houden met hun eigen emissieniveaus. In het verslag van de Unie moet in de rubriek betreffende de aan de Unie toegewezen hoeveelheid emissies vermeld worden hoeveel van de aan de Unie toegewezen hoeveelheid in elke lidstaat heeft plaatsgevonden.

(18)

De Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen, heeft besloten dat elke partij die een verbintenis voor de tweede verbintenisperiode heeft laten opnemen uiterlijk op 15 april 2015 bij het secretariaat van het Verdrag een verslag moet indienen om de berekening van haar toegewezen hoeveelheid mogelijk te maken. De Commissie moet een verslag opstellen om de berekening van de toegewezen hoeveelheid van de Unie mogelijk te maken, alsook een verslag om de berekening van de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid van de Unie, haar lidstaten en IJsland mogelijk te maken. De Commissie, de lidstaten en IJsland moeten uiterlijk op 15 april 2015 hun verslagen indienen, aan de hand waarvan wordt bepaald dat hun toegewezen hoeveelheden gelijk zijn aan de in bijlage I bij dit besluit opgenomen emissieniveaus.

(19)

Om de gehechtheid van de Unie en haar lidstaten aan een tijdige inwerkingtreding van de wijziging van Doha te benadrukken, moeten de Unie, haar lidstaten en IJsland zich inspannen om de wijziging uiterlijk in het derde kwartaal van 2015 te bekrachtigen.

(20)

De wijziging van Doha moet namens de Unie worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, op 8 december 2012 in Doha overeengekomen, wordt namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van de wijziging van Doha is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De Unie en haar lidstaten komen hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto en de wijziging van Doha na overeenkomstig de kennisgeving van de voorwaarden van de overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming van de verplichtingen van de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto („de kennisgeving”), overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto en zoals uiteengezet in bijlage I bij dit besluit.

Artikel 3

1.   De toegewezen hoeveelheden van de lidstaten en IJsland zijn gelijk aan de emissieniveaus in de kennisgeving. Elke lidstaat dient uiterlijk op 15 april 2015 bij het secretariaat van het Verdrag een verslag in met het oog op de berekening van zijn toegewezen bedrag, overeenkomstig de eisen van het Protocol van Kyoto, de wijziging van Doha en op grond daarvan genomen besluiten.

2.   De Commissie stelt een verslag op om de berekening van de toegewezen hoeveelheid van de Unie mogelijk te maken, alsook een verslag om de berekening van de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid van de Unie, haar lidstaten en IJsland („de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid”) mogelijk te maken, overeenkomstig de voorschriften van het Protocol van Kyoto, de wijziging van Doha en de op grond daarvan aangenomen besluiten. De Commissie dient deze verslagen uiterlijk op 15 april 2015 in bij het secretariaat van het Verdrag.

Artikel 4

1.   Alle toegewezen eenheden die voor de tweede verbintenisperiode beschikbaar zijn in het register van de Unie nadat de Unie heeft voldaan aan haar verplichting uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 525/2013 en nadat toegewezen eenheden overeenkomstig de op grond van artikel 10, lid 7, van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde uitvoeringshandelingen zijn overgedragen, worden („het overschot van de Unie”) aan het eind van de tweede verbintenisperiode teruggegeven aan de lidstaten.

2.   Het overschot van de Unie wordt aan de lidstaten toegewezen als volgt:

a)

een zesde van het overschot van de Unie wordt toegewezen aan de lidstaten die hun totale gemiddelde jaarlijkse emissies met meer dan 20 % hebben verminderd ten opzichte van hun individuele referentiejaar of -periode krachtens het Protocol van Kyoto aan het einde van de tweede verbintenisperiode, in verhouding tot hun overschrijding in ton;

b)

een derde van het overschot van de Unie wordt toegewezen aan de lidstaten die een overdracht overeenkomstig punt a) ontvangen en die een bbp per hoofd van de bevolking (bbp in 2013 in euro tegen marktprijzen) van minder dan 60 % van het Uniegemiddelde hebben, in verhouding tot hun overschrijding in ton;

c)

een derde van het overschot van de Unie wordt toegewezen aan alle lidstaten in verhouding tot hun totale emissieniveaus zoals vastgesteld in tabel 1 in bijlage I bij dit besluit;

d)

een zesde van het overschot van de Unie wordt toegewezen aan de lidstaten die een bbp per hoofd van de bevolking (bbp in 2013 in euro tegen marktprijzen) van minder dan 90 % van het Uniegemiddelde hebben, in verhouding tot hun totale emissieniveaus zoals vastgesteld in tabel 1 in bijlage I bij dit besluit.

Artikel 5

1.   De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om namens de Unie overeenkomstig artikel 20, lid 4 en artikel 21, lid 7, van het Protocol van Kyoto de akten van aanvaarding bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties neer te leggen, samen met de bevoegdheidsverklaring in bijlage II bij dit besluit, overeenkomstig artikel 24, lid 3, van het Protocol van Kyoto.

2.   De voorzitter van de Raad wijst tevens de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om bij het secretariaat van het Verdrag namens de Unie de kennisgeving te doen overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Protocol van Kyoto.

Artikel 6

1.   De lidstaten streven ernaar hun akten van aanvaarding gelijktijdig met de akte van aanvaarding van de Unie neer te leggen, en voor zover mogelijk uiterlijk in het derde kwartaal van 2015. Wanneer de lidstaten hun akten van aanvaarding neerleggen, stellen zij overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Protocol van Kyoto het secretariaat van het Verdrag in eigen naam in kennis van de kennisgeving.

2.   De lidstaten stellen de Commissie voorafgaand aan de derde vergadering van de Ad-hocwerkgroep inzake het platform van Durban voor versterkte maatregelen die zal worden gehouden van 8 tot 13 februari 2015, in kennis van hun besluit waarbij de wijziging van Doha is aanvaard, of, naargelang van de omstandigheden, van de vermoedelijke datum waarop de noodzakelijke procedures voor een dergelijke aanvaarding zullen zijn afgerond. De Commissie legt in overleg met de lidstaten een datum vast voor de gelijktijdige neerlegging van de akten van goedkeuring of aanvaarding.

Artikel 7

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

F. ETGEN


(1)  Goedkeuring van 10 juni 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63) en Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(3)  Zie bladzijde 17 van dit Publicatieblad.

(4)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(5)  Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(6)  Besluit 2013/162/EU van de Commissie van 26 maart 2013 tot vaststelling van de jaarlijkse emissieruimte van de lidstaten voor de periode 2013 tot en met 2020 overeenkomstig Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 90 van 28.3.2013, blz. 106).

(7)  Uitvoeringsbesluit 2013/634/EU van de Commissie van 31 oktober 2013 inzake de aanpassingen van de jaarlijkse emissieruimte van de lidstaten voor de periode 2013 tot en met 2020 overeenkomstig Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 292 van 1.11.2013, blz. 19).

(8)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).