17.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 185/17


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 10 juni 2014

inzake de kennisgeving aan een derde land van de mogelijkheid dat het land door de Commissie als niet-meewerkend derde land wordt geïdentificeerd op grond van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen

(2014/C 185/03)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (1), en met name artikel 32,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   INLEIDING

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 (hierna de „IOO-verordening” genoemd) is een EU-systeem tot stand gebracht om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

(2)

Hoofdstuk VI van de IOO-verordening heeft betrekking op de identificatie van niet-meewerkende derde landen, de stappen met betrekking tot landen die zijn aangemerkt als niet-meewerkend derde land, de vaststelling van een lijst van niet-meewerkende derde landen, de schrapping van landen van de lijst van niet-meewerkende derde landen, de bekendmaking van de lijst van niet-meewerkende derde landen en noodmaatregelen.

(3)

Krachtens artikel 32 van de IOO-verordening dient de Commissie derde landen kennis te geven van de mogelijkheid dat zij als niet-meewerkend land worden geïdentificeerd. Deze kennisgeving is voorlopig. De kennisgeving aan derde landen van de mogelijkheid dat zij als niet-meewerkend land worden geïdentificeerd, vindt plaats op grond van de bij artikel 31 van de IOO-verordening vastgestelde criteria. De Commissie dient bovendien alle in artikel 32 vastgestelde stappen met betrekking tot deze landen te nemen. De Commissie moet in de kennisgeving in het bijzonder melding maken van de essentiële feiten en overwegingen die ten grondslag liggen aan de identificatie, van de gelegenheid die aan die landen wordt geboden om een schriftelijk antwoord in te dienen, alsmede bewijsmateriaal dat de identificatie weerlegt, of, indien van toepassing, een actieplan met het oog op verbetering en de maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen. De Commissie dient de betrokken derde landen voldoende tijd te geven om op de kennisgeving te antwoorden, alsmede een redelijke termijn om de situatie te verhelpen.

(4)

Krachtens artikel 31 van de IOO-verordening kan de Commissie derde landen identificeren die naar haar mening niet meewerken bij de bestrijding van IOO-visserij. Een derde land kan als niet-meewerkend derde land worden geïdentificeerd indien het zich niet kwijt van de taken die het krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dient te vervullen wat betreft de te ondernemen actie om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

(5)

Niet-meewerkende derde landen worden geïdentificeerd op basis van de beoordeling van alle in artikel 31, lid 2, van de IOO-verordening bedoelde informatie.

(6)

Krachtens artikel 33 van de IOO-verordening kan de Raad een lijst van niet-meewerkende landen opstellen. Op die landen zijn onder meer de in artikel 38 van de IOO-verordening vastgestelde maatregelen van toepassing.

(7)

Op grond van artikel 20, lid 1, van de IOO-verordening moeten andere dan EU-vlaggenstaten de Commissie in kennis stellen van de regelingen die zij hebben ingesteld voor de tenuitvoerlegging, de controle en de handhaving van de door hun vissersvaartuigen na te leven wet- en regelgeving en instandhoudings- en beheermaatregelen.

(8)

Op grond van artikel 20, lid 4, van de IOO-verordening moet de Commissie administratief met derde landen samenwerken op gebieden die verband houden met de uitvoering van die verordening.

2.   PROCEDURE TEN AANZIEN VAN DE REPUBLIEK DER FILIPIJNEN

(9)

De kennisgeving van de Republiek der Filipijnen (hierna „de Filipijnen” genoemd) als vlaggenstaat is met ingang van 15 januari 2010 door de Commissie aanvaard overeenkomstig artikel 20 van de IOO-verordening.

(10)

Van 23 tot en met 27 januari 2012 heeft de Commissie met steun van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) een dienstbezoek aan de Filipijnen afgelegd in het kader van de in artikel 20, lid 4, van de IOO-verordening bedoelde administratieve samenwerking.

(11)

Doel van het dienstbezoek was informatie te verifiëren over de regelingen van de Filipijnen voor de tenuitvoerlegging, de controle en de handhaving van de door hun vissersvaartuigen na te leven wet- en regelgeving en instandhoudings- en beheermaatregelen, over de door de Filipijnen genomen maatregelen ter uitvoering van de verplichtingen in de strijd tegen de IOO-visserij, en over de uitvoering van de vangstcertificeringsregeling van de Unie.

(12)

De Filipijnen hebben op 3 februari 2012 aanvullende informatie verstrekt.

(13)

Het slotverslag over het dienstbezoek is op 21 februari 2012 aan de Filipijnen toegezonden.

(14)

De Commissie heeft op 24 maart 2012 de opmerkingen van de Filipijnen over dit slotverslag ontvangen.

(15)

Tijdens een follow-upbezoek van 25 tot en met 27 juni 2012 is de Commissie nagegaan welke maatregelen naar aanleiding van het eerste bezoek waren genomen.

(16)

De Commissie heeft de Filipijnen op 28 juni 2012 schriftelijke opmerkingen verstrekt over het Filipijnse plan voor de aanpak van IOO-problematiek.

(17)

De Filipijnen hebben op 4 oktober 2012, 12 december 2012 en 14 februari 2013 aanvullende informatie verstrekt.

(18)

Op 8 februari 2013 heeft een videoconferentie plaatsgevonden tussen de Filipijnen en de diensten van de Commissie.

(19)

De Filipijnen hebben op 22 april 2013 aanvullende informatie verstrekt.

(20)

Op 25 april 2013 heeft in Brussel een technische bijeenkomst plaatsgevonden, waarbij de Filipijnen aanvullende informatie hebben verstrekt.

(21)

Op 11 juni 2013 heeft in Brussel een nadere bijeenkomst tussen de Filipijnen en de diensten van de Commissie plaatsgevonden.

(22)

De Filipijnen hebben op 14 juni 2013 aanvullende informatie verstrekt. Met deze informatie hebben de Filipijnse autoriteiten de Commissie nader geïnformeerd over de geboekte vooruitgang in het kader van hun actieplan om IOO-problematiek aan te pakken en hebben zij een ontwerp verstrekt van het nationaal actieplan ter bestrijding van IOO-visserij en de aanvankelijke ontwerpwetten ter herziening van de visserijwet.

(23)

De Commissie heeft, met medewerking van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) en op verzoek van de Filipijnse autoriteiten, van 22 tot en met 26 juli 2013 een capaciteitsopbouwworkshop georganiseerd, waarbij de nadruk lag op havenstaatmaatregelen en risicoanalyse.

(24)

De Filipijnen hebben op 11 november 2013 aanvullende informatie verstrekt.

(25)

Op 22 november 2013 heeft in Brussel een bijeenkomst tussen de Filipijnen en de diensten van de Commissie plaatsgevonden.

(26)

In december 2013 heeft de Commissie van de Filipijnse autoriteiten de informatie ontvangen dat zij het uitvoeringsbesluit hebben genomen tot vaststelling van het nationaal actieplan ter bestrijding van IOO-visserij. De autoriteiten hebben de Commissie verder het memorandum van overeenstemming verstrekt dat op 9 december 2013 is ondertekend en waarmee een Gezamenlijke Commissie voor visserijsamenwerking is opgericht tussen de autoriteiten van de Filipijnen en van Papoea-Nieuw-Guinea.

(27)

De Commissie heeft in februari 2014 informatie ontvangen over met name het nationaal actieplan ter bestrijding van IOO-visserij, het nieuwe ontwerp voor de herziening van de visserijwet en de ontwerpverordening over traceerbaarheid. De ontwerpvisserijwet is besproken in de senaat en het Filipijnse huis van afgevaardigden.

(28)

Op 5 maart 2014 heeft in Brussel een bijeenkomst tussen de Filipijnen en de diensten van de Commissie plaatsgevonden. Op 25 maart 2014, 3 mei 2014 en 15 mei 2014 hebben de Filipijnen aanvullende informatie verstrekt.

(29)

De Filipijnen heeft gedurende de hiervoor beschreven uitwisseling een constructieve aanpak getoond bij de samenwerking met de Commissie. Er is forse vooruitgang geboekt bij de aanpak van de belangrijkste uitdagingen die zijn geïdentificeerd tijdens de dienstbezoeken ter plekke. Er bestaan echter nog steeds enkele tekortkomingen die nog niet volledig zijn aangepakt.

(30)

De Filipijnen zijn lid van de Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (WCPFC), de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) en de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC). De Filipijnen zijn ook meewerkend niet-lid van de Commissie voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (CCSBT). De Filipijnen hebben het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982 geratificeerd.

(31)

Om te beoordelen of de Filipijnen zijn internationale verplichtingen als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat naleeft die zijn opgenomen in de in overweging 30 genoemde internationale overeenkomsten en zijn vastgesteld door de in de overweging 30 genoemde regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s), heeft de Commissie alle informatie die zij hiertoe vereist acht, verzameld en geanalyseerd.

(32)

De Commissie heeft gebruikgemaakt van openbare informatie en van informatie verkregen uit beschikbare gegevens die door de desbetreffende ROVB’s zijn gepubliceerd.

3.   MOGELIJKE IDENTIFICATIE VAN DE FILIPIJNEN ALS NIET-MEEWERKEND DERDE LAND

(33)

De Commissie heeft overeenkomstig artikel 31, lid 3, van de IOO-verordening de taken van de Filipijnen als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat geanalyseerd. De Commissie heeft bij deze beoordeling rekening gehouden met de in artikel 31, leden 4 tot en met 7, van de IOO-verordening opgenomen parameters.

3.1.   Herhaalde IOO-vaartuigen en IOO-handelsstromen (artikel 31, lid 4, van de IOO-verordening)

(34)

Met betrekking tot onder Filipijnse vlag varende IOO-vaartuigen zijn, op basis van de informatie uit ROVB-vaartuigenlijsten, dergelijke vaartuigen niet gevonden op voorlopige of definitieve IOO-lijsten en bestaat er geen bewijs voor eerdere gevallen van onder Filipijnse vlag varende IOO-vaartuigen waardoor de Commissie in staat zou zijn de prestaties van de Filipijnen in verband met herhaalde IOO-visserijactiviteiten te analyseren overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder a).

(35)

Overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), heeft de Commissie ook de maatregelen onderzocht die de Filipijnen heeft genomen met betrekking tot de toegang van het land tot de markt van visserijproducten afkomstig van IOO-visserij.

(36)

Op grond van een beoordeling van alle informatie waarover zij beschikt, is de Commissie van oordeel dat de Filipijnen niet kunnen garanderen dat de visserijproducten die de Filipijnen of op de Filipijnen gevestigde verwerkingsbedrijven binnenkomen, niet van IOO-visserij afkomstig zijn. Dit is te wijten aan structurele problemen waardoor de autoriteiten van de Filipijnen niet over voldoende officiële informatie over aangelande, ingevoerde en/of verwerkte vis beschikken om vangsten te kunnen traceren. De belangrijkste elementen die aan de beoordeling van de Commissie ten grondslag liggen, worden hieronder samengevat.

(37)

De Filipijnen hebben een grote vissersvloot, die vis vangt in wateren onder hun jurisdictie, evenals op volle zee en in wateren die onder de jurisdictie van andere landen vallen. Overeenkomstig openbare informatie en aan de Commissie tijdens het eerste dienstbezoek in 2012 verstrekte informatie bedroeg de vloot ongeveer 9 300 commerciële vissersvaartuigen en ongeveer 470 000„banca’s” (kleine ambachtelijke vissersvaartuigen) (2). Ambachtelijke vissers vissen niet in wateren die buiten de nationale jurisdictie vallen en hun vangst wordt in ieder geval deels uitgevoerd naar de EU. De Filipijnen hebben een langeafstandsvloot die, in maart 2014, 68 vaartuigen omvatte die zich richten op tonijn („tonijnvissersvaartuigen”) en die zijn geregistreerd op de IOTC-lijst van toegestane vissersvaartuigen en 18 tonijnvissersvaartuigen die zijn geregistreerd op de ICCAT-lijst van toegestane vissersvaartuigen. Volgens door de Filipijnen in hun jaarlijkse aan de WCPFC verstrekte visserijverslagen over 2012 en 2013 beschikten de Filipijnen over 622 vissersvaartuigen (met inbegrip van transportvaartuigen) die per 1 juli 2012 zijn geregistreerd en 722 vissersvaartuigen die door die ROVB zijn geregistreerd per 11 juni 2013 (3). De Filipijnse vaartuigen richten zich voornamelijk op de vangst van tonijn. De jaarlijkse vangstgegevens voor tonijn die door de Filipijnen zijn ingediend, omvatten alle gevangen tonijn die is gelost in Filipijnse havens, ongeacht waar deze is gevangen en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen vangsten naar hun herkomst of naar de vlag van het vissersvaartuig. Hierdoor ontstaan er twijfels over de capaciteit om deze vangst op doeltreffende wijze te traceren, zoals nader toegelicht in de overwegingen 46 tot en met 55.

(38)

Op basis van de gegevens van het Bureau voor visserij en aquatische hulpbronnen van de Filipijnen (BFAR) zijn de gebruikelijke internationale visgebieden voor Filipijnse vaartuigen: de Celebeszee, de Indonesische wateren, de Maleisische wateren, de wateren van Palau, Papoea-Nieuw-Guinea, de westelijke Stille Oceaan en de gebieden van de ICCAT en de IOTC. De Filipijnen heeft visserijovereenkomsten gesloten met Papoea-Nieuw-Guinea, Kiribati en de Salomonseilanden. Overeenkomstig de tijdens de bijeenkomst van 5 maart 2014 verstrekte informatie opereren de meeste vissersvaartuigen (met zegennetten vissende vaartuigen) in de wateren van Papoea-Nieuw-Guinea (46) en de gebieden op volle zee van de WCPFC (33). Tot nu toe opereren er slechts twee vissersvaartuigen in de wateren van de Salomonseilanden. De in Papoea-Nieuw-Guinea aangelande vangsten zijn ook bestemd voor de EU-markt (tonijn in blik). Bovendien zijn er, per maart 2014, zes Filipijnse vaartuigen actief in het IOTC-gebied en acht in het ICCAT-gebied. De enige buitenlandse gecharterde vissersvaartuigen zijn transportvaartuigen en deze opereren uitsluitend in het WCPFC-gebied. Het is buitenlandse vissersvaartuigen momenteel niet toegestaan in de Filipijnse EEZ te vissen.

(39)

Vanwege de samenstelling van de Filipijnse vloot, in combinatie met de verscheidenheid aan bronnen van visserijproducten die de toeleveringsketen binnenkomen en een onvoldoende traceerbaarheidssysteem, bestaat er een duidelijk risico dat IOO-producten op de Filipijnse markt belanden.

(40)

De Commissie heeft de activiteiten van de tonijnverwerkende industrie op de Filipijnen geanalyseerd en bekeken of door deze activiteiten de kans bestaat dat visserijproducten die afkomstig zijn van IOO-visserij, op de Filipijnse markt belanden.

(41)

In het internationale actieplan om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (IOO-IAP) worden richtsnoeren inzake internationaal overeengekomen marktmaatregelen gegeven om de vermindering of uitbanning van de handel in van IOO-visserij afkomstige vis en visserijproducten te bevorderen. In punt 71 van het IOO-IAP wordt tevens aangeraden dat staten stappen ondernemen om de transparantie van hun markten te verbeteren teneinde de traceerbaarheid van vis of visserijproducten mogelijk te maken. Ook in de gedragscode van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) worden, met name in artikel 11, goede praktijken voor na de vangst en voor verantwoorde internationale handel beschreven. In artikel 11, lid 1, punt 11, wordt de staten verzocht de bepaling van de oorsprong van vis en visserijproducten te verbeteren en er zo voor te zorgen dat vis en visserijproducten internationaal en op de binnenlandse markt worden verhandeld overeenkomstig deugdelijke instandhoudings- en beheerpraktijken.

(42)

Verwerkingsbedrijven ontvangen hun grondstoffen van onder Filipijnse vlag varende vaartuigen die opereren in de wateren die onder de nationale jurisdictie van de Filipijnen vallen, op volle zee en in wateren die onder de jurisdictie van derde staten vallen, evenals van onder vreemde vlag varende vaartuigen die vis aanlanden op de Filipijnen en van invoer.

(43)

Sommige van de vaartuigen die vis aanlanden op de Filipijnen, varen onder de vlag van Korea of Papoea-Nieuw-Guinea. In dit verband wordt erop gewezen dat Korea op 26 november 2013 (4) van de Commissie de kennisgeving heeft ontvangen dat het land mogelijk wordt geïdentificeerd als een niet-meewerkend derde land overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Papoea-Nieuw-Guinea heeft op dezelfde datum als de Filipijnen een kennisgeving ontvangen. Vis is tevens afkomstig van Filipijnse visserijbedrijven die opereren in Papoea-Nieuw-Guinea (5).

(44)

Vis die wordt ingevoerd en verwerkt op de Filipijnen, kan daarnaast afkomstig zijn uit derde landen, waaronder landen die niet door de Commissie in kennis zijn gesteld, zoals Vanuatu, Kiribati en de Federale Staten van Micronesië (6). In dit verband wordt eraan herinnerd dat Vanuatu, Kiribati en de Federale Staten van Micronesië geen visserijproducten kunnen uitvoeren naar de Europese Unie, aangezien hun kennisgeving als vlaggenstaat overeenkomstig artikel 20 van de IOO-verordening niet door de Commissie is aanvaard.

(45)

Overeenkomstig de basisbeginselen van artikel 11, lid 1, punt 11, van de Gedragscode van de FAO voor verantwoorde visserij moeten de Filipijnen in staat zijn de oorsprong van vis en visserijproducten te monitoren en dienovereenkomstig te garanderen dat vis die niet voldoet aan de EU-normen, niet wordt uitgevoerd naar de EU. De Filipijnen leggen echter de traceerbaarheidsregeling niet ten uitvoer die vereist is om te voorkomen dat het land grondstoffen en visserijproducten invoert en heruitvoert uit niet-genotificeerde landen en landen die zijn geïdentificeerd als niet-meewerkende landen door de EU. Er is een goed functionerende traceerbaarheidsregeling vereist vanaf het moment van aanlanden tot dat van uitvoer of vanaf het moment van invoer tot de daaropvolgende uitvoer. Een dergelijk systeem is echter niet in werking op de Filipijnen en het gebrek aan controle van en toezicht op visserijactiviteiten, met name de aanlanding, de schaarste aan inspecties op zee en in de haven en het gebrek aan controles van de logboeken leiden ertoe dat IOO-visserijproducten gemakkelijk op de Filipijnse en de EU-markt kunnen belanden. Daarnaast is het een veel voorkomende praktijk dat vis die afkomstig is van onder Filipijnse vlag varende vaartuigen, wordt gevangen in de wateren van derde landen en vervolgens aangeland in derde landen voor verdere verwerking of wordt vervoerd naar de wateren van derde landen om vervolgens te worden doorgestuurd voor verwerking in een ander land. Er vinden dus veel risicovolle transacties plaats buiten de wateren van de Filipijnen. Van de Filipijnse autoriteiten wordt verwacht dat zij de volledige verantwoordelijkheid voeren voor hun vaartuigen in overeenstemming met artikel 94 van het VN-zeerechtverdrag (Unclos). De Filipijnen voert echter geen enkele maatregel uit die vereist is om te verzekeren dat de autoriteiten de betrouwbaarheid controleren van informatie en de traceerbaarheid van transacties die door zijn vaartuigen worden uitgevoerd.

(46)

De Filipijnen hebben Visserijbesluit nr. 241 betreffende de implementatie van het volgsysteem voor vaartuigen op volle zee vastgesteld. De Filipijnen hebben echter geen operationele toegang tot de vereiste informatie over de positie of activiteiten van enkele van zijn eigen vaartuigen die opereren in de wateren van derde landen, zoals Papoea-Nieuw-Guinea. Dit belemmert de mogelijkheden van de Filipijnen om hun volledige verantwoordelijkheid als vlaggenstaat te nemen met betrekking tot de juiste verstrekking van vangstcertificaten. Een meer gedetailleerde analyse van de problemen in verband met het houden van toezicht, controleren en surveilleren wordt besproken in afdeling 3.2.

(47)

Hoewel aanlandingsaangiften van cruciaal belang zijn voor de traceerbaarheid om de controle te garanderen en zo de input en output van de bedrijven bij te houden, worden ze niet gebruikt voor alle vangst die wordt aangeland op de Filipijnen. Om volledig betrouwbaar te zijn, moet de inhoud van een dergelijk document (in termen van kwaliteit van de gevangen vis en de soort) worden gecontroleerd en bevestigd door een onafhankelijke instantie. Vertrouwen op door de bedrijven verstrekte informatie, zoals de Filipijnen in veel gevallen doen, is niet voldoende. Om doeltreffend toezicht te houden op de visserijactiviteiten, moet het indienen van aanlandingsaangiften verplicht zijn voor vissersvaartuigen, ongeacht waar ze hun vangst aanlanden, terwijl dit momenteel alleen verplicht is voor aanlandingen op de Filipijnen. De autoriteiten van de Filipijnen hebben geen samenhangende reeks maatregelen ten uitvoer gelegd over de controle van documenten voor aanlandingen of overladingen die plaatsvinden in derde landen. Met betrekking tot de vangst die afkomstig is uit Papoea-Nieuw-Guinea, heeft de Commissie tijdens haar eerste dienstbezoek aan de Filipijnen in 2012 vastgesteld dat de autoriteiten zich niet altijd wisten of vis was aangeland in Papoea-Nieuw-Guinea of overgeladen in wateren van Papoea-Nieuw-Guinea voordat deze werd doorgestuurd naar de Filipijnen.

(48)

De Filipijnen heeft een vangstcertificeringsregeling geïntroduceerd in zijn wetgeving. In artikel 13 van Visserijbesluit nr. 238 betreffende regels en voorschriften ten behoeve van de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad betreffende de vangstcertificeringsregeling is het „vangstvalidatiecertificaat” (CVC) vastgesteld, dat is hernoemd tot „aanlandingsaangifte voor de oorsprong van de vangst” (COLD) krachtens Visserijbesluit nr. 238-1. Het gebruik van aanlandingsaangiften voor de oorsprong van de vangst is alleen verplicht voor vaartuigen die aanlanden in een bepaalde haven op de Filipijnen. Besluit nr. 238-1 is dus niet van toepassing op onder Filipijnse vlag varende vaartuigen die hun vangst aanlanden in andere landen, hetgeen vaak voorkomt.

(49)

Voor commerciële vissersvaartuigen wordt een visaanlandingsaangifte ingediend bij de aanlanding en deze wordt ondertekend door inspecteurs van het BFAR. Het probleem is dat de aanlandingsaangifte informatie bevat over de vaartuigen die de vis hebben gevangen, zelfs wanneer de vangst wordt aangeland door transportvaartuigen. De inspecteurs kunnen daarom aanlandingen certificeren van vissersvaartuigen die nog op zee zijn, zonder informatie over de visserijactiviteiten. Het huidige systeem voor de certificering van visaanlanding verzekert ook niet de traceerbaarheid, aangezien niet alle beschikbare en toepasselijke informatie aan elkaar wordt gekoppeld, zoals het aanlandende vaartuig en de verwerkingsfabriek waarvoor de vangst is bestemd.

(50)

Voor ambachtelijke visserij bestaan er bijna geen controles op zee of op het aanlandingspunt. De visvangstverslagen worden niet ondertekend door de lokale autoriteiten, maar worden gecertificeerd door de verwerkingsfabrieken bij ontvangst van de grondstoffen. Volgens de autoriteiten komt het als gevolg van een gebrek aan middelen zeer zelden voor dat een regeringsvertegenwoordiger van de desbetreffende autoriteit aanwezig is bij de aanlandingen. Bij afwezigheid van een officiële vertegenwoordiger van de autoriteiten op het moment van het invullen van het visvangstverslag, kunnen meerdere aanlandingen worden aangegeven voor één vissersvaartuig, zodat de vangst van geregistreerde vaartuigen met een vergunning wordt vermengd met die van ambachtelijke vaartuigen die niet zijn geregistreerd en geen vergunning hebben. Dit is problematisch, omdat dergelijke verslagen een van de belangrijkste documenten vormen voor de verstrekking van vereenvoudigde vangstcertificaten.

(51)

Het BFAR vertrouwt op de informatie die wordt verstrekt door de exploitanten van verwerkingsfabrieken, in plaats van dat de gegevens op de vangstcertificaten te controleren en te valideren op basis van eigen beoordeling. De Filipijnen zijn er niet in geslaagd een samenhangende controleregeling in te stellen voor de herziening van de traceerbaarheidsprocedures van de bedrijven. Bijvoorbeeld: ondanks het grote aantal documenten waarom wordt verzocht voorafgaand aan de validering van het vangstcertificaat (normaal en vereenvoudigd), kan het BFAR niet controleren of het op het vangstcertificaat vermelde gewicht correct is, aangezien er geen controles worden uitgevoerd in de fabrieken. De validatie van de vangstcertificaten kan dus worden gekwalificeerd als „blind” en het risico dat IOO-vangst in de uitvoerstromen terecht komt, is reëel.

(52)

Tijdens het eerste dienstbezoek van de Commissie in 2012 is gebleken dat er soms sprake was van een gebrek aan controle over de verwerkte hoeveelheden waarbij de hoeveelheden die werden verkregen na de verwerking bijna hetzelfde waren als de hoeveelheden voorafgaand aan de verwerking. In het geval van ingeblikte tonijn is dit onmogelijk, aangezien sommige delen van de vis moeten worden verwijderd en dit kan een aanwijzing zijn dat er mogelijk IOO-producten zijn geïntroduceerd in de productie- en uitvoerstromen.

(53)

Tijdens het eerste dienstbezoek van de Commissie in 2012 is ook vastgesteld dat bedrijven die verzoeken om een vangstcertificaat, informeel wordt toegestaan om een vangstcertificaatnummer te verstrekken, dat moet bestaan uit een reeks specifieke codes zoals voorgeschreven door het BFAR (voor de identificatie van de uitvoerder of regio) en een opeenvolgend serienummer. Aangezien er geen gegevensbank of elektronisch systeem bestaat, is er geen controle op deze nummers, waardoor het risico ontstaat op misbruik waarbij hetzelfde nummer wordt gebruikt voor verschillende partijen.

(54)

Het probleem van de traceerbaarheid wordt versterkt door praktijken van ongecontroleerde overladingen op zee. Het is inderdaad mogelijk dat visserijproducten via een vrachtschip op de Filipijnse markt belanden en, gelet op de tekortkomingen op het gebied van controle en traceerbaarheid van de in overweging 49 toegelichte aanlandingen, bestaat er een risico dat vis afkomstig van IOO-visserij op de Filipijnen wordt ingevoerd. Overladingen komen veel voor, aangezien de meeste visserijactiviteiten van de handelsvloot, met uitzondering van met de beug vissende vaartuigen in het IOTC-gebied, worden ondersteund door transportvaartuigen, die de vis overladen van de vissersvaartuigen („vangers”) en naar een haven of verwerkingsfaciliteit brengen.

(55)

In dit verband moet eraan worden herinnerd dat door het gebrek aan controle op overladingen de autoriteiten niet in staat zijn de vangst te controleren van met zegennetten vissende vaartuigen en daarom het risico bestaat dat lagere vangsten worden gerapporteerd. De beperkte aanwezigheid van patrouillevaartuigen, de beperkte dekking van waarnemers aan boord (behalve tijdens de sluitingsperiode van visconcentratievoorzieningen (FAD’s), bv. in de zomer) en de huidige zwakke operationele status van het VMS kunnen ook leiden tot een toename van IOO-visserijactiviteiten. Er bestaan ook zwakke punten bij de controle van de ambachtelijke visserij, zoals beperkte controle bij de aanlanding en beperkte surveillance op zee. Daarnaast wordt het vergunningensysteem nog steeds niet uitgevoerd in alle gemeenten.

(56)

De autoriteiten van de Filipijnen hebben verschillende keren erkend dat er tekortkomingen bestaan in hun systemen met betrekking tot de traceerbaarheid. Bij de op 25 februari verstrekte informatie hebben de Filipijnen een verordening voor de traceerbaarheid gepresenteerd, maar tot op heden heeft de Commissie nog geen concrete vooruitgang waargenomen met betrekking tot de traceerbaarheid.

(57)

Daarom zijn, zoals hierboven in de overwegingen 46 tot en met 54 besproken, het gebrek aan controle op de vangstcertificaten van invoerproducten en op verwerkingsfabrieken, evenals het aantal manieren waarop de vis kan worden gevangen, stimulansen voor de langeafstandsvloot om IOO-visserijproducten uit te voeren samen met legale vis, ongeacht of deze nationaal of in het buitenland is gevangen. De beperkte controle op de activiteiten op zee (visserij en overladingen) versterkt het probleem, zoals zal worden besproken in de overwegingen 67 tot en met 75 in afdeling 3.2.

(58)

In de gedragscode van de FAO wordt transparantie van de visserijwetgeving en bij de opstelling daarvan alsmede van de respectieve beleidsvormings-, besluitvormings- en beheerprocessen aanbevolen (respectievelijk artikel 6, lid 13, en artikel 7, lid 1, punt 9). De gedragscode bevat beginselen en standaarden voor de instandhouding, het beheer en de ontwikkeling van alle visserijtakken, en heeft voorts onder meer betrekking op de vangst, verwerking en verhandeling van vis en visserijproducten, visserijactiviteiten en visserijonderzoek. In artikel 11, leden 2 en 3, van de gedragscode van de FAO wordt voorts aangegeven dat de internationale handel in vis en visserijproducten de duurzame ontwikkeling van de visserij niet in het gedrang zou mogen brengen, en op transparante maatregelen en transparante, eenvoudige en begrijpelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zou moeten zijn gebaseerd.

(59)

Hoewel de Filipijnen streven naar een gezamenlijk registratiesysteem voor vissersvaartuigen, bestaat er momenteel een vaartuigregistratiesysteem bij de registrerende autoriteit (de Maritime Industry Authority, hierna „Marina” genoemd) en een visvergunningensysteem. Zoals geconstateerd tijdens het eerste dienstbezoek van de Commissie in 2012, bestaan er aanzienlijke tekortkomingen in het registratiesysteem voor vaartuigen. Er bestaan inconsistentieproblemen in het aantal vaartuigen dat is geregistreerd bij de Marina en bij de vergunningverlenende autoriteiten (ministerie van Landbouw (BFAR)/lokale regeringseenheden (LGU’s)), evenals een gebrek aan structurele samenwerking tussen deze entiteiten. Na de dienstbezoeken van de Commissie hebben het BFAR en de Marina een memorandum van overeenstemming gesloten over hun samenwerking. Daarnaast is een groot aantal kleine vaartuigen dat vist in gemeentelijke wateren niet geregistreerd door de verantwoordelijke LGU’s (dit aantal wordt zelfs geschat op 50 %), zodat de controle moeilijk is. Verder heeft de Commissie tijdens haar dienstbezoeken vastgesteld dat er ook tekortkomingen bestaan bij het beheren van visvergunningen, aangezien de aantallen afgegeven vergunningen en de gegevens die door de autoriteiten worden geregistreerd, onvolledig zijn.

(60)

De voorwaarden voor de vaartuigregistratie moeten worden gekoppeld aan de visvergunningen, zoals vastgesteld in artikel 40 van het IOO-IAP en moeten duidelijk, transparant en openbaar beschikbaar zijn. Op de Filipijnen bestaat er echter een grote discrepantie tussen het aantal commerciële vissersvaartuigen dat is geregistreerd en het aantal waarvoor een vergunning is verleend. Volgens de Marina zijn er in 2010 3 700 vissersvaartuigen, met inbegrip van ambachtelijke boten geregistreerd, terwijl er in 2011 voor bijna 8 000 commerciële vissersvaartuigen een vergunning is verleend. De door de Marina beheerde gegevensbank is daarom niet bijgewerkt, aangezien er meer vissersvaartuigen met een vergunning zijn dan geregistreerde vissersvaartuigen, hetgeen in werkelijkheid onmogelijk is. Het opnemen van ambachtelijke en commerciële vaartuigen in dezelfde gegevensbank is niet gepast, aangezien de LGU’s niet regelmatig nauwkeurige gegevens verstrekken. Als gevolg daarvan klopt het totaalaantal niet. Dit leidt tot de conclusie dat het register niet up-to-date is.

(61)

De verscheidenheid aan vissersvaartuigen (opererend in gemeentelijke visserijen en commerciële visserijen, verder onderverdeeld in kleine, middelgrote en grote vaartuigen), evenals van visvergunningen (verstrekt door het BFAR voor commerciële vissersvaartuigen en discretionair verstrekt door LGU’s voor ambachtelijke vissersvaartuigen) en de daaruit volgende complexiteit van het vergunningensysteem, ondermijnt de mogelijkheid voor het traceren van visserijactiviteiten en de inspanningen op het gebied van monitoring, controle en toezicht. Het gebrek aan betrouwbare en volledige informatie over vaartuigregistratie en vergunningen heeft directe invloed op de mogelijkheden om correcte vangstcertificaten te verstrekken.

(62)

Als gevolg van het vastgestelde gebrek aan traceerbaarheid en het gebrek aan informatie over aangelande vis die beschikbaar is voor de Filipijnse autoriteiten, kunnen deze autoriteiten niet verzekeren dat visserijproducten die de Filipijnen of op de Filipijnen gevestigde verwerkingsfabrieken binnenkomen niet afkomstig zijn van IOO-visserij, zoals besproken in de overwegingen 43 tot en met 56.

(63)

Gezien de in deze afdeling opgenomen toelichting bij de situatie en gezien alle door de Commissie verzamelde feitelijke gegevens en alle door het land afgelegde verklaringen, kan op grond van artikel 31, lid 3 en lid 4, onder b), van de IOO-verordening worden vastgesteld dat de Filipijnen zich niet hebben gekweten van de taken die het land krachtens internationaal recht als kust- en marktstaat dient te vervullen om te voorkomen dat visserijproducten die afkomstig zijn van IOO-visserij op de markt komen.

3.2.   Niet-naleving van de verplichting tot samenwerking en handhaving (artikel 31, lid 5, onder a), b), c) en d), van de IOO-verordening)

(64)

De Commissie heeft eerst onderzocht of de Filipijnse autoriteiten doeltreffend met de Commissie samenwerken door te reageren op verzoeken van de Commissie om IOO-visserij en daarmee verband houdende activiteiten te onderzoeken, bevindingen over dergelijke activiteiten mee te delen of vervolgactie ten aanzien van dergelijke activiteiten te ondernemen.

(65)

De Filipijnse autoriteiten die de vangstcertificeringsregeling uit de IOO-verordening van de EU toepassen, stellen zich doorgaans coöperatief op wat betreft het reageren op verzoeken en het meedelen van bevindingen naar aanleiding daarvan, maar het vertrouwen in de juistheid van hun antwoorden wordt geschaad en ondermijnd door het gebrek aan transparantie en doordat er weinig tot geen mogelijkheden zijn om de traceerbaarheid van visserijproducten als vastgesteld in afdeling 3.1 te waarborgen.

(66)

De Commissie heeft in het kader van de algemene beoordeling of de Filipijnen zich hebben gekweten van zijn taken die het land als vlaggen-, haven- en kuststaat dient te vervullen ook geanalyseerd of de Filipijnen samenwerkt met andere vlaggenstaten bij de bestrijding van IOO-visserij.

(67)

Zoals aangehaald in overweging 46 hebben de Filipijnen geen toegang tot de vereiste informatie over de positie of activiteiten van enkele van zijn eigen vaartuigen die opereren in de wateren van derde landen, zoals in Papoea-Nieuw-Guinea. Hoewel de samenwerking onvoldoende is, laten de Filipijnse autoriteiten wel toe dat vaartuigen de Filipijnse vlag voeren om te vissen in de wateren van derde landen en kan het land daarom niet de volledige verantwoordelijkheid als vlaggenstaat nemen met betrekking tot de activiteiten van de vaartuigen die zich buiten de nationale wateren bevinden en de juistheid van de informatie bij de validatie van vangstcertificaten garanderen.

(68)

Verder omvat de taak van een vlaggenstaat in het bijzonder de verplichting om op doeltreffende wijze zijn jurisdictie uit te oefenen met betrekking tot administratieve, technische en sociale zaken over vaartuigen die onder zijn vlag varen, zoals bedoeld in artikel 94 van het VN-zeerechtverdrag en het IOO-IAP. In punt 24 van het IOO-IAP wordt vlaggenstaten geadviseerd uitgebreide en doeltreffende monitoring en controle van en toezicht op de visserij te verzekeren, vanaf het punt van aanlanding tot de eindbestemming, waaronder de tenuitvoerlegging van het volgsysteem voor vaartuigen (VMS) in overeenstemming met de toepasselijke nationale, regionale en internationale normen. Dit omvat de eis voor vaartuigen onder zijn jurisdictie om het VMS aan boord te hebben. Punt 24 omvat tevens de verplichting om regelmatig logboekinformatie over vangsten in te dienen. De Commissie heeft tijdens haar eerste dienstbezoek in januari 2012 vastgesteld dat dit op de Filipijnen alleen plaatsvond op het moment van verlenging van de vergunning, wat elke drie jaar plaatsvindt. Zoals hierna zal worden toegelicht, zijn de Filipijnen er niet in geslaagd te voldoen aan de verplichting krachtens het VN-zeerechtverdrag en rekening te houden met de in de IOO-IAP opgenomen aanbeveling, met name in verband met de controle over de vloot en de vastgestelde en uitgevoerde maatregelen op het gebied van monitoring, controle en surveillance.

(69)

De problemen van de Filipijnen bij het controleren van de vloot zijn deels het gevolg van een gebrek aan administratieve capaciteit, aangezien de omvang van de vissersvloot de capaciteit om vaartuigen te controleren te boven gaat. De Commissie heeft een forse discrepantie waargenomen tussen de administratieve capaciteit van de Filipijnen om de visserijactiviteiten van vaartuigen die in hun wateren opereren te monitoren en controleren en het aantal geregistreerde vaartuigen/verstrekte visvergunningen (in totaal ongeveer 9 300 commerciële vissersvaartuigen en ongeveer 470 000„banca’s”). Deze situatie bevestigt dat de Filipijnen in vergelijking met de omvang van de visactiviteit die plaatsvindt in de wateren onder hun jurisdictie onvoldoende handhavingscapaciteit hebben, ondanks de voor 2014 voorziene toename van personele en budgettaire middelen. De Commissie is van mening dat dit gebrek aan middelen om op zee in te kunnen grijpen, de handhavingsinspanningen belemmert.

(70)

De Filipijnen hebben in 2012 Visserijbesluit nr. 241 betreffende de implementatie van het volgsysteem voor vaartuigen op volle zee vastgesteld. Krachtens dit besluit moeten alle vergunninghoudende, onder Filipijnse vlag varende commerciële vissersvaartuigen die van het BFAR toestemming hebben om te opereren op volle zee, en tevens alle vissersvaartuigen die beschikken over toegangsrechten om te vissen in de EEZ’s van andere landen het VMS toepassen. Zoals is voorgeschreven in het besluit, wordt het VMS-vereiste eerst toegepast op alle onder Filipijnse vlag varende vaartuigen die op volle zee op tonijn mogen vissen of die over toegangsrechten beschikken om in de EEZ’s van andere landen te mogen vissen. Vervolgens zal het schema voor de toepassing van het VMS op andere vissersvaartuigen/uitrusting die in alle andere visgebieden opereren, worden vastgesteld tijdens toekomstige besprekingen met de belanghebbenden, tenzij anders vereist overeenkomstig andere wetten en bestaande visserijbesluiten. Tot nu toe blijkt uit de vastgestelde feiten dat de Filipijnen ondanks de bestaande regelgeving de VMS-verplichtingen slechts deels hebben uitgevoerd.

(71)

Zoals door de Filipijnen beschreven in het bij de Commissie ingediende IOO-NAP is het VMS van toepassing op onder Filipijnse vlag varende vissersvaartuigen die opereren in visgebied op volle zee nr. 1 en visgronden die onder de jurisdictie van andere ROVB’s vallen. Overeenkomstig Visserijbesluit nr. 241 zijn alle onder Filipijnse vlag varende vissersvaartuigen die op volle zee opereren, verplicht om VMS-transponders te installeren. De Filipijnen hebben aan de Commissie echter geen informatie verstrekt over het voornemen en de planning voor de gefaseerde uitbreiding van de VMS-toepassing tot vissersvaartuigen die opereren in de EEZ van de Filipijnen, zoals vereist krachtens artikel 94 van het VN-zeerechtverdrag en artikel 24 van het IOO-IAP om uitgebreide en doeltreffende monitoring en controle van en toezicht op de visserij te verzekeren.

(72)

In de loop van het eerste dienstbezoek van de Commissie aan de Filipijnen in 2012 heeft de Commissie waargenomen dat het centrum voor visserijtoezicht (FMC) zich slechts in de ontwikkelings-/proeffase bevond. Ook waren de operationele VMS-gegevens niet beschikbaar voor het Filipijnse FMC, met name met betrekking tot onder Filipijnse vlag varende vaartuigen die opereren in de wateren van Papoea-Nieuw-Guinea. Bovendien was het aan boord hebben van het VMS niet verplicht voor een aantal vaartuigen. Het aantal vaartuigen dat daadwerkelijk gegevens rapporteert aan de Filipijnse autoriteiten, is zeer klein. Volgens de tijdens het dienstbezoek in 2012 verzamelde informatie, hadden de Filipijnse autoriteiten voor slechts 53 van de 613 onder Filipijnse vlag varende vaartuigen die op dat moment geregistreerd waren bij de WCPFC zogenoemde „alleen bekijken”-toegang tot het VMS. Deze toegang bestond in de praktijk uit een schermafbeelding met informatie over de vaartuigen die de internationale wateren binnen het verdragsgebied van WCPFC binnenkwamen/daar aanwezig waren en niet de daadwerkelijke positie van het vaartuig. Tevens zijn er problemen gerapporteerd met betrekking tot de VMS-dekking van vissersvaartuigen die opereren in de ICCAT- en IOTC-gebieden. Volgens de op 15 mei 2014 door de Filipijnen verstrekte informatie ontvangt de bevoegde autoriteit nu van de autoriteiten van Papoea-Nieuw-Guinea de VMS-posities van slechts enkele Filipijnse vangstvaartuigen. Volgens dezelfde informatie ontvangt de bevoegde autoriteit bovendien geen VMS-gegevens over de transportvaartuigen die met de vangstvaartuigen samenwerken in de wateren van Papoea-Nieuw-Guinea.

(73)

Bovendien hebben de Filipijnse autoriteiten geen volledig overzicht gehad van hun vaartuigen of van de vaartuigen van derde landen die mogelijk binnen de Filipijnse EEZ opereren.

(74)

Daarnaast hebben de bevoegde autoriteiten geen informatie over de visserijactiviteiten die worden uitgevoerd door Filipijnse vaartuigen in de wateren van Papoea-Nieuw-Guinea.

(75)

Met betrekking tot alle hierboven beschreven punten hebben de Filipijnen niet voldaan aan de bepalingen van artikel 94 van het VN-zeerechtverdrag. Dergelijke operationele tekortkomingen stemmen verder niet overeen met punt 24 van het IOO-IAP.

(76)

Met betrekking tot doeltreffende handhavingsmaatregelen wordt staten in punt 21 van het IOO-IAP geadviseerd te verzekeren dat sancties voor IOO-visserij door vaartuigen voldoende zwaar zijn om IOO-visserij effectief te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen en om overtreders de voordelen die worden verkregen middels dergelijke visserij te ontnemen. Zoals hierna zal worden toegelicht, beschikken de Filipijnen niet over het juridische kader of de benodigde controle over de vloot en de nationale wateren om overtreders op adequate wijze te straffen.

(77)

Op basis van de tijdens de dienstbezoeken van de Commissie verzamelde informatie is tevens vastgesteld dat het systeem van sancties tegen IOO-activiteiten ontoereikend is, waardoor de naleving niet gewaarborgd is, schendingen, waar die ook optreden, niet worden ontmoedigd en overtreders de voordelen die zij verkrijgen uit de illegale activiteiten niet worden ontnomen.

(78)

Met betrekking tot de handhavingsmaatregelen die door de Filipijnen zijn ingesteld, is tijdens de door de Commissie uitgevoerde dienstbezoeken gebleken dat de toepasselijke sancties in verband met schendingen moeten worden herzien, zoals voorzien in Wet nr. 8550 van de republiek of het Filipijnse visserijwetboek van 1998 (RA 8550), die de belangrijkste momenteel in het land geldende visserijwetgeving vormen.

(79)

De Filipijnse autoriteiten hebben bij de verstrekking van informatie erkend dat ze niet beschikken over afschrikkende sanctieregelingen. De hoogte van de sancties is niet van deze tijd en niet evenredig met de ernst van mogelijke inbreuken, de mogelijke gevolgen van inbreuken op de visbestanden en de mogelijke voordelen die kunnen voortvloeien uit dergelijke illegale acties voor de overtreders. Voor vernieling van koraalriffen aan de kust bij Cotabato, waarvan de waarde wordt geschat op 11,5 miljard EUR, wordt een overtreder bijvoorbeeld slechts gestraft met een boete van 2 000 PhP (ongeveer 32 EUR) tot 20 000 PhP (ongeveer 320 EUR).

(80)

Na de dienstbezoeken van de Commissie in 2012 hebben de Filipijnse autoriteiten een ontwerp ingediend voor de wijziging van het visserijwetboek van 1998. De voorgestelde boeten zijn weliswaar hoger dan die welke worden opgelegd in de op dit moment geldende wetgeving, maar lijken nog steeds niet zwaar genoeg om overtreders de voordelen uit IOO-visserij daadwerkelijk te ontnemen. In het ontwerp is bijvoorbeeld een boete voorzien voor uitrusting die koraalriffen en andere mariene habitat beschadigt (dit is een van de hoogste in dit ontwerp voorziene boeten) van drie keer de waarde van de met de visserijactiviteit gevangen vis of twee miljoen PhP (ongeveer 35 000 EUR), afhankelijk van welk bedrag het hoogst is. Dit is duidelijk onvoldoende, gelet op de in overweging 79 genoemde hoge economische waarde van koraalriffen. Bovendien is het ontwerp wel besproken in de senaat en het huis van afgevaardigden, maar is het nog niet vastgesteld en dus nog niet juridisch bindend. De Filipijnse autoriteiten hebben geen duidelijk tijdsschema verstrekt voor de vaststelling en uitvoering van dit ontwerp.

(81)

Bovendien bevat de huidige wetgeving geen definitie van IOO-visserij, bepalingen over ernstige schendingen of specifieke sancties voor recidivisten. Het nieuwe ontwerp bevat wel een definitie van IOO en sancties voor recidivisten, maar geen systematische begeleidende administratieve maatregelen. Bovendien is de huidige geldende wetgeving alleen van toepassing op wateren die onder de jurisdictie van de Filipijnen vallen, al wordt in het door de Filipijnen verstrekte ontwerp het toepassingsgebied van het visserijwetboek van 1998 uitgebreid naar handelingen die worden verricht op volle zee of in wateren van derde landen. Zoals de situatie nu is, bestaat er dus geen rechtsgrond voor de Filipijnse autoriteiten om sancties op te leggen aan vaartuigen die onder de Filipijnse vlag varen en IOO-activiteiten bedrijven buiten hun nationale jurisdictie.

(82)

De straffen in hun huidige vorm zijn dus niet uitgebreid en zwaar genoeg om afschrikkend te zijn. De hoogte van de straffen is onvoldoende om de naleving te verzekeren, schendingen te ontmoedigen, waar die ook optreden, en om overtreders de voordelen die zij verkrijgen uit hun illegale activiteiten te ontnemen, zoals vereist overeenkomstig artikel 25, lid 7, van het WCPFC-verdrag. Bovendien wordt de mogelijkheid voor het opleggen van sancties en het doeltreffend opvolgen van schendingen verder bemoeilijkt door het gebrek aan duidelijke en transparante wetten en procedures, met name in verband met vaartuigregistratie en vergunningverlening, traceerbaarheid en de betrouwbaarheid van informatie en gegevens met betrekking tot aanlandingen en vangst (zoals beschreven in de overwegingen 45 tot en met 62), evenals in verband met de instandhouding en het beheer van bronnen (zoals wordt beschreven in de overwegingen 100 tot en met 102). Deze situatie maakt de doeltreffende handhaving en vaststelling van IOO-schendingen erg moeilijk. De prestaties van de Filipijnen met betrekking tot doeltreffende handhavingsmaatregelen voldoen niet aan de verplichtingen krachtens artikel 94 van het VN-zeerechtverdrag en zijn niet in overeenstemming met de aanbevelingen in punt 21 van het IOO-IAP.

(83)

Overeenkomstig de artikelen 63 en 64 van het VN-zeerechtverdrag moeten kust- en vlaggenstaten samenwerken op het gebied van gebieds- en grensoverschrijdende vissoorten. Voorts wordt in artikel 7, lid 1, punt 3, van de gedragscode van de FAO aanbevolen dat de staten die bij de exploitatie van gebieds- en grensoverschrijdende visbestanden zijn betrokken, een bilaterale overeenkomst of een organisatorische regeling vaststellen teneinde op doeltreffende wijze voor de instandhouding en het beheer van de rijkdommen te zorgen. Dit wordt verder gespecificeerd in de punten 28 en 51 van het IOO-IAP, waarin gedetailleerde methoden voor directe samenwerking tussen staten worden beschreven, waaronder de uitwisseling van gegevens of informatie waarover kuststaten beschikken. Omdat de informatie niet wordt gedeeld tussen de Filipijnen en Papoea-Nieuw-Guinea, is het niet mogelijk deze bepalingen doeltreffend toe te passen, aangezien de benodigde informatie voor de validatie van de vangstcertificaten niet door andere bronnen kan worden bevestigd.

(84)

In dit verband stipuleert artikel 25, lid 10, van het WCPFC-verdrag (7) dat elk lid van de Commissie, indien het redelijke gronden heeft om aan te nemen dat een onder de vlag van een andere staat varend vissersvaartuig zich heeft ingelaten met een activiteit die de doeltreffendheid van de voor het verdragsgebied geldende instandhoudings- en beheermaatregelen ondermijnt, dit onder de aandacht van de betrokken vlaggenstaat brengt. Papoea-Nieuw-Guinea en de Filipijnen werken echter niet samen bij de uitwisseling van VMS-informatie die van aanzienlijk belang wordt geacht voor de naleving van instandhoudings- en beheermaatregelen door vaartuigen. Dit is van invloed op de uitvoering van deze bepaling.

(85)

Met betrekking tot de voorgeschiedenis, aard, omstandigheden, omvang en ernst van activiteiten die op IOO-visserij wijzen, wordt de mogelijkheid om deze aspecten te beoordelen ook belemmerd door het gebrek aan duidelijkheid en transparantie. Als gevolg van dergelijke tekortkomingen is het niet mogelijk om de mogelijke omvang van IOO-visserijgerelateerde activiteiten op betrouwbare wijze vast te stellen. Algemeen wordt echter erkend dat een gebrek aan transparantie, in combinatie met de onmogelijkheid om doeltreffende controles uit te voeren, illegaal gedrag in de hand werkt.

(86)

Wat de bestaande capaciteit van de Filipijnse autoriteiten betreft, zij erop gewezen dat de Filipijnen volgens de index voor menselijke ontwikkeling van de Verenigde Naties (8) als een land met een gemiddelde menselijke ontwikkeling worden beschouwd (114e van 186 landen in 2012). Dit wordt bevestigd door bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (9), waar de Filipijnen worden ingedeeld bij de laag-middeninkomenslanden, evenals door de informatie van de OESO/DAC van 1 januari 2013 voor de rapportage over 2012 (10). De beperkingen op het gebied van de financiële en administratieve capaciteit van de bevoegde autoriteiten kunnen worden beschouwd als een factor die het vermogen van de Filipijnen om de samenwerkings- en handhavingstaken te vervullen, ondermijnt.

(87)

Er moet evenwel rekening mee worden gehouden dat de administratieve capaciteit van de Filipijnen door de financiële en technische bijstand van de Unie voortdurend toeneemt. De Unie heeft in het bijzonder in 2011 reeds specifieke technische bijstandsmaatregelen op de Filipijnen gefinancierd met betrekking tot de bestrijding van IOO-visserij (11). Daarnaast heeft de Commissie van 22 tot en met 26 juli 2013, met medewerking van het Europees Bureau voor visserijcontrole en op verzoek van de Filipijnse autoriteiten, een capaciteitsopbouwworkshop georganiseerd, waarbij de nadruk lag op havenstaatmaatregelen en risicoanalyse.

(88)

Niettegenstaande de analyse in de overwegingen 86 en 87 wordt ook opgemerkt dat de tijdens de dienstbezoeken van 2012 vergaarde informatie niet aantoont dat de Filipijnse autoriteiten onvoldoende financiële middelen zouden hebben, maar veeleer dat zij niet over het juridische en administratieve kader beschikken dat nodig is om hun taken doeltreffend en doelmatig te vervullen.

(89)

Gezien de in deze afdeling opgenomen toelichting bij de situatie en gezien alle door de Commissie verzamelde feitelijke gegevens en alle door het land afgelegde verklaringen, kan op grond van artikel 31, lid 3 en lid 5, onder a), b), c) en d), van de IOO-verordening worden vastgesteld dat de Filipijnen zich niet hebben gekweten van de taken die het land krachtens internationaal recht als kust- en marktstaat dient te vervullen op het gebied van samenwerking en handhaving.

3.3.   Niet-naleving van de verplichting tot tenuitvoerlegging van internationale regelgeving (artikel 31, lid 6, van de IOO-verordening)

(90)

De Filipijnen hebben het VN-zeerechtverdrag geratificeerd. Het land is verdragsluitende partij bij de ICCAT, de IOTC en de WCPFC, evenals meewerkend niet-lid bij de CCSBT.

(91)

De Commissie heeft eerst alle door haar als relevant beschouwde informatie geanalyseerd wat de status van de Filipijnen als verdragsluitende partij bij de IOTC en WCPFC betreft.

(92)

In het nalevingsverslag van de IOTC voor de Filipijnen dat is afgegeven door het Nalevingscomité tijdens zijn bijeenkomst in 2012 (12), is geconstateerd dat de Filipijnen de bepalingen van de instandhoudings- en beheermaatregelen van de IOTC betreffende zeeschildpadden en voshaaien niet hebben omgezet in nationale wetgeving (resolutie 10/6 en 10/12 betreffende zeevogels en voshaaien). Verder werd opgemerkt dat de Filipijnen niet volledig voldeden aan de verslagleggingsvereisten van de IOTC-gegevens, met name de gegevens betreffende groottefrequentie zijn slechts deels gerapporteerd. Het comité spoorde de Filipijnen aan verdere verbeteringen door te voeren in de verzameling van en de verslaglegging over gegevens (resolutie 10/02 betreffende minimale verslagleggingsvereisten). De Filipijnen hebben voor 2011 geen lijst met actieve vaartuigen ingediend (resolutie 10/08 betreffende de lijst met actieve vaartuigen), noch de waarnemingsverslagen (resolutie 11/04 betreffende regionale waarnemingsprogramma’s). De zorgpunten van de Commissie over het nalevingsniveau van de Filipijnen zijn aan dit land meegedeeld door de voorzitter van de IOTC bij brief van 22 maart 2011 met betrekking tot het uitvoeringsniveau van de instandhoudings- en beheermaatregelen van de IOTC zoals geïdentificeerd tijdens de achtste vergadering van het Nalevingscomité in 2011.

(93)

Volgens de informatie die is verkregen uit het nalevingsverslag van de IOTC van 10 maart 2012 (13) voldeden de Filipijnen niet aan de verslagleggingsverplichtingen, namelijk: resolutie 09/02 betreffende het vlootontwikkelingsplan — niet ingediend; resolutie 07/02 betreffende de lijst van toegestane vaartuigen van ten minste 24 m lang — bepaalde verplichte informatie ontbreekt of voldoet niet aan de IOTC-normen. Met betrekking tot het VMS voldeed de Filipijnen niet aan resolutie 10/01 en resolutie 06/03 omdat er geen informatie over het overzicht van de VMS-gegevens en geen VMS-verslag over de voortgang en uitvoering zijn verstrekt in het uitvoeringsverslag. Verder voldeden de Filipijnen niet aan resolutie 10/12 betreffende het verbod op voshaaien en alle soorten van de familie Alopiidae en resolutie 10/06 betreffende het zeevogelverslag en de uitvoering van de beperkingsmaatregelen ten zuiden van 25° zuiderlengte, aangezien de vereiste informatie niet is verstrekt. Als waarnemer voldeden de Filipijnen niet aan resolutie 11/04, aangezien er geen informatie is verstrekt over het dekkingsniveau noch zijn de waarnemingsverslagen ingediend. De Filipijnen voldeed voorts niet aan resolutie 01/06 betreffende het statistische documentatieprogramma, aangezien er geen jaarverslag is ingediend.

(94)

In het nalevingsverslag van de IOTC voor de Filipijnen van 2 april 2013 (14) merkt het Nalevingscomité op dat de zorgpunten met betrekking tot de naleving door de Filipijnen zoals geïdentificeerd in het nalevingsverslag voor 2012 aan de Filipijnen zijn meegedeeld door de voorzitter van het comité bij brief van 26 april 2012. Na beoordeling van het nalevingsverslag voor 2013 van de Filipijnen heeft het Nalevingscomité aanzienlijke gevallen van niet-naleving geïdentificeerd. De Filipijnen hebben het verbod op grote drijfnetten niet omgezet in nationale wetgeving overeenkomstig resolutie 12/11. Het land heeft geen waarnemingsprogramma ingesteld, zoals vereist in resolutie 11/04. Ook het verplichte verslag betreffende op zee uitgevoerde overladingen is niet verstrekt, zoals vereist overeenkomstig resolutie 12/05. Bovendien hebben de Filipijnen het verplichte VMS-verslag over de voortgang en uitvoering niet verstrekt, zoals vereist overeenkomstig resolutie 06/03. Noch is het verplichte verslag betreffende de vergelijking van de in- en uitvoer verstrekt, zoals vereist overeenkomstig resolutie 01/06.

(95)

Bovendien hebben de Filipijnen, volgens de informatie die is verstrekt in het nalevingsverslag van 2 april 2013, resolutie 10/08 betreffende de lijst van actieve vaartuigen en resolutie 07/02 betreffende de lijst van toegestane vaartuigen van ten minste 24 m lang niet of slechts deels nageleefd, als gevolg van het ontbreken van verplichte informatie, zoals de eigenaar, doelsoort, brutotonnage, toegestane periode, en haven van exploitatie. Met betrekking tot het VMS voldeden de Filipijnen, net als het voorgaande jaar, niet aan resolutie 06/03 en resolutie 12/13 omdat er geen informatie over het overzicht van de VMS-gegevens en uitvoeringsinformatie zijn verstrekt in het uitvoeringsverslag. De Filipijnen hebben slechts deels voldaan aan de verplichte statistische vereisten die voortvloeien uit resolutie 10/02. De Filipijnen voldeden voorts niet aan resolutie 12/05 betreffende overladingen op zee, aangezien de vereiste verplichte informatie niet is verstrekt. Met betrekking tot de waarnemers voldeden de Filipijnen niet of slechts deels aan resolutie 11/04; er zijn minder waarnemers ingezet dan vereist gezien het feit dat de Indische Oceaan een gebied met hoog risico is en er zijn geen verplichte waarnemingsverslagen verstrekt, noch het jaarverslag.

(96)

Sommige van de hierboven vermelde problemen vormen niet alleen schendingen van de ROVB-regels, maar ook van algemene verplichtingen krachtens het VN-zeerechtverdrag, zoals hieronder wordt beschreven.

(97)

Het niet omzetten van het verbod op grote drijfnetten in de nationale wetgeving overeenkomstig IOTC-resolutie 12/11, zoals beschreven in overweging 94, ondermijnt de mogelijkheden van de Filipijnen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 118 van het VN-zeerechtverdrag, waarin een samenwerkingsverplichting tussen staten is vastgesteld op het gebied van de instandhouding en het beheer van levende bronnen in gebieden op volle zee.

(98)

Tevens voldeden de Filipijnen, zoals beschreven in overweging 93 tot en met 97 niet aan de notatie- en tijdige verslagleggingsvereisten van de IOTC. Er is met name geen IOTC-informatie ingediend over statistieken, het vlootontwikkelingsplan, VMS-verslaglegging en -notatie, waarnemingsverslagen en overladingsverslagen. Dergelijke tekortkomingen zijn niet in lijn met artikel 119, lid 2, van het VN-zeerechtverdrag, dat stipuleert dat beschikbare wetenschappelijke informatie, statistieken over vangsten en visserijactiviteiten en andere gegevens die van belang zijn voor de instandhouding van de visbestanden worden ingediend en regelmatig worden uitgewisseld via bevoegde internationale organisaties, op subregionaal, regionaal of mondiaal niveau.

(99)

Bovendien is het niet-rapporteren aan de IOTC van het overzicht van de VMS-gegevens en -verslagen evenals de algemene moeilijkheden van de Filipijnse autoriteiten om het VMS-signaal van onder Filipijnse vlag varende vaartuigen te ontvangen als deze opereren in wateren van derde landen, niet in overeenstemming met artikel 62, lid 4, onder e), van het VN-zeerechtverdrag met betrekking tot het vereiste om het VMS-positieverslag van vissersvaartuigen op te vragen. Dergelijke tekortkomingen zijn daarnaast niet in lijn met punt 24, lid 3, van het IOO-IAP, waarin wordt voorgeschreven dat staten uitgebreide en doeltreffende monitoring, controle en toezicht moeten uitvoeren op visserij vanaf het begin via het aanlandingspunt tot de eindbestemming, waaronder door tenuitvoerlegging van een VMS, in overeenstemming met de toepasselijke nationale, regionale of internationale normen, met inbegrip van de verplichting voor vaartuigen onder hun jurisdictie om een VMS aan boord te hebben.

(100)

Daarnaast is het, krachtens artikel 62, lid 1, van het VN-zeerechtverdrag en relevante regelgeving in het WCPFC-verdrag (met name de artikelen 2, 5, 7 en 8) een duidelijke verplichting van een kuststaat om maatregelen vast te stellen die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn in de regio en op volle zee om de duurzaamheid van gebieds- en grensoverschrijdende visbestanden op de lange termijn te verzekeren en te streven naar optimale benutting. Het juridische raamwerk van de Filipijnen voorziet slechts in beperkte instandhoudings- en beheermaatregelen voor alle wateren die onder de nationale jurisdictie vallen; deze maatregelen zijn niet in overeenstemming met de verplichtingen overeenkomstig internationale wetgeving en de ROVB-regelgeving.

(101)

Er wordt in het bijzonder naar wateren die onder de jurisdictie van de Filipijnen vallen verwezen als territoriale wateren, archipelwateren en de EEZ). Overeenkomstig artikel 3 van het WCPFC-verdrag omvat het bevoegdheidsgebied van de WCPFC in beginsel alle wateren van de Stille Oceaan (in het zuiden en oosten begrensd door duidelijke lijnen), met inbegrip van wateren die onder de jurisdictie van de Filipijnen vallen. Aangezien de Filipijnen van mening zijn dat de WCPFC-regelgeving niet volledig van toepassing is op de wateren die onder hun jurisdictie vallen, is niet volledig duidelijk welke gegevens worden verzameld en gerapporteerd aan de WCPFC; dit dekt niet de beoordelingen van alle viswateren van de Filipijnen. Omdat de Filipijnen de archipelwateren beschouwen als wateren die buiten het toepassingsgebied van de WCPFC-maatregelen vallen, schendt het land deze maatregelen.

(102)

Bovendien bestaan er, zoals is vastgesteld tijdens het dienstbezoek van de Commissie in 2012, slechts enkele instandhoudingsmaatregelen en hebben de meeste daarvan slechts beperkte gevolgen. Ook de rol van lokale regeringen bij de introductie van instandhoudingsmaatregelen in gemeentelijke wateren blijft onduidelijk. Er zijn 915 lokale regeringen. Deze lijken onafhankelijk van het BFAR te handelen, aangezien het BFAR hun geen beleid en regelgeving kan voorschrijven in zaken die onder hun jurisdictie vallen, d.w.z. gemeentelijke wateren.

(103)

Deze situatie leidt tot een gebrek aan duidelijkheid en transparantie dat, naast het gebrek aan transparantie van de Filipijnse wetten en procedures betreffende de registratie van en vergunningverlening aan vissersvaartuigen, zoals toegelicht in de afdelingen 3.1 en 3.2 van dit besluit, de mogelijkheden ondermijnt voor de doeltreffende uitvoering van efficiënte instandhouding en efficiënt beheer van de visserijbestanden van de Filipijnen.

(104)

De prestaties van de Filipijnen bij de tenuitvoerlegging van internationale instrumenten is niet in overeenstemming met de aanbevelingen in punt 10 van het IOO-IAP, waarin staten wordt geadviseerd om, met voorrang, het UNFSA te ratificeren, accepteren of ertoe toe te treden. De Commissie is van mening dat deze aanbeveling bijzonder relevant is in het geval van de Filipijnen, die een aanzienlijke vloot aan vissersvaartuigen hebben die zich bezighoudt met visactiviteiten die zich voornamelijk richten op zeer migrerende soorten (voornamelijk tonijn in de ICCAT-, IOTC- en WCPFC-gebieden).

(105)

Gezien de in deze afdeling opgenomen toelichting bij de situatie en gezien alle door de Commissie verzamelde feitelijke gegevens en alle door het land afgelegde verklaringen, kan op grond van artikel 31, leden 3 en 6, van de IOO-verordening worden vastgesteld dat de Filipijnen zich niet hebben gekweten van de taken die het land krachtens internationaal recht dient te vervullen op het gebied van internationale voorschriften en regelingen en instandhoudings- en beheermaatregelen.

3.4.   Specifieke beperkingen van ontwikkelingslanden

(106)

Zoals hierboven reeds is aangegeven, worden de Filipijnen volgens de index voor menselijke ontwikkeling van de Verenigde Naties (15) als een land met een gemiddelde menselijke ontwikkeling beschouwd (114e van 186 landen in 2012). Dit wordt bevestigd door bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1905/2006 waar de Filipijnen worden ingedeeld bij de laag-middeninkomenslanden, evenals door de informatie van de OESO/DAC van 1 januari 2013 voor de rapportage over 2012 (16).

(107)

Er moet worden opgemerkt dat de kennisgeving van de Filipijnen als vlaggenstaat met ingang van 15 januari 2010 door de Commissie is aanvaard overeenkomstig artikel 20 van de IOO-verordening. Zoals vereist krachtens artikel 20, lid 1, van de IOO-verordening, hebben de Filipijnen bevestigd dat er nationale regelingen bestaan voor de uitvoering, controle en handhaving van wetten, voorschriften en instandhoudings- en beheermaatregelen waaraan moet worden voldaan door vissersvaartuigen.

(108)

De Commissie heeft de Filipijnen geïnformeerd over de verschillende tekortkomingen die zij tijdens haar eerste dienstbezoek in januari 2012 heeft geconstateerd. Enkele maanden later, tijdens het tweede dienstbezoek in juni 2012, trof de Commissie een ongewijzigde situatie aan. De Commissie wenste actieve samenwerking met de Filipijnse autoriteiten te bereiken, evenals voortgang in correctieve acties met betrekking tot de geconstateerde tekortkomingen. De Filipijnen hebben nagelaten voldoende correctieve maatregelen te nemen en positieve ontwikkelingen te bereiken bij het corrigeren van de geconstateerde tekortkomingen.

(109)

Tevens moet worden opgemerkt dat de Unie reeds in 2011 subsidie heeft verleend voor een specifieke technische bijstandsactie op de Filipijnen met betrekking tot de bestrijding van IOO-visserij (17).

(110)

Daarnaast heeft de Commissie van 22 tot en met 26 juli 2013, met medewerking van het Europees Bureau voor visserijcontrole en op verzoek van de Filipijnse autoriteiten, een capaciteitsopbouwworkshop georganiseerd, waarbij de nadruk lag op havenstaatmaatregelen en risicoanalyse.

(111)

De Commissie heeft rekening gehouden met de ontwikkelingsbeperkingen van de Filipijnen en heeft de Filipijnen sinds 2012 voldoende tijd gegeven voor de tenuitvoerlegging van maatregelen om op een coherente, doeltreffende en niet-schadelijke manier de gevallen van niet-naleving van hun uit internationaal recht voortvloeiende verplichtingen te verhelpen.

(112)

Gezien de in dit deel opgenomen toelichting bij de situatie en gezien alle door de Commissie verzamelde feitelijke gegevens en alle door het land afgelegde verklaringen, kan op grond van artikel 31, lid 7, van de IOO-verordening worden vastgesteld dat het niveau van ontwikkeling van de governance op visserijgebied van de Filipijnen mogelijk een rem zet op de ontwikkelingsstatus van het land. Rekening houdend met de aard van de geconstateerde tekortkomingen van de Filipijnen, met de door de Unie verleende bijstand en met de maatregelen die zijn genomen om de situatie recht te zetten, is geen bewijs gevonden voor de veronderstelling dat de Filipijnen hun uit internationaal recht voortvloeiende verplichtingen niet kunnen nakomen omdat het land qua ontwikkeling achterop zou blijven. Het ontwikkelingsniveau van de Filipijnen lijkt niet te kunnen worden aangevoerd als vergoelijking of rechtvaardiging voor de algemene prestaties van de Filipijnen als vlaggen- en kuststaat op het gebied van visserij, noch voor de ontoereikendheid van de maatregelen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, en om de doeltreffendheid van de monitoring, de controle en het toezicht met betrekking tot de visserijactiviteiten in onder hun jurisdictie vallende wateren te waarborgen.

(113)

Gezien de in deze afdeling opgenomen toelichting bij de situatie en gezien alle door de Commissie verzamelde feitelijke gegevens en alle door het land afgelegde verklaringen, kan op grond van artikel 31, lid 7, van de IOO-verordening worden vastgesteld dat het niveau van ontwikkeling van de Filipijnen geen rem zet op de ontwikkelingsstatus en de globale prestatie van het land op het gebied van visserij.

4.   CONCLUSIE OVER DE MOGELIJKE IDENTIFICATIE VAN NIET-MEEWERKENDE DERDE LANDEN

(114)

Gezien de hierboven getrokken conclusies over het onvermogen van de Filipijnen om zich te kwijten van de taken die het land krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dient te vervullen, en om maatregelen te nemen teneinde IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, moet aan dit land overeenkomstig artikel 32 van de IOO-verordening kennis worden gegeven van de mogelijkheid dat het door de Commissie wordt geïdentificeerd als niet-meewerkend aan de bestrijding van IOO-visserij.

(115)

Krachtens artikel 32, lid 1, van de IOO-verordening dient de Commissie de Filipijnen kennis te geven van de mogelijkheid dat het als niet-meewerkend land wordt geïdentificeerd. Tevens dient de Commissie alle in artikel 32 van de IOO-verordening opgenomen stappen te zetten met betrekking tot de Filipijnen. Met het oog op een degelijk beheer dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen het land schriftelijk kan reageren op de kennisgeving en de situatie kan corrigeren.

(116)

De kennisgeving aan de Filipijnen van de mogelijkheid dat het land door de Commissie als niet-meewerkend wordt geïdentificeerd, sluit niet uit dat de Commissie of de Raad stappen neemt om het land als niet-meewerkend land te identificeren en een lijst van niet-meewerkende landen op te stellen, maar betekent ook niet dat dergelijke stappen automatisch worden genomen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Enig artikel

De Republiek der Filipijnen ontvangt hierbij een kennisgeving van de mogelijkheid dat het door de Commissie als niet-meewerkend derde land wordt geïdentificeerd bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij.

Gedaan te Brussel, 10 juni 2014.

Voor de Commissie

Maria DAMANAKI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(2)  Zoals opgegeven door het ministerie van Landbouw — Bureau voor visserij en aquatische hulpbronnen, visserijprofiel van de Filipijnen voor 2011, http://www.bfar.da.gov.ph/pages/AboutUs/maintabs/publications/pdf%20files/2011%20Fisheries%20Profile%20(Final)%20(4).pdf

(3)  http://www.wcpfc.int/system/files/AR-CCM-19-Philippines-Rev-2.pdf

http://www.wcpfc.int/system/files/AR-CCM-19-Philippines-Part-1.pdf

(4)  PB C 346 van 27.11.2013, blz. 26.

(5)  Zie voetnoot 2.

(6)  Zie voetnoot 2.

(7)  Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in de westelijke en centrale Stille Oceaan, gedaan te Honolulu, 5 september 2000 (http://www.wcpfc.int/doc/convention-conservation-and-management-highly-migratory-fish-stocks-western-and-central-pacific).

(8)  Bron: http://hdr.undp.org/en/statistics/

(9)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

(10)  DAC-lijst met ODA-begunstigden (http://www.oecd.org/dac/stats/daclistofodarecipients.htm)

(11)  Begeleiding van ontwikkelingslanden in het kader van de naleving van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1005/2008 inzake illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij, EuropeAid/129609/C/SER/Multi.

(12)  „IOTC Compliance Report for the Pilippines by the Compliance Committee”, negende vergadering van het Nalevingscomité, vastgesteld op 10 maart 2012, IOTC-2012-CoC09-CR22; COC09-IR22.

(13)  „IOTC Compliance Report” van 10.3.2012, IOTC-2012-CoC09-CR22_Rev2[E].

(14)  „IOTC Compliance Report” van 2.4.2013, IOTC-2013-CoC10-CR22[E].

(15)  Zie voetnoot 8.

(16)  Zie voetnoot 10.

(17)  Zie voetnoot 11.