29.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 179/46


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 628/2013 VAN DE COMMISSIE

van 28 juni 2013

inzake de werkmethoden van het Europees Agentschap voor de Veiligheid van de luchtvaart voor de uitvoering van normaliseringsinspecties en het toezicht op de toepassing van de regels van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 736/2006 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 24, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 24, lid 1, en artikel 54 van Verordening (EG) nr. 216/2008 moet het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het Agentschap” genoemd) de Commissie bijstaan bij het toezicht op de bepalingen van de verordening en de uitvoeringsvoorschriften door normaliseringsinspecties uit te voeren.

(2)

In artikel 54, lid 4, van Verordening (EG) nr. 216/2008 is bepaald dat wanneer voor een inspectie van een bevoegde instantie van een lidstaat een onderneming of een groep van ondernemingen dient te worden geïnspecteerd, het Agentschap het bepaalde in artikel 55 in acht moet nemen.

(3)

In Verordening (EG) nr. 736/2006 (2) van de Commissie is vastgesteld welke werkmethoden het Agentschap moet volgen bij het uitvoeren van normaliseringsinspecties (hierna „de huidige werkmethoden” genoemd).

(4)

Sinds de vaststelling van de huidige werkmethoden zijn zes jaar verstreken. Er zijn aanzienlijke wijzigingen van de gemeenschappelijke regels vastgesteld en er zijn een aantal internationale overeenkomsten gesloten; het Agentschap en de lidstaten hebben bovendien waardevolle ervaring opgedaan, waarmee rekening dient te worden gehouden.

(5)

Toen Verordening (EG) nr. 736/2006 werd vastgesteld, waren de gemeenschappelijke regels op het gebied van de burgerluchtvaart beperkt tot initiële en permanente luchtwaardigheid. In Verordening (EG) nr. 1702/2003 (3) van de Commissie zijn uitvoeringsvoorschriften vastgesteld inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties. In Verordening (EG) nr. 2042/2003 (4) van de Commissie zijn uitvoeringsvoorschriften vastgesteld inzake de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen.

(6)

Sindsdien is Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (5) vervangen door Verordening (EG) nr. 216/2008 en zijn de gemeenschappelijke regels twee keer uitgebreid: eerst tot bemanningen van luchtvaartuigen, vluchtuitvoeringen en platforminspecties; vervolgens tot luchtverkeersbeheersdiensten en luchtvaartnavigatiediensten (ATM/ANS) en luchthavenveiligheid. Ten gevolge daarvan heeft de Commissie diverse uitvoeringsregels vastgesteld op deze nieuwe bevoegdheidsgebieden, zoals Verordening (EU) nr. 805/2011 van de Commissie van 10 augustus 2011 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vergunningen en bepaalde certificaten van luchtverkeersleiders (6), Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1034/2011 van de Commissie (7) betreffende het veiligheidstoezicht op het gebied van luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (8), Verordening (EU) nr. 691/2010 van de Commissie van 29 juli 2010 tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (9), Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (10), teneinde te garanderen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de verordening goed ten uitvoer leggen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 859/2008 van de Commissie (11), Richtlijn 2004/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruikmaken van luchthavens in de Gemeenschap (12), gewijzigd bij Richtlijn 2008/49/EG van de Commissie van 16 april 2008 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2004/36/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de criteria voor het uitvoeren van platforminspecties van luchtvaartuigen die gebruikmaken van luchthavens in de Gemeenschap (13), Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering (14) en Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen (15).

(7)

Bij Verordening (EG) nr. 216/2008 zijn ook een aantal nieuwe bepalingen ingevoerd die tot uiting moeten komen in de werkmethoden van het Agentschap voor het uitvoeren van normaliseringsinspecties. Met name in artikel 11 zijn de voorwaarden vastgesteld voor de wederzijdse erkenning van certificaten die zijn afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaten, alsmede de voorwaarden voor de opschorting van deze erkenning; de normaliseringsinspecties vormen een belangrijk instrument om dergelijke besluiten te nemen. Bij artikel 15 is een informatienetwerk opgericht dat nuttige informatie verstrekt waarmee rekening dient te worden gehouden bij normaliseringsinspecties; bepaalde resultaten van dergelijke normaliseringsinspecties moeten onverwijld ter beschikking worden gesteld van dit informatienetwerk. In artikel 27, lid 3, is bepaald dat het Agentschap de lidstaten moet steunen bij het nakomen van hun verplichtingen tegenover de ICAO.

(8)

Onverminderd verdere wijzigingen van de gemeenschappelijke regels die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen, moet het Agentschap de Commissie ondersteunen bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van andere eisen in verband met de veiligheid van de luchtvaart, die bijvoorbeeld voortvloeien uit de wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim of de wetgeving inzake onderzoek naar ongevallen of melding van voorvallen.

(9)

Sinds 2006 heeft het Europese externe luchtvaartbeleid gevoelige wijzigingen ondergaan, die betrekking hebben op zowel de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), de buurlanden van de Europese Unie en bepaalde belangrijke mondiale partners.

(10)

In 2010 is een memorandum van samenwerking met de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO) ondertekend (16), waarin het kader is vastgesteld voor gestructureerde samenwerking tussen de partijen, met name met betrekking tot de uitwisseling van informatie over veiligheid. Het doel van dit memorandum is dubbel werk zoveel mogelijk te vermijden. Dit betekent dat het EASA-programma voor normaliseringsinspecties en het Universal Safety Oversight Audit Programme (USOAP) van de ICAO beter op elkaar moeten worden afgestemd. Bij de opstelling van de werkmethoden voor inspecties moet ook rekening worden gehouden met ICAO Doc 9735 — „the USOAP continuous Monitoring Manual”.

(11)

Wat betreft de landen die onder het nabuurschaps- en uitbreidingsbeleid van de EU vallen, waaronder met name de landen die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de totstandbrenging van een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte, moeten de normaliseringsinspecties worden georganiseerd op basis van dezelfde werkmethoden en normen als voor de lidstaten, mits hiervoor passende overeenkomsten of werkregelingen worden getroffen.

(12)

Wat betreft de landen die bilaterale overeenkomsten voor luchtdiensten hebben ondertekend, waarbij bepaalde certificeringsbevindingen en erkenningen wederzijds worden aanvaard, moeten de normaliseringsinspecties dienen ter ondersteuning van het toezicht op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst. Bovendien moeten de resultaten van de normaliseringsinspecties worden meegedeeld aan de passende raad voor bilateraal toezicht, om eventuele bijsturing mogelijk te maken. De inspecties van de lidstaten waarvan de certificeringsbevindingen en erkenningen zijn aanvaard in het kader van bilaterale overeenkomsten, moeten aanvullende controles omvatten teneinde te garanderen dat de bevoegde instanties zich correct kwijten van hun verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de bilaterale overeenkomsten.

(13)

Om efficiënt toezicht te houden op de toepassing van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan en op andere luchtvaartveiligheidsregels die voortvloeien uit bestaande verordeningen en overeenkomsten, moeten de huidige werkmethoden worden herzien, met name om te garanderen dat ze meer systeemgeoriënteerd worden, permanenter toezicht mogelijk maken dat meer is gefocust op veiligheidsprestaties, de beschikbare middelen efficiënter worden gebruikt om de bevoegde autoriteiten niet onnodig te belasten en zorgen voor feedback voor de regelgevingsactiviteiten van het Agentschap. Er moeten inspectieteams worden opgericht met goed opgeleid en gekwalificeerd personeel; het Agentschap moet streven naar een evenwicht tussen de betrokken personeelsleden van de verschillende lidstaten.

(14)

De definities en auditbeginselen die zijn vastgelegd in ISO 19011 moeten worden weerspiegeld in de werkmethoden.

(15)

De werkmethoden mogen niet beperkt blijven tot het niveau van de inspecties, maar moeten ook betrekking hebben op het toezicht op het niveau van het systeem en het niveau van de bevindingen.

(16)

De werkmethoden moeten het Agentschap meer flexibiliteit verschaffen bij het nemen van maatregelen, voor zover die onder de technische bekwaamheid van het Agentschap vallen, en tegelijk de rechtszekerheid met betrekking tot de werkmethoden instandhouden.

(17)

Verordening (EG) nr. 736/2006 moet dan ook worden ingetrokken.

(18)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening zijn de werkmethoden vastgesteld om:

a)

toezicht te houden op de toepassing van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan door de lidstaten, op de gebieden die onder artikel 1, lid 1, van die verordening vallen;

b)

normaliseringsinspecties van de bevoegde instanties van de lidstaten uit te voeren;

c)

na te gaan of de bevoegde instanties van de lidstaten bij de afgifte van en het toezicht op certificaten handelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan;

d)

bij te dragen tot de beoordeling van het effect van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan door de bevoegde instanties van de lidstaten.

2.   Voor zover mogelijk zijn de in deze verordening vastgestelde werkmethoden ook van toepassing als het Agentschap wordt belast met het toezicht op de toepassing van eisen inzake luchtvaartveiligheid uit hoofde van andere EU-wetgevingsinstrumenten, door de Unie gesloten overeenkomsten of door het Agentschap overeengekomen werkregelingen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „inspectie”: de door het Agentschap uitgevoerde normaliseringsinspectie als bedoeld in artikel 24, lid 1, en artikel 54 van Verordening (EG) nr. 216/2008, inclusief de inspectie van ondernemingen of groepen van ondernemingen zoals bedoeld in artikel 54, lid 4, en artikel 55 van die verordening;

2.   „bevoegde instantie”: de entiteit die door de lidstaat is aangewezen als zijnde bevoegd voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan;

3.   „gemachtigd personeel”: de personen die door het Agentschap zijn gemachtigd om inspecties uit te voeren, inclusief gedetacheerd personeel;

4.   „gedetacheerd personeel”: de ambtenaren die ter beschikking worden gesteld door de bevoegde instanties van de lidstaten, de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO), andere internationale luchtvaartorganisaties of de bevoegde instanties van derde landen die overeenkomsten hebben gesloten met de Unie of werkregelingen hebben afgesproken met het Agentschap, en die door deze instanties worden aangewezen om het Agentschap bij te staan bij het uitvoeren van inspecties;

5.   „bewijsmateriaal”: vastgelegde gegevens, feitelijke vaststellingen of andere informatie die relevant en verifieerbaar is;

6.   „bevinding”: het resultaat van de vergelijking tussen het beschikbare bewijsmateriaal en de toepasselijke eisen;

7.   „correctie”: een actie om een bevinding van niet-conformiteit met de toepasselijke eisen te verhelpen;

8.   „corrigerende actie”: een actie om de oorzaak van een bevinding van niet-conformiteit met de toepasselijke eisen weg te nemen, teneinde te voorkomen dat de bevinding zich opnieuw zou voordoen;

9.   „acuut veiligheidsrisico”: een situatie waarin er aanwijzingen zijn dat een product, dienst, systeem, onderdeel, uitrustingsstuk of faciliteit zich in een zodanige staat bevindt of op zodanige wijze wordt bediend, geleverd of onderhouden dat lichamelijk letsel waarschijnlijk is, tenzij de situatie onmiddellijk wordt rechtgezet.

Artikel 3

Beginselen die van toepassing zijn op het toezicht

1.   Het Agentschap gaat na of de bevoegde autoriteiten de in artikel 1 bedoelde eisen toepassen en op uniforme wijze ten uitvoer leggen volgens de in deze verordening vastgestelde methode, en brengen daarover verslag uit.

2.   Dit toezicht vindt permanent plaats en is gebaseerd op risico’s, welke worden vastgesteld op basis van de informatie waarover het Agentschap beschikt. In het kader van dit toezicht wordt ook beoordeeld of de bevoegde instanties in staat zijn om zich van hun toezichtsbevoegdheden te kwijten, om de nodige inspecties uit te voeren en om de follow-up te verzekeren van de bevindingen die voortvloeien uit deze inspecties, teneinde te garanderen dat tijdig passende correcties en corrigerende maatregelen ten uitvoer worden gelegd.

3.   Bij het toezicht wordt een systematische benadering gevolgd. Alle domeinen en kritieke punten van het veiligheidstoezichtssysteem, zoals gedefinieerd door de ICAO, worden bekeken. Bijzondere aandacht wordt besteed aan interfaces tussen domeinen.

4.   Het toezicht wordt op transparante, efficiënte, effectieve, geharmoniseerde en consequente wijze uitgevoerd.

5.   Het Agentschap analyseert het resultaat van zijn toezichtsactiviteiten om na te gaan of er behoefte is aan verbeteringen van de regelgeving.

Artikel 4

Beginselen die van toepassing zijn op inspecties en bevindingen

1.   Bij inspecties van bevoegde instanties wordt rekening gehouden met de resultaten van eerdere inspecties en wordt met name aandacht besteed aan wijzigingen van de regelgevende eisen en de bekwaamheid van de bevoegde instanties om toezicht te houden op de veiligheid; de inspecties moeten aangepast zijn aan de omvang en de complexiteit van de sector waarop toezicht wordt gehouden, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan het verzekeren van een hoog en uniform veiligheidsniveau van het commerciële luchtvervoer.

2.   De inspecties kunnen ook betrekking hebben op inspecties van ondernemingen of groepen van ondernemingen die onder het toezicht van de geïnspecteerde instantie staan.

3.   Als de betrokken partijen hiermee instemmen, kunnen de inspecties ook betrekking hebben op militaire faciliteiten die openstaan voor publiek gebruik of op diensten die door militair personeel aan het publiek worden verleend, teneinde te controleren of de eisen van artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 216/2008 zijn nageleefd.

4.   De inspecties worden uitgevoerd door een team van door het Agentschap gemachtigde personeelsleden die zijn gekwalificeerd en opgeleid op hun respectieve domein(en). Gemachtigd personeel dient de beginselen van onafhankelijkheid, integriteit, ethisch gedrag, zorgvuldigheid, getrouwe weergave en vertrouwelijkheid toe te passen.

5.   Als het Agentschap vaststelt dat een of meer certificaten niet beantwoorden aan Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, wordt die bevinding van niet-conformiteit meegedeeld aan de betrokken bevoegde instantie. Als de bevinding van niet-conformiteit niet tijdig wordt gecorrigeerd, doet het Agentschap aanbevelingen krachtens artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 216/2008 zodat een besluit kan worden genomen over de wederzijdse erkenning van het (de) desbetreffende certifica(a)t(en).

6.   De bevindingen van niet-conformiteit die worden vastgesteld tijdens de in de leden 1, 2 en 3 vermelde inspecties, worden door het Agentschap ingedeeld en gevolgd op basis van hun effect op de veiligheid, waarbij veiligheidsgerelateerde bevindingen voorrang krijgen. Het Agentschap stelt de bevoegde instanties van de lidstaten onverwijld in kennis als een acuut veiligheidsrisico niet afdoende is aangepakt.

7.   Deze verordening laat de artikelen 15 en 58 van Verordening (EG) nr. 216/2008, Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom (17), Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad (18) en Verordening (EG) nr. 473/2006 van de Commissie (19) onverlet.

Artikel 5

Uitwisseling van gegevens

1.   De bevoegde instanties van de lidstaten verstrekken het Agentschap alle nodige informatie die relevant is voor hun toezichtsactiviteiten en die betrekking heeft op alle kritieke elementen van hun systeem voor veiligheidstoezicht, inclusief de ondernemingen of groepen van ondernemingen die onder hun toezicht staan. De informatie wordt verstrekt in een vorm en op een wijze die door het Agentschap wordt gespecificeerd, rekening houdende met de informatie die ter beschikking van de ICAO is gesteld.

2.   Het Agentschap kan ook ad-hocinformatie vragen aan de bevoegde instanties van de lidstaten. Als het Agentschap een dergelijk verzoek om informatie indient, vermeldt het de rechtsgrondslag en het doel, specificeert het welke informatie wordt gevraagd en stelt het de termijn vast voor het verstrekken van die informatie.

3.   Het Agentschap verstrekt de bevoegde instanties van de lidstaten relevante informatie ter ondersteuning van de uniforme tenuitvoerlegging van de toepasselijke eisen.

Artikel 6

Nationale normaliseringscoördinator

1.   De lidstaten stellen een nationale normaliseringscoördinator aan die optreedt als eerste contactpunt voor alle normaliseringsactiviteiten, en met name belast is met de coördinatie van de bij artikel 5, lid 1, voorgeschreven informatie-uitwisseling. De nationale normaliseringscoördinator is verantwoordelijk voor:

a)

het permanent bijhouden en actualiseren van de informatie die aan het Agentschap wordt verstrekt, inclusief informatie die overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 wordt gevraagd, correcties en corrigerende actieplannen en bewijzen van de tenuitvoerlegging van de overeengekomen corrigerende acties;

b)

het Agentschap in alle fasen van een inspectie bijstaan en ervoor zorgen dat het inspectieteam gedurende de volledige inspecties ter plaatse wordt begeleid.

2.   De bevoegde instanties zorgen ervoor dat er duidelijke communicatielijnen bestaan tussen de aangewezen nationale normaliseringscoördinator en hun interne organisatie, zodat hij zich op passende wijze van zijn verantwoordelijkheden kan kwijten.

Artikel 7

Permanent toezicht

1.   Het in artikel 3 bedoelde permanent toezicht omvat het volgende:

a)

het verzamelen en analyseren van gegevens en informatie die worden verstrekt door de bevoegde instanties van de lidstaten, de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), de Commissie of andere relevante bronnen;

b)

het beoordelen van het vermogen van de bevoegde instantie om zich te kwijten van haar verantwoordelijkheden op het gebied van veiligheidstoezicht;

c)

afhankelijk van de onder b), vermelde beoordeling: het prioriteren en plannen van inspecties en het bepalen van het toepassingsgebied ervan;

d)

het uitvoeren van de inspecties, inclusief de bijbehorende rapportering;

e)

het volgen en sluiten van bevindingen van niet-conformiteit die voortvloeien uit inspecties.

2.   Met het oog op de in lid 1, onder b), vermelde beoordeling zorgt het Agentschap voor de opstelling, de ontwikkeling en het onderhoud van een uniek model, rekening houdende met minstens de volgende elementen:

a)

de omvang en complexiteit van de luchtvaartsector;

b)

ernstige incidenten, ongevallen, dodelijke ongevallen en dodelijke slachtoffers;

c)

de resultaten van de platforminspecties;

d)

de resultaten van eerdere inspecties;

e)

het vermogen van de bevoegde instanties om effectief correcties en corrigerende acties ten uitvoer te leggen;

f)

het resultaat van audits die zijn uitgevoerd in het kader van internationale verdragen of veiligheidsbeoordelingsprogramma’s van staten;

g)

het bestaan van maatregelen krachtens artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 216/2008 of artikel 258 van het Verdrag;

3.   Het resultaat van het in lid 2 vermelde model en de inputgegevens en resultaten van de beoordeling worden ter beschikking gesteld van de nationale normaliseringscoördinator van de desbetreffende lidstaat.

4.   Het Agentschap past het inspectieprogramma aan in het licht van het permanent toezicht, waarbij rekening wordt gehouden met zowel verbeteringen als verslechteringen van de veiligheidsprestaties. Het Agentschap neemt passende maatregelen wanneer er aanwijzingen zijn dat de veiligheidsprestaties verslechteren.

Artikel 8

Inspectieprogramma

1.   In overleg met de Commissie stelt het Agentschap een meerjarenprogramma op waarin de in artikel 10, lid 1, onder a), vermelde inspecties zijn vermeld, en een jaarprogramma waarin de in artikel 10, lid 1, onder a) en b), vermelde inspecties zijn vermeld.

2.   In de inspectieprogramma’s wordt melding gemaakt van de betrokken lidstaten, het type inspectie, de te inspecteren domeinen en het geplande tijdschema voor de fase van de inspectie die ter plaatse plaatsvindt, rekening houdende met het in artikel 7 vermelde model.

3.   Het Agentschap kan de inspectieprogramma’s aanpassen om rekening te houden met ontluikende risico’s die aan het licht zijn gebracht door het in artikel 7 vermelde permanente toezicht.

4.   Het jaarprogramma wordt meegedeeld aan de Commissie, de leden van de raad van bestuur van het Agentschap, als onderdeel van het werkprogramma van het Agentschap overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 216/2008, en de nationale normaliseringscoördinator van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 9

Inspectiedomeinen

1.   Het Agentschap voert inspecties uit waarbij elk in hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde domein aan bod komt. Het betreft onder meer de volgende domeinen:

a)

luchtwaardigheid en milieubescherming, zoals respectievelijk omschreven in de artikelen 5 en 6 van de genoemde verordening.

b)

bemanningen, zoals omschreven in de artikelen 7 en 8 van de genoemde verordening;

c)

vluchtuitvoeringen, zoals omschreven in de artikelen 8 en 9 van de genoemde verordening;

d)

platforminspecties, zoals omschreven in artikel 10 van de genoemde verordening;

e)

luchtvaartterreinen, zoals omschreven in artikel 8 bis van de genoemde verordening;

f)

ATM/ANS en luchtverkeersleiders, zoals omschreven in de artikelen 8 ter en 8 quater van de genoemde verordening;

Andere domeinen kunnen worden omschreven op basis van de ontwikkeling van Verordening (EG) nr. 216/2008 of op verzoek van de Commissie.

2.   Het Agentschap ziet erop toe dat zijn middelen op passende wijze worden ingezet voor het toezicht op en de inspectie van de verschillende domeinen, afhankelijk van de resultaten van het in artikel 7 vermelde permanente toezicht.

Artikel 10

Soorten inspecties

1.   Het Agentschap voert de volgende inspecties uit:

a)

uitgebreide inspecties, met het oog op de inspectie van een of meer domeinen; de periodiciteit van deze inspecties is afhankelijk van de resultaten van het permanente toezicht;

b)

gerichte inspecties, met het oog op de inspectie van specifieke gebieden binnen een of meer domeinen, en/of met het oog op de beoordeling van de tenuitvoerleggingsstatus van overeengekomen correcties en corrigerende maatregelen;

c)

ad-hocinspecties, met het oog op het onderzoeken van specifieke problemen die aan het licht zijn gebracht door het permanente toezicht van het Agentschap of op verzoek van de Commissie.

2.   Onverminderd de inspecties die vermeld zijn in lid 1 kan het Agentschap bevindingen doen zonder zich ter plaatse te begeven, voor zover het voldoende bewijzen van niet-naleving heeft verzameld.

Artikel 11

Opleiding, kwalificatie en vergunningscriteria voor inspectieteams

1.   Het Agentschap stelt kwalificatiecriteria vast voor het personeel dat deel uitmaakt van de inspectieteams.

2.   De kwalificatiecriteria hebben onder meer betrekking op:

a)

kennis van het institutionele en regelgevende kader, met name dat van deze verordening, maar ook dat van relevante internationale overeenkomsten;

b)

kennis van en ervaring met audittechnieken;

c)

technische bekwaamheid en praktische ervaring op het (de) in artikel 9 vermelde relevante domein(en).

3.   De teamleiders zijn personeelsleden die in dienst zijn van het Agentschap. Behalve de in lid 2 vermelde kwalificatiecriteria moeten zij ook blijk geven van teammanagement en communicatievaardigheden in een internationale omgeving en in gevoelige situaties.

4.   De teamleden zijn personeelsleden die in dienst zijn van het Agentschap of gedetacheerde personeelsleden.

5.   Zowel de teamleiders als de teamleden hebben een opleiding gekregen met betrekking tot de toepasselijke eisen en procedures van het Agentschap. Het Agentschap zorgt ervoor dat de bekwaamheid van de teamleiders en teamleden op peil blijft, zodat zij als gemachtigd personeel kunnen deelnemen aan inspecties. Daartoe stelt het Agentschap passende programma’s voor permanente opleiding vast.

6.   Personeelsleden die voldoen aan de kwalificatiecriteria en die een passende opleiding hebben gekregen, kunnen door het Agentschap worden gemachtigd om deel te nemen aan inspectieteams.

Artikel 12

Samenstelling van inspectieteams

1.   De inspecties worden uitgevoerd door teams die door het Agentschap worden opgericht en die bestaan uit personeel dat gemachtigd is overeenkomstig artikel 11.

2.   Het Agentschap bepaalt de samenstelling van het team, zodat het team voldoende groot is om over alle technische vaardigheden te beschikken en het hoofd te kunnen bieden aan de werkbelasting, rekening houdende met het type inspectie, het toepassingsgebied, het aantal te inspecteren domeinen en het verwachte programma. Elk team bestaat minstens uit een teamleider en één teamlid. Het Agentschap ziet er in elk geval op toe dat de grootte van de teams aangepast is aan het toepassingsgebied.

3.   Bij de samenstelling van de teams ziet het Agentschap erop toe dat er geen belangenconflict optreedt met de bevoegde instanties of de ondernemingen of groepen van ondernemingen die worden geïnspecteerd.

4.   Het Agentschap vraagt tijdig vóór een inspectie informatie aan de detacherende autoriteiten of organisaties over de beschikbaarheid van personeelsleden voor deelname aan de fase van de inspectie die ter plaatse plaatsvindt.

5.   Kosten ten gevolge van de deelname van nationale normaliseringscoördinatoren, zoals bepaald in artikel 14, lid 2, en artikel 19, lid 2, en van gedetacheerd personeel aan inspecties die door het Agentschap worden uitgevoerd, komen ten laste van het Agentschap, overeenkomstig de regels van de Unie en onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie.

Artikel 13

Uitvoering van inspecties

1.   De in artikel 10, lid 1, onder a) en b), vermelde inspecties bestaan uit de volgende fasen:

a)

een voorbereidende fase van minstens tien weken voorafgaand aan de inspectie;

b)

een fase ter plaatse;

c)

een rapporteringsfase van hoogstens tien weken na het einde van de fase ter plaatse.

2.   De in artikel 10, lid 1, onder c), vermelde ad-hocinspecties worden twee weken van tevoren aan de betrokken bevoegde instantie aangekondigd, maar hoeven niet te voldoen aan de termijnen en procedures van de artikelen 14, 15 en 16, met dien verstande dat wel een eindverslag moet worden opgesteld.

3.   Bevindingen van niet-conformiteit die tijdens de in artikel 10 vermelde inspecties worden vastgesteld, worden gerapporteerd overeenkomstig artikel 16, gevolgd en gesloten overeenkomstig artikel 17 en geklassificeerd overeenkomstig artikel 18.

Artikel 14

Voorbereidende fase

1.   Tijdens de voorbereidende fase van een inspectie zal het Agentschap:

a)

de inspectie minstens tien weken voor de fase ter plaatse aankondigen aan de bevoegde instantie, met vermelding van het type inspectie en het (de) domein(en) en gebieden die zullen worden geïnspecteerd;

b)

de nodige informatie verzamelen ter voorbereiding van de inspectie, rekening houdende met de informatie uit het permanente toezicht;

c)

het toepassingsgebied, de reikwijdte en het programma van de inspectie vaststellen, inclusief de inspectie van ondernemingen of groepen van ondernemingen, rekening houdende met de informatie uit het permanente toezicht;

d)

de omvang en samenstelling van het inspectieteam bepalen.

2.   Als de bevoegde instantie de aankondiging van de inspectie ontvangt, werkt zij met het Agentschap samen om de fase ter plaatse snel voor te bereiden. Indien nodig kan een voorafgaande vergadering tussen het inspectieteam en de nationale normaliseringscoördinator worden georganiseerd.

3.   Het Agentschap stelt de bevoegde instantie minstens twee weken vóór de fase ter plaatse in kennis van het inspectieprogramma en de samenstelling van het team.

Artikel 15

Fase ter plaatse

1.   Tijdens de fase ter plaatse van een inspectie zal het Agentschap:

a)

een inleidende vergadering met de nationale normaliseringscoördinator en de geïnspecteerde bevoegde instantie organiseren;

b)

opvolging geven aan bevindingen van niet-conformiteit die tijdens vorige inspecties zijn vastgesteld en nog steeds openstaan, en de bijbehorende correcties en corrigerende maatregelen bekijken;

c)

de bevoegde instantie in kennis stellen van eventuele acute veiligheidsrisico’s, indien dergelijke risico’s zijn vastgesteld tijdens de inspectie;

d)

tijdens een slotvergadering aan de geïnspecteerde nationale instantie een lijst voorleggen van voorlopige bevindingen van niet-conformiteit die tijdens de inspectie zijn vastgesteld of gevolgd.

2.   Bovendien kan het Agentschap:

a)

de hoofdkantoren van de bevoegde instantie inspecteren alsmede, voor zover noodzakelijk, de regionale kantoren van de bevoegde instantie en van de gekwalificeerde entiteiten waaraan de bevoegde instantie taken heeft toegewezen;

b)

ondernemingen of groepen van ondernemingen die onder toezicht van de bevoegde instantie staan, inspecteren in het kader van de inspectie van de bevoegde instantie; in dat geval mag de bevoegde instantie het inspectieteam vergezellen;

c)

interviews afnemen van de personeelsleden van de geïnspecteerde bevoegde instantie en de eventuele bezochte gekwalificeerde entiteiten en ondernemingen of groepen van ondernemingen;

d)

wetgeving, procedures, certificaten, archieven, gegevens en ander relevant materiaal onderzoeken.

Artikel 16

Rapporteringsfase

1.   Tijdens de rapporteringsfase van een inspectie bekijkt het Agentschap binnen zes weken na de slotvergadering van de fase ter plaatse de voorlopige bevindingen, klassificeert ze en stelt op basis daarvan een ontwerpverslag op ter attentie van de geïnspecteerde bevoegde instantie.

2.   Het ontwerpverslag bevat minstens:

a)

een samenvatting waarin de conclusies worden uiteengezet;

b)

nadere informatie over de uitvoering van de inspectie, inclusief het type inspectie, de geïnspecteerde domeinen, het toepassingsgebied en de samenstelling van het team;

c)

een analyse van alle kritieke elementen, met prioritaire aandacht voor de belangrijkste bevindingen;

d)

een lijst van bevindingen van niet-conformiteit die tijdens de inspectie zijn vastgesteld of gevolgd, samen met hun classificatie;

e)

aanbevelingen, ook over de wederzijdse erkenning van certificaten, voor zover nodig.

3.   Bevindingen van niet-conformiteit worden gemeld door middel van het in lid 2 vermelde ontwerpverslag, behalve als het Agentschap ze al via andere middelen schriftelijk heeft gemeld.

4.   De bevoegde instantie mag binnen twee weken na de kennisgeving schriftelijk opmerkingen indienen bij het Agentschap.

5.   Binnen tien weken na de slotvergadering stelt het Agentschap op basis van het in lid 2 vermelde ontwerpverslag een eindverslag op waarin de eventuele opmerkingen van de geïnspecteerde bevoegde instantie worden weergegeven. Het Agentschap kan de beschrijving van de bevinding van niet-conformiteit of de rechtsgrondslag, classificatie of status ervan aanpassen om rekening te houden met de opmerkingen of met de correcties of corrigerende acties die tijdens de rapporteringsfase zijn ingediend.

6.   Het Agentschap zorgt voor de opstelling en actualisering van een permanente monitoringstatus voor elke lidstaat, welke op verzoek aan de desbetreffende lidstaat en de Commissie wordt verstrekt.

7.   Het eindverslag wordt gericht aan de geïnspecteerde bevoegde instantie en de Commissie, die dit verslag vervolgens kan doorsturen naar de desbetreffende lidstaat en andere bevoegde autoriteiten, voor zover passend.

Artikel 17

Follow-up en sluiting van bevindingen

1.   Voor alle bevindingen van niet-conformiteit die geclassificeerd zijn overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b) en c), stelt de bevoegde instantie uiterlijk vier weken na ontvangst van de kennisgeving van het Agentschap een correctie en een corrigerende maatregel op.

2.   Voor alle bevindingen van niet-conformiteit die geclassificeerd zijn overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder a), stelt de bevoegde instantie uiterlijk tien weken na ontvangst van de kennisgeving van het Agentschap een corrigerende maatregel voor.

3.   De bevoegde instantie brengt tijdig bij het Agentschap verslag uit over de voltooiing van de corrigerende acties en verstrekt bewijzen daarvan.

4.   Het Agentschap:

a)

beoordeelt de door de bevoegde instantie ingediende correcties en corrigerende maatregelen of vraagt tijdig om verdere verduidelijking;

b)

aanvaardt of verwerpt de ingediende correcties en/of corrigerende maatregelen binnen 16 weken na de kennisgeving;

c)

houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van de corrigerende maatregelen;

d)

gaat na of er behoefte is aan aanvullende maatregelen, overeenkomstig artikel 22;

e)

brengt aan de hand van statusverslagen regelmatig verslag uit aan de bevoegde instantie en de Commissie over de status van de bevindingen van niet-conformiteit en de bijbehorende correcties/corrigerende maatregelen;

f)

sluit de bevindingen van niet-conformiteit als het tevreden is over de voltooiing van de corrigerende maatregelen en de ingediende bewijzen, registreert de sluiting van de bevindingen van niet-conformiteit en stelt de bevoegde instantie daarvan in kennis.

5.   Met het oog op de toepassing van punt c), kan het Agentschap bewijzen of verduidelijkingen vragen aan de bevoegde instantie. Het Agentschap kan ook beslissen de tenuitvoerlegging ter plaatse te verifiëren door middel van een inspectie.

6.   Als krachtens artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 216/2008 of krachtens de Verdragen een inbreukprocedure is ingeleid naar aanleiding van bevindingen van niet-conformiteit, zorgt het Agentschap voor passende follow-up, in overleg met de Commissie, en sluit het deze bevindingen niet zonder eerst overleg te plegen met de Commissie.

Artikel 18

Indeling van bevindingen

1.   Alle bevindingen van niet-conformiteit die door het Agentschap zijn vastgesteld in het kader van de in artikel 10 vermelde inspecties, ongeacht of ze betrekking hebben op administratieve dan wel technische eisen, worden door het Agentschap gerapporteerd en in de volgende categorieën ingedeeld:

a)

klasse C: gevallen van niet-conformiteit met de toepasselijke eisen, die hoofdzakelijk aanleiding geven tot normaliseringsproblemen;

b)

klasse D: gevallen van niet-conformiteit met de toepasselijke eisen die aanleiding geven tot normaliseringsproblemen en veiligheidsproblemen, als ze niet tijdig worden rechtgezet;

c)

klasse G: acute veiligheidsrisico’s.

2.   De rapportering, follow-up en sluiting krijgen prioriteit al naargelang de klasse waarin het geval van niet-conformiteit is ingedeeld.

Artikel 19

Acuut veiligheidsrisico

1.   Als een acuut veiligheidsrisico door het Agentschap is gemeld:

a)

verzoekt het Agentschap de bevoegde instantie om passende corrigerende maatregelen te nemen, inclusief onmiddellijke correcties;

b)

past de bevoegde instantie effectieve correcties toe om de bevinding recht te zetten en verstrekt zij bewijzen daarvan aan het Agentschap.

2.   Binnen twee weken na de melding van het acuut veiligheidsrisico kan het Agentschap de bevoegde instantie verzoeken een vergadering bij te wonen om de tenuitvoerlegging van de onmiddellijke correcties te beoordelen.

3.   Als het Agentschap niet tevreden is over de correcties, doet het aanbevelingen aan de Commissie, inclusief — indien nodig — een verzoek met betrekking tot de wederzijdse erkenning van het (de) certifica(a)t(en) die door de bevoegde instantie zijn afgegeven. Het Agentschap stelt de bevoegde instanties van de lidstaten onmiddellijk in kennis.

Artikel 20

Opgeslagen gegevens

1.   Het Agentschap stelt een systeem voor het bijhouden van gegevens vast dat voorziet in passende opslag, toegankelijkheid en betrouwbare traceerbaarheid van wijzigingen met betrekking tot:

a)

opleiding, kwalificaties en machtigingen van teamleiders en teamleden;

b)

inspectieprogramma’s;

c)

verslagen;

d)

bevindingen en bijbehorend bewijsmateriaal;

e)

overeengekomen correcties en corrigerende maatregelen;

f)

sluiting van bevindingen van niet-conformiteit en bijbehorende bewijzen;

g)

aanbevelingen inzake de wederzijdse erkenning van certificaten;

h)

de in artikel 7, lid 1, onder b), bedoelde beoordeling.

2.   Alle gegevens worden minstens 15 jaar bijgehouden, met inachtneming van de toepasselijke wetgeving inzake gegevensbescherming.

Artikel 21

Toegang tot informatie in inspectieverslagen

1.   Wanneer informatie in een inspectieverslag betrekking heeft op een onder het veiligheidstoezicht van een derde land vallende onderneming of groep van ondernemingen en onder het toepassingsgebied van een krachtens artikel 12 van Verordening (EG) nr. 216/2008 door de Unie gesloten overeenkomst valt, wordt die informatie ter beschikking gesteld van dat derde land als partij bij die overeenkomst, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen daarvan.

2.   Als informatie in een inspectieverslag onder het toepassingsgebied van het Memorandum van samenwerking tussen de Unie en de ICAO valt, wordt die informatie ter beschikking gesteld van de ICAO overeenkomstig de bepalingen van dit memorandum van samenwerking en de overeenkomstige bijlage inzake veiligheid.

3.   Als informatie in een inspectieverslag betrekking heeft op lopende veiligheidsonderzoeken die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad (20) worden uitgevoerd, wordt die informatie onverwijld ter beschikking gesteld van de instantie die het veiligheidsonderzoek leidt.

4.   Met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (21), wordt het besluitvormingsproces met betrekking tot een inspectieverslag niet geacht te zijn gesloten zolang de overeenkomstige bevindingen van niet-conformiteit niet zijn gesloten.

Artikel 22

Aanvullende acties

1.   Het Agentschap stelt alle gevallen van niet-opvolging van een bevinding van niet-conformiteit vast, bijvoorbeeld:

a)

de corrigerende maatregel is niet binnen de in artikel 17, lid 1, vermelde periode ingediend;

b)

de corrigerende maatregel is niet binnen de in artikel 17, lid 4, onder b), vermelde periode met het Agentschap overeengekomen;

c)

de corrigerende maatregel is niet goed ten uitvoer gelegd.

2.   In de in lid 1 vermelde gevallen verzoekt het Agentschap de bevoegde instantie om toelichting te verstrekken bij de niet-opvolging en aanvullende maatregelen in te dienen, waarbij een termijn voor het antwoord wordt bepaald.

3.   Het Agentschap beoordeelt de gevolgen van de niet-opvolging en het antwoord van de bevoegde instantie binnen de vastgestelde termijn. Op basis van het resultaat van die beoordeling kan het Agentschap:

a)

instemmen met de ingediende aanvullende maatregelen, of

b)

een aanvullend verslag opstellen voor de desbetreffende bevoegde instantie en de Commissie. Dat verslag bevat de beoordeling van het Agentschap en de aanbevelingen van het Agentschap aan de Commissie, inclusief — voor zover nodig — aanbevelingen over de wederzijdse erkenning van certificaten die door de bevoegde instantie zijn afgegeven.

4.   Onverminderd Verordening (EG) nr. 2111/2005 kan de Commissie, na ontvangst van het in lid 3, onder b), vermelde aanvullende verslag, een van de volgende maatregelen nemen:

a)

de betrokken lidstaat haar opmerkingen doen toekomen of om nadere toelichting vragen met betrekking tot alle of een deel van de bevindingen van niet-conformiteit;

b)

het Agentschap verzoeken een ad-hocinspectie uit te voeren om na te gaan of de correcties en corrigerende maatregelen goed ten uitvoer zijn gelegd;

c)

de in artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde procedure inleiden, teneinde te beslissen of de door de bevoegde instantie afgegeven certificaten beantwoorden aan de toepasselijke eisen;

d)

een procedure krachtens artikel 258 van het Verdrag inleiden.

Artikel 23

Jaarverslag

Het Agentschap dient uiterlijk op 31 maart van elk jaar bij de Commissie een jaarverslag in over het permanent toezicht en de inspecties die zijn uitgevoerd tijdens het vorige jaar. Dat verslag bevat een analyse van de resultaten van de activiteiten en inspecties, waaruit blijkt of de bevoegde instanties in staat zijn zich van hun verantwoordelijkheden op het gebied van veiligheidstoezicht te kwijten, en aanbevelingen voor mogelijke verbeteringen. De aanbevelingen hebben met name betrekking op technische regels die moeten worden opgesteld of gewijzigd overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 216/2008 en op maatregelen van het Agentschap die moeten worden opgesteld of gewijzigd overeenkomstig artikel 18, onder c) van Verordening (EG) nr. 216/2008.

Artikel 24

Werkprocedures

Uiterlijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening herziet het Agentschap zijn werkprocedures om de taken te kunnen uitvoeren die het overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 23 heeft gekregen.

Artikel 25

Overgangsregelingen

1.   Bevindingen van niet-conformiteit die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 736/2006 door het Agentschap zijn vastgesteld en waarvoor op het ogenblik van de inwerkingtreding van de onderhavige verordening geen bewijzen van sluiting zijn ingediend bij het Agentschap, worden geacht te zijn vastgesteld overeenkomstig de onderhavige verordening en worden als zodanig behandeld.

2.   Als het Agentschap overeenkomstig Verordening (EG) nr. 736/2006 heeft ingestemd met corrigerende actieplannen, wordt het geacht overeenkomstig de onderhavige verordening met die actieplannen te hebben ingestemd.

3.   Teamleden en teamleiders die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 736/2006 door het Agentschap zijn gemachtigd, worden geacht overeenkomstig de onderhavige verordening te zijn gemachtigd.

Artikel 26

Intrekking

Verordening (EG) nr. 736/2006 van de Commissie wordt ingetrokken.

Artikel 27

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(2)  PB L 129 van 17.5.2006, blz. 10.

(3)  PB L 243 van 27.9.2003, blz. 6.

(4)  PB L 315 van 28.11.2003, blz. 1.

(5)  PB L 240 van 7.9.2002, blz. 1.

(6)  PB L 206 van 11.8.2011, blz. 21.

(7)  PB L 271 van 18.10.2011, blz. 15.

(8)  PB L 271 van 18.10.2011, blz. 23.

(9)  PB L 201 van 3.8.2010, blz. 1.

(10)  PB L 373 van 31.12.1991, blz. 4.

(11)  PB L 254 van 20.9.2008, blz. 1.

(12)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 76.

(13)  PB L 109 van 19.4.2008, blz. 17.

(14)  PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1.

(15)  PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1.

(16)  Besluit 2011/531/EU van de Raad (PB L 232 van 9.9.2011, blz. 8).

(17)  PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.

(18)  PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15.

(19)  PB L 84 van 23.3.2006, blz. 8.

(20)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35.

(21)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.