11.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/21


VERORDENING (EU) Nr. 805/2011 VAN DE COMMISSIE

van 10 augustus 2011

tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vergunningen en bepaalde certificaten van luchtverkeersleiders, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 8 quater, lid 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De doelstelling van Verordening (EG) nr. 216/2008 is de totstandbrenging en instandhouding van een hoog uniform veiligheidsniveau in de burgerluchtvaart in Europa. Die verordening voorziet ook in de middelen om deze en andere doelstellingen op het gebied van de veiligheid van de burgerluchtvaart te verwezenlijken.

(2)

Om Verordening (EG) nr. 216/2008 en de nieuwe wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim II (2) ten uitvoer te kunnen leggen, zijn gedetailleerdere uitvoeringsbepalingen nodig, met name wat betreft de vergunning van luchtverkeersleiders, teneinde een hoog uniform niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart in Europa in stand te houden, de hoogste normen inzake verantwoordelijkheid en bekwaamheid te bereiken, de beschikbaarheid van luchtverkeersleiders te verbeteren en de wederzijdse erkenning van vergunningen te stimuleren, en moet tegelijk worden gestreefd naar een algehele verbetering van de veiligheid van het luchtverkeer en de bekwaamheid van het personeel.

(3)

Luchtverkeersleiders en personen en organisaties die betrokken zijn bij de opleiding, tests, controles of medische beoordelingen van die luchtverkeersleiders moeten voldoen aan de relevante essentiële eisen van bijlage Vb bij Verordening (EG) nr. 216/2008. Volgens die verordening moeten luchtverkeersleiders en personen en organisaties die betrokken zijn bij de opleiding van luchtverkeersleiders een certificaat of vergunning krijgen zodra is vastgesteld dat zij aan de essentiële eisen beantwoorden.

(4)

De vergunning waarin voorzien is bij Richtlijn 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (3) is een succesvol instrument gebleken voor het erkennen van de specifieke rol die luchtverkeersleiders spelen bij een veilige luchtverkeersleiding. De instelling van bekwaamheidsnormen voor de hele EU heeft de fragmentatie op dit gebied verminderd, wat geleid heeft tot een efficiëntere organisatie van het werk in het kader van de toenemende regionale samenwerking tussen verleners van luchtvaartnavigatiediensten. De instandhouding en verbetering van de gemeenschappelijke vergunningsregeling voor luchtverkeersleiders in de Unie is dan ook een essentieel element van het Europese luchtverkeersleidingssysteem.

(5)

Richtlijn 2006/23/EG is ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 1108/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4). De bepalingen van Richtlijn 2006/23/EG blijven echter van toepassing tot de datum waarop de in artikel 8 quater, lid 10, van Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde maatregelen van toepassing zijn. Deze verordening voorziet in die maatregelen.

(6)

De bepalingen van deze verordening weerspiegelen de actuele stand van zaken op het gebied van de opleiding tot luchtverkeersleider, inclusief de beste werkwijzen en wetenschappelijke en technische vooruitgang. Ze zijn ontwikkeld op basis van Richtlijn 2006/23/EG en zorgen voor een gemeenschappelijke omzetting door de lidstaten van de normen en aanbevolen werkwijzen die zijn vastgesteld in het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 is ondertekend in Chicago, en van de veiligheidsvoorschriften die zijn aangenomen door de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol), welke is opgericht door middel van het Internationaal Verdrag van 13 december 1960.

(7)

Om uniformiteit bij de toepassing van gemeenschappelijke eisen voor vergunningen en medische certificaten van luchtverkeersleiders te garanderen, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en, indien van toepassing, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”), gemeenschappelijke procedures volgen voor het beoordelen van de naleving van deze eisen; het Agentschap moet certificeringsspecificaties, aanvaardbare nalevingswijzen en begeleidend materiaal ontwikkelen om de noodzakelijke uniformiteit van de regelgeving gemakkelijker tot stand te kunnen brengen.

(8)

De specifieke kenmerken van het luchtverkeer in de Europese Unie vragen om de invoering en effectieve toepassing van gemeenschappelijke bekwaamheidsnormen voor luchtverkeersleiders welke in dienst zijn van verleners van luchtvaartnavigatiediensten die diensten op het gebied van luchtverkeersbeheer (ATM) en luchtvaartnavigatie (ANS) verlenen aan het publiek.

(9)

De lidstaten moeten er echter, in de mate van het mogelijke, voor zorgen dat de diensten die door militair personeel worden geleverd of aangeboden aan het publiek een niveau van veiligheid bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat vereist is bij de essentiële eisen in bijlage Vb van de basisverordening. De lidstaten kunnen er daarom ook voor kiezen de beginselen van deze verordening toe te passen op hun militair personeel dat in artikel 1, lid 2, onder c), van die verordening beschreven diensten verleent aan het publiek.

(10)

De autoriteiten die toezicht houden en de naleving controleren, moeten voldoende onafhankelijk zijn van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten en aanbieders van opleidingen. De autoriteiten moeten ook in staat blijven hun taken efficiënt uit te voeren. De bevoegde autoriteit die is aangewezen voor de uitvoering van deze verordening kan dezelfde instantie(s) zijn die is/zijn aangewezen of opgericht in overeenstemming met artikel 4 van Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (5), als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1070/2009. Het Agentschap moet in het kader van deze verordening optreden als bevoegde autoriteit voor de afgifte en verlenging van de certificaten van opleidingsorganisaties voor luchtverkeersleiding die buiten het grondgebied van de lidstaten zijn gevestigd en, indien relevant, het personeel van die organisaties.

(11)

Het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten vereist hoog opgeleid personeel wiens bekwaamheid op verschillende manieren kan worden aangetoond. De geschikte manier om de bekwaamheid van luchtverkeersleiders aan te tonen, is door voor elke individuele luchtverkeersleider een gemeenschappelijke vergunningsregeling voor luchtverkeersleiders in de Unie in stand te houden, die moet worden gezien als een soort diploma. De bevoegdverklaring op een vergunning is een aanduiding van het type luchtverkeersdienst waarvoor een luchtverkeersleider bevoegd is. Tegelijkertijd weerspiegelen de aantekeningen op de vergunning zowel de specifieke vaardigheden van de luchtverkeersleider als de machtiging door de bevoegde autoriteiten voor het verlenen van diensten in een bepaalde sector of groep sectoren. Daarom dienen de autoriteiten in staat te zijn de bekwaamheid van luchtverkeersleiders te evalueren bij het afgeven van vergunningen of het verlengen van de geldigheid van de aantekeningen. De bevoegde autoriteiten dienen ook in staat te zijn om vergunningen, bevoegdverklaringen en aantekeningen te schorsen als aan de bekwaamheid wordt getwijfeld.

(12)

Om lessen te kunnen trekken uit ongevallen, moet de noodzaak aan verdere versterking van de veiligheidscultuur, in het bijzonder door het integreren van betrouwbare ongevallenrapportage en een cultuur van billijkheid, worden erkend; daarom mag in deze verordening niet automatisch een verband worden gelegd tussen een ongeval en schorsing van een vergunning, bevoegdverklaring of aantekening. Intrekking van een vergunning moet worden gezien als een laatste toevluchtsmaatregel in extreme gevallen.

(13)

Om het vertrouwen van de lidstaten in elkaars vergunningsregelingen voor luchtverkeersleiders te vergroten, zijn gemeenschappelijke regels voor het verkrijgen en behouden van vergunningen onmisbaar. Om het hoogste veiligheidsniveau te garanderen, is het dan ook belangrijk om uniforme eisen voor opleiding, kwalificaties, bekwaamheid en toegang tot het beroep van luchtverkeersleider in te voeren. Dit moet leiden tot de verlening van veilige, hoogwaardige luchtverkeersleidingsdiensten en bijdragen tot de erkenning van vergunningen in de hele Unie, waardoor de vrijheid van verkeer van luchtverkeersleiders toeneemt en hun beschikbaarheid wordt verbeterd.

(14)

Deze verordening mag niet tot gevolg hebben dat bestaande nationale bepalingen met betrekking tot de rechten en plichten die gelden voor de arbeidsrelatie tussen een werkgever en luchtverkeersleiders die een vergunning aanvragen, worden omzeild.

(15)

Om vaardigheden in de hele Unie vergelijkbaar te maken, moeten ze op een duidelijke en algemeen geaccepteerde manier worden gestructureerd. Dit helpt de veiligheid te garanderen, niet alleen in het deel van het luchtruim dat wordt beheerd door één verlener van luchtvaartnavigatiediensten, maar met name op het raakvlak tussen verschillende dienstverleners.

(16)

Bij veel incidenten en ongevallen speelt communicatie een belangrijke rol. Daarom zijn in deze verordening gedetailleerde taalvaardigheidseisen voor luchtverkeersleiders vastgesteld. Deze eisen zijn gebaseerd op die van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO) en vormen een middel om deze internationaal aanvaarde normen te handhaven. Het is nodig de beginselen van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid te respecteren als het gaat om taalvaardigheidseisen, teneinde vrij verkeer te stimuleren en tegelijkertijd de veiligheid te waarborgen.

(17)

De doelstellingen van de initiële opleiding zijn beschreven in de specificaties voor gemeenschappelijke kerninhoud voor de initiële opleiding van luchtverkeersleiders („Specification for the ATCO Common Core Content Initial Training”) van Eurocontrol die zijn ontwikkeld op verzoek van de leden van Eurocontrol en worden beschouwd als passende normen. Met betrekking tot opleidingen voor luchtverkeersleidingseenheden moet het gebrek aan algemeen aanvaarde normen worden gecompenseerd door een reeks maatregelen die hoge bekwaamheidsnormen moeten garanderen, zoals de goedkeuring van examinatoren en bekwaamheidsbeoordelaars. Dit is des te belangrijker omdat opleidingen voor luchtverkeersleidingseenheden zeer kostbaar en van doorslaggevend belang voor de veiligheid zijn. De ICAO heeft ook normen ontwikkeld op gebieden waarvoor geen gemeenschappelijke Europese opleidingseisen bestaan. Bij gebrek aan zulke Europese opleidingseisen kunnen de lidstaten uitgaan van deze ICAO-normen.

(18)

Op verzoek van Eurocontrol-lidstaten zijn medische eisen ontwikkeld, die worden beschouwd als passende normen om de naleving van deze verordening te garanderen. Met name de afgifte van medische certificaten dient samenhangend te zijn met de door Eurocontrol vastgestelde Requirements for European Class 3 Medical Certification of Air Traffic Controllers (eisen voor Europese klasse 3 medische certificering van luchtverkeersleiders).

(19)

De certificering van opleidingsorganisaties dient - wat veiligheid betreft - te worden beschouwd als een van de doorslaggevende factoren voor de kwaliteit van de opleiding tot luchtverkeersleider. Het is dan ook noodzakelijk eisen voor opleidingsorganisaties vast te stellen. Opleiding dient te worden beschouwd als een dienst die vergelijkbaar is met luchtvaartnavigatiediensten, en dus eveneens aan een certificeringsproces moet worden onderworpen. Deze verordening moet het mogelijk maken opleidingen te certificeren per type, per pakket opleidingsdiensten of per pakket opleidings- en luchtvaartnavigatiediensten, zonder de specifieke kenmerken van opleiding uit het oog te verliezen.

(20)

Deze verordening bevestigt de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het gebied van de wederzijdse erkenning van diploma's en het vrije verkeer van werknemers. Het evenredigheidsbeginsel, met redenen omklede motiveringen voor het opleggen van compenserende maatregelen en de instelling van passende beroepsprocedures zijn basisprincipes die op een meer zichtbare wijze moeten worden toegepast op de sector luchtverkeersbeheer. De lidstaten moeten het recht hebben om te weigeren vergunningen te erkennen die niet in overeenstemming met deze verordening zijn afgegeven. Aangezien deze verordening als doel heeft de wederzijdse erkenning van vergunningen te vergemakkelijken, voorziet zij niet in de regulering van de voorwaarden voor toegang tot het beroep.

(21)

Luchtverkeersleiders krijgen in hun beroep te maken met technische innovaties die vereisen dat hun vaardigheden regelmatig op peil worden gehouden. De noodzakelijke aanpassingen van deze verordening aan de technische ontwikkelingen en wetenschappelijke vooruitgang moeten plaatsvinden volgens de gepaste regelgevingsprocedure met toetsing, zoals vastgesteld in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad (6).

(22)

Deze verordening kan van invloed zijn op de dagelijkse werkpraktijk van de luchtverkeersleiders. De sociale partners moeten op passende wijze worden geïnformeerd en geraadpleegd over alle maatregelen met grote scoiale gevolgen.

Daarom zijn de sociale partners geraadpleegd volgens de snelprocedure van het Agentschap. Het Comité voor de sectoriële dialoog, dat is ingesteld bij Besluit 98/500/EG van de Commissie van 20 mei 1998 betreffende de oprichting van Comités voor de sectoriële dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau (7), dient op passende wijze te worden geraadpleegd over verdere uitvoeringsmaatregelen van de Commissie.

(23)

De algemene voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning, voor zover ze betrekking hebben op leeftijd, medische eisen, onderwijsvereisten en initiële opleiding mogen geen gevolgen hebben voor de houders van bestaande vergunningen. Vergunningen en medische certificaten die zijn afgegeven door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 2006/23/EG moeten worden geacht te zijn afgegeven in overeenstemming met deze verordening om de continuïteit van de rechten uit hoofde van bestaande vergunningen en een soepele overgang voor alle vergunninghouders en voor de bevoegde autoriteiten te garanderen.

(24)

Er moet worden voorzien in afwijkingen om het mogelijk te maken de uiteenlopende nationale werkwijzen te kunnen blijven toepassen als het gaat om zaken waarvoor nog geen gemeenschappelijke regels zijn ingesteld tijdens de versnelde procedure die is toegepast voor de uitvoeringsmaatregelen van de eerste fase.

(25)

Het Agentschap moet een evaluatie maken van de Europese vergunningsregeling voor luchtverkeersleiders en van verdere verbeteringen die nodig zijn om een „totaalaanpak van het luchtvaartsysteem” tot stand te brengen en te zorgen voor volledige naleving van de essentiële eisen die zijn beschreven in bijlage Vb bij Verordening (EG) nr. 216/2008, met het oog op de indiening van een advies aan de Commissie, met daarin mogelijke wijzigingen van deze verordening.

(26)

In dat advies moeten ook de kwesties aan bod komen waarvoor het in de eerste fase, binnen de versnelde procedure, niet mogelijk was gemeenschappelijke regels in te stellen in plaats van de uiteenlopende nationale bepalingen; daarom wordt voorgesteld de toepasselijkheid van de nationale wetgeving van de lidstaten, voor zover van toepassing, gedurende een overgangsperiode te handhaven.

(27)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op het advies dat het Agentschap heeft opgesteld overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder b) en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(28)

De in deze verordening vastgelegde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld door artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doelstelling

Deze verordening heeft tot doel de veiligheidsnormen te verhogen en de werking van het luchtverkeersleidingssysteem in de Unie te verbeteren door de afgifte van een vergunning voor luchtverkeersleiders die gebaseerd is op gemeenschappelijke vergunningseisen.

Artikel 2

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor de afgifte, schorsing en intrekking van vergunningen van luchtverkeersleiders en leerling-luchtverkeersleiders, van daaraan gekoppelde bevoegdverklaringen, aantekeningen en medische certificaten en van certificaten van opleidingsorganisaties en de voorwaarden voor de geldigheid, de verlenging, het opnieuw valideren en het gebruik daarvan.

2.   Deze verordening is van toepassing op:

(a)

leerling-luchtverkeersleiders,

(b)

luchtverkeersleiders die hun taken uitoefenen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 216/2008, en

(c)

personen en organisaties die betrokken zijn bij het verlenen van vergunningen aan of het opleiden, toetsen, controleren of medisch keuren van aanvragers in overeenstemming met deze verordening.

3.   Krachtens artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 216/2008 moeten de lidstaten er, voor zover mogelijk, voor zorgen dat door militair personeel aan het publiek verleende diensten als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder c), van die verordening een veiligheidsniveau bieden dat ten minste even doeltreffend is als het veiligheidsniveau zoals voorgeschreven door de essentiële eisen van bijlage Vb.

4.   Met het oog op het bereiken van een geharmoniseerd veiligheidsniveau binnen het Europese luchtruim, kunnen de lidstaten ervoor kiezen deze verordening toe te passen op hun militair personeel dat de in artikel 1, lid 2, onder c), van de betreffende verordening genoemde diensten verleent aan het publiek.

5.   Luchtverkeersleidingsdiensten die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 216/2008 vallen, mogen uitsluitend worden verleend door luchtverkeersleiders met een vergunning in overeenstemming met deze verordening.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „luchtverkeersleidingsdienst”: een dienst die wordt verricht teneinde botsingen te voorkomen tussen luchtvaartuigen en tussen luchtvaartuigen en hindernissen op dat deel van het luchtvaartterrein dat is bedoeld voor het opstijgen, landen en taxiën met luchtvaartuigen, en een geordende luchtverkeersstroom tot stand te brengen en te handhaven;

2.   „verleners van luchtvaartnavigatiediensten”: de openbare of particuliere lichamen die luchtvaartnavigatiediensten voor het algemene luchtverkeer verlenen;

3.   „algemeen luchtverkeer”: alle bewegingen van burgerluchtvaartuigen, alsmede alle bewegingen van staatsluchtvaartuigen (met inbegrip van militaire, douane- en politieluchtvaartuigen), voor zover deze bewegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de procedures van de ICAO;

4.   „vergunning”: een certificaat, onder welke benaming dan ook, dat overeenkomstig deze verordening is afgegeven en bekrachtigd en dat de rechtmatige houder machtigt luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen overeenkomstig de daarop vermelde bevoegdverklaringen en aantekeningen;

5.   „bevoegdverklaring”: de op een vergunning aangebrachte of daarmee samenhangende en van de vergunning deel uitmakende machtiging waarin specifieke aan de vergunning verbonden voorwaarden, rechten of beperkingen zijn aangegeven;

6.   „aantekening bij de bevoegdverklaring”: de op een vergunning aangebrachte en van de vergunning deel uitmakende machtiging waarin de specifieke aan de bevoegdverklaring verbonden voorwaarden, rechten of beperkingen zijn aangegeven;

7.   „aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid”: de op een vergunning aangebrachte en van de vergunning deel uitmakende machtiging waarin de ICAO-locatie-indicator wordt aangegeven alsook de sectoren en/of werkplekken waarvoor de houder van de vergunning bevoegd is;

8.   „aantekening betreffende de taalvaardigheid”: de op een bevoegdverklaring aangebrachte en van de bevoegdverklaring deel uitmakende machtiging waarin de taalvaardigheid van de houder wordt aangegeven;

9.   „aantekening betreffende de instructiebevoegdheid”: de op een vergunning aangebrachte en van de vergunning deel uitmakende machtiging waarin de bevoegdheid om op de werkplek opleidingen te geven, wordt vermeld;

10.   „ICAO-locatie-indicator”: de uit vier letters bestaande code die is samengesteld overeenkomstig de door de ICAO in haar handboek DOC 7910 voorgeschreven regels en die is toegewezen aan de locatie van een vast luchtverkeersstation;

11.   „sector”: een deel van een luchtverkeersleidingsgebied en/of van een vluchtinformatiegebied/hoger vluchtinformatiegebied;

12.   „opleiding”: het geheel van theoretische cursussen, praktijkoefeningen, inclusief simulatie, en opleidingen op de werkplek die vereist zijn voor het verkrijgen en in stand houden van de vereiste bekwaamheden voor het verlenen van veilige luchtverkeersleidingsdiensten van hoge kwaliteit; de opleiding omvat:

13.   „opleidingsorganisatie”: een organisatie die door de bevoegde instantie is gecertificeerd voor het aanbieden van een of meer opleidingstypes;

14.   „vakbekwaamhedenprogramma voor een luchtverkeersleidingseenheid”: een erkend programma waarin de methode is omschreven waarmee de eenheid de bekwaamheden van haar vergunninghouders op peil houdt;

15.   „opleidingsplan voor luchtverkeersleidingseenheden”: een goedgekeurd plan waarin de processen en het tijdschema zijn uiteengezet die nodig zijn om de eenheidsprocedures op het lokale gebied te kunnen toepassen, onder toezicht van een instructeur die een opleiding op de werkplek verzorgt.

Artikel 4

Bevoegde autoriteit

Met het oog op de toepassing van deze verordening is de bevoegde autoriteit de autoriteit die door elke lidstaat is aangewezen of opgericht als de nationale toezichthoudende instantie voor het vervullen van de taken die door deze verordening aan een dergelijke autoriteit zijn toegekend, met uitzondering van de certificering van opleidingsorganisaties zoals beschreven in artikel 27, in welk geval onder de bevoegde autoriteit wordt verstaan:

(a)

de autoriteit die is aangewezen of opgericht door de lidstaat waar de voornaamste werkplek van de aanvrager of, voor zover van toepassing, zijn geregistreerd kantoor zich bevindt, tenzij anders bepaald in bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten of bevoegde autoriteiten;

(b)

het Agentschap, als de voornaamste werkplek van de aanvrager of, voor zover van toepassing, zijn geregistreerd kantoor zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.

HOOFDSTUK II

VERGUNNINGEN, BEVOEGDVERKLARINGEN EN AANTEKENINGEN

Artikel 5

Aanvraag en afgifte van vergunningen, bevoegdverklaringen en aantekeningen

1.   Een aanvraag voor de afgifte, het opnieuw valideren of de verlenging van vergunningen, daaraan gekoppelde bevoegdverklaringen en/of aantekeningen, dient te worden ingediend bij de bevoegde autoriteit volgens de procedure die door deze autoriteit is vastgesteld.

2.   De aanvraag moet vergezeld gaan van een bewijs dat de aanvrager bevoegd is op te treden als luchtverkeersleider of als leerling-luchtverkeersleider in overeenstemming met de eisen die in deze verordening zijn vastgesteld. Het bewijs van de bevoegdheid van de aanvrager moet betrekking hebben op kennis, ervaring, vaardigheden en taalvaardigheid.

3.   De vergunning moet alle relevante informatie met betrekking tot de door het document verleende rechten bevatten en moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage I.

4.   De vergunning blijft eigendom van degene aan wie zij is afgegeven en door wie zij is ondertekend.

Artikel 6

Schorsing en intrekking van vergunningen, bevoegdverklaringen en aantekeningen

In overeenstemming met artikel 22, lid 2:

(a)

kan een vergunning, bevoegdverklaring of aantekening worden geschorst wanneer er twijfel bestaat over de bekwaamheid van de luchtverkeersleider of in geval van wangedrag;

(b)

kan een vergunning worden ingetrokken in geval van grove nalatigheid of misbruik.

Artikel 7

Uitoefening van de rechten van vergunningen

De uitoefening van de rechten die door een vergunning worden verleend, is afhankelijk van de geldigheid van de bevoegdverklaringen, de aantekeningen en het medische certificaat.

Artikel 8

Vergunning van leerling-luchtverkeersleider

1.   Houders van een vergunning van leerling-luchtverkeersleider zijn gemachtigd luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen onder toezicht van een instructeur voor opleiding op de werkplek, in overeenstemming met de bevoegdverklaring(en) en de aantekening(en) bij de bevoegdverklaring(en) die deel uitmaken van de vergunning.

2.   Aanvragers van een vergunning van leerling-luchtverkeersleider moeten:

(a)

ten minste 18 jaar oud zijn;

(b)

houder zijn van ten minste een diploma dat toegang geeft tot de universiteit of een gelijkwaardig diploma, of een ander diploma voor middelbaar onderwijs dat de aanvrager in staat stelt de opleiding tot luchtverkeersleider met goed gevolg te doorlopen;

(c)

met succes een initiële opleiding met betrekking tot de bevoegdverklaring, en indien van toepassing de aantekening in kwestie, zoals vermeld in deel A van bijlage II, hebben voltooid;

(d)

in het bezit zijn van een geldig medisch certificaat; en

(e)

blijk hebben gegeven van een passend niveau van taalvaardigheid overeenkomstig de in artikel 13 vermelde eisen.

3.   De vergunning van de leerling-luchtverkeersleider bevat de aantekening(en) betreffende de taalvaardigheid en ten minste één bevoegdverklaring en, indien van toepassing, één aantekening bij de bevoegdverklaring.

Artikel 9

Vergunning van luchtverkeersleider

1.   Houders van een vergunning van luchtverkeersleider zijn gemachtigd luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen in overeenstemming met de bevoegdverklaringen en aantekeningen in hun vergunning.

2.   De rechten van een vergunning van luchtverkeersleider omvatten de rechten van een vergunning van leerling-luchtverkeersleider zoals die zijn uiteengezet in artikel 8, lid 1.

3.   Aanvragers van een vergunning van luchtverkeersleider moeten

(a)

ten minste 21 jaar oud zijn. De lidstaten kunnen in naar behoren gerechtvaardigde gevallen evenwel een lagere leeftijdsgrens voorschrijven;

(b)

houder zijn van een vergunning van leerling-luchtverkeersleider;

(c)

een erkend opleidingsplan voor luchtverkeersleidingseenheden hebben voltooid en geslaagd zijn voor de vereiste examens of beoordelingen overeenkomstig de in deel B van bijlage II vermelde eisen;

(d)

in het bezit zijn van een geldig medisch certificaat;

(e)

blijk hebben gegeven van een passend niveau van taalvaardigheid overeenkomstig de in artikel 13 vermelde eisen.

4.   De vergunning van luchtverkeersleider wordt gevalideerd door de opneming van één of meer bevoegdverklaringen en de relevante aantekening bij de bevoegdverklaringen, de aantekening bij de luchtverkeerseenheid en de aantekening betreffende de taalvaardigheid waarvoor de opleiding met succes is voltooid.

Artikel 10

Bevoegdverklaringen luchtverkeersleiders

1.   Vergunningen bevatten ten minste één van de volgende bevoegdverklaringen die het type diensten aangeven dat door de vergunninghouder mag worden verleend:

(a)

de bevoegdverklaring „plaatselijke verkeersleiding visueel” (Aerodrome Control Visual, ADV) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van het luchtvaartterreinverkeer op een luchtvaartterrein dat niet over gepubliceerde procedures voor nadering of vertrek op instrumenten beschikt;

(b)

de bevoegdverklaring „plaatselijke verkeersleiding op instrumenten” (Aerodrome Control Instrument, ADI) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van het luchtvaartterreinverkeer op een luchtvaartterrein dat over gepubliceerde procedures voor nadering of vertrek op instrumenten beschikt, en moet ten minste vergezeld gaan van een van de aantekeningen als omschreven in artikel 11, lid 1;

(c)

de bevoegdverklaring „naderingsverkeersleiding procedureel” (Approach Control Procedural, APP) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van aankomende, vertrekkende of doorvliegende vliegtuigen zonder hulp van surveillanceapparatuur;

(d)

de bevoegdverklaring „naderingsverkeersleiding surveillance” (Approach Control Surveillance, APS) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van aankomende, vertrekkende of doorvliegende vliegtuigen met behulp van surveillanceapparatuur, en moet ten minste vergezeld gaan van een van de aantekeningen als omschreven in artikel 11, lid 2;

(e)

de bevoegdverklaring „algemene verkeersleiding procedureel” (Area Control Procedural, ACP) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen zonder surveillanceapparatuur;

(f)

de bevoegdverklaring „algemene verkeersleiding surveillance” (Area Control Surveillance, ACS) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van surveillanceapparatuur, en moet ten minste vergezeld gaan van een van de aantekeningen als omschreven in artikel 11, lid 3.

2.   Een houder van een bevoegdverklaring die gedurende een periode van vier opeenvolgende jaren de aan die bevoegdverklaring gekoppelde rechten niet heeft uitgeoefend, mag pas beginnen aan een opleiding voor een luchtverkeerseenheid met betrekking tot die bevoegdverklaring nadat op afdoende wijze is vastgesteld of de houder nog voldoet aan de voorwaarden voor die bevoegdverklaring en nadat de houder heeft voldaan aan de eventueel uit die beoordeling voortgekomen opleidingeisen.

Artikel 11

Aantekeningen bij de bevoegdverklaring

1.   De bevoegdverklaring „plaatstelijke verkeersleiding op instrumenten” (Aerodrome Control Instrument, ADI) bevat ten minste een van de volgende aantekeningen:

(a)

de aantekening „verkeerstorenleiding” (Tower Control, TWR), die aangeeft dat de houder bevoegd is luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen wanneer de verkeersleiding op het luchtvaartterrein vanuit één werkstation wordt verzorgd;

(b)

de aantekening „verkeersleiding aan grondverkeer” (Ground Movement Control, GMC), die aangeeft dat de houder van de vergunning bevoegd is verkeersleiding aan grondverkeer te verzorgen;

(c)

de aantekening „verkeersleiding met behulp van grondsurveillanceapparatuur” (Ground Movement Surveillance, GMS), verleend als aanvulling op de aantekening „verkeersleiding aan grondverkeer” of de aantekening „verkeerstorenleiding”, die aangeeft dat de houder bevoegd is verkeersleiding aan grondverkeer te verzorgen met behulp van grondsurveillancesystemen;

(d)

de aantekening „luchtverkeersleiding” (Air Control, AIR), die aangeeft dat de houder van de vergunning bevoegd is luchtverkeersleiding te verzorgen;

(e)

de aantekening „plaatselijke verkeersleiding radar” (Aerodrome Radar Control, RAD), verleend als aanvulling op de aantekening „luchtverkeersleiding” of de aantekening „verkeerstorenleiding”, die aangeeft dat de houder van de vergunning bevoegd is plaatselijke luchtverkeersleiding te verzorgen met behulp van radarapparatuur.

2.   De bevoegdverklaring „naderingsverkeersleiding surveillance” (Approach Control Surveillance, APS) bevat ten minste een van de volgende aantekeningen:

(a)

de aantekening „radar” (RAD), die aangeeft dat de houder van de vergunning bevoegd is een naderingsluchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van primaire en/of secundaire radarapparatuur;

(b)

de aantekening „precisienadering met radar” (Precision Approach Radar, PAR), verleend als aanvuling op de aantekening „radar”, die aangeeft dat de houder van de vergunning bevoegd is om met behulp van precisienaderingsapparatuur vanaf de grond gecontroleerde precisienaderingen te verzorgen ten behoeve van vliegtuigen in het laatste stadium van de nadering van de landingsbaan;

(c)

de aantekening „nadering met surveillanceradar” (Surveillance Radar Approach, SRA), verleend als aanvulling op de aantekening „radar”, die aangeeft dat de houder bevoegd is om met behulp van surveillanceapparatuur vanaf de grond gecontroleerde niet-precisienaderingen te verzorgen ten behoeve van vliegtuigen in het laatste stadium van de nadering van de landingsbaan;

(d)

de aantekening „automatisch afhankelijke surveillance” (Automatic Dependent Surveillance, ADS), die aangeeft dat de houder bevoegd is een naderingsluchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van automatisch afhankelijke surveillance;

(e)

de aantekening „naderingsluchtverkeersleiding” (Terminal Control, TCL), verleend als aanvulling op de aantekening „radar” of de aantekening „automatisch afhankelijke surveillance”, die aangeeft dat de houder bevoegd is om met behulp van surveillanceapparatuur luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen ten behoeve van vliegtuigen die in een bepaald naderingsluchtverkeersleidingsgebied en/of aangrenzende sectoren actief zijn.

3.   De bevoegdverklaring „algemene verkeersleiding surveillance” (Area Control Surveillance, ACS) bevat ten minste een van de volgende aantekeningen:

(a)

de aantekening „radar” (RAD), die aangeeft dat de houder bevoegd is algemene luchtverkeersleiding te verzorgen met behulp van radarapparatuur;

(b)

de aantekening „automatisch afhankelijke surveillance” (Automatic Dependent Surveillance, ADS), die aangeeft dat de houder bevoegd is algemene luchtverkeersleiding te verzorgen met behulp van automatisch afhankelijke surveillance;

(c)

de aantekening „naderingsluchtverkeersleiding” (Terminal Control, TCL), verleend als aanvulling op de aantekening „radar” of de aantekening „automatisch afhankelijke surveillance”, die aangeeft dat de houder bevoegd is om met behulp van surveillanceapparatuur luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen ten behoeve van vliegtuigen die in een bepaald naderingsluchtverkeersleidingsgebied en/of aangrenzende sectoren opereren;

(d)

de aantekening „oceaan verkeersleiding” (Oceanic Control, OCN), die aangeeft dat de houder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen die in een oceaanluchtverkeersleidingsgebied opereren luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen.

4.   Een houder van een aantekening bij een bevoegdverklaring die gedurende een periode van vier opeenvolgende jaren de aan die aantekening gekoppelde rechten niet heeft uitgeoefend, mag pas beginnen aan een opleiding voor een luchtverkeerseenheid met betrekking tot die aantekening nadat op afdoende wijze is vastgesteld of de houder nog voldoet aan de voorwaarden voor die aantekening bij de bevoegdverklaring en nadat de houder heeft voldaan aan de eventueel uit die beoordeling voortvloeiende opleidingseisen.

Artikel 12

Aantekeningen betreffende de luchtverkeersleidingseenheid

1.   De aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid geeft aan dat de houder van de vergunning bevoegd is om luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen voor een bepaalde sector, groep van sectoren of werkplek, onder de verantwoordelijkheid van een luchtverkeersleidingseenheid.

2.   Aantekeningen betreffende de luchtverkeersleidingseenheid zijn geldig voor een eerste periode van 12 maanden.

3.   De geldigheid van aantekeningen betreffende de luchtverkeersleidingseenheid wordt verlengd met een nieuwe periode van 12 maanden na de in lid 2 bepaalde periode als de verlener van luchtvaartnavigatiediensten aan de bevoegde autoriteit aantoont dat:

(a)

de aanvrager, gespreid over de voorbije twaalf maanden, de aan de vergunning verbonden rechten gedurende een minimumaantal uren, zoals aangegeven in het goedgekeurde vakbekwaamhedenprogramma voor de luchtverkeersleidingseenheid, heeft uitgeoefend.

(b)

de bevoegdheid van de aanvrager is beoordeeld overeenkomstig deel C van bijlage II; en

(c)

de aanvrager in het bezit is van een geldig medisch certificaat.

Met het oog op de toepassing van lid 3, onder (a), houden de operationele eenheden van verleners van luchtvaartnavigatiediensten met betrekking tot iedere vergunninghouder in de eenheid bij hoeveel uren effectief zijn gewerkt in de sectoren, groepen van sectoren of werkstations, en verstrekken zij die gegevens op verzoek aan de bevoegde autoriteiten en de vergunninghouder.

4.   Het minimumaantal werkuren, exclusief instructietaken, dat vereist is voor het behoud van de geldigheid van de aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid kan voor instructeurs voor opleiding op de werkplek worden verlaagd in verhouding tot de tijd die zij besteden aan de opleiding van leerlingen op de werkplekken waarvoor de verlenging wordt aangevraagd, zoals is aangegeven in het goedgekeurde vakbekwaamhedenprogramma van de luchtverkeersleidingseenheid.

5.   Wanneer een aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid niet langer geldig is, dient met succes een opleidingsplan voor de luchtverkeersleidingseenheid te zijn doorlopen om de aantekening opnieuw te valideren.

Artikel 13

Aantekening betreffende de taalvaardigheid

1.   Luchtverkeersleiders en leerling-luchtverkeersleiders mogen de rechten van hun vergunning alleen uitoefenen als zij beschikken over een aantekening voor de Engelse taal.

2.   De lidstaten kunnen eisen inzake kennis van de plaatselijke taal stellen wanneer dit noodzakelijk wordt geacht voor de veiligheid.

Dergelijke eisen moeten niet-discriminerend, evenredig en transparant zijn en onverwijld aan het Agentschap worden gemeld.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 moet de aanvrager van een aantekening betreffende de taalvaardigheid aantonen dat hij of zij beschikt over taalvaardigheid op minstens operationeel niveau (niveau 4), zowel wat het gebruik van jargon als van algemeen taalgebruik betreft.

Hiervoor moet de aanvrager:

(a)

doeltreffend kunnen communiceren in situaties waarbij alleen de stem hoorbaar is (telefoon/radiotelefoon) of in gesprekken met een aanwezige gesprekspartner;

(b)

accuraat en duidelijk kunnen communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde onderwerpen;

(c)

passende communicatiestrategieën kunnen gebruiken om boodschappen uit te wisselen en om misverstanden in het algemeen en in de werksituatie te herkennen en op te lossen;

(d)

met goed gevolg en relatief gemakkelijk de taalproblemen kunnen oplossen bij complicaties of onverwachte gebeurtenissen in het kader van een gewone werksituatie of een communicatieve taak waarmee hij vertrouwd is, en

(e)

taalvarianten of accenten kunnen gebruiken die verstaanbaar zijn voor de luchtvaartgemeenschap.

4.   Het niveau van taalvaardigheid wordt bepaald in overeenstemming met de in bijlage III beschreven beoordelingsschaal.

5.   Onverminderd lid 3 mag de verlener van luchtvaartnavigatiediensten voor de toepassing van de leden 1 en 2 een hoger niveau (niveau 5) van de beoordelingsschaal voor taalvaardigheid in bijlage III eisen indien de operationele omstandigheden van de betrokken bevoegdverklaring of aantekening om dwingende veiligheidsredenen een hoger niveau rechtvaardigen. Deze eis moet niet-discriminerend, evenredig en transparant zijn, objectief worden gerechtvaardigd door de verlener van luchtvaartnavigatiediensten die het hogere taalvaardigheidsniveau wil toepassen en worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

6.   De taalkennis van de aanvrager wordt met vaste tussenpozen formeel getoetst.

Behalve bij aanvragers met een aangetoonde taalkennis op uitstekend niveau (niveau 6) is de aantekening betreffende de taalvaardigheid in overeenstemming met bijlage III geldig voor een verlengbare periode van:

(a)

drie jaar als taalvaardigheid op operationeel niveau (niveau 4) is aangetoond in overeenstemming met bijlage III, of

(b)

zes jaar als taalvaardigheid op zeer goed niveau (niveau 5) is aangetoond in overeenstemming met bijlage III.

7.   De taalvaardigheid moet worden aangetoond met een certificaat dat is afgegeven na een transparante en objectieve beoordelingsprocedure die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

Artikel 14

Aantekening betreffende de instructiebevoegdheid

1.   De aantekening betreffende de instructiebevoegdheid geeft aan dat de houder van de vergunning bevoegd is om op een operationele werkplek opleidingen en toezicht te verzorgen op gebieden waarvoor een geldige bevoegdverklaring voorhanden is.

2.   Aanvragers van een aantekening betreffende de instructiebevoegdheid moeten:

(a)

in het bezit zijn van een vergunning van luchtverkeersleider;

(b)

de rechten van de vergunning van luchtverkeersleider hebben uitgeoefend gedurende een onmiddellijk voorafgaande periode van ten minste een jaar, of een langere periode die door de bevoegde autoriteit is vastgesteld met betrekking tot de bevoegdverklaringen en aantekeningen waarvoor de instructie wordt gegeven, en

(c)

met succes een erkende cursus voor instructeur voor opleiding op de werkplek hebben afgerond, in de loop waarvan de vereiste kennis en pedagogische vaardigheden zijn getoetst door middel van passende examens.

3.   De aantekening betreffende de instructiebevoegdheid geldt voor een verlengbare periode van drie jaar.

HOOFDSTUK III

MEDISCHE CERTIFICERING

Artikel 15

Aaanvraag en afgifte van medische certificaten

1.   Aanvragen voor de afgifte, het opnieuw valideren of de verlenging van medische certificaten worden ingediend bij de bevoegde autoriteit overeenkomstig de door die autoriteit vastgestelde procedure.

2.   Medische certificaten worden afgegeven door een bevoegd medisch orgaan van de bevoegde autoriteit of door vliegmedische keuringsartsen of vliegmedische centra die door die autoriteit zijn goedgekeurd.

3.   De afgifte van medische certificaten geschiedt in overeenstemming met bijlage I bij het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart en met de door Eurocontrol vastgestelde Requirements for European Class 3 Medical Certification of Air Traffic Controllers (eisen voor Europese medische certificering van klasse 3 voor luchtverkeersleiders).

4.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat doeltreffende toetsings- en beroepsprocedures worden ingevoerd, waarbij onafhankelijke medische adviseurs moeten worden betrokken.

Artikel 16

Geldigheid van medische certificaten

1.   Medische certificaten zijn geldig gedurende een periode van:

(a)

24 maanden tot de luchtverkeersleider de leeftijd van 40 jaar bereikt;

(b)

12 maanden als de luchtverkeersleider 40 jaar of ouder is.

2.   De in lid 1 vermelde perioden worden berekend vanaf de datum van de medische keuring in het geval van eerste afgifte en verlenging van een medisch certificaat en vanaf de vervaldatum van het vorige medische certificaat in het geval van het opnieuw valideren van het certificaat.

3.   Keuringen voor het opnieuw valideren van een medisch certificaat mogen maximaal 45 dagen voor de vervaldatum van het medische certificaat worden uitgevoerd.

4.   Als de luchtverkeersleider tegen de datum waarop het certificaat vervalt geen keuring ondergaat met het oog op het opnieuw valideren van het certificaat, wordt een keuring in het kader van een verlenging geëist.

5.   Het medisch certificaat kan op elk moment worden beperkt, geschorst of ingetrokken als de medische toestand van de houder dit noodzakelijk maakt.

Artikel 17

Verminderde medische geschiktheid

1.   Vergunninghouders moeten:

(a)

de uitoefening van de aan hun vergunning verbonden rechten staken als ze zich bewust worden van een achteruitgang in hun medische geschiktheid waardoor zij mogelijk niet langer in staat zijn de aan de vergunning verbonden rechten veilig uit te oefenen;

(b)

aan de betreffende verlener van luchtvaartnavigatiediensten melden dat zij zich bewust worden van een achteruitgang in hun medische geschiktheid of onder de invloed zijn van psychoactieve stoffen of geneesmiddelen, waardoor zij mogelijk niet langer in staat zijn de aan de vergunning verbonden rechten veilig uit te oefenen.

2.   Verleners van luchtvaartnavigatiediensten moeten procedures instellen om de operationele gevolgen van gevallen van verminderde medische geschiktheid te beheren en moeten de bevoegde autoriteit ervan in kennis stellen als een vergunninghouder medisch ongeschikt is verklaard.

3.   De in lid 2 vermelde procedures moeten worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

HOOFDSTUK IV

EISEN VOOR OPLEIDINGSORGANISATIES

Artikel 18

Certificering van opleidingsorganisaties

1.   Aanvragen voor certificeringen van opleidingsorganisaties moeten worden ingediend bij de bevoegde autoriteit overeenkomstig de procedure die door die autoriteit is vastgesteld.

2.   Opleidingsorganisaties moeten aan de hand van bewijzen aantonen dat ze over voldoende personeel en faciliteiten beschikken en actief zijn in een geschikte omgeving om de opleidingen te kunnen bieden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van vergunningen van leerling-luchtverkeersleider en luchtverkeersleider.

3.   Opleidingsorganisaties moeten door de bevoegde autoriteit gemachtigde personen toegang geven tot de betreffende locaties om inzage te krijgen in de relevante dossiers, gegevens, procedures en eventueel ander materiaal dat relevant is voor de uitvoering van de taken van de bevoegde autoriteit.

Artikel 19

Systeem voor het beheer van opleidingsorganisaties

Opleidingsorganisaties moeten:

(a)

beschikken over een doeltreffend beheersysteem en over voldoende medewerkers met de juiste kwalificaties en ervaring om opleidingen te verzorgen overeenkomstig deze verordening;

(b)

de verantwoordelijkheid voor veiligheid binnen de goedgekeurde opleidingsorganisatie duidelijk aflijnen, met rechtstreekse verantwoordelijkheid voor het hogere management;

(c)

beschikken over de noodzakelijke faciliteiten, uitrusting en accommodatie die passen bij het aangeboden type opleiding;

(d)

bewijs verstrekken van het kwaliteitsbeheersysteem als onderdeel van het beheersysteem dat is ingesteld om toezicht te houden op de geschiktheid en de naleving van de systemen en procedures die waarborgen dat de verstrekte opleidingen aan de eisen van deze verordening voldoen;

(e)

een registratiesysteem instellen dat passende opslag en betrouwbare traceerbaarheid van de relevante activiteiten garandeert;

(f)

aantonen dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de opleiding uit te voeren overeenkomstig deze verordening en dat de activiteiten afdoende verzekerd zijn in overeenstemming met het karakter van de aangeboden opleiding.

Artikel 20

Eisen met betrekking tot cursussen, initiële opleidingen en opleidingsplannen voor luchtverkeersleidingseenheden en bekwaamhedenprogramma's voor luchtverkeersleidingseenheden

1.   Opleidingsorganisaties moeten de bevoegde autoriteit in kennis stellen van de methodologie die zij zullen gebruiken voor het vaststellen van de bijzonderheden met betrekking tot de inhoud, organisatie en duur van de cursussen en, indien van toepassing, de opleidingsplannen en bekwaamhedenprogramma's voor luchtverkeersleidingseenheden.

2.   Dit heeft ook betrekking op de manier waarop examens of beoordelingen worden georganiseerd. Voor examens die betrekking hebben op de initiële opleiding, inclusief simulatietraining, moeten de kwalificaties van de examinatoren en beoordelaars in detail worden beschreven.

HOOFDSTUK V

EISEN VOOR BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 21

Onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten

1.   De bevoegde autoriteiten moeten onafhankelijk zijn van verleners van luchtvaartnavigatiediensten en opleidingsorganisaties. Deze onafhankelijkheid moet worden bereikt door middel van afdoende scheiding, ten minste op functioneel niveau, tussen de bevoegde autoriteiten en dergelijke dienstverleners. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten hun bevoegdheden onpartijdig en transparant uitoefenen.

2.   De lidstaten moeten het Agentschap in kennis stellen van de namen en adressen van de bevoegde autoriteiten en van alle wijzigingen daarvan.

Artikel 22

Taken van de bevoegde autoriteiten

1.   Om het bekwaamheidsniveau te garanderen dat voor luchtverkeersleiders onmisbaar is om hun werk volgens hoge veiligheidsnormen te kunnen uitvoeren, houden de bevoegde autoriteiten toezicht op de opleiding.

2.   De bevoegde autoriteiten hebben de volgende taken:

(a)

de afgifte en intrekking van vergunningen, bevoegdverklaringen en aantekeningen waarvoor de relevante opleiding en beoordeling zijn doorlopen in de regio waarvoor de bevoegde autoriteit verantwoordelijk is;

(b)

het opnieuw valideren, verlengen en schorsen van bevoegdverklaringen en aantekeningen waarvan de rechten worden uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit;

(c)

de certificering van opleidingsorganisaties;

(d)

de goedkeuring van cursussen, opleidingsplannen voor luchtverkeersleidingseenheden en bekwaamhedenprogramma's voor luchtverkeersleidingseenheden;

(e)

de goedkeuring van examinatoren en bekwaamheidsbeoordelaars;

(f)

het toezicht op en de controle van opleidingssystemen;

(g)

de instelling van passende beroeps- en meldingsmechanismen;

(h)

het verlenen van toestemming voor het opleggen van een hoger niveau van taalvaardigheid (niveau 5) in overeenstemming met artikel 13, lid 5;

(i)

de goedkeuring van de procedures met betrekking tot beperkte medische geschiktheid overeenkomstig artikel 17, lid 3.

Artikel 23

Afgeven en bijhouden van vergunningen, bevoegdverklaringen, aantekeningen en certificaten

1.   De bevoegde autoriteit stelt procedures in voor het aanvragen en afgeven, verlengen en opnieuw valideren van vergunningen en bijbehorende bevoegdverklaringen, aantekeningen en medische certificaten.

2.   Na ontvangst van een aanvraag controleert de bevoegde autoriteit of de aanvrager aan de eisen van deze verordening voldoet.

3.   Wanneer is vastgesteld dat de aanvrager aan de eisen van deze verordening voldoet, zal de bevoegde autoriteit de betreffende vergunning, de bijbehorende bevoegdverklaring of aantekening of het medische certificaat afgeven, verlengen of opnieuw valideren.

4.   De vergunning die door de bevoegde autoriteit wordt afgegeven, bevat de in bijlage I genoemde punten.

5.   Als een vergunning in een andere taal dan het Engels wordt afgegeven, moet deze worden voorzien van een Engelse vertaling van de in bijlage I genoemde punten.

Artikel 24

Beoordeling van bekwaamheid

1.   De bevoegde autoriteiten keuren de vergunninghouders goed die gemachtigd zijn om op te treden als examinatoren of beoordelaars van bekwaamheid voor opleidingen voor luchtverkeersleidingseenheden of voortgezette opleidingen.

2.   De goedkeuring blijft geldig gedurende een periode van drie jaar.

Artikel 25

Bijhouden van gegevens

De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een gegevensbank wordt bijgehouden met daarin de bevoegdheden van alle vergunninghouders die onder hun verantwoordelijkheid vallen en de geldigheidstermijnen van hun aantekeningen.

Artikel 26

Uitwisseling van informatie

Met inachtneming van de beginselen van vertrouwelijkheid, zoals uiteengezet in artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 216/2008 moeten de bevoegde autoriteiten passende informatie uitwisselen en elkaar helpen om te waarborgen dat deze verordening doeltreffend wordt toegepast, in het bijzonder in gevallen die betrekking hebben op het vrije verkeer van luchtverkeersleiders in de Unie.

Artikel 27

Certificeringsprocedure voor opleidingsorganisaties

1.   De bevoegde autoriteiten stellen procedures in voor het aanvragen, afgeven en in stand houden van de geldigheid van de certificaten van opleidingsorganisaties.

2.   De bevoegde autoriteiten geven certificaten af als de aanvragende opleidingsorganisatie voldoet aan de eisen van hoofdstuk IV.

3.   Het certificaat kan worden afgegeven voor elk type opleiding of in combinatie met andere luchtvaartnavigatiediensten, waarbij het type opleiding en het type luchtvaartnavigatiedienst worden gecertificeerd als dienstenpakket.

4.   Het certificaat moet de in bijlage IV genoemde informatie bevatten.

Artikel 28

Toezicht op de activiteiten van opleidingsorganisaties en handhaving

1.   De bevoegde autoriteiten zien toe op de naleving van de aan het certificaat van de opleidingsorganisatie verbonden eisen en voorwaarden.

2.   De bevoegde autoriteiten voeren regelmatig een audit uit van de opleidingsorganisaties teneinde de effectieve naleving van de in deze verordening vastgestelde normen te garanderen.

3.   Naast de regelmatige audit kunnen de bevoegde autoriteiten onaangekondigde inspecties organiseren om na te gaan of deze verordening daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd en de daarin vervatte normen worden nageleefd.

4.   Als de bevoegde autoriteit van mening is dat de houder van een certificaat voor een opleidingsorganisatie niet langer voldoet aan de eisen of voorwaarden die aan het betreffende certificaat zijn verbonden, dient zij passende handhavingsmaatregelen te nemen, waaronder mogelijk intrekking van het certificaat.

5.   In overeenstemming met deze verordening afgegeven certificaten moeten wederzijds worden erkend.

Artikel 29

Erkenning van vergunningen

1.   De lidstaten erkennen de vergunningen van luchtverkeersleider en leerling-luchtverkeersleider en de bijbehorende bevoegdverklaringen, aantekeningen bij de bevoegdverklaring en aantekeningen betreffende de taalvaardigheid, alsmede bijbehorende medische certificaten die door andere lidstaten overeenkomstig deze verordening zijn afgegeven.

Als een lidstaat echter een lagere leeftijdsgrens dan 21 heeft vastgesteld krachtens artikel 9, lid 3, mag de houder van de vergunning van luchtverkeersleider de aan die vergunning verbonden rechten alleen uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven, zolang hij de leeftijd van 21 niet heeft bereikt.

Wanneer een vergunninghouder de aan een vergunning verbonden rechten uitoefent in een andere lidstaat dan die waar de vergunning is afgegeven, heeft hij het recht zijn vergunning in te wisselen voor een in de lidstaat van uitoefening van de rechten afgegeven vergunning, zonder dat aanvullende voorwaarden mogen worden gesteld.

Om de aangevraagde aantekening betreffende de luchtverkeersleidingsdienst te kunnen verlenen, verlangen de bevoegde autoriteiten van de aanvrager dat hij voldoet aan de aan die aantekening verbonden bijzondere voorwaarden, onder vermelding van de dienst, de sector of de werkplek. Bij de opstelling van het opleidingsplan voor de luchtverkeersleidingseenheid houdt de opleidingsorganisatie rekening met de door de aanvrager verworven bekwaamheden en ervaring.

2.   Uiterlijk zes weken na de indiening van de bewijsstukken, onder voorbehoud van de uit een eventueel beroep voortvloeiende extra termijn, wordt het opleidingsplan voor de luchtverkeersleidingseenheid, dat de voorgestelde opleiding voor de aanvrager bevat, door de bevoegde autoriteit goedgekeurd of afgewezen. Daarbij ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid in acht worden genomen.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 30

Naleving van de essentiële eisen

Het Agentschap evalueert de bij deze verordening vastgestelde vergunningsregeling voor luchtverkeersleiders en de verdere verbeteringen die nodig zijn om tot een „totaalaanpak van het luchtvaartsysteem” te komen en te zorgen voor volledige naleving van de essentiële eisen zoals die zijn beschreven in bijlage Vb bij Verordening (EG) nr. 216/2008, met het oog op het indienen van een advies aan de Commissie, met daarin mogelijke wijzigingen van deze verordening.

Artikel 31

Afwijkingen

1.   In afwijking van artikel 11 van deze verordening mogen lidstaten die nationale aantekeningen bij de bevoegdverklaring hebben ontwikkeld, zoals vermeld in artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2006/23/EG, de relevante bepalingen van hun nationale wetgeving, zoals die gold op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, blijven toepassen.

2.   In afwijking van artikel 12 van deze verordening mogen lidstaten die overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2006/23/EG hebben bepaald dat de rechten van een aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid alleen mogen worden uitgeoefend door vergunninghouders beneden een bepaalde leeftijd, de relevante bepalingen van hun nationale wetgeving, zoals die gold op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, blijven toepassen.

3.   Als een lidstaat beslist de in de leden 1 en 2 vastgestelde afwijkingen toe te passen, moet hij de Commissie en het Agentschap hiervan in kennis stellen.

Artikel 32

Overgangsregelingen

1.   Bij wijze van afwijking van bijlage II, deel A, bij deze verordening mogen opleidingsorganisaties opleidingsplannen die gebaseerd zijn op de uitgave van Eurocontrol's „Guidelines for air traffic controllers Common Core Content Initial Training” van 10 december 2004 blijven toepassen gedurende een periode van één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

2.   Vergunningen, bevoegdverklaringen, aantekeningen, medische certificaten en certificaten voor opleidingsorganisaties die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn afgegeven in overeenstemming met de relevante bepalingen van de nationale wetgeving, die gebaseerd zijn op de bepalingen van Richtlijn 2006/23/EG, worden geacht te zijn afgegeven in overeenstemming met deze verordening.

3.   Aanvragers van een vergunning, bevoegdverklaring, aantekening, medisch certificaat of certificaat voor een opleidingsorganisatie die hun aanvraag hebben ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening en aan wie nog geen vergunning, bevoegdverklaring, aantekening, medisch certificaat of certificaat voor een opleidingsorganisatie is afgegeven, moeten aantonen dat ze voldoen aan de bepalingen van deze verordening vóór de vergunning, de bevoegdverklaring, de aantekening, het medisch certificaat of het certificaat voor een opleidingsorganisatie wordt afgegeven.

4.   Als een opleidingsorganisatie waarvoor het Agentschap op grond van artikel 4 de bevoegde autoriteit is, vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor een certificaat indient, moet de bevoegde autoriteit van een lidstaat het certificeringsproces afronden in samenwerking met het Agentschap, en na afgifte van het certificaat het dossier overdragen aan het Agentschap.

5.   Een bevoegde autoriteit van een lidstaat die verantwoordelijk is geweest voor het veiligheidstoezicht op opleidingsorganisaties waarvoor het Agentschap op grond van artikel 4 de bevoegde autoriteit is, moet zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening het toezicht op de veiligheid van die organisaties overdragen aan het Agentschap.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 augustus 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1070/2009 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 549/2004, (EG) nr. 550/2004, (EG) nr. 551/2004 en (EG) nr. 552/2004 teneinde de prestaties en de duurzaamheid van het Europese luchtvaartsysteem te verbeteren (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 34).

(3)  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 22.

(4)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 51.

(5)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.

(6)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(7)  PB L 225 van 12.8.1998, blz. 27.


BIJLAGE I

SPECIFICATIES VOOR VERGUNNINGEN

De overeenkomstig deze verordening afgegeven vergunningen moeten beantwoorden aan de volgende specificaties:

1.   Gegevens

1.1.

De onderstaande gegevens moeten op de vergunning worden vermeld. Met een asterisk is aangegeven welke punten in het Engels moeten worden vertaald:

(a)

*naam van de staat of autoriteit die de vergunning afgeeft (vetgedrukt);

(b)

*benaming van de vergunning (extra vet gedrukt);

(c)

serienummer van de vergunning, in Arabische cijfers, toegekend door de autoriteit die de vergunning afgeeft;

(d)

volledige naam van de houder (ook in Latijns schrift, indien de nationale taal gebruik maakt van een ander schrift);

(e)

geboortedatum;

(f)

nationaliteit van de houder;

(g)

handtekening van de houder;

(h)

*bewijs betreffende de geldigheid en machtiging voor de houder om de aan de vergunning verbonden rechten uit te oefenen, met vermelding van:

(i)

de bevoegdverklaringen, aantekeningen bij de bevoegdverklaringen, aantekeningen betreffende de taalvaardigheid, aantekeningen betreffende de instructiebevoegdheid en aantekeningen betreffende de luchtverkeersleidingseenheid,

(ii)

de datum waarop zij voor het eerst zijn afgegeven,

(iii)

de datum waarop de geldigheidsduur ervan verstrijkt;

(i)

handtekening van de functionaris die de vergunning afgeeft en datum van afgifte;

(j)

zegel of stempel van de autoriteit die de vergunning afgeeft.

1.2.

De vergunning moet vergezeld gaan van een geldig medisch certificaat.

2.   Materiaal

Er moet papier van de beste kwaliteit of een ander geschikt materiaal worden gebruikt en de in punt 1 genoemde gegevens moeten daarop duidelijk zichtbaar zijn.

3.   Kleur

3.1.

Indien voor alle vergunningen die een lidstaat op luchtvaartgebied afgeeft, materiaal van dezelfde kleur wordt gebruikt, moet die kleur wit zijn.

3.2.

Indien de vergunningen die een lidstaat op luchtvaartgebied afgeeft, verschillende kleuren hebben, moet de kleur voor de vergunning voor luchtverkeersleider geel zijn.


BIJLAGE II

OPLEIDINGSEISEN

DEEL A

Eisen voor de initiële opleiding tot luchtverkeersleider

Het doel van de initiële opleiding is te garanderen dat de personen die een opleiding tot luchtverkeersleider volgen ten minste voldoen aan de doelstellingen voor de basisopleiding en de opleiding met het oog op de bevoegdverklaring, als omschreven in Eurocontrol's specificaties voor gemeenschappelijke kerninhoud van de initiële opleiding tot luchtverkeersleider („Specification for the ATCO Common Core Content Initial Training”), uitgave van 21 oktober 2008 (1), zodat de luchtverkeersleiders in staat zijn het luchtverkeer veilig, snel en efficiënt te leiden.

De initiële opleiding heeft betrekking op de volgende thema's: luchtvaartwetgeving, luchtverkeersbeheer, met inbegrip van procedures voor samenwerking tussen militaire en burgerluchtvaart, meteorologie, navigatie, luchtvaartuigen en beginselen van de luchtvaart, inclusief heldere communicatie tussen luchtverkeersleiders en piloten, menselijke factoren, uitrusting en systemen, beroepsomgeving, veiligheid en veiligheidscultuur, veiligheidsbeheersystemen, ongewone en noodsituaties, systeemdefecten, talenkennis, inclusief radiotelefoniejargon.

Tijdens de opleiding met betrekking tot deze thema's worden de kandidaten voorbereid op de verschillende types luchtverkeersdiensten en worden de veiligheidsaspecten extra benadrukt. De initiële opleiding bestaat uit theorie en praktijk, inclusief simulaties. De duur van de initiële opleiding wordt vastgesteld in de goedgekeurde opleidingsplannen. De bekwaamheden die de kandidaten tijdens deze opleiding verwerven, stellen hen in staat complexe en drukke verkeerssituaties in goede banen te leiden en vergemakkelijken de overgang naar de opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid.

De bekwaamheden die de kandidaten tijdens de initiële opleiding hebben verworven, worden beoordeeld aan de hand van examens of een systeem van permanente beoordeling.

DEEL B

Eisen inzake de opleiding van luchtverkeersleiders voor een luchtverkeersleidingseenheid

In de opleidingsplannen voor luchtverkeersleidingseenheden worden de processen en het tijdschema om de procedures voor de eenheid, onder toezicht van een instructeur voor opleidingen op de werkplek, op het lokale gebied te kunnen toepassen, in detail uiteengezet. In het goedgekeurde plan moeten alle elementen van het systeem voor bekwaamheidsbeoordeling aan bod komen, zoals werkregelingen, voortgangsbeoordeling en examens, samen met de procedures voor aanmelding bij de nationale toezichthoudende instanties. De opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid kan bepaalde onderdelen van de initiële opleiding omvatten die specifiek zijn voor de nationale omstandigheden.

Gedurende de opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid moeten de luchtverkeersleiders voldoende worden opgeleid op het gebied van veiligheid, beveiliging en crisisbeheersing.

De duur van de opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid wordt bepaald in het opleidingsplan van de eenheid. De vereiste bekwaamheden worden beoordeeld aan de hand van examens of op basis van permanente beoordeling door neutrale en objectieve examinatoren of beoordelaars. Ten behoeve hiervan voorzien de bevoegde autoriteiten in beroepsmogelijkheden om eerlijke behandeling van de kandidaten te garanderen.

DEEL C

Eisen inzake voortgezette opleiding voor luchtverkeersleiders

De aantekeningen betreffende de bevoegdverklaring en de aantekeningen voor een luchtverkeersleidingseenheid op de vergunning van luchtverkeersleiders blijven geldig wanneer de luchtverkeersleider een goedgekeurde voortgezette opleiding volgt. Deze opleiding heeft tot doel de bekwaamheden van de luchtverkeersleiders in stand te houden en bestaat uit herhalingscursussen, een opleiding om met noodsituaties te leren omgaan en eventueel een taalopleiding.

Gedurende de voortgezette opleiding moeten de luchtverkeersleiders voldoende worden opgeleid op het gebied van veiligheid, beveiliging en crisisbeheersing.

De voortgezette opleiding bestaat uit theorie- en praktijkcursussen en uit simulaties. De opleidingsorganisatie stelt overzichten van de vaardigheden van de eenheden op, waarin gedetailleerd is uiteengezet welke processen, personeelsleden en tijdschema's nodig zijn om de voortgezette opleiding te verstrekken en om de vaardigheden aan te tonen. Deze overzichten worden minstens om de drie jaar herzien en goedgekeurd. De duur van de voortgezette opleiding wordt bepaald op basis van de functionele behoeften van de luchtverkeersleiders van de eenheid, met name met het oog op een wijziging of een geplande wijziging van de procedures of apparatuur of met het oog op de algemene veiligheidseisen. De vaardigheden van elke luchtverkeersleider worden minstens om de drie jaar beoordeeld. De dienstverlener op het vlak van luchtvaartnavigatie moet erop toezien dat houders van een vergunning ook gelijk worden behandeld wanneer de geldigheid van hun aantekeningen niet kan worden verlengd.


(1)  Uitgave 1.0, datum van uitgave: 21.10.2008, referentienr: EUROCONTROL-SPEC-0113.


BIJLAGE III

TAALVAARDIGHEIDSEISEN

Schaal voor de beoordeling van talenkennis: niveaus uitstekend, zeer goed en operationeel

Niveau

Uitspraak

Taalvarianten en/of accenten die verstaanbaar zijn voor de luchtvaartgemeenschap.

Structuur

De relevante grammaticale structuren en zinspatronen worden bepaald door op de taken afgestemde taalfuncties.

Woordenschat

Vlotheid

Begrip

Interacties

Uitstekend

6

Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn weliswaar beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker, maar brengen nooit de verstaanbaarheid in het gedrang.

Constante goede beheersing van zowel eenvoudige als complexe grammaticale structuren en zinspatronen.

De spreker beschikt over een voldoende grote en accurate woordenschat om doeltreffend te communiceren over een breed gamma van bekende en onbekende thema's. De woordenschat is idiomatisch, genuanceerd en registergevoelig.

De spreker is in staat om op een vlotte en natuurlijke wijze een uitgebreid gesprek te voeren en om stilistische effecten te bereiken (bijvoorbeeld om iets te benadrukken) door middel van variaties in zijn taalgebruik. De spreker maakt spontaan gebruik van passende connectoren.

De spreker geeft blijk van een constant goed begrip in bijna alle contexten, inclusief begrip van taalkundige en culturele subtiliteiten.

De spreker interageert gemakkelijk in bijna alle situaties. Hij is gevoelig voor verbale en niet-verbale signalen en weet gepast op deze signalen te reageren.

Zeer goed

5

Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn weliswaar beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker, maar brengen uiterst zelden de verstaanbaarheid in het gedrang.

Constante goede beheersing van eenvoudige grammaticale structuren en zinspatronen. De spreker waagt zich ook aan complexe structuren, maar maakt hierbij nog fouten die soms de betekenis in het gedrang brengen.

De spreker beschikt over een voldoende grote en accurate woordenschat om doeltreffend te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's. De spreker maakt consequent en succesvol gebruik van parafrases. Zijn woordenschat is soms idiomatisch.

De spreker is in staat om betrekkelijk vlot een uitgebreid gesprek te voeren over bekende thema's. Hij is nog niet in staat stilistische effecten te bereiken door variaties in zijn taalgebruik. Hij maakt wel al gebruik van passende connectoren.

De spreker geeft blijk van een goed begrip van gewone, concrete en werkgerelateerde thema's en een veelal goed begrip wanneer hij wordt geconfronteerd met een taalkundige complicatie of een onverwachte omstandigheid. Hij is in staat een breed gamma aan spraakvariëteiten (dialecten en/of accenten) of taalregisters te begrijpen.

De spreker reageert onmiddellijk, gepast en informatief. Hij weet de spreker/luisteraar-relatie doeltreffend te beheren.

Operationeel

4

Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn weliswaar beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker, maar brengen zelden de verstaanbaarheid in het gedrang.

De spreker maakt creatief gebruik van eenvoudige grammaticale structuren en zinspatronen. Hij beheerst deze over het algemeen goed. Hij maakt nog fouten, met name in ongewone of onverwachte omstandigheden, maar de betekenis heeft zelden te lijden onder deze fouten.

De spreker beschikt in de meeste gevallen over een voldoende grote en accurate woordenschat om doeltreffend te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's. Wanneer de spreker in onbekende of onverwachte omstandigheden niet over de nodige woordenschat beschikt, maakt hij vaak succesvol gebruik van parafrases.

De spreker produceert taaluitingen tegen een passend tempo. De overgangen van ingestudeerde of formulaire taaluitingen naar spontane interactie verloopt soms minder vlot, maar dit belemmert de effectieve communicatie niet. De spreker maakt reeds in beperkte mate gebruik van connectoren. Eventuele stopwoorden leiden de aandacht niet af.

De spreker geeft in de meeste gevallen blijk van een goed begrip van gewone, concrete en werkgerelateerde thema's, wanneer het gebruikte accent of de gebruikte taalvariëteit voldoende begrijpelijk is voor een internationale gemeenschap van taalgebruikers. Wanneer de spreker wordt geconfronteerd met een taalkundige complicatie of een onverwachte omstandigheid, duurt het soms langer alvorens hij de taaluiting begrijpt of heeft hij verduidelijkingsstrategieën nodig.

De spreker reageert veelal onmiddellijk, gepast en informatief. Hij kan gesprekken aanknopen en deze op gang houden, zelfs als hij met onverwachte omstandigheden wordt geconfronteerd. Hij gaat op passende wijze om met duidelijke misverstanden door deze te verifiëren, te bevestigen of te verduidelijken.


Schaal voor de beoordeling van talenkennis: niveaus pre-operationeel, elementair, pre-elementair

Niveau

Uitspraak

Taalvarianten en/of accenten die verstaanbaar zijn voor de luchtvaartgemeenschap.

Structuur

De relevante grammaticale structuren en zinspatronen worden bepaald door op de taken afgestemde taalfuncties.

Woordenschat

Vlotheid

Begrip

Interacties

Pre-operationeel

3

Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker en brengen regelmatig de verstaanbaarheid in het gedrang.

De spreker heeft in voorspelbare situaties niet altijd een goede beheersing van eenvoudige grammaticale structuren en zinspatronen. De betekenis heeft vaak te lijden onder deze fouten.

De spreker beschikt vaak over een voldoende grote en accurate woordenschat om te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's, maar zijn woordenschat is beperkt en zijn woordkeuze is vaak niet de juiste. Hij is vaak niet in staat om succesvol te parafraseren wanneer hij niet over de juiste woordenschat beschikt.

De spreker produceert taalfragmenten, maar drukt deze vaak niet goed uit en maakt ook niet goed gebruik van pauzes. Aarzelingen of trage taalverwerking kunnen doeltreffende communicatie belemmeren. Stopwoorden leiden soms de aandacht af.

De spreker geeft vaak blijk van een accuraat begripsvermogen wanneer het om gewone, concrete en werkgerelateerde thema's gaat, voor zover de gebruikte accenten en taalvariëteiten voldoende begrijpelijk zijn voor een internationale gemeenschap van taalgebruikers. Het is mogelijk dat de spreker een taalkundige complicatie of een onverwachte omstandigheid niet begrijpt.

De spreker reageert soms onmiddellijk, gepast en informatief. In voorspelbare situaties kan hij betrekkelijk gemakkelijk gesprekken over bekende thema's aanknopen en deze op gang houden. Hij slaagt daar in het algemeen niet in als hij met onverwachte gebeurtenissen wordt geconfronteerd.

Elementair

2

Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn sterk beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker en brengen regelmatig de verstaanbaarheid in het gedrang.

De spreker beheerst enkel een paar eenvoudige, gememoriseerde grammaticale structuren en zinspatronen.

De spreker heeft een beperkte woordenschat die enkel bestaat uit geïsoleerde woorden en gememoriseerde zinnen.

De spreker is in staat zeer korte, geïsoleerde en gememoriseerde taalfragmenten te produceren, maar maakt daarbij frequent gebruik van pauzes en stopwoorden om uitdrukkingen te zoeken en minder gebruikelijke woorden uit te spreken.

De spreker begrijpt alleen geïsoleerde, gememoriseerde zinnen, voor zover ze zorgvuldig en traag worden uitgesproken.

De spreker heeft veel tijd nodig om te antwoorden en het antwoord is vaak ontoereikend. De interactie blijft beperkt tot eenvoudige routineuze uitwisselingen.

Pre-elementair

1

De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.

De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.

De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.

De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.

De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.

De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.


BIJLAGE IV

Specificaties voor de certificaten van opleidingsorganisaties

Op certificaten van opleidingsorganisaties die in overeenstemming met deze verordening door een bevoegde autoriteit zijn afgegeven, moeten de volgende gegevens worden vermeld:

(a)

de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft;

(b)

de aanvrager (naam en adres);

(c)

het type opleiding en/of de geleverde diensten waarvoor het certificaat geldt, voor zover van toepassing;

(d)

een verklaring dat de aanvrager voldoet aan de in hoofdstuk V gedefinieerde eisen;

(e)

de datum van afgifte en de periode van geldigheid van het certificaat.