14.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 100/51


BESLUIT 2011/235/GBVB VAN DE RAAD

van 12 april 2011

betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 maart 2011 heeft de Raad opnieuw zijn grote verontrusting uitgesproken over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran.

(2)

De Raad wees met name op de sterke toename van het aantal terechtstellingen in de afgelopen maanden, en op de systematische repressie tegen Iraanse burgers, die het gevaar lopen geïntimideerd en opgepakt te worden omdat zij hun legitiem recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering uitoefenen. De Unie herhaalde tevens dat zij foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke en onterende behandeling ten strengste veroordeelt.

(3)

In dit verband herhaalde de Raad dat hij vastbesloten is schendingen van de mensenrechten in Iran te blijven aanpakken, en verklaarde hij zich bereid beperkende maatregelen te nemen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen in Iran.

(4)

De beperkende maatregelen moeten gericht zijn tegen personen die medeplichtig zijn aan of verantwoordelijk voor het leiding geven aan of uitvoeren van ernstige schendingen van de mensenrechten jegens vreedzame demonstranten, journalisten, mensenrechtenactivisten, studenten of andere personen die opkomen voor hun legitieme rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting, en tegen personen die medeplichtig zijn aan of verantwoordelijk voor het leiding geven aan of uitvoeren van ernstige schendingen van het recht op een eerlijke rechtsgang, foltering, en andere wrede, onmenselijke of onterende vormen van behandeling, of een willekeurige, buitensporige, toenemende uitvoering van de doodstraf, inclusief openbare terechtstellingen, steniging, ophanging of executies van minderjarige overtreders, in strijd met de internationale verplichtingen van Iran op het gebied van de mensenrechten.

(5)

Ter uitvoering van bepaalde maatregelen is verder optreden van de Unie nodig,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van de op de lijst in de bijlage vermelde personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen in Iran en van met hen geassocieerde personen.

2.   Lid 1 verplicht lidstaten niet eigen onderdanen te beletten hun grondgebied binnen te komen.

3.   Lid 1 laat gevallen onverlet waarin lidstaten uit hoofde van het internationale recht gebonden zijn, en wel:

a)

als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

b)

als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door, of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties;

c)

krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent, of

d)

krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

4.   Lid 3 wordt ook geacht van toepassing te zijn op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

5.   De Raad wordt naar behoren geïnformeerd in elk van de gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 3 of lid 4 een vrijstelling verleent.

6.   De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden, of om vergaderingen van intergouvernementele instanties, met inbegrip van door de Unie geïnitieerde vergaderingen, of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerend voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, bij te wonen wanneer een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in Iran rechtstreeks worden bevorderd.

7.   Een lidstaat die ontheffingen als bedoeld in lid 6 wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn toegestaan, tenzij door één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling, schriftelijk bezwaar wordt gemaakt bij de Raad. Indien één of meer leden van de Raad bezwaar maken, kan de Raad niettemin met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.

8.   Wanneer een lidstaat krachtens de leden 3, 4, 6 of 7 een machtiging verleent tot binnenkomst op of doorreis via zijn grondgebied van de in de bijlage vermelde personen, dan geldt deze machtiging uitsluitend voor het doel waarvoor ze is verleend en voor de daarbij betrokken personen.

Artikel 2

1.   Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn of in bezit zijn van dan wel gecontroleerd worden door personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten in Iran, en alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn of in bezit zijn van dan wel gecontroleerd worden door met hen geassocieerde personen en entiteiten, als vermeld in de bijlage, worden bevroren.

2.   Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect aan of ten behoeve van de in de bijlage genoemde personen en entiteiten ter beschikking gesteld.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

a)

noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage genoemde personen en de leden van hun gezin die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of openbare voorzieningen;

b)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

c)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het loutere houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen, of

d)

noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken voor zij de toestemming geeft, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden gegeven.

De betrokken lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

4.   In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een gerechtelijk, administratief of arbitraal retentierecht of vonnis dat is vastgesteld vóór de datum waarop de persoon of entiteit, bedoeld in lid 1, in de bijlage werd opgenomen;

b)

de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend benut om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijk retentierecht zijn gewaarborgd of door een dergelijk vonnis geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wet- en regelgeving tot vaststelling van de rechten van de personen die titularis zijn van dergelijke vorderingen;

c)

het onderpand of de gerechtelijke uitspraak is niet ten behoeve van een in de bijlage bij dit besluit opgenomen persoon of entiteit, en

d)

de erkenning van het onderpand of van de uitspraak is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

5.   Lid 1 belet een op de lijst vermelde persoon of een entiteit niet, betalingen te verrichten uit hoofde van een overeenkomst die is gesloten vóór de datum waarop de betrokken persoon of entiteit in de bijlage is opgenomen, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet direct of indirect wordt ontvangen door een in lid 1 bedoelde persoon of entiteit.

6.   Lid 2 is niet van toepassing op het overmaken op bevroren rekeningen van:

a)

rente of andere inkomsten op bevroren rekeningen, of

b)

betalingen die verschuldigd zijn krachtens contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de maatregelen van de leden 1 en 2 op deze rekeningen van toepassing werden,

mits deze rente, andere inkomsten en betalingen onder de maatregelen van lid 1 blijven vallen.

Artikel 3

1.   De Raad stelt op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de in de bijlage opgenomen lijst en eventuele wijzigingen daarin vast.

2.   De Raad stelt de betrokken persoon of entiteit in kennis van zijn besluit en van de motivering voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de publicatie van een kennisgeving, zodat de persoon of entiteit daarover opmerkingen kan indienen.

3.   Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, heroverweegt de Raad zijn besluit en brengt hij de betrokken persoon of entiteit van de resultaten daarvan op de hoogte.

Artikel 4

1.   In de bijlage worden de gronden voor opneming van de betrokken personen en entiteiten in de lijst vermeld.

2.   De bijlage bevat ook de informatie, indien beschikbaar, die nodig is voor het identificeren van de betrokken personen of entiteiten. Met betrekking tot personen kan die informatie bestaan uit namen, inclusief aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres en functie of beroep. Met betrekking tot entiteiten kan die informatie namen, plaats en datum van registerinschrijving, registratienummer en de plaats van vestiging omvatten.

Artikel 5

Om het effect van de in dit besluit vastgestelde maatregelen zo groot mogelijk te maken, moedigt de Unie derde landen aan soortgelijke beperkende maatregelen te treffen.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Dit besluit is van toepassing tot 13 april 2012. Het wordt voortdurend geëvalueerd. Het kan zo nodig worden verlengd of gewijzigd indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt.

Gedaan te Luxemburg, 12 april 2011.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


BIJLAGE

Lijst van personen en entiteiten, bedoeld in de artikelen 1 en 2

Personen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op lijst

1.

AHMADI-MOQADDAM Esmail

Geboorteplaats: Teheran (Iran) - Geboortedatum: 1961

Hoofd van Nationale Politie van Iran. Troepen onder zijn commando hebben brute aanvallen uitgevoerd op vreedzame protesten en een gewelddadige aanval op de slaapzalen van de Universiteit van Teheran op 15 juni 2009.

 

2.

ALLAHKARAM Hossein

 

Hoofd van Ansar-e Hezbollah en kolonel in de IRGC. Medeoprichter van Ansar-e Hezbollah. Deze paramilitaire troepenmacht was verantwoordelijk voor extreem geweld tijdens het optreden tegen studenten en universiteiten in 1999, 2002 en 2009.

 

3.

ARAGHI (ERAGHI) Abdollah

 

Plaatsvervangend hoofd van de grondtroepen van de IRGC.

Was rechtstreeks en persoonlijk verantwoordelijk voor het neerslaan van protesten tijdens de zomer van 2009.

 

4.

FAZLI Ali

 

Plaatsvervangend bevelhebber van de Basij, voormalig hoofd van het Seyyed al-Shohada-korps van de IRGC, Provincie Teheran (tot februari 2010). Het Seyyed al-Shohada-korps is belast met de veiligheid in de provincie Teheran en speelde een hoofdrol bij de brute repressie van demonstranten in 2009.

 

5.

HAMEDANI Hossein

 

Hoofd van het Rassoulollah-korps van de IRGC, verantwoordelijk voor het district Teheran sinds november 2009. Het Rassoulollah-korps is belast met de veiligheid in het district Teheran en speelde een hoofdrol bij de gewelddadige onderdrukking van de protesten in 2009. Verantwoordelijk voor het neerslaan van de protesten tijdens de gebeurtenissen in Asjoera (december 2009) en daarna.

 

6.

JAFARI Mohammad-Ali

(oftewel “Aziz Jafari”)

Geboorteplaats: Yazd (Iran) - Geboortedatum: 1.9.1957

Algemeen bevelhebber van de IRGC. De IRGC en de Sarollah-basis onder bevel van generaal Aziz Jafari hebben een hoofdrol gespeeld bij het illegaal ingrijpen in de presidentsverkiezingen van 2009, waarbij politieke activisten werden aangehouden en vastgehouden, en aanvallen op demonstranten in de straten werden uitgevoerd.

 

7.

KHALILI Ali

 

Generaal van de IRGC, hoofd van de medische eenheid van de Sarollah-basis. Ondertekende een brief gericht aan het ministerie van Gezondheid van 26 juni 2009 waarbij een verbod werd gesteld op het toezenden van stukken of medische dossiers aan eenieder die gewond raakte of in een ziekenhuis werd opgenomen tijdens de gebeurtenissen na de verkiezingen.

 

8.

MOTLAGH Bahram Hosseini

 

Hoofd van het Seyyed al-Shohada-korps van de IRGC, provincie Teheran. Het Seyyed al-Shohada-korps speelde een hoofdrol in het organiseren van de repressie van de protesten.

 

9.

NAQDI Mohammad-Reza

Geboorteplaats: Najaf (Irak) - Geboortedatum: rond 1952

Bevelhebber van de Basij. Als bevelhebber van de Basij-militie van de IRGC was Naqdi verantwoordelijk voor of medeplichtig aan de misbruiken door de Basij eind 2009, waaronder de gewelddadige respons op de protesten op Asjoera in december 2009, die heeft geleid tot maar liefst 15 dodelijke slachtoffers en tot de aanhouding van honderden demonstranten.

Voor zijn benoeming tot bevelhebber van de Basij in oktober 2009 was Naqdi hoofd van de inlichtingeneenheid van de Basij en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het verhoren van de personen die tijdens de repressie na de verkiezingen werden aangehouden.

 

10.

RADAN Ahmad-Reza

Geboorteplaats: Isfahan (Iran) -Geboortedatum:1963

Plaatsvervangend hoofd van de Nationale Politie van Iran sinds 2008. In die hoedanigheid was Radan verantwoordelijk voor mishandeling, moord en willekeurige aanhoudingen en detenties van demonstranten door de politie.

 

11.

RAJABZADEH Azizollah

 

Voormalig hoofd van de Politie van Teheran (tot januari 2010). Als bevelhebber van de wetshandhavingsinstanties in het district Teheran is Azizollah Rajabzadeh de hoogstgeplaatste beschuldigde voor de misbruiken in het detentiecentrum in Kahrizak.

 

12.

SAJEDI-NIA Hossein

 

Hoofd van de Politie van Teheran, voormalig plaatsvervangend hoofd van de Nationale Politie van Iran verantwoordelijk voor politieoperaties. Belast met het coördineren, voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, van de repressieoperaties in de Iraanse hoofdstad.

 

13.

TAEB Hossein

Geboorteplaats: Teheran - Geboortedatum: 1963

Voormalig bevelhebber van de Basij (tot oktober 2009). Thans plaatsvervangend IRGC-bevelhebber voor de inlichtingendienst. Troepen onder zijn bevel namen deel aan afranselingen, moorden, detenties en folteringen op grote schaal van vreedzame demonstranten.

 

14.

SHARIATI Seyeed Hassan

 

Hoofd van het gerechtelijk apparaat van Mashhad. Processen onder zijn supervisie werden summier en in besloten zittingen gevoerd, zonder inachtneming van de basisrechten van de aangeklaagden, en op grond van bekentenissen die onder druk en door folteringen verkregen zijn. Aangezien de vonnissen massaal werden uitgesproken, werden doodvonnissen uitgesproken zonder dat de procedures voor een eerlijke procesgang naar behoren werden gevolgd.

 

15.

DORRI-NADJAFABADI Ghorban-Ali

Geboorteplaats: Najafabad (Iran) Geboortedatum: 1945

Procureur-generaal van Iran tot september 2009 (voormalig minister van Inlichtingen tijdens het presidentschap van Khatami). Als procureur-generaal van Iran gelastte en superviseerde hij de showprocessen naar aanleiding van de eerste protesten na de verkiezingen, waarbij de aangeklaagden hun rechten werden ontzegd, zoals een advocaat. Tevens verantwoordelijk voor de misbruiken van Kahrizak.

 

16.

HADDAD Hassan

(alias Hassan ZAREH DEHNAVI)

 

Rechter, revolutionaire rechtbank van Teheran, afdeling 26. Was belast met de zaak van gedetineerden na de crises die volgden op de verkiezingen en bedreigde geregeld gezinnen van gedetineerden om hun het zwijgen op te leggen. Hielp bij het uitvaardigen van arrestatiebevelen voor het detentiecentrum van Kahrizak.

 

17.

Hodjatoleslam Seyed Mohammad SOLTANI

 

Rechter, revolutionaire rechtbank van Mashhad. Processen onder zijn rechtsmacht waren summier en vonden plaats achter gesloten deuren, zonder eerbiediging van de basisrechten van de beschuldigden. Aangezien de vonnissen massaal werden uitgesproken, werden doodvonnissen uitgesproken zonder eerlijke hoorzittingen.

 

18.

HEYDARIFAR Ali-Akbar

 

Rechter, revolutionaire rechtbank van Teheran. Nam deel aan de berechting van manifestanten. Door de rechterlijke macht ondervraagd over Kahrizak-afpersingen. Meegewerkt aan het uitvaardigen van bevelen om gedetineerden op te sluiten in het detentiecentrum van Kahrizak

 

19.

JAFARI-DOLATABADI Abbas

 

Hoofdaanklager van Teheran sedert augustus 2009. Zijn bureau klaagde veel manifestanten aan, onder wie deelnemers aan de protestdagen in Ashura Day in december 2009. Beval de sluiting van Karroubi’s bureau in september 2009 en de aanhouding van verscheidende hervormingsgezinde politici en verbood twee hervormingsgezinde politieke partijen in juni 2010. Zijn bureau klaagde manifestanten aan voor vijandigheid jegens God (Muharebeh), waarop de doodstraf staat, en weigerde degenen die de doodstraf te wachten stond een eerlijk proces. Heeft ook hervormingsgezinden vervolgd en gearresteerd, mensenrechtenactivisten en leden van de media, als onderdeel van een onderdrukking van de politieke oppositie.

 

20.

MOGHISSEH Mohammad

(a.k.a. NASSERIAN)

 

Rechter, hoofd van de revolutionaire rechtbank van Teheran, afdeling 28. Belast met zaken na de verkiezingen. Heeft langdurige gevangenisstraffen uitgesproken tijdens oneerlijke processen voor maatschappelijke en politieke activisten en journalisten en verscheidene doodstraffen tegen manifestanten en maatschappelijke en politieke activisten.

 

21.

MOHSENI-EJEI Gholam-Hossein

Geboorteplaats: Ejiyeh - Geboortedatum: circa 1956

Hoofdaanklager van Ian sedert september 2009 en woordvoerder van de rechterlijke macht (was minister van Inlichtingen tijdens de verkiezingen van 2009). Agenten die toen onder zijn bevel stonden waren verantwoordelijk voor detentie, foltering en het afdwingen van valse bekentenissen van honderden activisten, journalisten, dissidenten en hervormingsgezinde politici. Politici werden bovendien gedwongen tot valse bekentenissen tijdens ondraaglijke verhoren, met foltering, chantage en bedreiging van gezinsleden.

 

22.

MORTAZAVI Said

Geboorteplaats: Meybod, Yazd (Iran) - Geboortedatum: 1967

Hoofd van Irans antismokkel-Task Force, oud-hoofdaanklager van Teheran tot augustus 2009. Vaardigde toen bevelen uit voor de detentie van honderden activisten, journalisten en studenten. Geschorst in augustus 2010 na onderzoek door de Iraanse rechterlijke macht naar zijn rol in de dood van drie op zijn bevel gedetineerde mannen, na de verkiezingen.

 

23.

PIR-ABASSI Abbas

 

Revolutionaire rechtbank van Teheran, afdelingen 26 en 28. Belast met zaken van na de verkiezingen, sprak langdurige gevangenisstraffen uit tijdens oneerlijke processen tegen mensenrechtenactivisten en meerdere doodstraffen tegen manifestanten.

 

24.

MORTAZAVI Amir

 

Vervangend aanklager van Mashhad. Zijn processen waren summier en vonden plaats achter gesloten deuren, zonder naleving van de basisrechten van de beschuldigden. Massale vonnissen met als gevolg doodvonnissen zonder eerlijke hoorzittingen.

 

25.

SALAVATI Abdolghassem

 

Rechter, revolutionaire rechtbank van Teheran, afdeling 15. Belast met zaken na de verkiezingen. Zat de „showprocessen” voor in de zomer van 2009. Veroordeelde twee koningsgezinden tijdens de showprocessen. Heeft meer dan honderd politieke gevangenen, mensenrechtenactivisten en demonstranten tot lange gevangenisstraffen veroordeeld.

 

26.

SHARIFI Malek Adjar

 

Hoofd van de rechterlijke macht van Oost-Azerbeidzjan. Verantwoordelijk voor proces van Mohammadi-Ashtiani.

 

27.

ZARGAR Ahmad

 

Rechter, hof van beroep van Teheran, afdeling 36. Bevestigde langdurige gevangenisstraffen en doodstraffen tegen manifestanten.

 

28.

YASAGHI Ali-Akbar

 

Rechter, revolutionaire rechtbank van Mashhad. Zijn processen waren summier en vonden plaats achter gesloten deuren, zonder naleving van de basisrechten van de beschuldigden. Massale vonnissen met als gevolg doodvonnissen zonder eerlijke hoorzittingen.

 

29.

BOZORGNIA Mostafa

 

Hoofd afdeling 350 van de gevangenis van Evin. Heeft bij diverse gelegenheden onevenredig geweld gebruikt tegen gevangenen.

 

30.

ESMAILI Gholam-Hossein

 

Hoofd van Irans gevangenissenorganisatie. In die hoedanigheid medeplichtig aan de massale detentie van politieke manifestanten en aan het in de doofpot doen van mishandelingen in het gevangenissysteem.

 

31.

SEDAQAT Farajollah

 

Assistent-secretaris van het algemene gevangenisbestuur van Teheran - Hoofd van de gevangenis van Evin in Teheran tot oktober 2010 en in die tijd werd er gefolterd. Was bewaker en bedreigde talrijke malen gevangenen en zette hen onder druk.

 

32.

ZANJIREI Mohammad-Ali

 

Als vervangend hoofd van Irans gevangenissenorganisatie verantwoordelijk voor mishandeling en miskenning van de rechten in het detentiecentrum. Beval de eenzame opsluiting van veel gevangenen.