1.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/18


RICHTLIJN 2009/76/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juli 2009

betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen

(Gecodificeerde versie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 77/311/EEG van de Raad van 29 maart 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

Richtlijn 77/311/EEG is één van de bijzondere richtlijnen van het bij Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen geregelde EG-typegoedkeuringssysteem, thans geregeld in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (5) en stelt de technische voorschriften vast betreffende het ontwerp en de constructie van landbouw- of bosbouwtrekkers met betrekking tot het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders. Deze technische voorschriften beogen de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2003/37/EG geregelde EG-typegoedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type trekker mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2003/37/EG betreffende landbouw- of bosbouwtrekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines, alsmede de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing.

(3)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder trekker (landbouw- of bosbouwtrekker) verstaan ieder motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van een lading en van meerijders.

2.   Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers, gemonteerd op luchtbanden, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en 40 km/h.

Artikel 2

1.   De lidstaten mogen de EG-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een trekker niet weigeren om redenen die verband houden met het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder, indien dit niveau de volgende grenzen niet overschrijdt:

90 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage I,

of

86 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage II.

2.   Ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan deze richtlijn geldt dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van deze richtlijn:

niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen;

de nationale typegoedkeuring mogen weigeren.

3.   Ten aanzien van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan deze richtlijnen geldt dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van deze richtlijn:

de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn;

de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren.

4.   De lidstaten mogen de inschrijving, de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van trekkers niet weigeren of verbieden om redenen die verband houden met het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder, indien dit niveau de volgende grenzen niet overschrijdt:

90 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage I,

of

86 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage II.

Artikel 3

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „cabine” verstaan elke constructie uitgevoerd met al dan niet doorzichtige stijve elementen, die de bestuurder aan alle zijden omgeeft en hem naar buiten afschermt en die in bedrijf voortdurend gesloten kan blijven.

Artikel 4

De lidstaten nemen alle passende maatregelen opdat zowel bij het aanbieden voor de verkoop als in de reclame niets wordt gebruikt om aan trekkers, wat het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder betreft, eigenschappen toe te kennen die zij niet hebben.

Artikel 5

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen I, II en III aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG bedoelde procedure.

Artikel 6

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 7

Richtlijn 77/311/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 8

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 9

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

E. ERLANDSSON


(1)  PB C 120 van 16.5.2008, blz. 15.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 19 februari 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 juni 2009.

(3)  PB L 105 van 28.4.1977, blz. 1.

(4)  Zie bijlage IV, deel A.

(5)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.


BIJLAGE I

GELUIDSNIVEAUMETER, MEETVOORWAARDEN EN MEETMETHODE

1.   MEETEENHEID EN MEETAPPARAAT

1.1.   Meeteenheid

Het geluidsniveau wordt gemeten in decibel A, afgekort dB (A).

1.2.   Meetapparaat

De metingen van het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder worden verricht met behulp van een geluidsniveaumeter, overeenkomstig het type omschreven in publicatie 179, eerste uitgave, 1965, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC).

Bij veranderlijke aanwijzing neemt men het gemiddelde van de maximale waarden.

2.   MEETVOORWAARDEN

De metingen worden verricht onder de volgende voorwaarden:

2.1.

de trekker moet onbeladen zijn, dat wil zeggen niet voorzien van optionele accessoires maar wel van koelmiddel, smeermiddelen, motorbrandstof, gereedschap en bestuurder. Deze laatste mag geen al te dikke kleding, of shawl of hoed dragen. In de trekker mogen zich geen akoestisch storende voorwerpen bevinden;

2.2.

de banden moeten zijn opgepompt op de door de fabrikant van de trekker voorgeschreven spanning; de motor, transmissie en aandrijfassen moeten op normale bedrijfstemperatuur zijn en het scherm van de koelradiator, indien aanwezig, moet tijdens de meting volledig geopend zijn;

2.3.

accessoires die door de motor of afzonderlijk worden aangedreven, zoals ruitenwissers, blower, aftakas, moeten bij de meting worden uitgeschakeld voor zover het geluidsniveau hierdoor kan worden beïnvloed; onderdelen die onder normale omstandigheden tegelijk met de motor functioneren, bijvoorbeeld de koelventilator van de motor, moeten tijdens de meting in bedrijf zijn;

2.4.

het meettraject moet gelegen zijn op een voldoende stille open plaats. Dit traject kan bijvoorbeeld bestaan uit een open ruimte met een straal van 50 m, waarvan het middengedeelte met een straal van ten minste 20 m praktisch waterpas is, dan wel uit een horizontale baan met stevige bodem, zoveel mogelijk vlak en zonder groeven. De baan moet zo schoon en droog mogelijk zijn (bijvoorbeeld niet bedekt met grind, bladeren, sneeuw enz.). Hellingen en oneffenheden zijn slechts toelaatbaar wanneer de daardoor veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de foutenmarges van de meetapparaten liggen;

2.5.

de bekleding van de rijbaan moet zodanig zijn, dat de banden geen overmatig geluid produceren;

2.6.

het weer moet helder zijn en de wind zwak.

Het achtergrondgeluidsniveau, veroorzaakt door wind of andere geluidsbronnen, moet op oorhoogte van de bestuurder ten minste 10 dB (A) lager liggen dan het geluidsniveau van de trekker;

2.7.

indien voor de registratie van de metingen gebruik wordt gemaakt van een voertuig, dan dient dit voertuig op een zodanige afstand van de trekker te worden getrokken of gereden dat elke storing wordt vermeden. Gedurende de meting mogen er zich geen voor het meten hinderlijke voorwerpen of weerkaatsende oppervlakken bevinden binnen een afstand van 20 m aan weerszijden van het rijtraject of binnen een afstand van 20 m vóór of achter het voertuig. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld indien de aldus veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de meettoleranties liggen: zo niet, dan moet de meting worden stopgezet, zolang de verstoring duurt;

2.8.

alle metingen van eenzelfde reeks moeten op hetzelfde traject geschieden.

3.   MEETMETHODE

3.1.

De microfoon wordt zijdelings geplaatst op een afstand van 250 mm van het middenvlak van de zitplaats en wel aan de zijde waar het geluidsniveau het hoogst is.

Het membraan van de microfoon moet in de rijrichting wijzen en het midden van de microfoon moet zich bevinden op 790 mm boven en 150 mm vóór het referentiepunt van de zitplaats, beschreven in bijlage III. Overmatige trilling van de microfoon moet worden vermeden.

3.2.

Teneinde het maximale geluidsniveau in db (A) te verkrijgen:

3.2.1.

moeten bij trekkers met in serie vervaardigde gesloten cabine alle openingen (bijvoorbeeld deuren, ramen enz.) gedurende een eerste reeks metingen worden gesloten;

3.2.1.1.

gedurende een tweede reeks metingen moeten ze opengelaten worden, mits ze in geopende stand geen gevaar opleveren voor het wegverkeer. Beweegbare voorruiten moeten evenwel in beschermende stand blijven staan;

3.2.2.

wordt het geluid gemeten met de geluidsniveaumeter in de stand traag bij de belasting overeenkomend met het maximale geluid wanneer de versnelling is ingeschakeld waarmede een voorwaartse snelheid van 7,5 km/h het meest kan worden benaderd.

De gashandel wordt volledig geopend. Er wordt begonnen zonder last, vervolgens wordt de belasting vermeerderd totdat het maximumgeluidsniveau wordt gevonden. Na elke vermeerdering van de belasting moet, alvorens de meting te verrichten, worden gewacht totdat het geluidsniveau zich heeft gestabiliseerd;

3.2.3.

wordt het geluid gemeten met de geluidsniveaumeter in de stand traag bij de belasting overeenkomend met het maximale geluid wanneer een willekeurige andere versnelling dan de in punt 3.2.2 bedoelde is ingeschakeld waarbij een geluidsniveau is geregistreerd dat minstens 1 dB (A) hoger is dan het geluidsniveau dat bij de in punt 3.2.2 genoemde snelheid werd genoteerd.

De gashandel wordt volledig geopend. Er wordt begonnen zonder last, vervolgens wordt de belasting vermeerderd totdat het maximumgeluidsniveau wordt gevonden. Na elke vermeerdering van de belasting moet, alvorens de meting te verrichten, worden gewacht totdat het geluidsniveau zich heeft gestabiliseerd;

3.2.4.

wordt het geluid gemeten bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van de onbeladen trekker.

3.3.

In het rapport moeten de volgende metingen van het geluidsniveau worden vermeld:

3.3.1.

bij inschakeling van de versnelling waarmede de snelheid van 7,5 km/h het meest kan worden benaderd;

3.3.2.

bij inschakeling van een willekeurige andere versnelling indien aan de in punt 3.2.3 genoemde voorwaarden is voldaan;

3.3.3.

bij inschakeling van de hoogste versnelling.

4.   BEOORDELING

De metingen verricht overeenkomstig de punten 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.4 mogen de in artikel 2 vastgestelde grenswaarden niet overschrijden.


BIJLAGE II

GELUIDSNIVEAUMETER, MEETVOORWAARDEN EN MEETMETHODE

1.   MEETEENHEID EN MEETAPPARAAT

1.1.   Meeteenheid

Het geluidsniveau wordt gemeten in decibel A, afgekort dB (A).

1.2.   Meetapparaat

De metingen van het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder worden verricht met behulp van een geluidsniveaumeter, overeenkomstig het type omschreven in publicatie 179, eerste uitgave, 1965, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC).

Bij veranderlijke aanwijzing neemt men het gemiddelde van de maximale waarden.

2.   MEETVOORWAARDEN

De metingen worden verricht onder de volgende voorwaarden:

2.1.

de trekker moet onbeladen zijn, dat wil zeggen niet voorzien van optionele accessoires maar wel van koelmiddel, smeermiddelen, motorbrandstof, gereedschap en bestuurder. Deze laatste mag geen al te dikke kleding, of shawl of hoed dragen. In de trekker mogen zich geen akoestisch storende voorwerpen bevinden;

2.2.

de banden moeten zijn opgepompt op de door de fabrikant van de trekker voorgeschreven spanning; de motor, transmissie en aandrijfassen moeten op normale bedrijfstemperatuur zijn en het scherm van de koelradiator, indien aanwezig, moet tijdens de meting volledig geopend zijn;

2.3.

accessoires die door de motor of afzonderlijk worden aangedreven, zoals ruitenwissers, blower, aftakas, moeten bij de meting worden uitgeschakeld voor zover het geluidsniveau hierdoor kan worden beïnvloed; onderdelen die onder normale omstandigheden tegelijk met de motor functioneren, bijvoorbeeld de koelventilator van de motor, moeten tijdens de meting in bedrijf zijn;

2.4.

het meettraject moet gelegen zijn op een voldoende stille open plaats. Dit traject kan bijvoorbeeld bestaan uit een open ruimte met een straal van 50 m, waarvan het middengedeelte met een straal van ten minste 20 m praktisch waterpas is, dan wel uit een horizontale baan met stevige bodem, zoveel mogelijk vlak en zonder groeven. De baan moet zo schoon en droog mogelijk zijn (bijvoorbeeld niet bedekt met grind, bladeren, sneeuw enz.). Hellingen en oneffenheden zijn slechts toelaatbaar wanneer de daardoor veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de foutenmarges van de meetapparaten liggen;

2.5.

de bekleding van de rijbaan moet zodanig zijn, dat de banden geen overmatig geluid produceren;

2.6.

het weer moet helder zijn en de wind zwak.

Het achtergrondgeluidsniveau, veroorzaakt door wind of andere geluidsbronnen, moet op oorhoogte van de bestuurder ten minste 10 dB (A) lager liggen dan het geluidsniveau van de trekker;

2.7.

indien voor de registratie van de metingen gebruik wordt gemaakt van een voertuig, dan dient dit voertuig op een zodanige afstand van de trekker te worden getrokken of gereden dat elke storing wordt vermeden. Gedurende de meting mogen er zich geen voor het meten hinderlijke voorwerpen of weerkaatsende oppervlakken bevinden binnen een afstand van 20 m vóór of achter het voertuig. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld indien de aldus veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de meettoleranties liggen: zo niet, dan moet de meting worden stopgezet, zolang de verstoring duurt;

2.8.

alle metingen van een zelfde reeks moeten op hetzelfde traject geschieden.

3.   MEETMETHODE

3.1.

De microfoon wordt zijdelings geplaatst op een afstand van 250 mm van het middenvlak van de zitplaats en wel aan de zijde waar het geluidsniveau het hoogst is.

Het membraan van de microfoon moet in de rijrichting wijzen en het midden van de microfoon moet zich bevinden op 790 mm boven en 150 mm vóór het referentiepunt van de zitplaats, beschreven in bijlage III. Overmatige trilling van de microfoon moet worden vermeden.

3.2.

Teneinde het geluidsniveau te verkrijgen moet als volgt te werk worden gegaan:

3.2.1.

de trekker moet op hetzelfde traject ten minste driemaal rijden met een gelijke proefsnelheid en gedurende ten minste 10 seconden;

3.2.2.

bij trekkers met in serie vervaardigde gesloten cabine moeten alle openingen (bijvoorbeeld deuren, ramen enz.) gedurende een eerste reeks metingen worden gesloten;

3.2.2.1.

gedurende een tweede reeks metingen moeten ze opengelaten worden, mits ze in geopende stand geen gevaar opleveren voor het wegverkeer. Beweegbare voorruiten moeten evenwel in beschermende stand blijven staan;

3.2.3.

het geluidsniveau bij maximaal toerental wordt gemeten met de geluidsniveaumeter in de stand traag en wel in de versnelling waarbij de snelheid bij nominaal toerental van de motor het dichtst bij 7,5 km/h ligt. De trekker moet bij de meting onbelast blijven.

4.   BEOORDELING

De metingen verricht overeenkomstig de punten 3.2.2 en 3.2.3 mogen de in artikel 2 vastgestelde grenswaarden niet overschrijden.


BIJLAGE III

BEPALING VAN HET REFERENTIEPUNT VAN DE ZITPLAATS

1.   DEFINITIE

1.1.

Het referentiepunt (S) van de zitplaats is het punt van het middenvlak in de lengterichting waar het raakvlak aan het onderste deel van de rugleuning en een horizontaal vlak elkaar snijden. Dit horizontale vlak snijdt de onderkant van de plaat voor de zitting op een afstand van 150 mm vóór het referentiepunt.

2.   BEPALING VAN HET REFERENTIEPUNT VAN DE ZITPLAATS

2.1.

Het referentiepunt van de zitplaats wordt verkregen door gebruik te maken van het hulpgereedschap afgebeeld in de figuren 1 en 2 van het aanhangsel van deze bijlage, met behulp waarvan de belasting op de zitplaats door de bestuurder kan worden gesimuleerd.

2.2.

De stoel dient te worden ingesteld in het midden van het instelbereik in verticale richting; deze instelling geschiedt onafhankelijk van de horizontale instelling. Voor de vaststelling van de plaats van de microfoon bedoeld in punt 3 van de bijlagen I en II, moet de stoel in de middenpositie van het horizontale afstelbereik worden geplaatst, of in een stand die deze positie zoveel mogelijk benadert.

3.   KENMERKEN VAN HET HULPGEREEDSCHAP

3.1.

Het in 2.1 bedoelde hulpgereedschap bestaat uit een plaat voor de zitting en twee platen voor de rugleuning.

3.2.

De onderste plaat van de rugleuning scharniert ter hoogte van de zitbeenknobbels (A) en de lendenen (B), waarbij het punt (B) in de hoogte verstelbaar is (zie figuur 2).

4.   PLAATSING VAN HET HULPGEREEDSCHAP

Het toestel wordt als volgt aangebracht:

4.1.

men plaatst het toestel op de zitplaats;

4.2.

het wordt belast met een kracht van 550 N op een afstand van 50 mm vóór scharnierpunt A, terwijl de twee platen voor de rugleuning licht tegen de rugleuning worden aangedrukt;

4.3.

indien het niet mogelijk is het raakpunt met het onderste deel van de rugleuning nauwkeurig vast te stellen, dient de onderste plaat voor de rugleuning in verticale positie licht tegen de rugleuning te worden aangedrukt;

4.4.

indien de vering van de stoel afhankelijk van het gewicht van de bestuurder kan worden ingesteld, wordt deze zodanig ingesteld dat de zitplaats zich in het midden van de twee uiterste posities bevindt.

Aanhangsel

Image

Image


BIJLAGE IV

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 7)

Richtlijn 77/311/EEG van de Raad

(PB L 105 van 28.4.1977, blz. 1)

 

Richtlijn 82/890/EEG van de Raad

(PB L 378 van 31.12.1982, blz. 45)

uitsluitend wat de verwijzing in artikel 1, lid 1, naar Richtlijn 77/311/EEG betreft

Richtlijn 97/54/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 277 van 10.10.1997, blz. 24)

uitsluitend wat de verwijzing in artikel 1, eerste streepje, naar Richtlijn 77/311/EEG betreft

Beschikking 96/627/EG van de Commissie

(PB L 282 van 1.11.1996, blz. 72)

 

Beschikking 2000/63/EG van de Commissie

(PB L 22 van 27.1.2000, blz. 66)

 

Richtlijn 2006/26/EG van de Commissie

(PB L 65 van 7.3.2006, blz. 22)

uitsluitend artikel 2 en bijlage II

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 7)

Wetsbesluit

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

77/311/EEG

1 oktober 1978

82/890/EEG

22 juni 1984

97/54/EG

22 september 1998

23 september 1998

96/27/EG

29 september 1999

2000/63/EG

30 september 2001

2006/26/EG

31 december 2006 (1)


(1)  Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2006/26/EG:

„1.   Met ingang van 1 januari 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

niet de EG-typegoedkeuring of de nationale typegoedkeuring mogen weigeren, en

b)

niet de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen mogen verbieden.

2.   Met ingang van 1 juli 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen, en

b)

de nationale typegoedkeuring mogen weigeren.

3.   Met ingang van 1 juli 2009 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, en

b)

de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren.”.


BIJLAGE V

Concordantietabel

Richtlijn 77/311/EEG

Richtlijn 2006/26/EG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

 

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, eerste alinea

 

Artikel 2, leden 1 en 4

Artikel 2, lid 1, tweede alinea

 

Artikel 2, lid 2

 

 

Artikel 5, lid 2

Artikel 2, lid 2

 

Artikel 5, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikelen 3, 4 en 5

 

Artikelen 3, 4 en 5

Artikel 6, lid 1

 

Artikel 6, lid 2

 

Artikel 6

 

Artikel 7

 

Artikel 8

Artikel 7

 

Artikel 9

Bijlage I

 

Bijlage I

Bijlage II

 

Bijlage II

Bijlage III

 

Bijlage III

 

Bijlage IV

 

Bijlage V