30.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 350/1


VERORDENING (EG) Nr. 1353/2008 VAN DE RAAD

van 18 december 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 74/2004 tot instelling van een definitief compenserend recht op katoenhoudend beddenlinnen uit India

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn („de basisverordening”) (1), en met name op de artikelen 15 en 19,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorafgaand onderzoek en geldende maatregelen

(1)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 74/2004 (2) een definitief compenserend recht ingesteld op katoenhoudend beddenlinnen, ingedeeld onder de GN-codes ex 6302 21 00, ex 6302 22 90, ex 6302 31 00 en ex 6302 32 90, van oorsprong uit India. Het recht varieert van 4,4 % tot 10,4 % voor individuele in de steekproef opgenomen ondernemingen, met een gemiddelde van 7,6 % voor medewerkende ondernemingen en een residueel recht van 10,4 %.

1.2.   Ambtshalve opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek

(2)

Nadat het definitieve compenserende recht was ingesteld, voerde de Indiase overheid aan dat de omstandigheden met betrekking tot twee subsidieregelingen, de Duty Entitlement Passbook Scheme en de Income Tax Exemption (vrijstelling van inkomstenbelasting) overeenkomstig afdeling 80 HHC van de Income Tax Act (wet op de inkomstenbelasting), waren gewijzigd en dat deze wijzigingen van blijvende aard waren. Zij beweerden dat de mate van subsidiëring daardoor waarschijnlijk was verminderd en dat de maatregelen die gedeeltelijk op basis van die regelingen waren ingesteld, bijgevolg moesten worden herzien.

(3)

De Commissie heeft het door de Indiase overheid ingediende bewijsmateriaal onderzocht en achtte het toereikend om een nieuw onderzoek te openen overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening. Na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft de Commissie ambtshalve een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de geldende maatregelen geopend met de publicatie van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(4)

Dit gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek heeft tot doel, indien overeenkomstig de desbetreffende voorschriften in het bericht van opening voldoende bewijsmateriaal werd verstrekt, na te gaan of de bestaande maatregelen betreffende de ondernemingen die voordeel verkregen van een of van beide beweerdelijk gewijzigde subsidieregelingen, moeten worden gehandhaafd, ingetrokken of gewijzigd. Afhankelijk van de bevindingen zal ook worden onderzocht of de maatregelen die gelden voor andere ondernemingen die aan het oorspronkelijke onderzoek hebben meegewerkt, en/of de voor alle andere ondernemingen geldende residuele maatregel moeten worden herzien.

1.3.   Nieuw onderzoektijdvak

(5)

Het onderzoek had betrekking op de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007 („het nieuwe onderzoektijdvak” of „NOT”).

1.4.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(6)

De Commissie heeft de Indiase overheid, de Indiase producenten/exporteurs die aan het vorige onderzoek hebben meegewerkt en die voordeel bleken te verkrijgen van een of van beide beweerdelijk gewijzigde subsidieregelingen en in het bericht van opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek werden vermeld, alsmede de vertegenwoordigers van de bedrijfstak van de Gemeenschap officieel in kennis gesteld van de opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. De schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de partijen werden onderzocht en waar nodig werd er rekening mee gehouden.

(7)

Daar kennelijk een groot aantal partijen bij dit nieuwe onderzoek betrokken was, werd voorgesteld voor het onderzoek naar subsidiëring gebruik te maken van steekproeven overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening.

(8)

Om de Commissie in staat te stellen overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening een steekproef samen te stellen, werden exporteurs en hun vertegenwoordigers verzocht zich binnen drie weken na de inleiding van de procedure kenbaar te maken en basisinformatie te verstrekken over hun uitvoer en omzet op de binnenlandse markt, een aantal specifieke subsidieregelingen en de namen en activiteiten van alle verbonden ondernemingen. De autoriteiten van India werden eveneens op de hoogte gebracht.

(9)

Meer dan tachtig ondernemingen hebben zich kenbaar gemaakt en de voor de samenstelling van de steekproef vereiste informatie verstrekt. Deze ondernemingen vertegenwoordigden in de periode van de steekproefneming 95 % van de totale uitvoer van India naar de Gemeenschap.

(10)

Gezien het grote aantal ondernemingen werd in overleg met de bedrijfstak van de Gemeenschap, de Indiase brancheorganisatie voor textiel Texprocil en de Indiase overheid een steekproef van elf exportondernemingen en -groepen met de grootste uitvoervolumes naar de Gemeenschap samengesteld.

(11)

De steekproef vertegenwoordigde in de periode van de steekproefneming (1 april 2006 tot en met 31 maart 2007) 64 % van de totale uitvoer van het betrokken product uit India naar de Europese Unie. In overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening bestreek de samengestelde steekproef het grootst mogelijke representatieve uitvoervolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht.

(12)

Vier niet in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben overeenkomstig artikel 27, lid 3, van de basisverordening een verzoek om de vaststelling van een individuele subsidiemarge ingediend. Wegens het grote aantal verzoeken en het grote aantal in de steekproef opgenomen ondernemingen werd geoordeeld dat dergelijke individuele onderzoeken te belastend, in de zin van artikel 27, lid 3, zouden zijn en een tijdige voltooiing van het onderzoek zouden beletten. De verzoeken van de vier niet in de steekproef opgenomen ondernemingen om de vaststelling van individuele marges werden dan ook afgewezen.

(13)

Tijdens het onderzoek is gebleken dat twee verbonden ondernemingen van twee in de steekproef opgenomen exportondernemingen het tijdens het NOT vervaardigde betrokken product niet vervaardigden, uitvoerden of op de binnenlandse markt verkochten. Zij gaven niet te kennen dat in de toekomst van plan te zijn. Daarom is besloten die verbonden ondernemingen te verwijderen uit de steekproef en de berekening van de individuele subsidiemarges.

(14)

De ondernemingen die niet in de steekproef werden opgenomen, werden ervan in kennis gesteld dat een eventueel antisubsidierecht voor hen zou worden berekend overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening, dat wil zeggen dat het compenserend recht voor hen niet hoger zou zijn dan het voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen vastgestelde gewogen gemiddelde bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.

(15)

Ondernemingen die zich niet binnen de in het bericht van opening vermelde termijn kenbaar hadden gemaakt, werden niet als belanghebbenden beschouwd.

(16)

Er zijn antwoorden op de vragenlijst ontvangen van alle in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs in India.

(17)

De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij voor de vaststelling van subsidiëring nodig achtte. Bij de volgende belanghebbenden werd ter plaatse een controle verricht:

 

Indiase overheid

ministerie van Handel, New Delhi;

 

producenten/exporteurs in India

Anunay Fab. Limited, Ahmedabad;

Brijmohan Purusottamdas, Mumbai, en Incotex Impex Pvt. Limited, Mumbai;

Divya Global Pvt. Ltd, Mumbai;

Intex Exports, Pattex Exports en Sunny Made-Ups, Mumbai;

Jindal Worldwide Ltd, Progressive Enterprise en Texcellence Overseas, Ahmedabad en Mumbai;

Madhu Industries Limited en Madhu International, Ahmedabad;

Mahalaxmi Exports en Mahalaxmi Fabric Mills Pvt. Ltd, Ahmedabad;

Prakash Cotton Mills Pvt., Ltd, Mumbai;

Prem Textiles, Indore;

The Bombay Dyeing and Manufacturing Co. Ltd, N. W. Exports Limited en Nowrosjee Wadia & Sons Limited, Mumbai;

Vigneshwara Exports Limited, Mumbai.

1.5.   Mededeling van feiten en overwegingen en opmerkingen over de procedure

(18)

De Indiase overheid en de andere belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zou worden voorgesteld de geldende rechten te wijzigen en de toepassing van de bestaande maatregelen te handhaven. Zij konden hierover binnen een redelijke termijn opmerkingen maken. Met alle standpunten en opmerkingen werd rekening gehouden zoals hierna wordt uiteengezet.

2.   BETROKKEN PRODUCT

(19)

Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op beddenlinnen van katoenvezels, zuiver of gemengd met kunstmatige vezels of met vlas (waarbij vlas niet mag overheersen), gebleekt, geverfd of bedrukt, van oorsprong uit India („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 6302 21 00, ex 6302 22 90, ex 6302 31 00 en ex 6302 32 90, en zoals gedefinieerd in het oorspronkelijke onderzoek.

3.   SUBSIDIES

3.1.   Inleiding

(20)

Op basis van de beschikbare gegevens en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie werden de volgende regelingen, in het kader waarvan subsidies zouden zijn verstrekt, onderzocht:

 

subsidieregelingen die tijdens het oorspronkelijke onderzoek zijn onderzocht:

1.

de regeling Duty Entitlement Passbook („DEPB”);

2.

de regeling Duty Free Replenishment Certificate (certificaat voor rechtenvrije aanvulling, „DFRC”)/de regeling Duty Free Imports Authorisation (vergunning voor rechtenvrije invoer, „DFIA”);

3.

de regeling Export Promotion Capital Goods (kapitaalgoederen voor exportbevordering, „EPCG”);

4.

de Advance Licence Scheme (regeling voor voorafgaande licenties, „ALS”)/de Advance Authorisation Scheme (regeling voor voorafgaande vergunningen, „AAS”);

5.

Export Processing Zones/Export Oriented Units (exportverwerkende zones/exportgerichte ondernemingen, „EPZ’s/EOU’s”);

6.

de Income Tax Exemptions Scheme (regeling voor vrijstelling van inkomstenbelasting, „ITES”);

 

subsidieregelingen die tijdens het oorspronkelijke onderzoek niet zijn onderzocht:

7.

de Duty Drawback Scheme (regeling voor de terugbetaling van rechten, „DDS”);

8.

de Technology Upgradation Fund Scheme (regeling fonds voor technologieverbetering, „TUFS”);

9.

de Export Credit Scheme (pre-shipment and post-shipment) (de regeling exportkrediet (voor en na verzending), „ECS”).

(21)

De regelingen 1 tot en met 5 hierboven zijn gebaseerd op de Wet buitenlandse handel (ontwikkeling en regulering) van 1992 (nr. 22 van 1992), die op 7 augustus 1992 in werking is getreden („Wet buitenlandse handel”). Deze Wet buitenlandse handel machtigt de Indiase overheid mededelingen over het in- en uitvoerbeleid te doen. Deze worden samengevat in documenten over het in- en uitvoerbeleid die het ministerie van Handel om de vijf jaar uitgeeft en die regelmatig worden bijgewerkt. Een van deze documenten is relevant voor het nieuwe onderzoektijdvak, namelijk het vijfjarenprogramma voor de periode van 1 september 2004 tot en met 31 maart 2009 („document in- en uitvoerbeleid 04-09”). Bovendien heeft de Indiase overheid de procedures voor haar in- en uitvoerbeleid 2004-2009 vastgesteld in het Handbook of Procedures — 1 September 2004 to 31 March 2009, Volume I (Handboek van procedures — 1 september 2004 tot en met 31 maart 2009, deel I, „HOP I 04-09”). Het Handboek van procedures wordt ook regelmatig bijgewerkt.

(22)

De ITES is gebaseerd op de Wet op de inkomstenbelasting van 1961, die jaarlijks bij de Wet op de financiën wordt gewijzigd.

(23)

De DDS is gebaseerd op afdeling 75 van de Douanewet 1962, afdeling 37, punt 2, onder xvi), van de Accijnswet 1944, en de afdelingen 93A en 94 van de Wet op de financiën 1994. Dit is een nieuwe regeling die nog niet eerder is onderzocht.

(24)

De TUFS is gebaseerd op een resolutie van het Indiase ministerie van Textiel, die op 31 maart 1999 is gepubliceerd in het Indiase staatsblad (Official Gazette of India Extraordinary Part I Section I). Dit is een nieuwe regeling die nog niet eerder is onderzocht.

(25)

De ECS is gebaseerd op de afdelingen 21 en 35A van de Bankwet 1949, die de Reserve Bank of India („RBI”) machtigt handelsbanken instructies over exportkrediet te geven.

(26)

Overeenkomstig artikel 11, lid 10, van de basisverordening heeft de Commissie de Indiase overheid verzocht om aanvullend overleg over gewijzigde en ongewijzigde regelingen, alsmede die welke niet eerder werden onderzocht, met het doel de feitelijke situatie betreffende de genoemde regelingen op te helderen en overeenstemming te bereiken over een oplossing. Na dit overleg, dat niet heeft geleid tot overeenstemming over een oplossing met betrekking tot deze regelingen, heeft de Commissie al deze regelingen opgenomen in het onderzoek naar subsidiëring.

3.2.   Specifieke regelingen

3.2.1.   De regeling Duty Entitlement Passbook (DEPB)

3.2.1.1.   Rechtsgrondslag

(27)

De DEPB-regeling wordt gedetailleerd beschreven in punt 4.3 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 en in hoofdstuk 4 van het HOP I 04-09.

3.2.1.2.   Subsidiabiliteit

(28)

Alle producenten/exporteurs of handelaren/exporteurs komen voor deze regeling in aanmerking.

3.2.1.3.   Praktische uitvoering

(29)

Een exporteur die aan de voorwaarden voldoet, kan DEPB-kredieten aanvragen, die worden berekend als percentage van de waarde van de in het kader van deze regeling uitgevoerde producten. De Indiase autoriteiten hebben DEPB-percentages vastgesteld voor de meeste producten, waaronder het betrokken product. Deze percentages worden bepaald op basis van standaard-input-outputnormen („SION’s”), waarbij wordt uitgegaan van een bepaalde hoeveelheid ingevoerde inputs die in het exportproduct zouden zijn verwerkt, en van de op die inputs toepasselijke douanerechten, ongeacht of deze invoerrechten daadwerkelijk zijn betaald.

(30)

Om voor de voordelen van deze regeling in aanmerking te komen, moet een onderneming exporteren. De exporteur moet op het moment van de uitvoer tegenover de Indiase autoriteiten verklaren dat de uitvoer in het kader van de DEPB plaatsvindt. Om de uitvoer van de goederen mogelijk te maken, geven de Indiase douaneautoriteiten tijdens de verzendingsprocedure een ladingsbrief voor de uitvoer af. In dat document is het voor die uitvoer toe te kennen bedrag van het DEPB-krediet vermeld, zodat de exporteur het voordeel kent dat hij zal ontvangen.

(31)

Zodra de douaneautoriteiten een ladingsbrief voor de uitvoer afgeven, heeft de Indiase overheid geen zeggenschap meer over de toekenning van een DEPB-krediet. Het DEPB-percentage dat wordt gebruikt om het voordeel te berekenen, is het percentage dat geldt op het ogenblik dat de uitvoeraangifte wordt ingediend. Tijdens het NOT vond een ongebruikelijke verhoging van de DEPB-percentages met terugwerkende kracht plaats, waarbij het DEPB-voordeel voor uitvoer in de periode van 1 april 2007 tot en met 12 juli 2008 werd verhoogd. Met het oog op het beginsel van de rechtszekerheid kan echter niet worden aangenomen dat een verlaging van de DEPB-percentages met terugwerkende kracht als negatief administratief besluit kan worden toegepast. Daarom kan worden geconcludeerd dat de Indiase overheid slechts over beperkte mogelijkheden beschikt om de hoogte van het voordeel met terugwerkende kracht te wijzigen.

(32)

De DEPB-kredieten zijn vrij overdraagbaar en zijn vanaf de toekenning twaalf maanden geldig. Zij kunnen worden gebruikt om de douanerechten te betalen bij de latere invoer van goederen waarvoor geen invoerbeperking geldt, met uitzondering van kapitaalgoederen. Tegen deze kredieten ingevoerde goederen kunnen op de binnenlandse markt worden verkocht (waar zij aan omzetbelasting zijn onderworpen) of op een andere wijze worden gebruikt.

(33)

Aanvragen om DEPB-kredieten worden langs elektronische weg ingediend en kunnen betrekking hebben op een onbeperkt bedrag aan uitvoertransacties. Er bestaan de facto geen strikte termijnen voor het aanvragen van DEPB-kredieten. Het elektronische systeem dat voor het beheer van de DEPB-regeling wordt gebruikt, sluit niet automatisch uitvoertransacties uit die buiten de in punt 4.47 van het HOP I 04-09 vermelde indieningstermijnen vallen. Bovendien kunnen, zoals in punt 9.3 van het HOP I 04-09 duidelijk is bepaald, aanvragen die na het aflopen van de indieningstermijnen worden ontvangen, steeds in aanmerking worden genomen tegen betaling van een kleine vergoeding (10 % van het recht op krediet).

(34)

Tijdens het OT van het oorspronkelijke onderzoek bedroeg het DEPB-tarief voor de uitvoer van het betrokken product 8 %, terwijl het bij het begin van het NOT slechts 3,7 % bedroeg. Dit tarief werd echter tijdens het NOT (op 12 juli 2007) opgetrokken tot 6,7 %, en wel met terugwerkende kracht voor uitvoer vanaf 1 april 2007, wat ongebruikelijk was.

3.2.1.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(35)

De Indiase overheid en Texprocil beweerden dat bij de toepassing van de DEPB-regeling geen te hoge kwijtscheldingen hebben plaatsgevonden, en zij voerden aan dat de regeling dan ook geen aanleiding kon geven tot compenserende maatregelen. Dit argument wordt verworpen in het licht van de conclusie in overweging 38 dat deze regeling niet kan worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en bijlage I, punt i), en de bijlagen II en III van de basisverordening. Bijgevolg geeft het gehele bedrag aan niet-geïnde rechten aanleiding tot compenserende maatregelen.

3.2.1.5.   Conclusie

(36)

In het kader van de DEPB-regeling worden subsidies verleend in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en artikel 2, punt 2, van de basisverordening. Een DEPB-krediet is een financiële bijdrage van de Indiase overheid, aangezien het krediet uiteindelijk zal worden gebruikt om invoerrechten te vereffenen, waardoor de Indiase overheid inkomsten uit rechten derft die haar normaliter zouden toekomen. Bovendien verkrijgt de exporteur door het DEPB-krediet een voordeel, want zijn liquiditeit wordt hierdoor verbeterd.

(37)

De DEPB-regeling is rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties en wordt daarom geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen krachtens artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening.

(38)

Deze regeling kan niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening. Zij voldoet namelijk niet aan de strikte voorwaarden van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie van en regels voor terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels voor terugbetaling voor vervangende inputs) van de basisverordening. Een exporteur is niet verplicht de goederen die vrij van rechten werden ingevoerd, daadwerkelijk in het productieproces te verbruiken, en het kredietbedrag wordt niet berekend in verhouding tot de werkelijk gebruikte inputs. Bovendien is niet voorzien in een systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs bij de vervaardiging van het uitgevoerde product zijn verbruikt, dan wel of te veel invoerrechten werden terugbetaald in de zin van bijlage I, punt i), en de bijlagen II en III van de basisverordening. Ten slotte kan een exporteur voor de DEPB-voordelen in aanmerking komen, ongeacht of hij al dan niet inputs invoert. Om het voordeel te verkrijgen, volstaat het dat een exporteur goederen uitvoert, zonder dat hij hoeft aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. Zo komen zelfs exporteurs die al hun inputs op de binnenlandse markt aankopen en die geen goederen invoeren die als inputs kunnen worden gebruikt, toch voor de DEPB-regeling in aanmerking.

3.2.1.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(39)

Overeenkomstig artikel 2, punt 2, en artikel 5 van de basisverordening werd de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies berekend in termen van het door de ontvanger daarmee verkregen voordeel waarvan het bestaan in het NOT werd vastgesteld. In dit verband wordt ervan uitgegaan dat het voordeel door de ontvanger wordt verkregen wanneer in het kader van deze regeling een uitvoertransactie plaatsvindt. Op dat ogenblik is de Indiase overheid gehouden afstand te doen van de douanerechten, wat een financiële bijdrage is in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening. Zodra de douaneautoriteiten een ladingsbrief voor de uitvoer afgeven, waarin onder meer het voor die uitvoertransactie toe te kennen bedrag van het DEPB-krediet is vermeld, heeft de Indiase overheid geen zeggenschap meer over het al of niet toekennen van de subsidie. Bovendien hebben de medewerkende producenten/exporteurs de DEPB-kredieten op transactiebasis als inkomsten geboekt op het ogenblik dat de uitvoertransactie plaatsvond.

(40)

Om rekening te houden met het effect van de verhoging van de percentages met terugwerkende kracht, werd het DEPB-krediet dat werd geboekt voor uitvoer die tussen 1 april en 12 juli 2007 plaatsvond, waar nodig verhoogd, daar het werkelijke voordeel waarop de ondernemingen bij ontvangst van het krediet van de Indiase overheid recht zullen hebben, hoger is dan dat waarop bij de uitvoer formeel aanspraak werd gemaakt.

(41)

Indien verzoeken daartoe gerechtvaardigd waren, werden de kosten die moesten worden gemaakt om de subsidie te verkrijgen, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van de basisverordening afgetrokken van de aldus vastgestelde kredieten om het als teller fungerende subsidiebedrag te bepalen. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag toegerekend aan de totale waarde van de uitvoer in het NOT als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(42)

Er werden diverse opmerkingen betreffende bepaalde elementen van de berekening van het voordeel in het kader van de DEPB-regeling ingediend. Naar aanleiding daarvan werden de berekeningen aangepast waar dit gerechtvaardigd bleek.

(43)

In tegenstelling tot wat sommige producenten/exporteurs stelden in de door hen ingediende opmerkingen, moest zelfs DEPB-krediet dat werd gegenereerd door de uitvoer van andere producten dan het betrokken product, in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het bedrag van het tot compenserende maatregelen aanleiding gevend DEPB-krediet. De DEPB-regeling bepaalt niet dat het gebruik van de kredieten moet worden beperkt tot de invoer van rechtenvrije inputs in verband met een specifiek product. Integendeel, DEPB-kredieten zijn vrij overdraagbaar, kunnen zelfs worden verkocht en worden gebruikt voor de invoer van alle goederen die zonder beperking kunnen worden ingevoerd (de inputs van het betrokken product behoren tot deze categorie), met uitzondering van kapitaalgoederen. Het betrokken product kan bijgevolg profiteren van alle gegenereerde DEPB-kredieten.

(44)

Vijf in de steekproef opgenomen ondernemingen trokken in het NOT voordeel van de DEPB-regeling, met subsidiemarges van 0,15 % tot 3,96 %.

3.2.2.   De regeling Duty Free Imports Authorisation (vergunning voor rechtenvrije invoer, DFIA)/de regeling Duty Free Replenishment Certificate (certificaat voor rechtenvrije aanvulling, DFRC)

3.2.2.1.   Rechtsgrondslag

(45)

De DFIA wordt gedetailleerd beschreven in hoofdstuk 4 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 en in hoofdstuk 4 van het HOP I 04-09. De regeling is op 1 mei 2006 ingevoerd en kwam in de plaats van de DFRC-regeling, waartegen bij de oorspronkelijke verordening compenserende maatregelen zijn ingesteld.

3.2.2.2.   Subsidiabiliteit

(46)

De DFIA wordt afgegeven aan handelaren/exporteurs of producenten/exporteurs voor de invoer — vrij van basisdouanerechten, aanvullende douanerechten, onderwijsbelasting, antidumpingrecht en vrijwaringsrecht, in voorkomend geval — van inputs die bij de vervaardiging van goederen voor uitvoer worden gebruikt.

3.2.2.3.   Praktische uitvoering

(47)

De DFIA is een post- en pre-exportregeling die de invoer mogelijk maakt van goederen die volgens SION-normen zijn vastgesteld, maar die, in het geval van overdraagbare DFIA-vergunningen, niet noodzakelijk bij de vervaardiging van het uitgevoerde product hoeven te worden gebruikt.

(48)

De DFIA heeft alleen betrekking op de invoer van inputs zoals bepaald in de SION. Het recht op rechtenvrije invoer is beperkt tot de in de SION vermelde hoeveelheid en waarde, maar kan op verzoek door de regionale autoriteiten worden herzien.

(49)

Voor de uitvoerverplichting geldt dat minimaal 20 % waarde moet worden toegevoegd. De uitvoer kan vóór de afgifte van een DFIA-vergunning plaatsvinden, in welk geval het recht op rechtenvrije invoer wordt vastgesteld in verhouding tot de voorlopige uitvoer.

(50)

Zodra aan de uitvoerverplichting is voldaan, kan de exporteur verzoeken om overdraagbaarheid van de DFIA-vergunning, wat in de praktijk neerkomt op de toestemming om de licentie voor rechtenvrije invoer op de markt te verkopen.

3.2.2.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(51)

De Indiase overheid en Texprocil beweerden dat de DFRC een rechtmatige terugbetalingsregeling voor vervangende inputs is, daar de regeling voorziet in de aanvulling van inputs die in het uitgevoerde product worden gebruikt, en dat werd aangenomen dat deze regeling redelijk is, aan het gestelde doel beantwoordt en gebaseerd is op in India algemeen aanvaarde handelspraktijken. Omdat de hoeveelheid, de kwaliteit en de technische kenmerken en specificaties overeenstemmen met die van de in het exportproduct gebruikte inputs, zou de regeling naar het oordeel van de Indiase overheid en Texprocil toelaatbaar zijn op grond van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. De Indiase overheid en Texprocil voerden ook aan dat het bij de beoordeling van de vraag of het om een rechtmatige terugbetalingsregeling voor vervangende inputs gaat, zaak is na te gaan wat wordt ingevoerd en niet wie invoert. Voorts werd betoogd dat wat de overheid betreft geen extra voordeel wordt toegekend. Er werd aangevoerd dat de regeling dan ook geen aanleiding gaf tot compenserende maatregelen. Er werd geen nieuw bewijsmateriaal tot staving van deze argumenten verstrekt, zodat deze werden verworpen in het licht van de bevindingen van de overwegingen 52 tot en met 55, volgens welke geen van de subregelingen kan worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en bijlage I, punt i), en de bijlagen II en III van de basisverordening. Bijgevolg geeft het gehele bedrag van het voordeel aanleiding tot compenserende maatregelen.

3.2.2.5.   Conclusie

(52)

Hoewel er bij de toepassing van de nieuwe DFIA-regeling verschillen zijn ten opzichte van de DFRC-regeling waartegen eerder compenserende maatregelen zijn ingesteld, moet de nieuwe DFIA worden beschouwd als voortzetting van de DFRC-regeling omdat de belangrijkste elementen van de DFRC worden overgenomen.

(53)

Zowel de DFRC als de DFIA zijn subsidies in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) i) en ii), en artikel 2, lid 2, van de basisverordening, d.w.z. een financiële bijdrage in de vorm van een schenking. Zij houden een rechtstreekse overdracht van middelen in omdat zij kunnen worden verkocht en in contanten omgezet, of kunnen worden gebruikt voor de vereffening van invoerrechten, waardoor de Indiase overheid afstand doet van inkomsten die haar normaliter toekomen. Bovendien trekt de exporteur voordeel uit de DFRC en de DFIA, want zijn liquiditeit wordt hierdoor verbeterd.

(54)

Zowel de DFRC als de DFIA zijn rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties en worden daarom geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen krachtens artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening.

(55)

Voorts kan geen van beide regelingen worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening. Zij voldoen namelijk niet aan de strikte voorwaarden van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie van en regels voor terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels voor terugbetaling voor vervangende inputs) van de basisverordening. Met name moet op de volgende punten worden gewezen: i) de regelingen maken het mogelijk dat invoerheffingen op inputs die in het productieproces van een ander product worden verbruikt, achteraf worden terugbetaald of kwijtgescholden; ii) er is geen verificatieregeling of -procedure met behulp waarvan kan worden nagegaan of er bij de vervaardiging van het uitgevoerde product inputs zijn gebruikt en welke, en of een te groot voordeel is toegekend in de zin van bijlage I, punt i), en de bijlagen II en III van de basisverordening; en iii) de overdraagbaarheid van certificaten/vergunningen houdt in dat een exporteur aan wie een DFRC of DFIA is toegekend, niet verplicht is het certificaat daadwerkelijk te gebruiken om de inputs in te voeren.

3.2.2.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(56)

Voor het vaststellen van het voordeel is ervan uitgegaan dat de DFRC- en DFIA-licenties, in tegenstelling tot wat in de DEPB-regeling het geval is, geen notionele waarde of krediettarieven hebben. In de licentie wordt de totale hoeveelheid inputs vermeld die mag worden ingevoerd, alsmede de maximale totale cif-waarde van die invoer. Bijgevolg is het voordeel niet bekend op het ogenblik dat de uitvoer plaatsvindt, en kan het pas worden vastgesteld en in de boekhouding opgenomen wanneer de licentie wordt gebruikt voor invoer of wordt verkocht.

(57)

Daarom werd, in de gevallen waarin de licenties werden gebruikt voor invoer, het voordeel voor de ondernemingen berekend op basis van het bedrag van de niet-geïnde invoerrechten. In de gevallen waarin de licenties werden overgedragen (verkocht), werd het voordeel berekend op basis van de inkomsten uit die verkoop in het NOT.

(58)

Uit het onderzoek is gebleken dat vijf ondernemingen die in het kader van de DFRC- en/of de DFIA-regeling exporteren, hun vergunningen/certificaten aan derden verkochten.

(59)

Eén producent/exporteur voerde aan dat hij één van zijn DFIA-vergunningen had gebruikt voor de terugbetaling voor vervangende inputs en dat hij in het kader van die specifieke licentie geen te hoge kwijtschelding van invoerrechten had verkregen. Uit het onderzoek is gebleken dat de invoer- en uitvoerhoeveelheden voor die specifieke licentie niet volledig zijn gebruikt en dat de licentie nog niet werd afgesloten en gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften van het document in- en uitvoerbeleid. Daarom werd, mede rekening houdend met de bevindingen in overweging 55, geconcludeerd dat de onderneming niet kon aantonen dat in het kader van die specifieke licentie geen te hoge kwijtschelding werd verkregen. Het hele bedrag aan rechten dat werd bespaard op de invoer die in het kader van die licentie plaatsvond, wordt dan ook als subsidie beschouwd, en daarom werd het argument afgewezen.

(60)

Indien verzoeken daartoe gerechtvaardigd waren, werden de kosten die moesten worden gemaakt om de subsidie te verkrijgen, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van de basisverordening afgetrokken van de aldus vastgestelde voordelen om het als teller fungerende subsidiebedrag te bepalen. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag toegerekend aan de totale waarde van de uitvoer in het NOT als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(61)

Er werden diverse opmerkingen betreffende bepaalde elementen van de berekening van het voordeel in het kader van de DFRC/DFIA-regeling ingediend. Naar aanleiding daarvan werden de berekeningen aangepast waar dit gerechtvaardigd bleek.

(62)

In tegenstelling tot wat sommige producenten/exporteurs stelden in de door hen ingediende opmerkingen, moest zelfs DFRC/DFIA-krediet dat werd gegenereerd door de uitvoer van andere producten dan het betrokken product, in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het bedrag van het tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel. De DFRC/DFIA-regeling bepaalt niet dat het gebruik van de kredieten moet worden beperkt tot de invoer van rechtenvrije inputs in verband met een specifiek product. Integendeel, DFRC/DFIA-kredieten zijn vrij overdraagbaar, kunnen zelfs worden verkocht en worden gebruikt voor de invoer van alle goederen die zonder beperking kunnen worden ingevoerd (de inputs van het betrokken product behoren tot deze categorie), met uitzondering van kapitaalgoederen. Het betrokken product kan bijgevolg profiteren van al het DFRC/DFIA-voordeel dat wordt gegenereerd.

(63)

Vier in de steekproef opgenomen ondernemingen bleken in het NOT voordeel te trekken van deze regelingen, met subsidiemarges van 0,09 % tot 2,03 %.

3.2.3.   De regeling Export Promotion Capital Goods (kapitaalgoederen voor exportbevordering, EPCG)

3.2.3.1.   Rechtsgrondslag

(64)

De EPCG-regeling wordt gedetailleerd beschreven in hoofdstuk 5 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 en in hoofdstuk 5 van het HOP I 04-09.

3.2.3.2.   Subsidiabiliteit

(65)

Voor deze regeling komen producenten/exporteurs, handelaren/exporteurs die banden hebben met ondersteunende producenten, en dienstverleners in aanmerking.

3.2.3.3.   Praktische uitvoering

(66)

Mits aan een uitvoerverplichting wordt voldaan, geeft de Indiase overheid op aanvraag en tegen betaling van een vergoeding een EPCG-licentie af. Aan de hand van deze licentie kan een onderneming kapitaalgoederen (nieuwe en — sedert april 2003 — tweedehandse kapitaalgoederen die niet ouder zijn dan tien jaar) tegen lagere rechten invoeren. Tot 31 maart 2000 gold een recht van 11 % (inclusief 10 % surtaks) en voor goederen met een hoge waarde een nulrecht. Sinds april 2000 voorzag de regeling in een verlaagd invoerrecht van 5 % voor alle kapitaalgoederen die in het kader van de regeling werden ingevoerd. Om de uitvoerverplichting na te komen, moeten de ingevoerde kapitaalgoederen worden gebruikt om in een bepaalde periode een bepaalde hoeveelheid exportgoederen te vervaardigen. Op 9 mei 2008, d.w.z. buiten het NOT, maakte de Indiase overheid bekend dat het op invoer in het kader van de EPCG verschuldigde recht tot 3 % werd verlaagd.

(67)

De houder van een EPCG-licentie mag de kapitaalgoederen ook op de binnenlandse markt aankopen. In dat geval doet de houder van de EPCG-licentie een aanvraag tot ongeldigverklaring van zijn licentie. De in de brief van ongeldigverklaring vermelde binnenlandse fabrikant van kapitaalgoederen komt aldus in aanmerking voor het voordeel van met uitvoer gelijkgestelde verkoop en heeft recht op het voordeel van de rechtenvrije invoer van onderdelen die nodig zijn voor de vervaardiging van die kapitaalgoederen. De door de houder van de EPCG-licentie verschuldigde accijnzen op een binnenlandse aankoop van kapitaalgoederen kunnen echter worden terugbetaald of er kan vrijstelling voor worden verleend. Voor de houder van de EPCG-licentie blijft de uitvoerverplichting gelden; deze wordt vastgesteld op basis van de notionele douanerechten die op de fob-waarde van de importgoederen werden bespaard.

3.2.3.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(68)

De Indiase overheid voerde aan dat geen voordeel werd verkregen in de gevallen waarin de EPCG-licentiehouder verzocht om ongeldigverklaring van zijn EPCG-licentie en de kapitaalgoederen op de binnenlandse markt aankocht, aangezien geen overeenkomstig overheidsvoorschrift werd uitgevaardigd waarbij voor dergelijke aankopen vrijstelling van betaling van accijnzen werd verleend. De Indiase overheid bevestigde echter ook dat de EPCG-licentiehouder in bepaalde omstandigheden kapitaalgoederen kon aankopen zonder accijnsrechten te betalen, namelijk in de gevallen waarin deze accijnzen niet werden kwijtgescholden op grond van het Indiase kredietsysteem van de centrale belasting over de toegevoegde waarde (CENVAT). Bovendien komt de binnenlandse leverancier van kapitaalgoederen in zulke gevallen in aanmerking voor fiscale voordelen, die in de prijs van de geleverde kapitaalgoederen worden doorberekend. Omdat dit een voordeel is dat kan worden verkregen op voorwaarde dat uitvoer plaatsvindt — de ongeldigverklaring van de licentie verandert immers niets aan de uitvoerverplichting van de EPCG-licentiehouder — is aangenomen dat het argument moet worden verworpen, zodat de bevindingen ongewijzigd blijven.

3.2.3.5.   Conclusie

(69)

In het kader van de EPCG-regeling worden subsidies verleend in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en artikel 2, punt 2, van de basisverordening. De rechtenverlaging of, bij aankoop op de binnenlandse markt, de terugbetaling of vrijstelling van belastingen vormen een financiële bijdrage van de Indiase overheid, aangezien deze daardoor inkomsten derft die haar normaliter zouden toekomen.

(70)

Bovendien verkrijgt de exporteur door deze rechtenverlaging een voordeel omdat zijn liquiditeit door het niet betalen van invoerrechten verbetert. Bij terugbetaling/vrijstelling van accijnzen verkrijgt de exporteur een voordeel omdat zijn liquiditeit door het niet betalen van de rechten op de aankoop van de kapitaalgoederen verbetert.

(71)

Bovendien is de EPCG-regeling rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties, daar in het kader van deze regeling geen licenties kunnen worden verkregen zonder uitvoerverplichting. Daarom wordt deze regeling geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening.

(72)

Deze regeling kan niet worden beschouwd als een toelaatbare regeling voor de kwijtschelding van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen of een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening. Kapitaalgoederen vallen niet onder deze toelaatbare regelingen zoals bepaald in bijlage I, punten h) en i), van de basisverordening, omdat zij niet worden verbruikt bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten. Met betrekking tot de kwijtschelding van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen zij erop gewezen dat de exporteurs geen recht op dezelfde kwijtschelding zouden hebben indien zij geen uitvoerverplichting zouden hebben.

3.2.3.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(73)

Het subsidiebedrag werd overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de basisverordening berekend door de niet-betaalde douanerechten op ingevoerde kapitaalgoederen of de niet-betaalde/terugbetaalde accijnzen op op de binnenlandse markt aangekochte goederen, naargelang van het geval, te spreiden over een periode die overeenstemt met de normale afschrijvingstermijn voor die kapitaalgoederen. Overeenkomstig de vaste praktijk werd het aldus berekende, aan het NOT toe te rekenen bedrag door toevoeging van de rente over het NOT gecorrigeerd om het volledige voordeel over die periode vast te stellen. Het commerciële rentetarief dat in het NOT in India van toepassing was, werd hiervoor adequaat geacht. De kosten die moesten worden gemaakt om de subsidie te verkrijgen, werden overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van de basisverordening van dit bedrag afgetrokken, waarna het resulterende bedrag als teller diende. Overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag toegerekend aan de waarde van de uitvoer in het NOT als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(74)

Er werden diverse opmerkingen betreffende bepaalde elementen van de berekening van het voordeel in het kader van de EPCG-regeling ingediend. Naar aanleiding daarvan werden de berekeningen aangepast waar dit gerechtvaardigd bleek.

(75)

In tegenstelling tot wat sommige producenten/exporteurs stelden in de door hen ingediende opmerkingen, moest zelfs het EPCG-voordeel dat werd gegenereerd door de uitvoer van andere producten dan het betrokken product, in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het bedrag van het tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel. De EPCG-regeling bepaalt niet dat het gebruik van het voordeel moet worden beperkt tot de invoer van rechtenvrije inputs in verband met een specifiek product. Het betrokken product kan bijgevolg profiteren van al het EPCG-voordeel dat wordt gegenereerd.

(76)

Vier in de steekproef opgenomen ondernemingen trokken in het NOT voordeel van deze regeling, met subsidiemarges van maximaal 1,45 %, terwijl voor één onderneming het voordeel te verwaarlozen bleek.

3.2.4.   De Advance Licence Scheme (regeling voor voorafgaande licenties, ALS)/de Advance Authorisation Scheme (regeling voor voorafgaande vergunningen, AAS)

3.2.4.1.   Rechtsgrondslag

(77)

De regeling wordt gedetailleerd beschreven in de punten 4.1.1 tot en met 4.1.14 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 en de punten 4.1 tot en met 4.30 van het HOP I 04-09. Deze regeling werd tijdens het vorige nieuwe onderzoek, dat heeft geleid tot het instellen van het momenteel geldende definitieve compenserende recht, „Regeling voorafgaande vergunningen” (Advance Licence Scheme) genoemd.

3.2.4.2.   Subsidiabiliteit

(78)

De AAS bestaat uit zes subregelingen, die in overweging 79 nader worden beschreven. Deze subregelingen verschillen onder meer wat de voorwaarden betreft om ervoor in aanmerking te komen. Producenten/exporteurs en handelaren/exporteurs die banden hebben met ondersteunende producenten, komen in aanmerking voor de AAS voor fysieke uitvoer en voor de AAS voor jaarlijkse behoeften. Producenten/exporteurs die optreden als leverancier van de uiteindelijke exporteur komen in aanmerking voor de AAS voor toeleveranciers. Toeleveranciers van in punt 8.2 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 vermelde categorieën „met uitvoer gelijkgestelde verkoop”, zoals toeleveranciers van exportgerichte ondernemingen, komen in aanmerking voor de AAS voor met uitvoer gelijkgestelde verkoop. Ten slotte komen toeleveranciers van producenten/exporteurs in aanmerking voor de voordelen van „met uitvoer gelijkgestelde verkoop” in het kader van de subregelingen Advance Release Order („ARO”) en „back to back inland letter of credit”.

3.2.4.3.   Praktische uitvoering

(79)

Voorafgaande vergunningen kunnen worden verstrekt voor:

 

fysieke uitvoer: dit is de belangrijkste subregeling. In het kader van deze subregeling mogen inputs voor de vervaardiging van een bepaald exportproduct vrij van rechten worden ingevoerd. „Fysieke uitvoer” betekent in deze context dat het exportproduct het Indiase grondgebied moet verlaten. In de licentie is vermeld welke producten kunnen worden ingevoerd, hoeveel moet worden uitgevoerd en om welk exportproduct het gaat;

 

jaarlijkse behoefte: een dergelijke vergunning houdt geen verband met een bepaald exportproduct, maar met een ruimere groep exportproducten (bijvoorbeeld chemische en aanverwante producten). De licentiehouder mag — tot een zekere maximumwaarde die wordt bepaald door zijn uitvoer in het verleden — alle soorten input die bij de vervaardiging van een tot de groep behorend exportproduct worden gebruikt, rechtenvrij invoeren. Hij mag naar believen elk product dat onder de productgroep valt en waarin dergelijk rechtenvrij materiaal is verwerkt, uitvoeren;

 

toeleveranciers: deze subregeling geldt wanneer twee producenten voornemens zijn één exportproduct te vervaardigen en het productieproces dus wordt opgesplitst. De producent/exporteur vervaardigt het halffabricaat. Hij mag inputs vrij van rechten invoeren en kan daarvoor een voorafgaande vergunning voor toeleveranciers krijgen. De uiteindelijke exporteur werkt het product af en is verplicht het eindproduct uit te voeren;

 

met uitvoer gelijkgestelde verkoop: In het kader van deze subregeling kan een toeleverancier vrij van rechten inputs invoeren die hij nodig heeft voor de vervaardiging van goederen die hij zal verkopen als „met uitvoer gelijkgestelde verkoop” aan categorieën afnemers die vermeld zijn in punt 8.2, onder b) tot en met f), g), i) en j), van het document in- en uitvoerbeleid 04-09. Volgens de Indiase overheid gaat het bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop om transacties waarbij de geleverde goederen het land niet verlaten. Enkele categorieën leveringen worden als met uitvoer gelijkgestelde verkoop beschouwd op voorwaarde dat de goederen in India zijn vervaardigd; dit geldt bijvoorbeeld voor de levering van goederen aan een exportgerichte onderneming of aan een onderneming die zich in een bijzondere economische zone bevindt;

 

ARO: De houder van de voorafgaande vergunning die voornemens is inputs in het binnenland aan te kopen in plaats van deze rechtstreeks in te voeren, kan hierbij gebruikmaken van ARO’s. In dat geval worden de voorafgaande vergunningen beschouwd als ARO’s voor de binnenlandse leverancier bij levering van de daarin vermelde goederen. Dit geeft de binnenlandse leverancier recht op de voordelen van met uitvoer gelijkgestelde verkoop overeenkomstig punt 8.3 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 (d.w.z. de voorafgaande vergunning voor toeleveranciers/met uitvoer gelijkgestelde verkoop, terugbetaling van rechten bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop en terugbetaling van accijnzen). Bij toepassing van de ARO-regeling worden belastingen en rechten terugbetaald aan de toeleverancier in plaats van aan de uiteindelijke exporteur. De terugbetaling van belastingen/rechten is mogelijk voor zowel binnenlandse als ingevoerde inputs;

 

back to back inland letter of credit: deze subregeling heeft ook betrekking op binnenlandse leveringen aan de houder van een voorafgaande vergunning. Deze kan bij een bank een binnenlands documentair krediet openen ten gunste van een binnenlandse leverancier. De bank boekt op de vergunning de rechtstreekse invoer af, maar slechts voor de waarde en de hoeveelheid goederen die in het binnenland worden aangekocht in plaats van te worden ingevoerd. De binnenlandse leverancier heeft recht op de voordelen van met uitvoer gelijkgestelde verkoop overeenkomstig punt 8.3 van het document in- en uitvoerbeleid 04-09 (d.w.z. de voorafgaande vergunning toeleveranciers/met uitvoer gelijkgestelde verkoop, terugbetaling van rechten bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop en terugbetaling van accijnzen).

(80)

Gebleken is dat twee medewerkende exporteurs tijdens het NOT van twee van de bovenvermelde subregelingen voordeel hebben getrokken dat verband hield met het betrokken product, namelijk i) ALS/AAS voor fysieke uitvoer en ii) ALS voor toeleveranciers. Daarom hoefde niet te worden nagegaan of de overige subregelingen tot compenserende maatregelen aanleiding konden geven.

(81)

Na het instellen van het momenteel geldende definitieve compenserende recht heeft de Indiase overheid de verificatieregeling voor ALS/AAS gewijzigd. Om controle door de Indiase autoriteiten mogelijk te maken, is de houder van een voorafgaande vergunning wettelijk verplicht een waarheidsgetrouwe boekhouding in een bepaalde vorm te voeren waaruit het verbruik en het gebruik van de rechtenvrij ingevoerde/op de binnenlandse markt aangekochte goederen blijken (punten 4.26 en 4.30 en aanhangsel 23 van het HOP I 04-09); hij moet met andere woorden een verbruiksregister bijhouden. Dit register moet worden gecontroleerd door een externe registeraccountant die een verklaring moet afgeven dat de voorgeschreven registers en de desbetreffende aantekeningen zijn onderzocht en dat de op grond van aanhangsel 23 verstrekte informatie in alle opzichten met de werkelijkheid overeenstemt. Deze bepalingen zijn echter slechts van toepassing op voorafgaande vergunningen die op of na 13 mei 2005 zijn afgegeven. Voor alle voorafgaande vergunningen of voorafgaande licenties die vóór die datum zijn afgegeven, gelden de vroegere controlevoorschriften, d.w.z. dat de houders een waarheidsgetrouwe boekhouding moeten voeren van het onder de licenties vallende verbruik en gebruik van ingevoerde goederen in de vorm die is voorgeschreven in aanhangsel 18 (punt 4.30 en aanhangsel 18 van het HOP I 02-07).

(82)

Wat de subregelingen betreft die in het NOT door de twee in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs zijn gebruikt, namelijk die voor fysieke uitvoer en die voor toeleveringen, heeft de Indiase overheid bepaald hoeveel en voor welke waarde goederen mogen worden ingevoerd en moeten worden uitgevoerd en dit is in de licenties vermeld. Bovendien moeten de transacties op het moment van in- of uitvoer door overheidsambtenaren in de licentie worden genoteerd. Voor de hoeveelheden die in het kader van deze regeling mogen worden ingevoerd, baseert de Indiase overheid zich op standaard-input-outputnormen („SION’s”). SION’s zijn vastgesteld voor de meeste producten, inclusief het betrokken product, en zijn gepubliceerd in het HOP II 04-09.

(83)

Ingevoerde inputs zijn niet overdraagbaar en moeten voor de vervaardiging van het exportproduct worden gebruikt. De uitvoer moet plaatsvinden binnen een bepaalde termijn na de afgifte van de licentie (24 maanden met twee eventuele verlengingen van telkens zes maanden).

3.2.4.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(84)

De Indiase overheid beweerde dat het voor de regeling beschikte over een behoorlijke verificatieregeling overeenkomstig aanhangsel 23 van het HOP I 04-09 en dat bij de toepassing van de ALS/AAS-regeling geen te hoge kwijtscheldingen hebben plaatsgevonden. Er werd aangevoerd dat de regeling dan ook geen aanleiding gaf tot compenserende maatregelen. Er werd geen nieuw bewijsmateriaal tot staving van deze beweringen verstrekt, zodat dit argument werd verworpen in het licht van de bevinding dat geen van de subregelingen kan worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en de bijlagen II en III van de basisverordening, daar er geen behoorlijke verificatieregeling was.

(85)

Bovendien beschikt het land van uitvoer, indien is vastgesteld dat er geen behoorlijke verificatieregeling is, overeenkomstig bijlage II, punt II.5, en bijlage III, punt II.3, over de mogelijkheid om dit te verhelpen door een verder onderzoek in te stellen om na te gaan of te veel is betaald. Daar geen dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden voordat ter plaatse controles werden uitgevoerd, en niet werd aangetoond dat geen te hoge bedragen werden ontvangen, worden de argumenten verworpen.

3.2.4.5.   Conclusie

(86)

De vrijstelling van invoerrechten is een subsidie in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en artikel 2, punt 2, van de basisverordening, d.w.z. een financiële bijdrage van de Indiase overheid waardoor de exporteurs een voordeel hebben verkregen.

(87)

Bovendien zijn ALS/AAS voor fysieke uitvoer en ALS voor toeleveranciers rechtens duidelijk afhankelijk van uitvoerprestaties en daarom worden zij geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen krachtens artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening. Een onderneming kan niet van deze regelingen gebruikmaken zonder zich tot uitvoer te verplichten.

(88)

Geen van de twee subregelingen waarvan in dit geval gebruik werd gemaakt, ALS/AAS voor fysieke uitvoer en ALS voor toeleveranciers, kan worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening. Zij voldoen namelijk niet aan de strikte voorwaarden van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie van en regels voor terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels voor terugbetaling voor vervangende inputs) van de basisverordening.

(89)

Met betrekking tot de producent/exporteur die van de AAS-regeling gebruik heeft gemaakt, is uit het onderzoek gebleken dat de nieuwe controlevoorschriften van de Indiase autoriteiten nog niet in de praktijk waren uitgetest daar de licenties op het moment van de controle nog niet waren afgesloten, en dat zij bijgevolg niet werden gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften van het document in- en uitvoerbeleid. Die onderneming kon dan ook niet aantonen dat in het kader van die specifieke licentie geen te hoge kwijtschelding werd verkregen. Het gehele bedrag van de rechten die op de invoer in het kader van die licentie zijn bespaard, wordt bijgevolg als subsidie beschouwd.

(90)

De Indiase overheid heeft haar verificatieregeling of -procedure niet daadwerkelijk toegepast om na te gaan of, en in welke mate, de inputs bij de vervaardiging van het exportproduct zijn verbruikt (bijlage II, punt II.4, van de basisverordening en, in het geval van terugbetalingsregelingen voor vervangende inputs, bijlage III, punt II.2, van de basisverordening). De SION’s zelf kunnen niet als verificatieregeling voor het werkelijke verbruik worden beschouwd, aangezien rechtenvrije inputs die in het kader van vergunningen/licenties met uiteenlopende SION-opbrengsten worden ingevoerd, in hetzelfde productieproces voor een exportproduct worden gemengd. Met een dergelijke methode kan de Indiase overheid niet met voldoende nauwkeurigheid controleren welke hoeveelheden inputs bij de vervaardiging van het exportproduct werden verbruikt en volgens welke SION-benchmark zij moeten worden vergeleken.

(91)

Bovendien heeft een daadwerkelijke controle door de Indiase overheid aan de hand van een correct gevoerd verbruiksregister ofwel niet plaatsgevonden, ofwel is deze nog niet afgerond. Voorts verrichtte de Indiase overheid ook geen verder onderzoek naar de werkelijk verbruikte inputs, hoewel dit normaliter vereist is als er geen verificatieregeling daadwerkelijk wordt toegepast (bijlage II, punt II.5, en bijlage III, punt II.3, van de basisverordening).

(92)

Deze twee subregelingen geven derhalve aanleiding tot compenserende maatregelen.

3.2.4.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(93)

Daar het geen toegestane terugbetalingsregelingen voor inputs of vervangende inputs betreft, bestaat het voordeel dat aanleiding geeft tot compenserende maatregelen, uit het totale bedrag aan invoerrechten waarvoor kwijtschelding werd verleend en dat normaliter bij invoer van de inputs verschuldigd zou zijn geweest. In dit verband zij opgemerkt dat de basisverordening niet alleen voorziet in compenserende maatregelen voor een „teveel” aan kwijtgescholden rechten. Overeenkomstig artikel 2, punt 1, onder a) ii), en bijlage I, punt i), van de basisverordening kan alleen een teveel aan kwijtgescholden rechten aanleiding geven tot compenserende maatregelen, mits aan de voorwaarden van de bijlagen II en III van de basisverordening is voldaan. Aan deze voorwaarden is in onderhavig geval echter niet voldaan. Dit betekent dat, indien wordt vastgesteld dat er geen adequaat controlesysteem bestaat, de bovenstaande uitzondering inzake terugbetalingsregelingen niet van toepassing is en de normale regel geldt waarbij het bedrag aan niet-betaalde rechten (gederfde inkomsten) tot compenserende maatregelen aanleiding geeft, en niet alleen het beweerde teveel aan kwijtgescholden rechten. Volgens bijlage II, punt II, en bijlage III, punt II, van de basisverordening is het niet de taak van de onderzoekende autoriteit dit teveel aan kwijtgescholden rechten te berekenen. Integendeel, overeenkomstig artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening dient deze autoriteit alleen voldoende bewijsmateriaal te verzamelen om de geschiktheid van een beweerde verificatieregeling te weerleggen.

(94)

Het subsidiebedrag werd berekend op basis van de niet-geïnde invoerrechten (basisdouanerecht en bijzonder aanvullend douanerecht) op het materiaal dat in het NOT is ingevoerd in het kader van de twee subregelingen die voor het betrokken product zijn gebruikt. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van de basisverordening werden kosten die ter verkrijging van de subsidie moesten worden gemaakt, van dit bedrag afgetrokken indien verzoeken daartoe gerechtvaardigd waren. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd het aldus verkregen subsidiebedrag toegerekend aan de waarde van de uitvoer van het betrokken product in het NOT als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(95)

Er werden diverse opmerkingen betreffende bepaalde elementen van de berekening van het voordeel in het kader van de ALS/AAS-regeling ingediend. Wanneer deze opmerkingen gerechtvaardigd bleken, werden de berekeningen dienovereenkomstig aangepast.

(96)

In tegenstelling tot wat sommige producenten/exporteurs stelden in de door hen ingediende opmerkingen, moest zelfs het ALS/AAS-voordeel dat werd gegenereerd door de uitvoer van andere producten dan het betrokken product, in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het bedrag van het tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel. De ALS/AAS-regeling bepaalt niet dat het gebruik van het voordeel moet worden beperkt tot de invoer van rechtenvrije inputs in verband met een specifiek product. Het betrokken product kan bijgevolg profiteren van al het ALS/AAS-voordeel dat wordt gegenereerd.

(97)

Twee in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben uit de ALS- of de AAS-regeling een voordeel verkregen gaande van 0,17 % tot 1,74 %.

3.2.5.   Exportverwerkende zones/exportgerichte ondernemingen (EPZ’s/EOU’s)

(98)

Geen van de medewerkende producenten/exporteurs bleek gevestigd te zijn in een bijzondere economische zone of in een EPZ of had de status van EOU. Daarom werd het voor dit onderzoek niet nodig geacht deze regeling verder te onderzoeken.

3.2.6.   De Income Tax Exemptions Scheme (regeling voor vrijstelling van inkomstenbelasting, ITES)

(99)

In het kader van deze regeling komen exporteurs in aanmerking voor een gedeeltelijke vrijstelling van inkomstenbelasting op door uitvoer verkregen winst. De rechtsgrondslag voor deze vrijstelling is afdeling 80HHC van de Wet op de inkomstenbelasting.

(100)

Deze bepaling van de genoemde wet werd met ingang van het aangiftejaar 2005-2006 ingetrokken (d.w.z. met ingang van het boekjaar van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005), zodat na 31 maart 2004 geen voordeel meer is verkregen uit afdeling 80HHC van die wet. Geen van de medewerkende producenten/exporteurs heeft in het NOT voordeel uit deze regeling verkregen. Daarom werd het voor dit onderzoek niet nodig geacht deze regeling verder te onderzoeken.

3.2.7.   De Duty Drawback Scheme (regeling voor de terugbetaling van rechten, DDS)

3.2.7.1.   Rechtsgrondslag

(101)

Deze regeling is gebaseerd op afdeling 75 van de Douanewet 1962, afdeling 37, punt 2, onder xvi), van de Accijnswet 1944, en de afdelingen 93A en 94 van de Wet op de financiën 1994.

3.2.7.2.   Subsidiabiliteit

(102)

Alle exporteurs komen voor deze regeling in aanmerking.

3.2.7.3.   Praktische uitvoering

(103)

Er zijn twee typen tarieven voor de terugbetaling van rechten door de Indiase overheid: tarieven voor „alle ondernemingen”, die op forfaitaire basis voor alle exporteurs van een bepaald product worden toegepast, en „merkspecifieke” tarieven, die per onderneming worden toegepast voor producten die niet onder de tarieven voor „alle ondernemingen” vallen. Voor het betrokken product is het eerste type („alle ondernemingen”) relevant.

(104)

De terugbetalingstarieven voor alle ondernemingen worden berekend als percentage van de waarde van de in het kader van deze regeling uitgevoerde producten. De Indiase autoriteiten hebben voor diverse producten, waaronder het betrokken product, terugbetalingstarieven voor alle ondernemingen vastgesteld. Deze tarieven worden bepaald op basis van vermoedelijke indirecte belastingen en invoerheffingen op goederen en diensten die in het productieproces van het exportproduct worden gebruikt (invoerrechten, accijnzen, belasting op dienstverlening enz.), met inbegrip van vermoedelijke indirecte belastingen en invoerheffingen op goederen en diensten voor de vervaardiging van de inputs, ongeacht of deze belastingen al dan niet werkelijk zijn betaald. Voor het bepalen van het bedrag aan terug te betalen rechten geldt een maximumwaarde van het exportproduct per eenheid. Indien de onderneming een deel van deze rechten kan terugvorderen van het Cenvat-systeem, is het terugbetalingstarief lager.

(105)

De tarieven voor de terugbetaling van rechten op het betrokken product zijn in het NOT meermaals herzien. Tot 1 april 2007 golden tarieven van 6,4 à 6,9 %, naargelang van het producttype, en tot 1 september 2007 tarieven van 9,1 à 9,8 %. Op 13 december 2007, d.w.z. na afloop van het NOT, werden de terugbetalingstarieven verhoogd tot 10,1 % à 10,3 %, en dit met terugwerkende kracht voor invoer vanaf 1 september 2007, d.w.z. binnen het NOT.

(106)

Om voor de voordelen van deze regeling in aanmerking te komen, moet een onderneming exporteren. Op het moment van de uitvoer moet de exporteur bij de Indiase autoriteiten een verklaring indienen dat de uitvoer plaatsvindt in het kader van de DDS-regeling. Om de uitvoer van de goederen mogelijk te maken, geven de Indiase douaneautoriteiten tijdens de verzendingsprocedure een ladingsbrief voor de uitvoer af. In dat document is onder andere het voor die uitvoertransactie toe te kennen bedrag aan terug te betalen rechten vermeld. De exporteur weet dan welk voordeel hij zal ontvangen en neemt het als te innen bedrag op in de boekhouding. Zodra de douaneautoriteiten een ladingsbrief voor de uitvoer afgeven, heeft de Indiase overheid geen zeggenschap meer over de toekenning van DDS-voordelen. Het DDS-tarief voor de berekening van het voordeel is over het algemeen het tarief dat geldt op het ogenblik waarop de uitvoeraangifte wordt ingediend. In het NOT werden de terugbetalingstarieven met terugwerkende kracht verhoogd, en daarmee werd bij de berekening van het subsidiebedrag rekening gehouden.

3.2.7.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(107)

Diverse partijen voerden aan dat de DDS-regeling niet tot compenserende maatregelen aanleiding kon geven omdat zij niet specifiek werd vermeld in de antisubsidievragenlijsten die bij het begin van het onderzoek werden toegezonden. Dit argument wordt om de volgende redenen verworpen. Het doel van dit nieuwe onderzoek is volgens het bericht van opening de „mate van subsidiëring” waardoor de producenten/exporteurs van het betrokken product voordeel hebben verkregen, d.w.z. dat het alle subsidieregelingen omvat waarmee de Indiase overheid werkt.

(108)

Er werd aangevoerd dat de DDS-regeling niet afhankelijk was van uitvoerprestaties omdat het uit deze regeling verkregen voordeel niet gerelateerd was aan de door de exporteurs uitgevoerde hoeveelheid. Dit argument wordt verworpen omdat alleen aanspraak op het DDS-voordeel kan worden gemaakt als de goederen worden uitgevoerd, waarmee wordt voldaan aan het criterium afhankelijkheid van uitvoer als bedoeld in artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening. In het licht van deze conclusie is geen analyse nodig van het argument dat de DDS-regeling niet specifiek is in de zin van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening.

(109)

De Indiase overheid merkte op dat de DDS een met de basisverordening verenigbare terugbetalingsregeling is en dat de procedure voor de vaststelling van de voor alle ondernemingen geldende terugbetalingstarieven redelijk is, aan het gestelde doel beantwoordt en gebaseerd is op in het land van uitvoer algemeen aanvaarde handelspraktijken overeenkomstig bijlage II, punt II.4, en bijlage III, punt II.2. Zoals in overweging 104 is vermeld, omvatte deze procedure een raming voor alle ondernemingen van de bij de productie gebruikte inputs en van de te betalen invoerheffingen en indirecte belastingen. Deze procedure was echter niet voldoende nauwkeurig, zelfs niet volgens de door de Indiase overheid ingediende opmerkingen. De Indiase overheid bevestigde immers dat er sprake was van een zekere mate van gemiddeldeberekening, wat zou impliceren dat de daadwerkelijk terugbetaalde rechten hoger waren dan de daadwerkelijk betaalde rechten. Voorts verrichtte de Indiase overheid ook geen verder onderzoek naar de werkelijk verbruikte inputs, hoewel dit normaliter vereist is als er geen verificatieregeling daadwerkelijk wordt toegepast (bijlage II, punt II.5, en bijlage III, punt II.3), en heeft zij evenmin aangetoond dat geen te hoge kwijtschelding heeft plaatsgevonden. De beweerde parallel tussen de controletechnieken en de in de basisverordening beschreven technieken voor gebruikmaking van steekproeven wordt als irrelevant beschouwd, daar laatstgenoemde duidelijk betrekking hebben op de antisubsidieonderzoeken en geen deel uitmaken van de in de bijlagen II en III vastgestelde criteria. Daarom worden deze argumenten verworpen.

(110)

Voorts werd opgemerkt dat het vermoeden van het bestaan van te hoge kwijtscheldingen niet kon worden afgeleid uit het feit dat de Indiase overheid niet alle in India te betalen indirecte belastingen in de DDS heeft opgenomen, maar alleen de centrale indirecte belastingen. Dit argument wordt verworpen omdat overeenkomstig bijlage II, punt II.4, en bijlage III, punt II.2, te hoge kwijtscheldingen moeten worden beoordeeld in het kader van een specifieke subsidieregeling.

3.2.7.5.   Conclusie

(111)

In het kader van de DDS-regeling worden subsidies verleend in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), en artikel 2, punt 2, van de basisverordening. Het bedrag aan terug te betalen rechten is gelijk aan de gederfde inkomsten die normaliter door de Indiase overheid zouden zijn geïnd. Bovendien verleent de DDS-regeling de exporteur bij uitvoer een voordeel.

(112)

De DDS-regeling is rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties, en daarom wordt zij geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen krachtens artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening.

(113)

Diverse partijen bij de procedure voerden aan dat de DDS-regeling een met de basisverordening verenigbaar terugbetalingssysteem is en dat het op grond van die regeling verkregen voordeel bijgevolg geen aanleiding mag geven tot compenserende maatregelen.

(114)

Uit het onderzoek is gebleken dat deze regeling niet kan worden beschouwd als een toelaatbare regeling voor de kwijtschelding van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen of een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of vervangende inputs in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening. Zij voldoet namelijk niet aan de strikte voorwaarden van bijlage I, punten h) en i), bijlage II (richtsnoeren inzake het verbruik van inputs) en bijlage III (definitie van en regels voor terugbetaling voor vervangende inputs) van de basisverordening. Een exporteur is niet verplicht i) aantekening te houden van de rechten en belastingen die hij heeft betaald op de ingevoerde/op de binnenlandse markt aangekochte goederen of in het productieproces opgenomen diensten, of ii) die goederen en diensten daadwerkelijk in het productieproces te verbruiken, en iii) het bedrag aan terug te betalen rechten wordt niet berekend in verhouding tot de daadwerkelijk door de exporteur gebruikte inputs en de daadwerkelijk betaalde rechten en belastingen.

(115)

Bovendien is niet voorzien in een systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs bij de vervaardiging van het uitgevoerde product zijn verbruikt, dan wel of te veel binnenlandse indirecte belastingen in de zin van bijlage I, punt h), en bijlage II bij de basisverordening of te veel invoerheffingen in de zin van bijlage I, punt i), en de bijlagen II en III van de basisverordening werden terugbetaald.

(116)

Ten slotte komt een exporteur in aanmerking voor de DDS-voordelen, ongeacht of hij al dan niet inputs invoert of op de binnenlandse markt aankoopt en rechten of belastingen op die aankopen heeft betaald. Om het voordeel te verkrijgen, hoeft een exporteur alleen maar goederen uit te voeren zonder dat hij hoeft aan te tonen dat inputs werden ingevoerd of dat inputs of diensten op de binnenlandse markt werden aangekocht, en dat invoerrechten of binnenlandse indirecte belastingen werden betaald. Bijgevolg maakt het voor het terugbetalingstarief geen verschil uit of een onderneming alle productiefasen van de inputs en het betrokken product in handen heeft dan wel gewoon handelaar/exporteur is.

3.2.7.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(117)

Overeenkomstig artikel 2, punt 2, en artikel 5 van de basisverordening werd de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies berekend in termen van het door de ontvanger daarmee verkregen voordeel waarvan het bestaan in het NOT werd vastgesteld. In dit verband wordt ervan uitgegaan dat het voordeel door de ontvanger wordt verkregen wanneer in het kader van deze regeling een uitvoertransactie plaatsvindt. Vanaf dat moment is de Indiase overheid gehouden de terug te betalen rechten aan de exporteurs in kwestie te betalen, wat een financiële bijdrage is in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) i), van de basisverordening. Zodra de douaneautoriteiten een ladingsbrief voor de uitvoer afgeven, waarin onder meer het voor die uitvoertransactie toe te kennen bedrag aan terug te betalen rechten is vermeld, heeft de Indiase overheid geen zeggenschap meer over het al of niet toekennen van de subsidie. Bovendien hebben de medewerkende producenten/exporteurs de DDS-voordelen op transactiebasis als inkomsten geboekt op het ogenblik dat de uitvoertransacties plaatsvonden.

(118)

Om rekening te houden met het effect van de verhoging van de tarieven met terugwerkende kracht, werd het DDS-krediet dat werd geboekt voor uitvoer die tussen 1 september en 30 september 2007 plaatsvond, waar nodig verhoogd, daar het werkelijke voordeel dat de Indiase overheid aan de ondernemingen verschuldigd zal zijn, hoger is dan dat waarop bij de uitvoer formeel aanspraak werd gemaakt.

(119)

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag toegerekend aan de totale waarde van de uitvoer in het NOT als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(120)

Zeven in de steekproef opgenomen ondernemingen voerden aan dat zij weliswaar voordeel uit de DDS-regeling hebben verkregen, maar dat zij geen teveel aan kwijtgescholden rechten hebben ontvangen, daar de door hen betaalde of verschuldigde belastingen of invoerrechten hoger waren dan de bedragen aan terug te betalen rechten. Er werd besloten deze argumenten te verwerpen. In de overwegingen 113 en 115 werd geconcludeerd dat de Indiase overheid niet beschikte over een adequate verificatieregeling als bedoeld in de bijlagen I, II en III van de basisverordening. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat de ondernemingen geen verbruiksregister bijhielden of enig ander rapportagesysteem gebruikten om rekenschap te geven van gevallen waarin te veel rechten werden kwijtgescholden. Dergelijke rapporten werden door de ondernemingen tijdens de controlebezoeken opgesteld en bevatten hoofdzakelijk de in het algemeen door de ondernemingen betaalde belastingen.

(121)

Als er geen sprake is van toegelaten terugbetalingsregelingen voor inputs of vervangende inputs, bestaat het tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel in het totale bedrag aan terug te betalen rechten dat op grond van de DDS-regeling is verkregen. In tegenstelling tot wat de Indiase overheid, Texprocil en enkele exporteurs opmerken naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen, voorziet de basisverordening niet alleen in compenserende maatregelen voor een „teveel” aan kwijtgescholden rechten. Overeenkomstig artikel 2, punt 1, onder a) ii), en bijlage I, punt i), van de basisverordening kan alleen een teveel aan kwijtgescholden rechten aanleiding geven tot compenserende maatregelen, mits aan de voorwaarden van de bijlagen II en III van de basisverordening is voldaan. Aan deze voorwaarden is in onderhavig geval echter niet voldaan. Dit betekent dat, indien wordt vastgesteld dat er geen adequate verificatieprocedure bestaat, de bovenstaande uitzondering inzake terugbetalingsregelingen niet van toepassing is en de normale regel geldt waarbij het bedrag aan terug te betalen rechten tot compenserende maatregelen aanleiding geeft, en niet alleen het beweerde teveel aan kwijtgescholden rechten. Volgens bijlage II, punt II, en bijlage III, punt II, van de basisverordening is het niet de taak van de onderzoekende autoriteit dit teveel aan kwijtgescholden rechten te berekenen. Integendeel, overeenkomstig artikel 2, punt 1, onder a) ii), van de basisverordening dient deze autoriteit alleen voldoende bewijsmateriaal te verzamelen om de geschiktheid van een beweerde verificatieregeling te weerleggen. Voorts zij erop gewezen dat, als er geen verificatieregeling daadwerkelijk wordt toegepast, de Indiase autoriteiten tijdig een aanvullend onderzoek moeten verrichten, d.w.z. normaliter vóór de controle ter plaatse in het kader van een onderzoek naar compenserende rechten.

(122)

In tegenstelling tot wat sommige producenten/exporteurs stelden in de door hen ingediende opmerkingen, moest zelfs het DDS-voordeel dat werd gegenereerd door de uitvoer van andere producten dan het betrokken product, in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het bedrag van het tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel. De DDS-regeling bepaalt niet dat het gebruik van het voordeel moet worden beperkt tot een specifiek product. Het betrokken product kan bijgevolg profiteren van al het DDS-voordeel dat wordt gegenereerd.

(123)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen trokken in het NOT voordeel van de DDS-regeling, met subsidiemarges van 1,45 % tot 7,57 %.

3.2.8.   De Technology Upgradation Fund Scheme (regeling fonds voor technologieverbetering, TUFS)

3.2.8.1.   Rechtsgrondslag

(124)

De TUFS is gebaseerd op een resolutie van het Indiase ministerie van Textiel, die op 31 maart 1999 is gepubliceerd in het Indiase staatsblad (Official Gazette of India Extraordinary Part I Section I) („de resolutie”). De regeling werd goedgekeurd met een looptijd van 1 april 1999 tot en met 31 maart 2004. De looptijd werd verlengd tot en met 31 maart 2007 en vervolgens opnieuw verlengd tot het einde van het NOT.

3.2.8.2.   Subsidiabiliteit

(125)

Bestaande of nieuwe producenten in de katoenverwerkingssector, de textiel- en de jute-industrie komen in aanmerking voor de voordelen van deze regeling.

3.2.8.3.   Praktische uitvoering

(126)

Deze regeling heeft tot doel steun te verlenen voor de modernisering van de technologie in de textiel- en de jute-industrie, met inbegrip van ondernemingen voor de verwerking van vezels, garen, weefsels, kleding en huishoudtextiel. De regeling voorziet in diverse soorten voordelen in de vorm van kapitaalsubsidies, rentesubsidies of dekking van wisselkoersschommelingen bij leningen in vreemde valuta. In de onder de regeling vallende programma’s wordt een onderscheid gemaakt tussen de textiel- en de jutesector, de sector van de weefmachines en die van de handweefgetouwen. De TUFS omvat de volgende programma’s:

a)

vergoeding van 5 % van de normale rente die op een termijnlening in roepies door de kredietinstelling wordt aangerekend, of

b)

dekking van 5 % wisselkoersschommeling (rente en aflossing) ten opzichte van het basistarief van een lening in vreemde valuta, of

c)

kredietgerelateerde kapitaalsubsidie van 15 % voor de textiel- en de jutesector, of

d)

kredietgerelateerde kapitaalsubsidie van 20 % voor de sector van de weefmachines, of

e)

rentevergoeding van 5 %, plus 10 % kapitaalsubsidie, voor gespecificeerde verwerkingsmachines, en

f)

kapitaalsubsidie van 25 % op de aankoop van nieuwe machines en apparatuur voor bewerkingen in de fasen vóór en na het weefgetouw, handweefgetouwen/verbetering van handweefgetouwen, en test- en kwaliteitscontroleapparatuur voor ondernemingen die met handweefgetouwen werken.

(127)

Uit het onderzoek is gebleken dat twee in de steekproef opgenomen ondernemingen voordeel van de TUFS hebben getrokken voor de aankoop van machines die bij de vervaardiging van het betrokken product worden gebruikt. Die ondernemingen maakten respectievelijk gebruik van de leningen met rentevergoeding (regeling a)) en de kapitaalsubsidie van 10 % voor verwerkingsmachines in combinatie met een rentevergoeding van 5 % (regeling e)).

(128)

De resolutie bevat een lijst van de typen machines waarvan de aankoop in het kader van de TUFS wordt gesubsidieerd. Om de voordelen van de TUFS te verkrijgen, wenden de ondernemingen zich tot handelsbanken of andere kredietinstellingen, die de ondernemingen de leningen verstrekken op basis van hun eigen onafhankelijke beoordeling van de kredietwaardigheid van de leners. Indien de lener in aanmerking komt voor een rentesubsidie in het kader van de regeling, stuurt de handelsbank de aanvraag door naar een „knooppuntbureau”, dat het bedrag van het voordeel overmaakt aan de betrokken handelsbank. Ten slotte crediteert de handelsbank de rekening van de lener met het aldus ontvangen bedrag. De knooppuntbureaus worden door het Indiase ministerie van Textiel terugbetaald. De Indiase overheid stelt de vereiste financiële middelen driemaandelijks ter beschikking van de knooppuntbureaus.

3.2.8.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(129)

Geen enkele belanghebbende heeft opmerkingen in verband met deze regeling ingediend.

3.2.8.5.   Conclusie

(130)

De TUFS-regeling vormt een subsidie in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) i), omdat zij een rechtstreekse overdracht van middelen door de overheid in de vorm van een schenking impliceert. Door de subsidie wordt een voordeel verkregen doordat de financierings- en rentekosten voor de aankoop van machines worden verlaagd.

(131)

De subsidie wordt overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder a), geacht specifiek te zijn en bijgevolg aanleiding te geven tot compenserende maatregelen omdat zij specifiek aan een industrie of een groep industrieën wordt verstrekt, inclusief voor de vervaardiging van het betrokken product.

3.2.8.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(132)

Het kapitaalsubsidiebedrag werd overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de basisverordening berekend door het bedrag dat de ontvangende ondernemingen op de aangekochte machines bespaarden, te spreiden over een periode die overeenstemt met de normale afschrijvingstermijn voor dergelijke kapitaalgoederen. Overeenkomstig de vaste praktijk werd het aldus berekende, aan het NOT toe te rekenen bedrag door toevoeging van de rente over het NOT gecorrigeerd om het volledige voordeel over die periode vast te stellen. Het commerciële rentetarief dat in het NOT in India van toepassing was, werd hiervoor adequaat geacht. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag toegerekend aan de totale waarde van de uitvoer van textiel in het NOT als geschikte noemer, aangezien de subsidie niet wordt verleend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(133)

Het rentesubsidiebedrag werd overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de basisverordening berekend op basis van het bedrag dat in het NOT daadwerkelijk aan de betrokken ondernemingen werd terugbetaald in verband met de rente die werd betaald op de commerciële leningen die voor de aankoop van de machines in kwestie werden aangegaan. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag toegerekend aan de totale waarde van de uitvoer van textiel in het NOT als geschikte noemer, aangezien de subsidie niet wordt verleend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(134)

Twee in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben in het NOT voordeel getrokken van deze regeling, met subsidiemarges van 0,01 % tot 0,31 %.

3.2.9.   De Export Credit Scheme (pre-shipment and post-shipment) (de regeling exportkrediet (voor en na verzending), ECS)

3.2.9.1.   Rechtsgrondslag

(135)

Deze regeling is gedetailleerd beschreven in Master Circular IECD No 02/04.02.02/2006-07 (exportkrediet in vreemde valuta), Master Circular IECD No 01/04.02.02/2006-07 (exportkrediet in roepies) en Master Circular DBOD.DIR(Exp.)No.01/04.02.02/2007-08 (geconsolideerd voor exportkrediet zowel in roepies als in vreemde valuta) van de Reserve Bank of India („RBI”), die in het NOT aan alle handelsbanken in India zijn toegezonden. De Master Circulars worden regelmatig herzien en geactualiseerd.

3.2.9.2.   Subsidiabiliteit

(136)

Voor deze regeling komen producenten/exporteurs en handelaren/exporteurs in aanmerking.

3.2.9.3.   Praktische uitvoering

(137)

In het kader van deze regeling stelt de RBI bindende maximumrentetarieven voor exportkrediet vast, zowel in Indiase roepies als in vreemde valuta, die handelsbanken aan exporteurs kunnen aanrekenen. De ECS bestaat uit twee subregelingen, namelijk de Pre-Shipment Export Credit Scheme voor exportkrediet voorafgaand aan verzending („voorschot aan de exporteur”), dat wordt verstrekt ter financiering van de aankoop, verwerking, productie, verpakking en/of verzending van goederen vóór de uitvoer, en de Post-Shipment Export Credit Scheme voor exportkrediet na verzending, waarbij bedrijfskapitaal wordt verschaft ter financiering van vorderingen op buitenlandse debiteuren. De RBI geeft de banken ook opdracht om een bepaald gedeelte van hun nettobankkrediet voor exportfinanciering beschikbaar te houden.

(138)

Ten gevolge van deze Master Circulars van de RBI kunnen exporteurs exportkredieten verkrijgen tegen preferentiële rentetarieven vergeleken met de tarieven van het gewone handelskrediet („kaskrediet”), waarvoor marktvoorwaarden gelden.

3.2.9.4.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen

(139)

De Indiase overheid stelde dat de Commissie met betrekking tot de ECS-regeling heeft nagelaten de regeling te onderzoeken in het licht van de bepalingen van bijlage I, punt k), van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (ASCM) en voerde aan dat exportkrediet, zowel in Indiase roepies als in vreemde valuta, geen aanleiding gaf tot compenserende maatregelen, vooral daar de banken voor leningen in vreemde valuta middelen mochten lenen tegen „internationaal concurrerende tarieven”.

(140)

In dit verband zij erop gewezen dat de in overweging 135 bedoelde exportkredietregelingen niet onder bijlage I, punt k), van de ASCM vallen omdat, volgens de definitie van de OESO-regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten, alleen exportfinanciering met een looptijd van twee jaar of meer normaliter als „exportkrediet” in de zin van die bepaling kan worden beschouwd. Dit argument wordt dan ook verworpen.

3.2.9.5.   Conclusie

(141)

De preferentiële rentetarieven van een ECS-krediet die in de in overweging 135 vermelde Master Circulars van de RBI worden vastgesteld, kunnen de rentekosten van de exporteur lager doen uitvallen dan de louter door marktvoorwaarden bepaalde kredietkosten, waardoor de exporteur een voordeel verkrijgt in de zin van artikel 2, punt 2, van de basisverordening. Exportfinanciering is op zich niet veiliger dan binnenlandse financiering. Doorgaans wordt exportfinanciering als riskanter beschouwd en de zekerheid die voor een bepaald krediet wordt verlangd is, ongeacht het financieringsobject, een louter commerciële beslissing van de handelsbank. Tariefverschillen tussen verschillende banken vloeien voort uit het feit dat de RBI voor iedere handelsbank afzonderlijk maximumtarieven voor het verstrekken van leningen heeft vastgesteld. Bovendien zouden handelsbanken niet verplicht zijn gunstiger rentetarieven voor exportkredieten in vreemde valuta aan hun klanten door te berekenen.

(142)

Hoewel deze preferentiële ECS-kredieten door handelsbanken worden verleend, gaat het bij dit voordeel om een financiële bijdrage van de overheid in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) iv), van de basisverordening. Om tot de conclusie te komen dat het om een subsidie gaat, is het volgens artikel 2, punt 1, onder a) iv), van de basisverordening en de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen niet vereist dat gebruik is gemaakt van overheidsmiddelen, bijvoorbeeld in de vorm van een terugbetaling door de Indiase overheid aan de handelsbanken, maar is het voldoende dat de overheid opdracht geeft tot het vervullen van functies die zijn vermeld in artikel 2, punt 1, onder a) i), a) ii) of a) iii), van de basisverordening. De RBI is een overheidsorgaan en valt dus onder de definitie van „overheid” in artikel 1, lid 3, van de basisverordening. Deze bank is voor 100 % in het bezit van de overheid, streeft doelstellingen van het overheidsbeleid na, bijvoorbeeld het monetaire beleid, en de bestuursleden worden door de Indiase overheid benoemd. De RBI heeft zeggenschap over particuliere instellingen omdat de handelsbanken zich aan de door de RBI opgelegde voorwaarden moeten houden, onder meer wat betreft de instructies in de Master Circulars van de RBI betreffende maximumrentetarieven voor exportkredieten en de bepaling van de RBI dat de handelsbanken een bepaald bedrag van hun nettobankkrediet voor exportfinanciering moeten bestemmen. Daardoor zijn handelsbanken verplicht functies te vervullen die zijn vermeld in artikel 2, punt 1, onder a) i), van de basisverordening, in dit geval de verstrekking van leningen in de vorm van preferentiële exportkredieten. Een dergelijke rechtstreekse overdracht van middelen in de vorm van leningen op bepaalde voorwaarden is een functie die de overheid normaliter zelf zou vervullen, en de praktijk wijkt in werkelijkheid niet af van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen, in de zin van artikel 2, punt 1, onder a) iv), van de basisverordening.

(143)

Deze subsidie wordt geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen, aangezien de preferentiële rentetarieven uitsluitend gelden voor de financiering van uitvoertransacties en dus van uitvoerprestaties afhankelijk zijn in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening.

3.2.9.6.   Berekening van het subsidiebedrag

(144)

Het subsidiebedrag is berekend op basis van het verschil tussen de rente die voor in het NOT gebruikt exportkrediet is betaald en de rente die tegen de tarieven voor een gewoon handelskrediet zou zijn betaald. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag (de teller) toegerekend aan de totale waarde van de uitvoer in het NOT als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(145)

Er werden diverse opmerkingen betreffende bepaalde elementen van de berekening van het voordeel in het kader van de ECS-regeling ingediend. Naar aanleiding daarvan werden de berekeningen aangepast waar dit gerechtvaardigd bleek.

(146)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen en groepen hebben in het NOT in het kader van deze regeling subsidies verkregen, met subsidiemarges van maximaal 1,05 %, terwijl voor één onderneming het voordeel te verwaarlozen bleek.

3.3.   Totaal van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

(147)

De overeenkomstig de basisverordening tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies bedroegen voor de onderzochte producenten/exporteurs in totaal 5,2 % tot 9,7 % van de waarde.

(148)

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening is de subsidiemarge voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen de gewogen gemiddelde subsidiemarge voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen, d.w.z. 7,7 %. Omdat het algemene niveau van medewerking in India hoog was (95 %), werd als residuele subsidiemarge voor alle overige ondernemingen de subsidiemarge aangehouden die was vastgesteld voor de onderneming met de hoogste individuele marge, d.w.z. 9,7 %.

Subsidieregeling →

Onderneming/groep ↓

DEPBS

DFRC/DFIA

EPCGS

ALS/AAS

EPZs/EOUs

ITES

ECS

DDS

TUFS

Totaal

Anunay Fab. Ltd

0,15 %

2,03 %

 

 

 

 

1,05 %

4,58 %

 

7,8 %

The Bombay Dyeing and Manufacturing Co. Ltd

N. W. Exports Limited

Nowrosjee Wadia & Sons Limited

1,65 %

 

1,45 %

1,74 %

 

 

0,11 %

4,15 %

0,31 %

9,4 %

Brijmohan Purusottamdas

Incotex Impex Pvt. Ltd

 

 

 

 

 

 

0,94 %

7,39 %

 

8,3 %

Divya Global Pvt. Ltd

 

0,94 %

 

 

 

 

0,04 %

7,26 %

 

8,2 %

Intex Exports

Pattex Exports

Sunny Made-Ups

 

 

 

 

 

 

0,08 %

7,57 %

 

7,6 %

Jindal Worldwide Ltd

Texcellence Overseas

1,44 %

 

1,25 %

 

 

 

0,76 %

4,57 %

 

8 %

Madhu Industries Ltd

3,96 %

 

 

 

 

 

verwaarloosbaar

1,45 %

 

5,4 %

Mahalaxmi Fabric Mills Pvt. Ltd

Mahalaxmi Exports

 

 

 

 

 

 

0,07 %

7,41 %

0,01 %

7,5 %

Prakash Cotton Mills Pvt., Ltd

 

1,41 %

1,17 %

 

 

 

0,34 %

6,78 %

 

9,7 %

Prem Textiles

 

 

 

 

 

 

0,88 %

7,48 %

 

8,3 %

Vigneshwara Exports Ltd

0,5 %

0,09 %

verwaarloosbaar

0,17 %

 

 

0,61 %

3,84 %

 

5,2 %

4.   COMPENSERENDE MAATREGELEN

(149)

Overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening en de motivering van dit gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek als vermeld in punt 3 van het bericht van opening wordt vastgesteld dat de omvang van de subsidiëring voor de medewerkende producenten is veranderd en dat derhalve het bij Verordening (EG) nr. 74/2004 ingestelde compenserende recht dienovereenkomstig moet worden gewijzigd.

(150)

Het momenteel geldende definitieve recht werd vastgesteld op basis van de compensatiemarges, daar de schademarge hoger was. Omdat de in het kader van dit nieuwe onderzoek vastgestelde subsidiemarges evenmin hoger waren dan de schademarge, worden de rechten overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de subsidiemarges.

(151)

De subsidiemarge voor de onderneming Pasupati Fabrics, die niet in dit nieuwe onderzoek werd opgenomen, werd gehandhaafd op het niveau dat in het kader van het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld, daar deze onderneming voordeel bleek te trekken van een subsidieregeling die in dit onderzoek niet in beschouwing werd genomen.

(152)

De ondernemingen die verbonden bleken te zijn, werden voor de inning van de rechten als één juridische entiteit (groep) beschouwd en daarom aan hetzelfde compenserende recht onderworpen. Om te zorgen voor een correcte weging werd gebruikgemaakt van de hoeveelheden van het betrokken product die deze groepen in het NOT hebben uitgevoerd.

(153)

De in de steekproef opgenomen onderneming Prem Textiles heeft tijdens het nieuwe onderzoek informatie ingediend waaruit bleek dat zij haar naam had veranderd in „Prem Textiles (International) Pvt. Ltd”. Na deze informatie te hebben onderzocht en te hebben geconcludeerd dat de naamsverandering geen enkele invloed heeft op de bevindingen van dit nieuwe onderzoek, werd besloten dit verzoek in te willigen en in deze verordening naar de onderneming te verwijzen met de naam „Prem Textiles (International) Pvt. Ltd”.

(154)

Omdat het algemene niveau van medewerking in India hoog was (95 %), werd als residueel compenserend recht voor alle andere ondernemingen het percentage aangehouden dat was vastgesteld voor de onderneming met de hoogste individuele marge, d.w.z. 9,7 %.

(155)

De volgende rechten zijn van toepassing:

Onderneming/groep

Compenserend recht (%)

Anunay Fab. Limited, Ahmedabad

7,8 %

The Bombay Dyeing and Manufacturing Co. Ltd, Mumbai

N. W. Exports Limited, Mumbai

Nowrosjee Wadia & Sons Limited, Mumbai

9,4 %

Brijmohan Purusottamdas, Mumbai

Incotex Impex Pvt. Limited, Mumbai

8,3 %

Divya Global Pvt. Ltd, Mumbai

8,2 %

Intex Exports, Mumbai

Pattex Exports, Mumbai

Sunny Made-Ups, Mumbai

7,6 %

Jindal Worldwide Ltd, Ahmedabad

Texcellence Overseas, Mumbai

8 %

Madhu Industries Limited, Ahmedabad

5,4 %

Mahalaxmi Fabric Mills Pvt. Ltd, Ahmedabad

Mahalaxmi Exports, Ahmedabad

7,5 %

Prakash Cotton Mills Pvt., Ltd, Mumbai

9,7 %

Prem Textiles, Indore

8,3 %

Vigneshwara Exports Limited, Mumbai

5,2 %

Niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen

7,7 %

Alle andere ondernemingen

9,7 %

(156)

De bij deze verordening vastgestelde individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van onderhavig onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het gemiddelde recht dat van toepassing is op de in de bijlage vermelde ondernemingen, en het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om ondernemingen die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(157)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze individuele compenserende rechten (bv. na de naamsverandering van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) moeten onverwijld aan de Commissie worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamsverandering of deze oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in het buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 74/2004 van de Raad wordt vervangen door:

„Artikel 1

1.   Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op beddenlinnen van katoenvezels, zuiver of gemengd met kunstmatige vezels of met vlas (waarbij vlas niet mag overheersen), gebleekt, geverfd of bedrukt, van oorsprong uit India, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 6302 21 00 (Taric-codes 6302210081 en 6302210089), ex 6302 22 90 (Taric-code 6302229019), ex 6302 31 00 (Taric-code 6302310090) en ex 6302 32 90 (Taric-code 6302329019).

2.   Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van door de volgende ondernemingen vervaardigde producten, bedraagt:

Onderneming

Compenserend recht (%)

Aanvullende Taric-code

Anunay Fab. Limited, Ahmedabad

7,8

A902

The Bombay Dyeing and Manufacturing Co. Ltd, Mumbai

9,4

A488

N.W. Exports Limited, Mumbai

9,4

A489

Nowrosjee Wadia & Sons Limited, Mumbai

9,4

A490

Brijmohan Purusottamdas, Mumbai

8,3

A491

Incotex Impex Pvt. Limited, Mumbai

8,3

A903

Divya Global Pvt. Ltd, Mumbai

8,2

A492

Intex Exports, Mumbai

7,6

A904

Pattex Exports, Mumbai

7,6

A905

Sunny Made-Ups, Mumbai

7,6

A906

Jindal Worldwide Ltd, Ahmedabad

8

A494

Texcellence Overseas, Mumbai

8

A493

Madhu Industries Limited, Ahmedabad

5,4

A907

Mahalaxmi Fabric Mills Pvt. Ltd, Ahmedabad

7,5

A908

Mahalaxmi Exports, Ahmedabad

7,5

A495

Pasupati Fabrics, New Delhi

8,5

A496

Prakash Cotton Mills Pvt., Ltd, Mumbai

9,7

8048

Prem Textiles (International) Pvt. Ltd, Indore

8,3

A909

Vigneshwara Exports Limited, Mumbai

5,2

A497

3.   Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de producten die door de in de bijlage vermelde ondernemingen worden vervaardigd, bedraagt 7,7 % (aanvullende Taric-code A498).

4.   Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de producten die door niet in de leden 2 en 3 bedoelde ondernemingen worden vervaardigd, bedraagt 9,7 % (aanvullende Taric-code A999).

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.”.

Artikel 2

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 74/2004 van de Raad wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1.

(2)  PB L 12 van 17.1.2004, blz. 1.

(3)  PB C 230 van 2.10.2007, blz. 5.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Aanvullende Taric-code: A498

Ajit Impex

Mumbai

Alok Industries Limited

Mumbai

Alps Industries Ltd

Ghaziabad

Ambaji Marketing Pvt. Ltd

Ahmedabad

Anglo French textiles

Pondicherry

Anjal Garments

Ghaziabad

Anjani Synthetics Limited

Ahmedabad

Aravali

Jaipur

Ashok Heryani Exports

New Delhi

At Home India Pvt. Ltd

New Delhi

Atul Impex Pvt. Ltd

Dombivli

Balloons

New Delhi

Beepee Enterprise

Mumbai

Bhairav India International

Ahmedabad

Bunts Exports Pvt. Ltd

Mumbai

Chemi Palace

Mumbai

Consultech Dynamics

Mumbai

Cotfab Exports

Mumbai

Country House

New Delhi

Creative Mobus Fabrics Limited

Mumbai

Deepak Traders

Mumbai

Dimple Impex (India) Pvt. Ltd

New Delhi

Eleganza Furnishings Pvt. Ltd

Mumbai

Emperor Trading Company

Tirupur

Estocorp (India) Pvt. Ltd

New Delhi

Exemplar International

Hyderabad

Falcon Finstock Pvt. Ltd

Ahmedabad

G-2 International export Ltd

Ahmedabad

Gauranga Homefashions

Mumbai

GHCL Ltd

Gujarat

Good Shepherd Health Education & Dispensary

Tamilnadu

Harimann International Private Limited

Mumbai

Heirloom Collections (P) Ltd

New Delhi

Hemlines Textile Exports Pvt. Ltd

Mumbai

Himalaya Overseas

New Delhi

Home Fashions International

Kerala

Ibats

New Delhi

Indian Arts and Crafts Syndicate

New Delhi

Indian Craft Creations

New Delhi

Indo Euro Textiles Pvt. Ltd

New Delhi

Kabra Brothers

Mumbai

Kalam Designs

Ahmedabad

Kanodia Fabrics (International)

Mumbai

Karthi Krishna Exports

Tirupur

Kaushalya Export

Ahmedabad

Kirti Overseas

Ahmedabad

La Sorogeeka Incorporated

New Delhi

Lalit & Company

Mumbai

Manubhai Vithaldas

Mumbai

Marwaha Exports

New Delhi

Milano International (India) Pvt. Ltd

Chennai

Mohan Overseas (P) Ltd

New Delhi

M/s. Opera Clothing

Mumbai

M/S Vijayeswari Textiles Limited

Coimbatore

Nandlal & Sons

Mumbai

Natural Collection

New Delhi

Oracle Exports Home Textiles Pvt. Ltd

Mumbai

Pacific Exports

Ahmedabad

Petite Point

New Delhi

Pradip Exports

Ahmedabad

Pradip Overseas Pvt. Ltd

Ahmedabad

Punch Exporters

Mumbai

Radiant Expo Global Pvt. Ltd

New Delhi

Radiant Exports

New Delhi

Raghuvir Exim Limited

Ahmedabad

Ramesh Textiles India Pvt. Ltd

Indore

Ramlaks Exports Pvt. Ltd

Mumbai

Redial Exim Pvt. Ltd

Mumbai

S. D. Entreprises

Mumbai

Samria Fabrics

Indore

Sanskrut Intertex Pvt. Ltd

Ahmedabad

Sarah Exports

Mumbai

Shades of India Crafts Pvt. Ltd

New Delhi

Shanker Kapda Niryat Pvt. Ltd

Baroda

Shetty Garments Pvt Ltd

Mumbai

Shivani Exports

Mumbai

Shivani Impex

Mumbai

Shrijee Enterprises

Mumbai

S.P. Impex

Indore

Starline Exports

Mumbai

Stitchwell Garments

Ahmedabad

Sumangalam Exports Pvt. Ltd

Mumbai

Summer India Textile Mills (P) Ltd

Salem

Surendra Textile

Indore

Suresh & Co.

Mumbai

Synergy Lifestyles Pvt. Ltd

Mumbai

Syntex Corporation Pvt. Ltd

Mumbai

Texel Industries

Chennai

Texmart Import export

Ahmedabad

Textrade International Private Limited

Mumbai

The Hindoostan Spinning & Weaving Mills Ltd

Mumbai

Trend Setters

Mumbai

Trend Setters K.F.T.Z.

Mumbai

Utkarsh Exim Pvt. Ltd

Ahmedabad

V & K Associates

Mumbai

Valiant Glass Works Private Ltd

Mumbai

Visma International

Tamilnadu

VPMSK A Traders

Karur

V.S.N.C. Narasimha Chettiar Sons

Karur

Welspun India Limited

Mumbai

Yellows Spun and Linens Private Limited

Mumbai”