3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/21


VERORDENING (EG) Nr. 306/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), en met name op artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006 is het nodig regels vast te stellen ten aanzien van de kwalificatie van personeel dat aan bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende apparatuur activiteiten uitvoert die mogelijk lekkage kunnen veroorzaken.

(2)

Personeel dat nog niet gecertificeerd is, maar dat ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, moet voor beperkte tijd toestemming krijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een dergelijke certificering vereist is, om de praktische vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor het examen, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.

(3)

Een aantal lidstaten beschikt momenteel niet over kwalificerings- of certificeringssystemen. Personeel moet bijgevolg enige tijd krijgen om een certificaat te behalen.

(4)

Om overmatige administratieve lasten te voorkomen, moet worden toegestaan een certificeringssysteem op bestaande kwalificeringsstelsels te baseren, op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin het voorziet en het desbetreffende kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de in deze verordening beoogde minimumnormen.

(5)

Instanties die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevattende apparatuur produceren of bedienen, kunnen als evalueringsinstantie, als certificeringsinstantie of als beide worden aangewezen, mits ze aan de betrokken voorwaarden voldoen.

(6)

Om onnodige administratieve kosten te vermijden, moet het een lidstaat waar momenteel geen oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen worden gebruikt, worden toegestaan niet het volledige certificeringssysteem vast te stellen, op voorwaarde dat die lidstaat de nodige regelingen treft om ervoor te zorgen dat zonder onnodig oponthoud certificaten kunnen worden afgegeven, mocht daar in de toekomst om worden verzocht, en dat dus geen onnodige barrières worden opgeworpen voor de toegang tot de markt.

(7)

Examinering is een effectieve manier om te testen of een kandidaat geschikt is om de activiteiten die direct of indirect tot lekkage zouden kunnen leiden, naar behoren uit te voeren.

(8)

Officieel aangewezen evaluerings- en certificeringsinstanties moeten de naleving verzekeren van de in deze verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiënte wederzijdse erkenning van certificaten in de hele Gemeenschap.

(9)

Informatie over het certificeringssysteem voor de afgifte van certificaten die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie volgens het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten (2).

(10)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de certificering van personeel dat bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit apparatuur, alsmede de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van in overeenstemming met die eisen afgegeven certificaten.

Artikel 2

Certificering van personeel

1.   Personeel dat de in artikel 1 bedoelde activiteit uitvoert, dient houder te zijn van een in artikel 4 bedoeld certificaat.

2.   Lid 1 is gedurende een maximumperiode van één jaar niet van toepassing op personeel dat is ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op personeel dat voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum de in artikel 1 van deze verordening bedoelde activiteit onderneemt.

Dergelijk personeel wordt gedurende de in de eerste alinea bedoelde periode geacht ten aanzien van die activiteit gecertificeerd te zijn in het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

Artikel 3

Afgifte van certificaten aan het personeel

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 4 geeft een certificaat af aan personeel dat geslaagd is voor een door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikel 5 georganiseerd theoretisch en praktisch examen over de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de activiteit die de houder van het certificaat mag verrichten;

c)

de afgiftedatum en de handtekening van de afgever.

3.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage zijn vastgesteld en voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5, maar het betrokken attest de in lid 2 bedoelde gegevens niet bevat, mag een in artikel 4 bedoelde certificeringsinstantie aan de houder van deze kwalificatie een certificaat afgeven zonder nieuw examen.

4.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5 en gedeeltelijk betrekking heeft op de minimumvaardigheden die in de bijlage zijn vastgesteld, mogen certificeringsinstanties een certificaat afgeven mits de aanvrager slaagt voor een door een in artikel 5 bedoelde evalueringsinstantie afgenomen aanvullend examen over de vaardigheden en kennis die niet onder de bestaande certificering vallen.

Artikel 4

Certificeringsinstantie

1.   Bij nationale wet- of regelgeving wordt voorzien in een certificeringsinstantie, of door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie wordt een certificeringsinstantie aangewezen die certificaten mag afgeven aan personeel dat betrokken is bij de in artikel 1 bedoelde activiteit.

De certificeringsinstantie voert op onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.

3.   De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde persoon kan worden gecontroleerd. Dit register toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is afgerond. Het register wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Artikel 5

Evalueringsinstantie

1.   Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie aangewezen evalueringsinstantie organiseert examens voor het in artikel 1 bedoelde personeel. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 4 komt eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie.

De evalueringsinstantie voert op onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis worden getoetst.

3.   De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluering kunnen worden gedocumenteerd.

4.   De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een test aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geëxamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische tests.

Artikel 6

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr. 308/2008 vastgestelde model, uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van de namen en contactgegevens van de onder artikel 4 vallende certificeringsinstanties voor personeel en van de titels van certificaten voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikel 3.

2.   Indien in een lidstaat geen oplosmiddelen op basis van broeikasgassen worden gebruikt, mag die lidstaat besluiten niet eerder een in artikel 4 bedoelde certificeringsinstantie en/of een in artikel 5 bedoelde evalueringsinstantie aan te wijzen, dan dat de behoefte aan een dergelijke certificering ontstaat. In dat geval moet de betrokken lidstaat in het kader van zijn nationale wetgeving de nodige regelingen treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke certificaten zonder onnodig oponthoud kunnen worden afgegeven, mocht in de toekomst om een dergelijke certificering worden verzocht.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van hun voornemen om van het bepaalde in dit lid gebruik te maken, en van de regelingen die zij hebben getroffen om hieraan te voldoen. Lid 1 is in dat geval niet van toepassing.

3.   De lidstaten actualiseren de op grond van lid 1 overgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en doen deze zonder uitstel aan de Commissie toekomen.

Artikel 7

Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.   Wederzijdse erkenning van in andere lidstaten afgegeven certificaten geldt alleen voor certificaten afgegeven in overeenstemming met artikel 3.

2.   De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten om een vertaling vragen van het certificaat in een andere officiële taal van de Gemeenschap.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).


BIJLAGE

Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen

Het in artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 2, bedoelde examen omvat het volgende:

a)

een theoretische test met een of meer vragen om de vaardigheid of kennis in kwestie te testen, in de kolom „Soort test” aangegeven met (T);

b)

een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom „Soort test” aangegeven met (P).


Nr.

Minimumvaardigheden en -kennis

Soort test

1.

Basiskennis hebben van de relevante milieuproblematiek (klimaatverandering, Kyotoprotocol en de potentiële opwarming van de aarde), van de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006 en van de relevante verordeningen houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

T

2.

Kennis hebben van de fysieke, chemische en milieukenmerken van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen.

T

3.

Kennis hebben van het gebruik van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen.

T

4.

Oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen kunnen terugwinnen.

P

5.

Kennis hebben van de opslag en het vervoer van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen.

T

6.

Apparatuur voor het terugwinnen kunnen toepassen op apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat.

P