2.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/30


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2008

betreffende richtsnoeren voor de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid, als bedoeld in Richtlijn 2006/88/EG van de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6787)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/896/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (1), en met name op artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2006/88/EG stelt de minimale bestrijdingsmaatregelen vast die bij een verdenking of uitbraak van bepaalde ziekten bij waterdieren moeten worden toegepast. Bovendien bevat deel II van bijlage IV bij die richtlijn een lijst van bepaalde exotische en niet-exotische ziekten.

(2)

Artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2006/88/EG bepaalt dat de lidstaten erop moeten toezien dat in alle kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren een op het productietype afgestemd op risico’s gebaseerd programma voor de bewaking van de diergezondheid wordt toegepast. Dergelijke programma’s moeten rekening houden met de richtsnoeren die moeten worden opgesteld overeenkomstig de in artikel 10, lid 4, van die richtlijn bedoelde procedure.

(3)

Overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG beogen de programma’s voor de bewaking van de diergezondheid de opsporing van een eventuele toegenomen sterfte in alle kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, naar gelang van het productietype, alsook van de in deel II van bijlage IV bij die richtlijn vermelde ziekten in kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waar voor deze ziekten gevoelige soorten aanwezig zijn. Bovendien hebben overeenkomstig deel B van bijlage III bij Richtlijn 2006/88/EG de als onderdeel van deze programma’s uitgevoerde inspecties tot doel de exploitanten van aquacultuurproductiebedrijven van advies te dienen over kwesties met betrekking tot de gezondheid van waterdieren en in voorkomend geval de nodige veterinairrechtelijke maatregelen te nemen.

(4)

Gezien de verscheidenheid van de aquacultuurindustrie in de Gemeenschap moeten de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid worden aangepast aan de structuur van die industrie en de situatie van de diergezondheid in elke lidstaat. De richtsnoeren waarmee de lidstaten bij de opstelling van deze programma’s rekening moeten houden, mogen daarom alleen algemeen advies verstrekken.

(5)

Het is daarom dienstig dat in deze beschikking de richtsnoeren worden vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden bij de opstelling van de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De richtsnoeren waarmee rekening moet worden gehouden bij de opstelling van de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid, als bedoeld in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2006/88/EG, worden in de bijlage bij deze beschikking vastgesteld.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.


BIJLAGE

RICHTSNOEREN WAARMEE REKENING MOET WORDEN GEHOUDEN BIJ DE OPSTELLING VAN DE PROGRAMMA’S VOOR DE OP RISICO’S GEBASEERDE BEWAKING VAN DE DIERGEZONDHEID, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10, LID 1, VAN RICHTLIJN 2006/88/EG

1.   Doel van deze richtsnoeren

Het doel van deze richtsnoeren is de lidstaten van advies te dienen over de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid, als bedoeld in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2006/88/EG („de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid”).

2.   Inhoud van de inspecties

2.1.   CONTROLE VAN DE REGISTERS EN KLINISCHE ONDERZOEKEN

Elke inspectie van een kwekerij of kweekgebied van weekdieren moet bestaan uit een analyse van de in artikel 8 van Richtlijn 2006/88/EG bedoelde registers, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de mortaliteitsregisters, om een beoordeling mogelijk te maken van de gezondheidsstatus van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren.

Een representatieve selectie van alle epidemiologische eenheden moet worden geïnspecteerd.

Indien beschikbaar moet een representatieve selectie van recent gestorven en stervende aquacultuurdieren klinisch, zowel uit- als inwendig, op belangrijke pathologische veranderingen worden onderzocht. Dat onderzoek moet met name tot doel hebben een besmetting met een in de lijst van deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG opgenomen ziekte („een in de lijst opgenomen ziekte”) op te sporen.

Als de uitkomst van dat onderzoek leidt tot de verdenking van de aanwezigheid van een dergelijke ziekte, moeten de aquacultuurdieren in de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren aan een laboratoriumonderzoek worden onderworpen.

Gedetailleerde voorschriften voor de maatregelen die moeten worden genomen in geval van verdenking en/of bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte, zijn vastgesteld in hoofdstuk V van Richtlijn 2006/88/EG.

2.2.   BEMONSTERING EN LABORATORIUMONDERZOEK

Het nemen van monsters voor een laboratoriumonderzoek is niet in alle gevallen noodzakelijk. Bij de bepaling of een bemonstering noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met de informatie die wordt verkregen bij de controle van de registers van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren en bij de inspectie van de aquacultuurdieren, alsook met andere relevante informatie.

3.   Keuze tussen de bevoegde autoriteit, particuliere dierenartsen en andere erkende diensten voor de gezondheid van waterdieren voor de uitvoering van de inspecties

De lidstaten moeten bepalen of de inspecties die deel uitmaken van de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid door de bevoegde autoriteit moeten worden uitgevoerd dan wel of deze ook door particuliere dierenartsen of andere erkende diensten voor de gezondheid van waterdieren mogen worden uitgevoerd.

4.   Frequentie van de inspecties

In deel B van bijlage III bij Richtlijn 2006/88/EG worden aanbevolen frequenties voor inspecties in kwekerijen en in kweekgebieden van weekdieren vastgesteld. Die frequenties worden bepaald door twee factoren:

a)

de gezondheidsstatus van de betrokken lidstaat, het betrokken gebied of het betrokken compartiment ten aanzien van de in deel II van bijlage IV bij die richtlijn opgenomen niet-exotische ziekten („in de lijst opgenomen niet-exotische ziekten”);

b)

het risiconiveau van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren ten aanzien van de insleep en de verspreiding van ziekten.

5.   De gezondheidsstatus van de kwekerijen en de kweekgebieden van weekdieren

In deel B van bijlage III bij Richtlijn 2006/88/EG worden voor de gezondheidsstatus de volgende categorieën vastgesteld:

Categorie I

a)

Ziektevrij verklaard overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder a) of b), of artikel 50, lid 1, onder a) of b), van Richtlijn 2006/88/EG. Deze status wordt bepaald door het feit dat:

i)

geen van de ziektegevoelige soorten in de lidstaat, het gebied of het compartiment en — voor zover van toepassing — in de waterbron van die lidstaat, dat gebied of dat compartiment aanwezig is, of

ii)

de ziekteverwekker, voor zover bekend, niet kan overleven in de lidstaat, het gebied of het compartiment en — voor zover van toepassing — in de waterbron van die lidstaat, dat gebied of dat compartiment.

b)

Ziektevrij verklaard overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder c), of artikel 50, lid 1, onder c), van Richtlijn 2006/88/EG. De status is gebaseerd op gerichte bewaking overeenkomstig de voorwaarden, vastgesteld in deel II van bijlage V bij Richtlijn 2006/88/EG.

Categorie II

Niet ziektevrij verklaard maar onderworpen aan een overeenkomstig artikel 44, lid 1, van Richtlijn 2006/88/EG goedgekeurd bewakingsprogramma.

Categorie III

Voor zover bekend niet besmet maar niet onderworpen aan een bewakingsprogramma om de ziektevrije status te bereiken.

Categorie IV

Besmet maar onderworpen aan een overeenkomstig artikel 44, lid 2, van Richtlijn 2006/88/EG goedgekeurd uitroeiingsprogramma.

Categorie V

Besmet. Onderworpen aan de minimale bestrijdingsmaatregelen van hoofdstuk V van Richtlijn 2006/88/EG.

Indien mogelijk kunnen de in het kader van een programma voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid uitgevoerde inspecties worden gecombineerd met:

a)

inspecties uitgevoerd in het kader van overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG goedgekeurde bewakings- of uitroeiingsprogramma’s (voor onder categorie II of IV vallende gebieden of compartimenten);

b)

een bewaking uitgevoerd om de ziektevrije status te behouden (voor gebieden of compartimenten die vallen onder categorie I — ziektevrij verklaard overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder a) of b), of artikel 50, lid 1, onder a) of b), van Richtlijn 2006/88/EG);

c)

een bewaking uitgevoerd als onderdeel van bestrijdingsmaatregelen overeenkomstig hoofdstuk V van Richtlijn 2006/88/EG (voor onder categorie V vallende gebieden of compartimenten).

Bij de opstelling van de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid moeten de lidstaten rekening houden met het volgende:

a)

voor kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, gelegen in gebieden met een onder de categorieën II en IV vallende gezondheidsstatus, is de door bewakings- of uitroeiingsprogramma’s, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG, voorgeschreven inspectiefrequentie hoger dan de door deel B van bijlage III bij die richtlijn aanbevolen frequentie; het is daarom niet nodig dat de lidstaten specifieke voorschriften vaststellen met betrekking tot de inspectiefrequentie voor kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, die zijn gelegen in onder dergelijke programma’s vallende gebieden;

b)

de noodzaak dat de lidstaten specifieke voorschriften vaststellen voor de frequentie van de inspecties in het kader van een programma voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid bestaat hoofdzakelijk voor kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, die zijn gelegen in gebieden met een gezondheidsstatus die onder de categorieën I, III en V valt, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden en nationale maatregelen;

c)

er moet aandacht worden besteed aan het feit dat een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren een verschillende gezondheidsstatus voor verschillende ziekten kan hebben; dit kan het geval zijn bij kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die soorten houden die gevoelig zijn voor meer dan één van de in de lijst opgenomen niet-exotische ziekten (1).

6.   De bepaling van het risiconiveau van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren

6.1.   INLEIDING

Het risiconiveau van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren verschilt niet alleen tussen gebieden met een verschillende gezondheidsstatus, maar ook binnen gebieden met dezelfde gezondheidsstatus (2).

Punt 6.2 verstrekt advies over de risicofactoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van het risiconiveau van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren.

Punt 6.3 stelt een model vast dat kan worden gebruikt voor de indeling van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren naargelang hun risiconiveau: hoog, middelhoog en laag. De lidstaten mogen gebruikmaken van andere modellen voor de bepaling van het risiconiveau van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, als deze modellen in een gegeven situatie als geschikter worden beschouwd.

Deze richtsnoeren verstrekken geen informatie over de wijze waarop de lidstaten het model in punt 6.3 moeten toepassen. De lidstaten kunnen:

a)

dat model op elke afzonderlijke kwekerij en elk afzonderlijk kweekgebied van weekdieren toepassen voor de bepaling van de afzonderlijke risiconiveaus, of

b)

het model gebruiken voor het catalogiseren van de verschillende types kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren op hun grondgebied en op grond daarvan bepalen in welke categorieën kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren het risiconiveau als hoog, middelhoog en laag moet worden beschouwd.

6.2.   RISICOFACTOREN

Een groot aantal factoren is relevant voor de bepaling van het risiconiveau van een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren. Deze factoren omvatten maar zijn niet beperkt tot het volgende:

a)

de directe verspreiding van de ziekte via water;

b)

de verplaatsingen van aquacultuurdieren;

c)

het productietype;

d)

de soorten gehouden aquacultuurdieren;

e)

het bioveiligheidssysteem, inclusief bekwaamheid en opleiding van het personeel;

f)

de dichtheid van de kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren en de verwerkingsbedrijven in het gebied rond de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren;

g)

de nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren met een lagere gezondheidsstatus dan de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren;

h)

de gegevens over de gezondheidsstatus van de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren en van andere in het gebied gelegen kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren;

i)

de aanwezigheid van ziekteverwekkers bij in het wild levende waterdieren in het gebied rond de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren;

j)

het risico dat wordt gevormd door menselijke activiteiten in de nabijheid van de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren (3);

k)

roofdieren of vogels met toegang tot de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren.

Het gebruik van een complex systeem voor de beoordeling van de risiconiveaus van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante risicofactoren, kan een precieze indeling van de kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren overeenkomstig hun risiconiveau mogelijk maken. Een dergelijk systeem kan echter ook tijdrovend en niet kosteneffectief zijn. Bovendien is de weging van de verschillende factoren om het totale risico te beoordelen een ingewikkelde aangelegenheid.

Gezien de moeilijkheden bij het gebruik van een complex systeem voor de indeling van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren overeenkomstig hun risiconiveau, is het in de meeste gevallen dienstig om de beoordeling vooral te baseren op de volgende risicofactoren:

a)

de directe verspreiding van de ziekte via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren;

b)

de verplaatsingen van aquacultuurdieren.

Deze twee risicofactoren zijn relevant ongeacht het productietype, de in de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren gehouden soorten aquacultuurdieren en de betrokken ziekten.

6.3.   MODEL VOOR DE BEPALING VAN HET RISICONIVEAU VAN KWEKERIJEN EN KWEEKGEBIEDEN VAN WEEKDIEREN

Dit model voor de bepaling van het risiconiveau (hoog, middelhoog, laag) van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren omvat drie stappen:

Stap I

:

Approximatie van de waarschijnlijkheid van de insleep van de ziekte in de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren;

Stap II

:

Approximatie van de waarschijnlijkheid van de verspreiding van de ziekte vanuit de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren;

Stap III

:

Combinatie van de schattingen van de risiconiveaus, resulterend uit de stappen I en II.

Stap I

Approximatie van de waarschijnlijkheid van de insleep van de ziekte in de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren

Waarschijnlijkheid van de insleep van de ziekte via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren

Waarschijnlijkheid van de insleep van de ziekte via verplaatsingen van aquacultuurdieren

Risiconiveau

Hoog

Hoog

Hoog

Hoog

Laag

Middelhoog

Laag

Hoog

Middelhoog

Laag

Laag

Laag


Stap II

Approximatie van de waarschijnlijkheid van de verspreiding van de ziekte vanuit de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren

Waarschijnlijkheid van de verspreiding van de ziekte via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren

Waarschijnlijkheid van de verspreiding van de ziekte via verplaatsingen van aquacultuurdieren

Risiconiveau

Hoog

Hoog

Hoog

Hoog

Laag

Middelhoog

Laag

Hoog

Middelhoog

Laag

Laag

Laag


Stap III

Combinatie van de schattingen van de risiconiveaus, resulterend uit de stappen I en II

Stap I. Waarschijnlijkheid van de insleep van de ziekte

Hoog

M

H

H

Middelhoog

L

M

H

Laag

L

L

M

 

 

Laag

Middelhoog

Hoog

 

 

Stap II. Waarschijnlijkheid van de verspreiding van de ziekte

6.4.   HET RISICONIVEAU VAN BEPAALDE, ONDER GEZONDHEIDSSTATUSCATEGORIE I VALLENDE KWEKERIJEN EN KWEEKGEBIEDEN VAN WEEDIEREN

Kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die geen soorten houden die gevoelig zijn voor in de lijst opgenomen niet-exotische ziekten of waar de ziekteverwekker, voor zover bekend, niet in de lidstaat, het gebied of het compartiment en, voor zover relevant, in de waterbron daarvan kan overleven, kunnen overeenkomstig deel B van bijlage III bij Richtlijn 2006/88/EG alle worden beschouwd als kwekerijen en kweekgebieden met een laag risiconiveau. Het is daarom in principe niet nodig dat voor het programma voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid verschillende inspectiefrequenties worden vastgesteld.

Die kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren kunnen echter verschillende risiconiveaus hebben wat de insleep en verspreiding van in de lijst opgenomen niet-exotische ziekten of nieuwe opkomende ziekten betreft. De lidstaten kunnen die kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren daarom overeenkomstig hun risiconiveau indelen en aldus hun bewakings- en inspectieniveau differentiëren. Daarbij kunnen de lidstaten ook rekening houden met de noodzaak om het gebruik van de middelen te optimaliseren.

6.5.   APPROXIMATIE VAN DE WAARSCHIJNLIJKHEID VAN DE INSLEEP EN DE VERSPREIDING VAN ZIEKTEN VIA WATER EN WEGENS DE GEOGRAFISCHE NABIJHEID VAN KWEKERIJEN EN KWEEKGEBIEDEN VAN WEEKDIEREN

6.5.1.   Inleiding

In kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren is het risico van insleep en verspreiding van ziekten laag, als de waterbronnen en de waterafvoer of de wateromgeving waarin de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren is gelegen een bepaald niveau van bescherming tegen de insleep en de verspreiding van ziekteverwekkers bieden. Het risico van de insleep en de verspreiding van een ziekte in en vanuit een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren varieert aanzienlijk (4).

Het model in punt 6.3 maakt alleen een onderscheid tussen een hoge en lage waarschijnlijkheid van de verspreiding van ziekten via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren.

Hieronder staan voorbeelden van situaties waarin de waarschijnlijkheid van de insleep en de verspreiding van ziekten via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren als laag kan worden beschouwd.

De onderstaande lijst van voorbeelden is niet exhaustief. Daarom mag niet worden geconcludeerd dat in kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waarop geen van deze voorbeelden betrekking heeft, de waarschijnlijkheid van de insleep en de verspreiding van ziekten hoog is.

6.5.2.   Voorbeelden van gevallen waarbij het risico van insleep van ziekten via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren laag is:

a)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die van water worden voorzien via een geboorde waterput of een bron;

b)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die worden voorzien van water dat wordt ontsmet of behandeld om de insleep van ziekteverwekkers te voorkomen;

c)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die worden voorzien van water uit andere waterbronnen:

i)

die niet verbonden zijn met kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren of verwerkingsbedrijven die soorten houden of verwerken die gevoelig zijn voor dezelfde ziekten als de in de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren gehouden soorten;

ii)

waar geen in het wild levende waterdieren van gevoelige soorten voorkomen;

d)

binnenlandse waterbekkens, waaronder vijvers en meren, die geïsoleerd zijn van andere waterbronnen; bij het bepalen of een waterbekken als geïsoleerd moet worden beschouwd, moet aandacht worden besteed aan seizoensveranderingen zoals de mogelijkheid dat contact ontstaat met andere waterbronnen door overstromingen;

e)

aan de kust gelegen kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die zich bevinden op een veilige afstand van andere kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren of verwerkingsbedrijven die soorten houden of verwerken die gevoelig zijn voor dezelfde ziekten als de in de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren gehouden soorten; wat als een veilige afstand moet worden beschouwd, moet door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld, rekening houdend met factoren zoals het vermogen van de desbetreffende ziekteverwekkers om in open wateren te overleven, de waterstromen en de getijdenbewegingen.

6.5.3.   Voorbeelden van gevallen waarbij het risico van verspreiding van ziekten via water en wegens de geografische nabijheid van kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren laag is:

a)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die geen water lozen op natuurlijke waterwegen (5);

b)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die het afvoerwater ontsmetten of anderszins behandelen om de verspreiding van ziekteverwekkers te voorkomen;

c)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die hun water lozen op openbare rioolsystemen, mits het openbare rioolsysteem een vorm van behandeling van het rioolwater omvat; als het rioolwater zonder behandeling op natuurlijke waterwegen wordt geloosd, mag voor deze kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren de waarschijnlijkheid van verspreiding van ziekten niet als laag worden beschouwd;

d)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die geen afvoerwater lozen op wateren met aquacultuur- of in het wild levende waterdieren van soorten die gevoelig zijn voor de relevante in de lijst opgenomen ziekte(n);

e)

binnenlandse waterbekkens, waaronder vijvers en meren, die geïsoleerd zijn van andere waterbronnen; bij het bepalen of een waterbekken als geïsoleerd moet worden beschouwd, moet aandacht worden besteed aan seizoensveranderingen zoals de mogelijkheid dat contact ontstaat met andere waterbronnen door overstromingen;

f)

aan de kust gelegen kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die zich bevinden op een veilige afstand van andere kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die soorten houden die gevoelig zijn voor dezelfde ziekten als de in de betrokken kwekerij of het betrokken kweekgebied van weekdieren gehouden soorten; wat als een veilige afstand moet worden beschouwd, moet door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld, rekening houdend met factoren zoals het vermogen van de desbetreffende ziekteverwekkers om in open wateren te overleven, de waterstromen en de getijdenbewegingen.

6.6.   APPROXIMATIE VAN DE WAARSCHIJNLIJKHEID VAN DE INSLEEP EN DE VERSPREIDING VAN ZIEKTEN VIA VERPLAATSINGEN VAN AQUACULTUURDIEREN

6.6.1.   Inleiding

Verplaatsingen van levende aquacultuurdieren naar en uit kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren zijn een zeer belangrijke wijze van overdracht van ziekten.

Bij de evaluatie van die factor moet het volgende worden beoordeeld:

a)

de plaats van oorsprong van de aquacultuurdieren;

b)

het aantal aan de kwekerij en het kweekgebied van weekdieren geleverde aquacultuurdieren;

c)

het aantal leveranciers van aquacultuurdieren;

d)

de frequentie van de verplaatsingen van aquacultuurdieren naar en uit kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren.

Het model in punt 6.3 beveelt slechts aan dat de kwekerijen worden gegroepeerd overeenkomstig hun hoog of laag risico van insleep of verspreiding van ziekten via verplaatsingen van aquacultuurdieren. Voor de toepassing van dat model is het daarom voldoende dat rekening wordt gehouden met het feit of de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren levende aquacultuurdieren (inclusief eieren) ontvangt of levert, en met de plaats van oorsprong van die dieren.

Hieronder staan voorbeelden van situaties waarin de risico van de insleep en de verspreiding van ziekten via verplaatsingen van aquacultuurdieren als laag kan worden beschouwd.

De onderstaande lijst van voorbeelden is niet exhaustief. Daarom mag niet worden geconcludeerd dat in kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren waarop geen van deze voorbeelden betrekking heeft, het risico van de insleep en de verspreiding van ziekten hoog is.

6.6.2.   Voorbeelden van gevallen waarbij de waarschijnlijkheid van de insleep van ziekten door de levering van aquacultuurdieren aan kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren laag is:

a)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die zelfvoorzienend zijn met eieren of visbroed (6);

b)

gevallen waarbij de aquacultuurdieren alleen uit ziektevrije gebieden of compartimenten worden geleverd. Voor kwekerijen in de gezondheidsstatuscategorieën III en V wordt door de bestaande communautaire wetgeving niet voorgeschreven dat aquacultuurdieren uit ziektevrije gebieden of compartimenten moeten worden geleverd, en het feit dat de kwekerij ervoor kiest om haar dieren uit een ziektevrij gebied of compartiment te betrekken onderscheidt de kwekerij van andere kwekerijen in dezelfde gezondheidsstatuscategorie. Kwekerijen in de gezondheidsstatuscategorie I mogen uitsluitend dieren uit een ziektevrije plaats van oorsprong ontvangen. Voor deze kwekerijen moet daarom worden voorgeschreven dat de dieren uit hetzelfde ziektevrije gebied worden geleverd of dat de kwekerij haar dieren betrekt van een beperkt aantal leveranciers van aquacultuurdieren;

c)

gevallen waarbij in het wild levende waterdieren, vrijgegeven uit quarantaine en bestemd voor verdere kweek, worden geleverd;

d)

gevallen waarbij ontsmette eieren worden geleverd; dit is alleen relevant wanneer uit wetenschappelijk bewijsmateriaal of praktische ervaring blijkt dat de ontsmetting het risico van ziekteoverdracht effectief vermindert tot een aanvaardbaar niveau wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten waarvoor de soorten in de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren gevoelig zijn.

6.6.3.   Voorbeelden van gevallen waarbij de waarschijnlijkheid van de verspreiding van ziekten door de levering van aquacultuurdieren aan kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren laag is:

a)

kwekerijen en kweekgebieden van weekdieren die geen dieren leveren voor verdere kweek, heruitzetting of uitzetting in het wild;

b)

viskwekerijen die alleen ontsmette eieren leveren; dit is alleen relevant wanneer uit wetenschappelijk bewijsmateriaal of praktische ervaring blijkt dat de ontsmetting het risico van ziekteoverdracht effectief vermindert tot een aanvaardbaar niveau wat betreft de in de lijst opgenomen exotische of niet-exotische ziekten waarvoor de soorten in de kwekerij gevoelig zijn.


(1)  Een kwekerij van regenboogforellen kan bijvoorbeeld vrij zijn van infectieuze zalmanemie (categorie I), onder categorie II (in het kader van een goedgekeurd bewakingsprogramma) vallen voor virale hemorragische septikemie en een onbekende status hebben wat infectieuze hematopoëtische necrose betreft (categorie III).

(2)  In een kwekerij die vrij is verklaard van een in de lijst opgenomen niet-exotische ziekte is bijvoorbeeld het risico van verspreiding van deze ziekte over het algemeen laag. Een kwekerij die haar eigen visbroed produceert, biedt echter een veel kleiner risico dan een kwekerij die al haar visbroed bij een of meer leveranciers koopt.

(3)  Zoals transportroutes, havens (ballastwater), hengelsport.

(4)  Bijvoorbeeld van een overdekt recirculatiesysteem met watervoorziening uit een geboorde waterput en waar het afvoerwater wordt ontsmet (zeer laag risico) tot een kwekerij met drijvende kooien in zee en een groot aantal kwekerijen in haar nabijheid (zeer hoog risico).

(5)  Bijvoorbeeld: binnenlandse kwekerijen die hun afvoerwater in de grond leiden of op velden lozen.

(6)  Dit kan het geval zijn bij viskwekerijen die hun eigen visbroedvoorraad aanhouden en kweekgebieden van weekdieren waar de productie is gebaseerd op de natuurlijke winning van zaad.