1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/16


VERORDENING (EG) Nr. 216/2007 VAN DE COMMISSIE

van 28 februari 2007

tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontduiking van de antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1629/2004 van de Raad werden ingesteld op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen uit India door de invoer van bepaald kunstmatig grafiet uit India, en tot onderwerping van deze invoer aan registratieplicht

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende bescherming tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), en met name op artikel 13, lid 3, en artikel 14, leden 3 en 5,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   VERZOEK

(1)

De Commissie heeft een verzoek ontvangen, ingediend op grond van artikel 13, lid 3, van de basisverordening, om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontduiking van de op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen uit India ingestelde antidumpingmaatregelen.

(2)

Het verzoek werd op 15 januari 2007 door de European Carbon and Graphite Association (ECGA) ingediend namens de communautaire producenten van bepaalde grafietelektrodesystemen.

B.   PRODUCT

(3)

De mogelijke ontduiking van de antidumpingmaatregelen betreft grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens worden gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,65 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 6,0 μΩ.m, die vallen onder GN-code ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010), en nippels voor deze elektroden, die vallen onder GN-code ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010), tezamen of afzonderlijk ingevoerd, van oorsprong uit India (hierna „het betrokken product” genoemd). De codes worden slechts ter informatie vermeld.

(4)

Bij het onderzochte product gaat het om staven van kunstmatig grafiet met een diameter van 75 mm of meer, van oorsprong uit India, (hierna „het onderzochte product” genoemd), gewoonlijk aangegeven onder GN-code ex 3801 10 00 (Taric-code 3801100010). Deze code wordt slechts ter informatie vermeld. Het onderzochte product is een tussenproduct in de vervaardiging van het betrokken product en het bezit reeds de basiskenmerken daarvan.

C.   BESTAANDE MAATREGELEN

(5)

De thans geldende maatregelen die mogelijk worden ontdoken, zijn de bij Verordening (EG) nr. 1629/2004 van de Raad (2) ingestelde antidumpingmaatregelen.

D.   MOTIVERING

(6)

Het verzoek bevat voldoende bewijsmateriaal dat de antidumpingmaatregelen op de invoer van het betrokken product worden ontdoken door de invoer van het onderzochte product.

(7)

Het bewijsmateriaal is als volgt:

i)

Uit het verzoek blijkt dat zich een belangrijke verandering heeft voorgedaan in het handelspatroon van de uitvoer uit India naar de Gemeenschap na de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van het betrokken product, waarvoor, behoudens de instelling van deze rechten, geen voldoende reden of verklaring is.

ii)

Deze verandering in het handelspatroon lijkt te wijten te zijn aan een eenvoudige conversieoperatie in de Gemeenschap waarbij het onderzochte product wordt geconverteerd in het betrokken product.

iii)

Verder bevat het verzoek voldoende bewijsmateriaal dat de corrigerende werking van de bestaande antidumpingmaatregelen op het betrokken product in termen van hoeveelheid wordt ondermijnd. De invoer van het betrokken product blijkt te zijn vervangen door de invoer van aanzienlijke hoeveelheden van het onderzochte product.

iv)

Ten slotte bevat het verzoek voldoende bewijs dat het onderzochte product na conversie wordt verkocht tegen dumpingprijzen onder de normale waarde die eerder voor het betrokken product werd vastgesteld.

v)

Indien het onderzoek naast de eenvoudige conversie nog andere ontduikingspraktijken aan het licht brengt die vallen onder artikel 13 van de basisverordening, kunnen ook deze praktijken worden onderzocht.

E.   PROCEDURE

(8)

Gelet op het voorgaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek te openen op grond van artikel 13 van de basisverordening en de invoer van het onderzochte product aan registratieplicht te onderwerpen overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening.

a)   Vragenlijsten

(9)

Om de voor het onderzoek noodzakelijk geachte informatie te verkrijgen, zal de Commissie vragenlijsten zenden aan exporteurs/producenten en organisaties van exporteurs/producenten in India, importeurs en organisaties van importeurs in de Gemeenschap die hebben meegewerkt aan het onderzoek dat tot de bestaande maatregelen heeft geleid, alsook aan de autoriteiten van India. Zo nodig kunnen ook inlichtingen worden ingewonnen bij de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(10)

Alle belanghebbenden moeten in ieder geval zo spoedig mogelijk, en binnen de termijn die is vastgesteld in artikel 3, contact opnemen met de Commissie om na te gaan of hun onderneming in het verzoek is genoemd en, zo nodig, binnen de in artikel 3, lid 1, vermelde termijn een vragenlijst aanvragen, daar de in artikel 3, lid 2, vermelde termijn op alle partijen van toepassing is.

(11)

De autoriteiten van India worden van de opening van het onderzoek in kennis gesteld en ontvangen een kopie van het verzoek.

b)   Het schriftelijk en mondeling verstrekken van inlichtingen

(12)

Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en de Commissie bewijsmateriaal toe te zenden. Voorts kan de Commissie belanghebbenden horen die dit schriftelijk aanvragen en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

c)   Vrijstelling van registratie of van maatregelen

(13)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening kan de invoer van het onderzochte product van registratie of maatregelen worden vrijgesteld wanneer blijkt dat deze invoer niet plaatsvindt met ontduiking van de maatregelen.

(14)

Aangezien de mogelijke ontduiking binnen de Gemeenschap plaatsvindt, kan overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening vrijstelling worden verleend aan importeurs van het onderzochte product die kunnen aantonen dat zij geen banden hebben met producenten waarop de maatregelen van toepassing zijn. Importeurs die wensen dat hun vrijstelling wordt verleend, dienen hiertoe een met bewijsmateriaal gestaafd verzoek in te dienen binnen de termijn die is vastgesteld in artikel 3, lid 3, van deze verordening.

F.   REGISTRATIE

(15)

In artikel 14, lid 5, van de basisverordening wordt bepaald dat de invoer van het onderzochte product dient te worden geregistreerd, zodat, indien blijkt dat de antidumpingrechten zijn ontdoken, met terugwerkende kracht passende antidumpingrechten kunnen worden geheven vanaf de datum van registratie van de invoer van dat product uit India.

G.   TERMIJNEN

(16)

In het belang van het behoorlijke bestuur dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen:

belanghebbenden zich bij de Commissie kunnen aanmelden, hun standpunt schriftelijk kunnen uiteenzetten en hun antwoord op de vragenlijst en alle andere gegevens die zij voor het onderzoek nuttig achten, kunnen toezenden;

importeurs in de Gemeenschap een verzoek om vrijstelling van registratie van de invoer of van de maatregelen kunnen aanvragen;

belanghebbenden schriftelijk kunnen verzoeken om door de Commissie te worden gehoord.

(17)

Er wordt op gewezen dat de meeste in de basisverordening genoemde procedurerechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de in artikel 3 van deze verordening vermelde termijn kenbaar maakt.

H.   NIET-MEDEWERKING

(18)

Indien belanghebbenden geen toegang verlenen tot de nodige gegevens, deze niet binnen de gestelde termijn verstrekken of het onderzoek ernstig belemmeren, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, in zowel positieve als negatieve zin, worden getrokken.

(19)

De Commissie kan de verstrekte informatie, indien deze onjuist of misleidend blijkt, buiten beschouwing laten en van de beschikbare gegevens gebruikmaken. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent en de bevindingen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kunnen de resultaten voor hem minder gunstig zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 wordt een onderzoek geopend om vast te stellen of bij de invoer in de Gemeenschap van staven van kunstmatig grafiet met een diameter van 75 mm of meer, van oorsprong uit India, gewoonlijk ingedeeld onder GN-code ex 3801 10 00 (Taric-code 3801100010), de bij Verordening (EG) nr. 1629/2004 ingestelde maatregelen worden ontdoken.

Artikel 2

De douane-instanties wordt overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96 opdracht gegeven, de nodige maatregelen te nemen om de invoer in de Gemeenschap van de in artikel 1 van deze verordening omschreven goederen te registreren.

Deze registratie duurt negen maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

De Commissie kan bij verordening de douane opdracht geven op te houden met de registratie van de invoer in de Gemeenschap van producten die worden ingevoerd door importeurs die een vrijstelling van registratie hebben aangevraagd en van wie is gebleken dat zij de antidumpingmaatregelen niet ontduiken.

Artikel 3

1.   Vragenlijsten dienen bij de Commissie te worden aangevraagd binnen 15 dagen na de bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, dienen binnen 40 dagen na de bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders vermeld, contact met de Commissie op te nemen, hun standpunt uiteen te zetten en de Commissie de antwoorden op de vragenlijst en eventuele andere gegevens te doen toekomen.

3.   Importeurs die een verzoek willen indienen om vrijstelling van de invoer van registratie of maatregelen, dienen binnen dezelfde termijn van 40 dagen een met bewijsmateriaal gestaafd verzoek in te dienen.

4.   Binnen dezelfde termijn van 40 dagen kunnen belanghebbenden ook vragen om door de Commissie te worden gehoord.

5.   Alle opmerkingen over deze kwestie, verzoeken om een mondeling onderhoud, om vragenlijsten of om vrijstelling van registratie of van maatregelen moeten schriftelijk worden ingediend (niet elektronisch, tenzij anders vermeld) onder opgave van naam, adres, e-mailadres en telefoon- en faxnummer van de betrokkene. Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de informatie waarom in deze verordening wordt verzocht, antwoorden op de vragenlijst en correspondentie die als vertrouwelijk worden verstrekt, moeten van het opschrift „Limited”  (3) zijn voorzien en moeten overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de basisverordening vergezeld gaan van een niet-vertrouwelijke versie met het opschrift „FOR INSPECTION BY INTERESTED PARTIES”.

Correspondentieadres van de Commissie:

Commissie van de Europese Gemeenschappen

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer J-79 5/16

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 295 65 05

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 februari 2007.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 295 van 18.9.2004, blz. 10.

(3)  Dit betekent dat het document slechts voor intern gebruik is bestemd. Het document is beschermd krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43). Dit document is vertrouwelijk op grond van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 384/96 en artikel 6 van de WTO-overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van artikel VI van de GATT 1994 (Antidumpingovereenkomst).