26.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 265/1


VERORDENING (EG) Nr. 1405/2006 VAN DE RAAD

van 18 september 2006

houdende vaststelling van specifieke maatregelen voor de landbouw ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 36 en 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De kleinere eilanden in de Egeïsche Zee hebben ten aanzien van hun voorziening met producten die van essentieel belang zijn voor menselijke consumptie, voor verwerking of als productiemiddel in de landbouw, een buitengewone geografische ligging die extra vervoerkosten tot gevolg heeft. Bovendien plaatsen objectieve factoren in verband met het insulaire en afgelegen karakter van de eilanden de marktdeelnemers en producenten in die gebieden voor extra problemen die hun activiteiten sterk hinderen. In bepaalde gevallen worden de marktdeelnemers en producenten geconfronteerd met een dubbele insulariteit. Die hindernissen kunnen worden verkleind door een verlaging van de prijzen van de bedoelde producten. Het verdient dan ook aanbeveling een specifieke regeling in te stellen om de voorziening van de eilanden in de Egeïsche Zee te garanderen en de extra kosten te verlichten die het gevolg zijn van de grote afstand en het afgelegen en insulaire karakter van die gebieden.

(2)

Door de kleine omvang van de Egeïsche eilanden worden de problemen nog verergerd; om de doeltreffendheid van de voorgenomen maatregelen te garanderen, mogen zij enkel van toepassing zijn op de eilanden die als „kleinere eilanden” worden aangemerkt.

(3)

Het bij Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad van 19 juli 1993 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (1) vastgestelde beleid van de Gemeenschap inzake steun voor de lokale productie op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee omvatte een groot aantal producten en maatregelen voor de productie, de afzet of de verwerking daarvan. Deze maatregelen zijn doeltreffend gebleken en hebben ervoor gezorgd dat de landbouwactiviteiten konden worden gehandhaafd en ontwikkeld. De Gemeenschap moet die productietakken, die een fundamentele rol spelen in het milieu-, maatschappelijk en economisch evenwicht op de betrokken eilanden, verder ondersteunen. De ervaring heeft geleerd dat, net zoals bij het beleid inzake plattelandsontwikkeling, een sterker partnerschap met de plaatselijke autoriteiten het mogelijk kan maken de specifieke problemen van de betrokken gebieden gericht aan te pakken. Daarom dient de steun ten gunste van de lokale productie te worden voortgezet via algemene programma's die worden opgesteld op het meest geschikte geografische niveau en door Griekenland aan de Commissie worden voorgelegd.

(4)

Om de nagestreefde prijsverlaging op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee op doeltreffende wijze te realiseren en de extra kosten in verband met de grote afstand en het afgelegen en insulaire karakter op te vangen en om tegelijkertijd het concurrentievermogen van de communautaire producten te handhaven, moet steun worden verleend voor de levering van communautaire producten aan de betrokken eilanden. Deze steun moet rekening houden met de extra kosten voor transport naar de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en, wat de inbreng van productiemiddelen voor de landbouw en de voor verwerking bestemde producten betreft, met de extra kosten in verband met het afgelegen en insulaire karakter.

(5)

Aangezien de specifieke voorzieningsregeling slechts betrekking heeft op de hoeveelheden voor de voorziening van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, heeft dit systeem geen nadelige effecten voor de goede werking van de interne markt. Overigens mogen de economische voordelen van de specifieke voorzieningsregeling geen verlegging van het handelsverkeer van de betrokken producten tot gevolg hebben. Verzending en uitvoer van de betrokken producten uit de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moeten derhalve worden verboden. Evenwel dient verzending of uitvoer van die producten te worden toegestaan in het geval van terugbetaling van het dankzij de specifieke voorzieningsregeling verkregen voordeel of, wat verwerkte producten betreft, in het geval van regionaal handelsverkeer. Ook moet rekening worden gehouden met de uitvoer naar derde landen en moet uitvoer van verwerkte producten in het kader van het traditionele handelsverkeer derhalve worden toegestaan. Het genoemde verbod dient evenmin te gelden voor de traditionele verzending van verwerkte producten. Duidelijkheidshalve dient de referentieperiode voor de vaststelling van die traditioneel uitgevoerde of verzonden hoeveelheden te worden gepreciseerd.

(6)

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van de specifieke voorzieningsregeling moeten de economische voordelen van die regeling worden doorberekend in de productiekosten en moeten zij de prijzen tot in het stadium van de eindgebruiker doen dalen. Daarom dient de toekenning van die voordelen afhankelijk te worden gesteld van de daadwerkelijke doorberekening ervan tot in het stadium van de eindgebruiker en dienen de nodige controles daarop te worden verricht.

(7)

Voor een betere verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van de ontwikkeling van de lokale landbouwproductie en de voorziening met landbouwproducten, is het dienstig het niveau waarop de voorziening van de betrokken eilanden wordt geprogrammeerd, te harmoniseren en systematisch te werken met een aanpak die is gebaseerd op een partnerschap van de Commissie en de lidstaten. Het verdient dan ook aanbeveling dat het voorzieningsprogramma wordt opgesteld door de door Griekenland aangewezen autoriteiten en door die lidstaat ter goedkeuring aan de Commissie wordt voorgelegd.

(8)

De landbouwproducenten op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moeten worden aangemoedigd kwaliteitsproducten te leveren en de afzet van deze producten moet worden bevorderd.

(9)

Van het vaste beleid van de Commissie geen exploitatiesteun van de staten toe te staan in de sectoren productie, verwerking en afzet van de in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten, kan worden afgeweken om de specifieke problemen te verzachten die bij de landbouwproductie in de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee worden ondervonden ten gevolge van de grote afstand, het insulaire karakter en de afgelegen ligging, de kleine oppervlakte, het moeilijke reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van een klein aantal producten.

(10)

De toepassing van de onderhavige verordening mag geen afbreuk doen aan het niveau van de specifieke steun die de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee tot dusver hebben ontvangen. Derhalve moet Griekenland, om ervoor te zorgen dat de nodige maatregelen kunnen worden uitgevoerd, kunnen beschikken over een bedrag dat overeenkomt met de communautaire steun die reeds wordt verleend op grond van Verordening (EEG) nr. 2019/93. De bij de onderhavige verordening ingestelde nieuwe steunregeling voor de landbouwproductie van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moet worden gecoördineerd met de steunregelingen die in de rest van de Gemeenschap voor dezelfde productietakken gelden. Duidelijkheidshalve moet Verordening (EEG) nr. 2019/93 daarom worden ingetrokken en vervangen.

(11)

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en de geest van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (2) is het dienstig het beheer van de specifieke maatregelen voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee over te dragen aan Griekenland; de maatregelen kunnen derhalve ten uitvoer worden gelegd aan de hand van een door de Commissie goedgekeurd programma.

(12)

Griekenland heeft besloten om de bedrijfstoeslagregeling met ingang van 1 januari 2006 op zijn hele grondgebied toe te passen. Met het oog op de coördinatie van de respectieve regelingen met betrekking tot de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moet Verordening (EG) nr. 1782/2003 bijgevolg worden gewijzigd.

(13)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (3).

(14)

Het bij deze verordening vastgestelde programma moet worden toegepast met ingang van 1 januari 2007. Daartoe moeten Griekenland en de Commissie worden gemachtigd om in de periode tussen de inwerkingtreding van de onderhavige verordening en de datum waarop het programma van toepassing wordt, de nodige voorbereidende maatregelen te nemen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied en definities

1.   Bij deze verordening worden specifieke maatregelen vastgesteld met betrekking tot de landbouwproducten die zijn vermeld in bijlage I bij het Verdrag („de landbouwproducten”), en de landbouwproductiemiddelen, teneinde de problemen te verhelpen die het gevolg zijn van de grote afstand en het insulaire karakter van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, hierna „de kleinere eilanden” te noemen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „kleinere eilanden” verstaan, de eilanden in de Egeïsche Zee, met uitzondering van Kreta en Euboea.

Artikel 2

Communautair steunprogramma

Voor de kleinere eilanden wordt een communautair steunprogramma („het steunprogramma”) vastgesteld, dat met name omvat:

a)

een specifieke voorzieningsregeling als bedoeld in hoofdstuk II, en

b)

specifieke maatregelen ten behoeve van de lokale agrarische productietakken, als bedoeld in hoofdstuk III.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE VOORZIENINGSREGELING

Artikel 3

Geraamde voorzieningsbalans

1.   Er wordt een specifieke voorzieningsregeling ingesteld voor landbouwproducten die van essentieel belang zijn voor menselijke consumptie, voor verwerking of als productiemiddel in de landbouw op de kleinere eilanden.

2.   De jaarlijkse behoefte aan de in lid 1 bedoelde producten wordt gekwantificeerd in een geraamde voorzieningsbalans. De geraamde voorzieningsbalans wordt opgesteld door de daartoe door Griekenland aangewezen autoriteiten en wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Commissie.

De behoeften van de ondernemingen waar producten worden verpakt of verwerkt die bestemd zijn voor de lokale markt, die traditioneel worden verzonden naar de rest van de Gemeenschap of die worden uitgevoerd naar derde landen in het kader van traditionele handel, kunnen worden geraamd in een afzonderlijke voorzieningsbalans.

Artikel 4

Toepassing van de regeling

1.   Er wordt steun verleend voor de levering van de in artikel 3, lid 1, bedoelde producten aan de kleinere eilanden.

De steun wordt vastgesteld op basis van de extra kosten voor de afzet op de kleinere eilanden, te rekenen vanaf de havens in continentaal Griekenland waar de betrokken producten gewoonlijk worden geladen, en vanaf de havens van de eilanden van doorvoer of lading naar de eilanden waar hun eindbestemming is.

2.   De specifieke voorzieningsregeling wordt op zodanige wijze ten uitvoer gelegd dat met name rekening wordt gehouden met:

a)

de specifieke behoeften van de kleinere eilanden en de precieze kwaliteitseisen;

b)

de traditionele handelsstromen tussen de kleinere eilanden en de havens in continentaal Griekenland en tussen de eilanden in de Egeïsche Zee;

c)

het economische aspect van de voorgestelde steun,

d)

in voorkomend geval, de noodzaak om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de plaatselijke producten niet te hinderen.

3.   Om voor steun in het kader van de specifieke voorzieningsregeling in aanmerking te komen, moeten de economische voordelen ook werkelijk aan de eindgebruiker ten goede komen.

Artikel 5

Uitvoer naar derde landen en verzending naar de rest van de Gemeenschap

1.   Producten waarvoor de specifieke voorzieningsregeling wordt toegepast, mogen slechts onder volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure vastgestelde voorwaarden worden uitgevoerd naar derde landen of verzonden naar de rest van de Gemeenschap.

Deze voorwaarden omvatten met name de terugbetaling van eventueel in het kader van de specifieke voorzieningsregeling ontvangen steun.

2.   Uitvoer naar derde landen of verzending naar de rest van de Gemeenschap is mogelijk voor producten die op de kleinere eilanden zijn vervaardigd met producten waarvoor de specifieke voorzieningsregeling is toegepast, binnen de grenzen van de traditionele uitvoer en de traditionele verzendingen. De uit te voeren of te verzenden hoeveelheden worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure.

Bij de uitvoer van die producten wordt geen restitutie toegekend.

Artikel 6

Uitvoeringsbepalingen voor de regeling

De bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure. Deze uitvoeringsbepalingen betreffen met name de voorwaarden waaronder Griekenland een wijziging kan aanbrengen in de producthoeveelheden en in de bestemming van de middelen die elk jaar voor de verschillende onder de specifieke voorzieningsregeling vallende producten worden toegewezen, alsmede, voorzover nodig, de totstandbrenging van een stelsel van leveringscertificaten.

HOOFDSTUK III

MAATREGELEN TEN GUNSTE VAN DE LOKALE LANDBOUWPRODUCTIE

Artikel 7

Steunmaatregelen

1.   Het communautaire steunprogramma bevat de maatregelen die noodzakelijk zijn om de continuïteit en de ontwikkeling van de lokale agrarische productietakken op de kleinere eilanden te waarborgen.

2.   Het steunprogramma wordt vastgesteld op het door Griekenland meest adequaat geachte geografische niveau. Het wordt uitgewerkt door de door Griekenland aangewezen bevoegde autoriteit en wordt aan de Commissie voorgelegd nadat de bevoegde autoriteiten en organisaties op het passende lokale niveau zijn geraadpleegd.

Artikel 8

Verenigbaarheid en coherentie

1.   De in het kader van het steunprogramma genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en moeten stroken met de andere communautaire beleidstakken en de maatregelen ter uitvoering daarvan.

2.   Er moet met name worden toegezien op de samenhang van de in het kader van het steunprogramma genomen maatregelen met de maatregelen ter uitvoering van andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met name de gemeenschappelijke marktordeningen, plattelandsontwikkeling, de kwaliteit van de producten, dierenwelzijn en milieubescherming.

Op grond van dit hoofdstuk kan met name geen enkele maatregel worden gefinancierd om steun te verlenen:

a)

ter aanvulling van steun op grond van de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening ingestelde premie- of steunregeling, tenzij aan de hand van objectieve criteria wordt aangetoond dat een uitzondering noodzakelijk is;

b)

voor onderzoeksprojecten, maatregelen ter ondersteuning van onderzoeksprojecten of maatregelen die voor communautaire financiering in aanmerking komen op grond van Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (4);

c)

voor maatregelen die tot het toepassingsgebied behoren van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (5).

Artikel 9

Inhoud van het steunprogramma

Een steunprogramma omvat met name:

a)

een mee op de beschikbare evaluatieresultaten gebaseerde gekwantificeerde beschrijving van de situatie op het gebied van de betrokken landbouwproductie waarin aandacht wordt besteed aan de verschillen, achterstanden en ontwikkelingsmogelijkheden;

b)

een beschrijving van de voorgestelde strategie, de gekozen prioriteiten en de gekwantificeerde doelstellingen, alsmede een beoordeling waarin wordt aangegeven welke economische, milieu- en sociaal-maatschappelijke effecten, met inbegrip van de werkgelegenheidseffecten, worden verwacht;

c)

een tijdschema voor de toepassing van de maatregelen en een indicatieve algemene financiële tabel waarin een samenvattend overzicht wordt gegeven van de uit te trekken middelen;

d)

een toelichting met betrekking tot de verenigbaarheid en de coherentie van de verschillende maatregelen van het programma, en de voor het toezicht en de evaluatie te gebruiken criteria;

e)

de regelingen om voor een doeltreffende en adequate uitvoering van het programma te zorgen, met inbegrip van de regelingen inzake publiciteit, toezicht en evaluatie, en de bepalingen inzake controle en sancties;

f)

de aanwijzing van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het programma en de aanwijzing op de geschikte niveaus van de erbij te betrekken autoriteiten of instanties.

Artikel 10

Toezicht

De procedures en de fysieke en financiële indicatoren om voor een doeltreffend toezicht op de uitvoering van het steunprogramma te zorgen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK IV

FLANKERENDE MAATREGELEN

Artikel 11

Staatssteun

1.   Met betrekking tot de landbouwproducten waarvoor de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag van toepassing zijn, kan de Commissie toestaan dat in de sectoren productie, verwerking en afzet van die producten exploitatiesteun wordt verleend ter verlichting van de problemen bij de landbouwproductie die specifiek zijn voor de kleinere eilanden en verband houden met de grote afstand en het afgelegen en insulaire karakter van die gebieden.

2.   Griekenland kan een aanvullende financiering toekennen voor de uitvoering van het steunprogramma. In dat geval moet de staatssteun overeenkomstig deze verordening door Griekenland worden gemeld en door de Commissie worden goedgekeurd als onderdeel van het programma. De aldus gemelde steun wordt geacht te zijn gemeld in de zin van artikel 88, lid 3, eerste zin, van het Verdrag.

HOOFDSTUK V

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 12

Financiële middelen

1.   De maatregelen op grond van deze verordening zijn interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (6).

2.   De Gemeenschap financiert de in de hoofdstukken II en III vastgestelde maatregelen tot ten hoogste 23,93 miljoen EUR per jaar.

3.   Voor het steunprogramma kan jaarlijks ten hoogste 5,47 miljoen EUR worden toegewezen.

HOOFDSTUK VI

ALGEMENE BEPALINGEN, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Ontwerp-steunprogramma

1.   Griekenland dient uiterlijk op 31 oktober 2006 bij de Commissie het ontwerp in van een steunprogramma in het kader van de in artikel 12, leden 2 en 3, vastgestelde financiële toewijzing.

Het ontwerp-steunprogramma omvat een ontwerp van de geraamde voorzieningsbalans, met vermelding van de producten, de hoeveelheden product en het bedrag van de communautaire voorzieningssteun, en een ontwerp van het steunprogramma ten gunste van de lokale productie.

2.   De Commissie evalueert het voorgestelde steunprogramma en beslist over de goedkeuring ervan volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure.

3.   Het steunprogramma is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 14

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen ter uitvoering van deze verordening worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure. Het betreft met name:

a)

de voorwaarden waaronder Griekenland de producthoeveelheden en de omvang van de voorzieningssteun, alsmede de steunmaatregelen of de bestemming van de voor steun voor de lokale productie uitgetrokken middelen kan wijzigen;

b)

de bepalingen betreffende de minimumeisen voor de controles en de sancties die door Griekenland moeten worden toegepast.

Artikel 15

Comité van beheer

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 144 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingestelde Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen („het comité”).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt één maand.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 16

Nationale maatregelen

Griekenland stelt de maatregelen vast die nodig zijn om de naleving van deze verordening te waarborgen, waaronder met name de controlemaatregelen en de administratieve sancties, en stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 17

Mededelingen en verslagen

1.   Uiterlijk op 15 februari van elk jaar deelt Griekenland de Commissie mee welke beschikbaar gestelde kredieten het voornemens is het volgende jaar uit te geven voor de uitvoering van het steunprogramma.

2.   Uiterlijk op 30 juni van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over de toepassing in het voorafgaande jaar van de bij deze verordening vastgestelde maatregelen.

3.   Uiterlijk op 31 december 2011 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een algemeen verslag in waarin het effect van de op grond van deze verordening uitgevoerde acties wordt beschreven en dat indien nodig vergezeld gaat van passende voorstellen.

Artikel 18

Intrekking

Verordening (EEG) nr. 2019/93 wordt ingetrokken per 1 januari 2007.

Alle verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten worden gelezen als verwijzingen naar de onderhavige verordening, overeenkomstig de concordantietabel in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 19

Overgangsmaatregelen

De Commissie kan volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure de overgangsbepalingen vaststellen die nodig zijn om een soepele overgang van de maatregelen op grond van Verordening (EEG) nr. 2019/93 naar de bij de overhavige verordening ingestelde maatregelen te waarborgen.

Artikel 20

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003

Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder b), wordt vervangen door:

„b)

alle andere in bijlage VI vermelde rechtstreekse betalingen die in de referentieperiode zijn verleend aan landbouwers in de Franse overzeese departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en op de eilanden in de Egeïsche Zee.”;

b)

lid 2, eerste alinea, wordt vervangen door:

„2.   De lidstaten verlenen de in lid 1 bedoelde rechtstreekse betalingen binnen de limiet van de overeenkomstig artikel 64, lid 2, vastgestelde maxima onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in titel IV, hoofdstukken 3, 6 en 7 tot en met 13.”.

2)

Artikel 71, lid 2, eerste alinea, wordt vervangen door:

„2.   Onverminderd het bepaalde in artikel 70, lid 2, past de betrokken lidstaat gedurende de overgangsperiode de in bijlage VI genoemde rechtstreekse betalingen toe onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in titel IV, hoofdstukken 3, 6 en 7 tot en met 13, binnen de limiet van de begrotingsmaxima die overeenkomt met het aandeel van deze rechtstreekse betalingen in het in artikel 41 bedoelde nationale maximum, vastgesteld volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure voor elk van de rechtstreekse betalingen.”.

3)

In de bijlagen I en VI wordt de tekst met betrekking tot de „Egeïsche eilanden” geschrapt.

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007. De artikelen 11, 13 en 14 zijn evenwel van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 september 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

J. KORKEAOJA


(1)  PB L 184 van 27.7.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1156/2006 (PB L 208 van 29.7.2006, blz. 3).

(3)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(4)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG (PB L 29 van 2.2.2006, blz. 37).

(5)  PB L 227 van 21.10.2005, blz. 1.

(6)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 320/2006 (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 42).


BIJLAGE

Concordantietabel

Verordening (EEG) nr. 2019/93

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 4, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 5, lid 1

Artikel 3, lid 5

Artikel 5, lid 2

Artikel 3 bis, lid 1, onder a)

Artikel 3 bis, lid 1, onder b)

Artikel 12, lid 3

Artikel 3 bis, lid 1, onder c)

Artikel 4, lid 3, en artikel 14, onder b)

Artikel 3 bis, lid 1, onder d)

Artikel 6

Artikel 3, lid 2

Artikel 6

Artikel 5

Artikel 7, lid 1

Artikel 6

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Article 13 bis

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 12, lid 1

Article 14 bis

Artikel 16

Artikel 15, lid 1

Artikel 17, lid 2

Artikel 15, lid 2

Artikel 17, lid 3

Artikel 16

Artikel 21