31.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 210/82


VERORDENING (EG) Nr. 1085/2006 VAN DE RAAD

van 17 juli 2006

tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 181 A,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Comité voor de Regio's (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Teneinde de doelmatigheid van de buitenlandse hulp van de Gemeenschap te verbeteren, is een nieuw kader voor de programmering en de uitkering van steun voorgesteld. Deze verordening is een van de algemene instrumenten voor de rechtstreekse ondersteuning van het Europese buitenlandse hulpbeleid.

(2)

Artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat elke Europese staat die de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat in acht neemt, kan verzoeken lid te worden van de Unie.

(3)

Het verzoek van de Republiek Turkije om toetreding tot de Europese Unie is aanvaard door de Europese Raad van Helsinki van 1999. Sinds 2002 komt de Republiek Turkije in aanmerking voor pretoetredingssteun. De Europese Raad van Brussel van 16 en 17 december 2004 heeft aanbevolen toetredingsonderhandelingen met Turkije te openen.

(4)

De Europese Raad heeft op zijn bijeenkomst te Santa Maria da Feira op 20 juni 2000 benadrukt dat de landen van de Westelijke Balkan potentiële kandidaten zijn voor het lidmaatschap van de Europese Unie.

(5)

De Europese Raad heeft op zijn bijeenkomst te Thessaloniki op 19 en 20 juni 2003 verwezen naar zijn conclusies van Kopenhagen (december 2002) en Brussel (maart 2003) en herhaald dat hij zijn volledige en daadwerkelijke steun wil verlenen aan het Europese perspectief van de landen van de Westelijke Balkan, en te kennen gegeven dat deze landen integraal deel zullen gaan uitmaken van de Europese Unie zodra zij voldoen aan de vastgestelde criteria.

(6)

De Europese Raad van Thessaloniki van 2003 heeft voorts verklaard dat het stabilisatie- en associatieproces het algemene kader zal vormen voor de Europese koers van de landen van de Westelijke Balkan tot aan hun toekomstige toetreding.

(7)

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie betreffende de conclusies van de Europese Raad van Thessaloniki erkend dat elk van de landen van de Westelijke Balkan onderweg is naar toetreding, maar tegelijkertijd benadrukt dat elk land op zijn eigen merites moet worden beoordeeld.

(8)

Alle landen van de Westelijke Balkan kunnen derhalve worden beschouwd als potentiële kandidaat-lidstaten, maar het is wenselijk een duidelijk onderscheid te maken tussen kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten.

(9)

De Europese Raad van Brussel van 17 en 18 juni 2004 heeft voorts aanbevolen toetredingsonderhandelingen te openen met Kroatië.

(10)

De Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005 heeft besloten aan de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de status van kandidaat-lidstaat te verlenen.

(11)

Bovendien heeft de Europese Raad van 16 en 17 december 2004 aanbevolen dat de Europese Unie, parallel aan de toetredingsonderhandelingen, met elke kandidaat-lidstaat een intensieve politieke en culturele dialoog aangaat.

(12)

In het belang van de samenhang en consequentie van de communautaire hulp dient de pretoetredingssteun aan kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten te worden verstrekt binnen een samenhangend kader, waarbij lering wordt getrokken uit eerdere pretoetredingsinstrumenten en uit Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad van 5 december 2000 betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (3), terwijl deze steun tevens dient te sporen met het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap overeenkomstig artikel 181 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(13)

De steun aan kandidaat-lidstaten en aan potentiële kandidaat-lidstaten moet hen blijven ondersteunen bij hun inspanningen om de democratische instellingen en de rechtsstaat te versterken, de overheidsdiensten te hervormen, economische hervormingen door te voeren, de mensenrechten en de rechten van minderheden te eerbiedigen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld te steunen en zowel regionale samenwerking als verzoening en wederopbouw te stimuleren, en bij te dragen tot duurzame ontwikkeling en tot de terugdringing van de armoede in deze landen. Derhalve moet deze erop gericht zijn een groot aantal uiteenlopende maatregelen op het gebied van institutionele opbouw te ondersteunen.

(14)

De steun aan kandidaat-lidstaten moet verder gericht zijn op de goedkeuring en tenuitvoerlegging van het volledige acquis communautaire en in het bijzonder de kandidaat-lidstaten voorbereiden op de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouw- en cohesiebeleid van de Gemeenschap.

(15)

De steun aan potentiële kandidaat-lidstaten kan eveneens gericht zijn op bepaalde maatregelen ten behoeve van de aanpassing aan het acquis communautaire en op de ondersteuning van investeringsprojecten, waarmee met name de ontwikkeling van beheerscapaciteiten wordt beoogd binnen de afdeling Regionale ontwikkeling, Ontwikkeling van het menselijk potentieel en Plattelandsontwikkeling.

(16)

De steun moet worden verstrekt op basis van een uitgebreide meerjarenstrategie die overeenstemt met de prioriteiten van het stabilisatie- en associatieproces en het pretoetredingsproces.

(17)

Ten behoeve van het financiële gedeelte van deze strategie, en onverminderd de prerogatieven van de Begrotingsautoriteit, dient de Commissie haar voornemens voor de financiële toewijzingen voor de volgende drie jaar kenbaar te maken door middel van een indicatief financieel meerjarenprogramma, als volwaardig onderdeel van haar jaarlijks uitbreidingspakket.

(18)

De afdelingen Omschakeling en institutionele opbouw en Grensoverschrijdende samenwerking moeten openstaan voor alle begunstigde landen om hen te helpen bij het proces van omschakeling en toenadering tot de EU, alsmede om de regionale samenwerking tussen deze landen onderling te stimuleren.

(19)

De afdelingen Regionale ontwikkeling, Ontwikkeling van het menselijk potentieel en Plattelandsontwikkeling dienen alleen open te staan voor kandidaat-lidstaten met een accreditatie voor het gedecentraliseerde beheer van fondsen, teneinde hen te helpen zich voor te bereiden op de periode na de toetreding, in het bijzonder met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en het beleid inzake plattelandsontwikkeling van de Gemeenschap.

(20)

Potentiële kandidaat-lidstaten en kandidaat-lidstaten die niet zijn geaccrediteerd voor het gedecentraliseerde beheer van fondsen, dienen evenwel in het kader van de afdeling Omschakeling en institutionele opbouw in aanmerking te komen voor maatregelen en acties die vergelijkbaar zijn met die welke beschikbaar zullen zijn in de afdelingen Regionale ontwikkeling, Ontwikkeling van het menselijk potentieel en Plattelandsontwikkeling.

(21)

De pretoetredingssteun moet worden beheerd overeenkomstig de regels voor buitenlandse hulp van Verordening (EG) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4), waarbij gebruik moet worden gemaakt van de structuren die hun waarde hebben bewezen in het pretoetredingsproces, zoals gedecentraliseerd beheer, jumelages en TAIEX (Technical Assistance Information Exchange Instrument). Ook vernieuwende benaderingen moeten mogelijk worden gemaakt, zoals de tenuitvoerlegging door de lidstaten onder gedeeld beheer van grensoverschrijdende programma's betreffende de buitengrenzen van de Europese Unie. De overdracht van kennis en expertise betreffende de uitvoering van het acquis communautaire, van lidstaten met relevante ervaring naar de begunstigden van deze verordening, zou in dat verband bijzonder waardevol moeten zijn.

(22)

De maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(23)

De jaarprogramma's of meerjarenprogramma's — horizontaal en per land — voor de uitvoering van de steun uit hoofde van de afdelingen Omschakeling en institutionele opbouw en Grensoverschrijdende samenwerking dienen eveneens aan een beheerscomité te worden voorgelegd, overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad.

(24)

Ook de meerjarenprogramma's voor de uitvoering van de afdelingen Regionale ontwikkeling, Ontwikkeling van het menselijk potentieel en Plattelandsontwikkeling dienen te worden voorgelegd aan een comité, overeenkomstig Besluit 1999/468/EG. Aangezien deze maatregelen nauw zullen aansluiten bij de praktijk van de Structuurfondsen en van Plattelandsontwikkeling, dient met betrekking tot deze maatregelen voorzover mogelijk gebruik te worden gemaakt van de comités die voor de Structuurfondsen en voor Plattelandsontwikkeling zijn ingesteld.

(25)

Wanneer de Commissie deze verordening via gedecentraliseerd beheer ten uitvoer legt, neemt zij alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om de financiële belangen van de Europese Gemeenschap te beschermen, in het bijzonder door in dit verband de regels en normen van het acquis communautaire te hanteren. Wanneer de Commissie deze verordening via andere vormen van beheer ten uitvoer legt, dienen de financiële belangen van de Gemeenschap te worden beschermd door de sluiting van passende overeenkomsten die in dit verband voldoende waarborgen bevatten.

(26)

Regels betreffende het in aanmerking komen voor deelname aan openbare aanbestedingen en de gunning van opdrachten, evenals regels betreffende de oorsprong van leveringen, moeten worden opgesteld overeenkomstig de recente ontwikkelingen binnen de Europese Unie betreffende de ontkoppeling van hulp, maar moeten voldoende ruimte overlaten om soepel te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen op dit gebied.

(27)

Wanneer de beginselen waarop de Europese Unie gegrondvest is, door een begunstigd land worden geschonden, of wanneer onvoldoende vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van de criteria van Kopenhagen en de prioriteiten van het Europese partnerschap of het Toetredingspartnerschap, moet de Raad, op voorstel van de Commissie, de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Het Europees Parlement moet onverwijld volledig op de hoogte worden gebracht.

(28)

De Raad moet deze verordening volgens een vereenvoudigde procedure kunnen wijzigen met betrekking tot de status van een begunstigd land II.

(29)

Landen die uit hoofde van de andere instrumenten voor regionale buitenlandse hulp in aanmerking komen, moeten op basis van wederkerigheid kunnen deelnemen aan de maatregelen uit hoofde van deze verordening wanneer dit een toegevoegde waarde biedt wegens de regionale, grensoverschrijdende, transnationale of mondiale aard van de betrokken maatregel.

(30)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening betrekking hebben op de geleidelijke aanpassing van de begunstigde landen aan de normen en het beleid van de Europese Unie, inclusief, waar van toepassing, het acquis communautaire, met als uiteindelijk doel toetreding, kan het beoogde resultaat niet in voldoende mate worden bereikt door deze maatregelen te nemen op het niveau van de lidstaten, en kunnen zij beter op het niveau van de Gemeenschap worden bereikt, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het EG-Verdrag. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

(31)

Aangezien artikel 181 A van het EG-Verdrag bepaalt dat maatregelen voor economische, financiële en technische samenwerking met derde landen de maatregelen van de lidstaten aanvullen, zijn de Commissie en de lidstaten vastbesloten te zorgen voor de coördinatie, de samenhang en de complementariteit van hun steun, overeenkomstig de in 2001 door de EU vastgestelde richtsnoeren voor de versterking van de operationele coördinatie tussen de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van externe hulp, met name door regelmatig overleg en frequente uitwisseling van relevante informatie in de diverse fasen van de steuncyclus.

(32)

Een financieel referentiebedrag in de zin van punt 38 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (6), is voor de volledige duur van dit instrument in deze verordening opgenomen, zulks evenwel onverminderd de bevoegdheden van de Begrotingsautoriteit zoals deze door het Verdrag zijn vastgesteld.

(33)

De instelling van een nieuw systeem voor pretoetredingssteun van de Gemeenschap maakt de intrekking noodzakelijk van Verordening (EEG) nr. 3906/89 van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van de Republiek Hongarije en de Volksrepubliek Polen (7), Verordening (EG) nr. 2760/98 van de Commissie van 18 december 1998 betreffende de tenuitvoerlegging van een programma voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Phare-programma (8), Verordening (EG) nr. 1266/1999 van de Raad van 21 juni 1999 betreffende de coördinatie van de bijstand aan de kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie (9), Verordening (EG) nr. 1267/1999 van 21 juni 1999 tot instelling van een pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid (10), Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad van 21 juni 1999 inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode (11), Verordening (EG) nr. 555/2000 van de Raad van 13 maart 2000 betreffende de uitvoering van acties in het kader van de pretoetredingsstrategie voor de Republiek Cyprus en de Republiek Malta (12), Verordening (EG) nr. 2500/2001 van de Raad van 17 december 2001 betreffende financiële pretoetredingssteun voor Turkije (13), en Verordening (EG) nr. 2112/2005 van de Raad van 21 november 2005 inzake de toegang tot buitenlandse hulp van de Gemeenschap. Deze verordening komt voorts in de plaats van Verordening (EG) nr. 2666/2000 van 5 december 2000 betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (14), die op 31 december 2006 verstrijkt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Begunstigden en algemene doelstelling

De Gemeenschap verleent de landen die zijn opgenomen in de bijlagen pretoetredingssteun voor hun geleidelijke aanpassing aan de normen en het beleid van de Europese Unie, waar van toepassing met inbegrip van het acquis communautaire, met het oog op toetreding.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   De pretoetredingssteun wordt, waar van toepassing, in de in bijlagen I en II genoemde begunstigde landen gebruikt ter ondersteuning van de volgende gebieden:

a)

versterking van democratische instellingen, alsmede de rechtsstaat, met inbegrip van de wetshandhaving,

b)

bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden alsook verbetering van de eerbiediging van de rechten van minderheden en de bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen, alsmede non-discriminatie,

c)

de hervorming van overheidsdiensten, met inbegrip van de invoering van een systeem waarin het beheer van de steun kan worden gedelegeerd aan het begunstigde land in overeenstemming met de regels van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002;

d)

economische hervormingen;

e)

ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld;

f)

sociale integratie;

g)

verzoening, maatregelen om het vertrouwen te vergroten en wederopbouw;

h)

regionale en grensoverschrijdende samenwerking.

2.   In de landen van bijlage I is de pretoetredingssteun tevens bestemd voor de volgende gebieden:

a)

goedkeuring en tenuitvoerlegging van het acquis communautaire;

b)

steun voor het ontwikkelen van beleid alsmede voor de voorbereiding op de tenuitvoerlegging en het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en cohesiebeleid van de Gemeenschap.

3.   In de landen van bijlage II is de pretoetredingssteun tevens bestemd voor de volgende gebieden:

a)

geleidelijke aanpassing aan het acquis communautaire;

b)

sociale, economische en territoriale ontwikkeling, met inbegrip van infrastructuur en investeringsgerelateerde activiteiten, met name in de afdelingen Regionale ontwikkeling, Ontwikkeling van menselijk potentieel en Plattelandsontwikkeling.

Artikel 3

Afdelingen

1.   In het kader van de programmering en de tenuitvoerlegging wordt de pretoetredingssteun onderverdeeld in de volgende afdelingen:

a)

omschakeling en institutionele opbouw;

b)

grensoverschrijdende samenwerking;

c)

regionale ontwikkeling;

d)

ontwikkeling van het menselijk potentieel;

e)

plattelandsontwikkeling.

2.   De Commissie ziet toe op de onderlinge afstemming en de samenhang van de steun die uit hoofde van de verschillende afdelingen wordt toegekend.

3.   De Commissie stelt de uitvoeringsvoorschriften voor deze verordening vast volgens de procedure van de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG. Daartoe wordt de Commissie bijgestaan door het in artikel 14, lid 1, bedoelde IPA-comité.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

Artikel 4

Politiek kader voor steunverlening

De pretoetredingssteun uit hoofde van deze verordening wordt verleend overeenkomstig het in de Europese en toetredingspartnerschappen vastgestelde algemene beleidskader voor het pretoetredingsproces; daarbij wordt naar behoren rekening gehouden met de verslagen en het strategiedocument die een onderdeel vormen van het jaarlijks uitbreidingspakket van de Commissie.

Artikel 5

Gegevens omtrent de voorgestelde indicatieve financiële toewijzingen

1.   Ter ondersteuning van de strategische planning als bedoeld in artikel 6 maakt de Commissie jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad zijn voornemens kenbaar met betrekking tot de financiële toewijzingen die voor de drie komende jaren zullen worden voorgesteld, in de vorm van een indicatief financieel meerjarenkader; daarbij wordt rekening gehouden met de financiële vooruitzichten, alsmede de Europese partnerschappen, de toetredingspartnerschappen, de verslagen en het strategiedocument.

2.   Dit indicatief meerjarenprogramma bevat de voornemens van de Commissie voor de toewijzing van middelen, uitgesplitst per afdeling, per land en per verscheidene landen bestrijkende actie. Het wordt opgesteld aan de hand van een aantal objectieve en transparante criteria, waaronder de behoeftebeoordeling, het opnemingsvermogen, de naleving van de conditionaliteit en de beheerscapaciteit. Er zal naar behoren rekening worden gehouden met buitengewone steunmaatregelen of interimresponsprogramma's die zijn goedgekeurd uit hoofde van een verordening betreffende het Stabiliteitsinstrument.

3.   Het indicatief financieel meerjarenprogramma wordt opgenomen in het jaarlijks uitbreidingspakket van de Commissie, waarbij een planningshorizon van drie jaar wordt aangehouden.

Artikel 6

Planning van de steunverlening

1.   Pretoetredingssteun uit hoofde van deze verordening wordt verleend op basis van indicatieve meerjarenplannen per land die in nauw overleg met de nationale autoriteiten worden opgesteld om de nationale strategieën te ondersteunen en de inzet en de betrokkenheid van het desbetreffende land te waarborgen. Het maatschappelijk middenveld en de andere belanghebbenden zullen hierbij in voorkomend geval worden betrokken. Er zal tevens rekening worden gehouden met andere bijstandprogramma's.

2.   Voor de landen van bijlage I wordt de pretoetredingssteun met name gebaseerd op de toetredingspartnerschappen. De steun heeft betrekking op de prioriteiten en de algemene strategie zoals vastgesteld aan de hand van een regelmatige analyse van de situatie in de afzonderlijke landen, en waarop de aandacht moet worden geconcentreerd tijdens de voorbereidingen op de toetreding. De planning van de steun vindt plaats volgens de door de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 vastgestelde criteria en in het licht van de voortgang bij de aanneming en uitvoering van het acquis communautaire, alsmede de regionale samenwerking.

3.   Voor de landen van bijlage II wordt de pretoetredingssteun met name gebaseerd op de Europese partnerschappen. De steun heeft betrekking op de prioriteiten en de algemene strategie zoals vastgesteld aan de hand van een regelmatige analyse van de situatie in de afzonderlijke landen en waarop de aandacht moet worden geconcentreerd tijdens de voorbereidingen op de verdere integratie in de Europese Unie. De planning van de steun vindt plaats volgens de door de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 vastgestelde criteria en in het licht van de voortgang bij de uitvoering van de stabilisatie en associatie-overeenkomsten, inclusief regionale samenwerking.

4.   De indicatieve meerjarenplannen bevatten indicatieve toewijzingen voor de belangrijkste prioriteiten van elke afdeling, rekening houdend met de in het indicatieve financiële meerjarenprogramma voorgestelde indicatieve verdeling per land en per afdeling. Indien nodig bevatten zij ook gegevens omtrent de financiering van meerjarenprogramma's en horizontale initiatieven.

5.   De indicatieve meerjarenplannen worden opgesteld voor een tijdvak van drie jaar. Zij worden jaarlijks geëvalueerd.

6.   De Commissie stelt de indicatieve meerjarenplannen en de jaarlijkse evaluaties daarvan vast volgens de procedure van artikel 14, lid 2, onder a).

Artikel 7

Programmering

1.   De pretoetredingssteun uit hoofde van deze verordening wordt verleend via meerjarenprogramma's of jaarprogramma's die per land en per afdeling, of in voorkomend geval per groep landen of per thema, zijn opgesteld volgens de in de indicatieve meerjarenplannen vastgestelde prioriteiten.

2.   De programma's bevatten een opgave van de nagestreefde doelstellingen, de interventiegebieden, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale bedrag van de geplande financiering. Zij bevatten een summiere beschrijving van het soort te financieren maatregelen, een raming van de benodigde financieringsbedragen voor elke soort activiteit en een indicatief tijdschema voor de uitvoering ervan. Indien van toepassing wordt aangegeven hoe lering is getrokken uit eerdere maatregelen op het gebied van pretoetredingssteun. De doelstellingen moeten specifiek, relevant en meetbaar zijn en tijdgebonden benchmarks bevatten.

3.   De Commissie neemt de meerjarenprogramma's en jaarprogramma's en de evaluaties daarvan aan volgens de procedure van artikel 14, lid 2.

TITEL II

REGELS BETREFFENDE SPECIFIEKE AFDELINGEN

Artikel 8

Omschakeling en institutionele opbouw

1.   De afdeling Omschakeling en institutionele opbouw dient ter ondersteuning van de landen van de bijlagen I en II bij het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 2.

2.   Deze afdeling kan onder andere worden gebruikt voor de financiering van institutionele en capaciteitsopbouw en investeringen voorzover laatstgenoemde niet onder de artikelen 9 tot en met 12 van deze verordening vallen.

3.   Tevens mag de pretoetredingssteun uit hoofde van deze afdeling worden aangewend voor de ondersteuning van de landen van de bijlagen I en II bij activiteiten in verband met communautaire programma's en agentschappen. Daarnaast mag steun worden verstrekt voor regionale en horizontale programma's.

Artikel 9

Grensoverschrijdende samenwerking

1.   De afdeling Grensoverschrijdende samenwerking dient ter ondersteuning van de landen van de bijlagen I en II bij grensoverschrijdende en, waar van toepassing, transnationale en interregionale samenwerking tussen deze landen onderling of tussen deze landen en EU-lidstaten.

2.   Deze samenwerking heeft ten doel betrekkingen van goed nabuurschap te stimuleren, de stabiliteit, veiligheid en welvaart te bevorderen in het wederzijdse belang van alle betrokken landen en hun harmonieuze, evenwichtige en duurzame groei te ondersteunen.

3.   In het geval van grensoverschrijdende samenwerking met lidstaten zijn op de financiële bijdragen in het kader van het EFRO en de onderhavige verordening de desbetreffende bepalingen van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds van toepassing (15).

4.   De samenwerking wordt gecoördineerd met andere communautaire instrumenten voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking. In het geval van grensoverschrijdende samenwerking met lidstaten dekt deze afdeling de regio's aan weerszijden van de respectieve land- of zeegrenzen.

5.   Binnen de doelstellingen van dit artikel kan deze afdeling onder andere worden aangewend voor de financiering van institutionele en capaciteitsopbouw, alsmede voor investeringen.

Artikel 10

Regionale ontwikkeling

1.   De afdeling Regionale ontwikkeling dient ter ondersteuning van de landen van bijlage I bij de ontwikkeling van beleid en de voorbereiding van de tenuitvoerlegging en het beheer van het cohesiebeleid van de Gemeenschap, in het bijzonder de voorbereiding van deze landen op het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds.

2.   Deze afdeling kan in het bijzonder worden aangewend voor de financiering van het type maatregelen waarin de Verordeningen (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (16) en (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van een Cohesiefonds (17) voorzien.

Artikel 11

Ontwikkeling van het menselijk potentieel

1.   De afdeling Ontwikkeling van het menselijk potentieel dient ter ondersteuning van landen van bijlage I bij de ontwikkeling van beleid en de voorbereiding van de tenuitvoerlegging en het beheer van het cohesiebeleid van de Gemeenschap, in het bijzonder de voorbereiding van deze landen op het Europees Sociaal Fonds.

2.   Deze afdeling kan in het bijzonder worden aangewend voor de financiering van het type maatregelen waarin Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds (18) voorziet.

Artikel 12

Plattelandsontwikkeling

1.   De afdeling Plattelandsontwikkeling dient ter ondersteuning van de landen van bijlage I voor de ontwikkeling van beleid en de voorbereiding van de tenuitvoerlegging en het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Gemeenschap. Deze afdeling is in het bijzonder bedoeld om bij te dragen tot de duurzame aanpassing van de landbouwsector en de plattelandsgebieden alsmede tot de voorbereiding van de kandidaat-lidstaten op de tenuitvoerlegging van het acquis communautaire met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid en daarmee verwant beleid.

2.   Deze afdeling kan in het bijzonder worden aangewend voor de financiering van het type maatregelen waarin Verordening (EG) nr. 1698/2005 van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (19) voorziet.

TITEL III

BEHEER EN TENUITVOERLEGGING

Artikel 13

Beheer van de pretoetredingssteun, verslaglegging

1.   De Commissie is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van deze verordening. Zij handelt daarbij in overeenstemming met de procedure van artikel 14 en de uitvoeringsvoorschriften bedoeld in artikel 3, lid 3.

2.   Maatregelen uit hoofde van deze verordening worden beheerd, gecontroleerd, geëvalueerd en gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1605/2002. De financiering van de Gemeenschap kan meer bepaald de vorm aannemen van financieringsovereenkomsten tussen de Commissie en het begunstigde land, leverings- of subsidiecontracten met nationale of internationale publiekrechtelijke organen of natuurlijke of rechtspersonen die belast zijn met de uitvoering van de maatregel, of arbeidsovereenkomsten. Voor grensoverschrijdende programma's met lidstaten overeenkomstig artikel 9 van deze verordening kan de tenuitvoerlegging worden gedelegeerd aan de lidstaten. Zij worden in dat geval ten uitvoer gelegd onder gedeeld beheer overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. In het geval van gedeeld beheer handelt de met het beheer belaste autoriteit in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van Verordening (EG) nr. 1083/2006.

3.   Met het oog op de tenuitvoerlegging van maatregelen met andere donoren, kan de Commissie financiële middelen van deze donoren ontvangen en beheren als bestemmingsontvangsten, in overeenstemming met artikel 18 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

4.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie in overeenstemming met artikel 54 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 overheidstaken, en met name taken tot uitvoering van de begroting, toevertrouwen aan de in artikel 54, lid 2, van die verordening genoemde organen. De in artikel 54, lid 2, onder c), van die verordening genoemde organen mogen worden belast met overheidstaken als zij een goede internationale reputatie genieten, internationaal erkende beheers- en controlesystemen hanteren en gecontroleerd worden door de overheid.

5.   Vastleggingen voor maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan een begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

6.   De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van de communautaire pretoetredingssteun uit hoofde van dit instrument. In het verslag wordt informatie verstrekt over de maatregelen die gedurende het jaar zijn gefinancierd en over de resultaten van het toezicht op de werkzaamheden. Tevens wordt een beoordeling gegeven van de resultaten die zijn behaald bij de tenuitvoerlegging van de pretoetredingssteun.

Artikel 14

Comités

1.   Er wordt een IPA-comité ingesteld, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Het staat de Commissie met name bij in haar taak toezicht uit te oefenen op de onderlinge afstemming en de samenhang van de steun die uit hoofde van de verschillende afdelingen wordt toegekend, zoals vereist in artikel 3, lid 2, van deze verordening.

Het IPA-comité stelt zijn reglement van orde vast.

2.

a)

De Commissie stelt de in artikel 6 bedoelde indicatieve meerjarenplannen en jaarlijkse evaluaties daarvan, alsook de programma's voor steunverlening uit hoofde van de artikelen 8 en 9, vast volgens de procedure van de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG. Daartoe wordt de Commissie bijgestaan door het IPA-comité.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

b)

De Commissie stelt de programma's voor steunverlening uit hoofde van artikel 10 van deze verordening vast volgens de procedure van de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG. Daartoe wordt de Commissie bijgestaan door het in artikel 103 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde Coördinatiecomité van het Fonds.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

c)

Na overleg met het bij artikel 147 van het EG-Verdrag ingestelde comité stelt de Commissie de programma's voor steunverlening uit hoofde van artikel 11 van deze verordening vast volgens de procedure van de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG. Daartoe wordt de Commissie bijgestaan door het in artikel 103 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde Coördinatiecomité van het Fonds.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

d)

De Commissie stelt de programma's voor steunverlening uit hoofde van artikel 12 van deze verordening vast volgens de procedure van de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG. Daartoe wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor plattelandsontwikkeling opgericht bij artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

3.   De Commissie stelt besluiten inzake de financiering die niet onder een meerjarenprogramma of jaarprogramma vallen, vast volgens de procedure van lid 2, onder a).

4.   Wijzigingen van de meerjaren- en jaarprogramma's en de in lid 3 bedoelde besluiten worden door de Commissie vastgesteld indien deze geen ingrijpende veranderingen meebrengen in de aard van de oorspronkelijke programma's en maatregelen en wat het financiële aspect betreft niet meer dan 20 % uitmaken van het totaalbedrag dat aan het programma of de maatregel in kwestie is toegewezen, met een maximum van 4 miljoen EUR. Het comité dat advies heeft uitgebracht over het oorspronkelijke programma of de oorspronkelijke maatregel wordt in kennis gesteld van alle wijzigingsbesluiten.

5.   Een waarnemer van de Europese Investeringsbank neemt deel aan de werkzaamheden van de comités voor wat betreft kwesties die betrekking hebben op de Bank.

Artikel 15

Soorten steun

1.   De pretoetredingssteun die uit hoofde van deze verordening wordt verleend kan onder andere worden gebruikt voor het financieren van investeringen, leveringscontracten, subsidies, inclusief rentesubsidies, bijzondere leningen, leninggaranties en financiële steun, begrotingssteun en andere specifieke vormen van begrotingshulp, alsmede van participaties in het kapitaal van internationale financiële instellingen of regionale ontwikkelingsbanken, voor zover het financiële risico van de Gemeenschap beperkt is tot het bedrag van deze middelen. Begrotingssteun is uitzonderlijk en omgeven met welomschreven doelstellingen en daaraan gerelateerde toetsingen, en is afhankelijk van de vraag of het begunstigde land de overheidsuitgaven op voldoende transparante, verantwoordelijke en doeltreffende wijze controleert en een goed uitgewerkt macro-economisch of sectoraal beleid heeft opgezet dat door de internationale financiële instellingen in beginsel is goedgekeurd. Begrotingssteun wordt alleen uitbetaald indien er qua gevolgen en resultaten voldoende vooruitgang is geboekt met het verwezenlijken van de doelstellingen.

2.   De steun kan ten uitvoer worden gelegd door middel van administratieve samenwerkingsmaatregelen waarvoor deskundigen van de overheidssector uit de lidstaten worden gedetacheerd. Deze projecten worden ten uitvoer gelegd volgens de uitvoeringsbepalingen die worden vastgesteld door de Commissie.

3.   De steun kan ook worden aangewend om de kosten te dekken van deelname door de Gemeenschap aan internationale missies, initiatieven of organisaties die zich actief inzetten voor de belangen van het begunstigde land, inclusief administratiekosten.

4.   De financiering van de Gemeenschap wordt in beginsel niet aangewend ter betaling van belastingen, rechten of heffingen in de begunstigde landen die zijn vermeld in de bijlagen I en II.

Artikel 16

Ondersteunende maatregelen

De steun kan ook de kosten dekken van voorbereidende werkzaamheden, follow-up, audits en evaluaties die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor het beheer van het programma en het verwezenlijken van de doelstellingen daarvan, zoals studies, bijeenkomsten, voorlichting en publiciteit, kosten van informaticanetwerken voor de uitwisseling van informatie, en alle andere kosten van technische en administratieve ondersteuning waarop de Commissie voor het beheer van het programma een beroep doet. Dit omvat ook de uitgaven voor administratieve ondersteuning door de delegaties van de Commissie in niet-lidstaten die zich bezighouden met het beheer van het programma.

Artikel 17

Tenuitvoerlegging van de pretoetredingssteun

1.   De Commissie en de begunstigde landen sluiten kaderovereenkomsten voor de tenuitvoerlegging van de pretoetredingssteun.

2.   Voorzover nodig worden aanvullende overeenkomsten betreffende de tenuitvoerlegging van de steun gesloten tussen de Commissie en het begunstigde land of de tenuitvoerleggende autoriteiten.

Artikel 18

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   Alle overeenkomsten die uit deze verordening voortvloeien, dienen bepalingen te bevatten ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, met name ten aanzien van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (20), Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (21) en Verordening (EG, Euratom) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (22).

2.   Overeenkomsten dienen uitdrukkelijk te bepalen dat de Commissie en de Rekenkamer het recht wordt verleend om op basis van documenten of ter plaatse auditcontroles uit te voeren, bij alle contractanten en subcontractanten die middelen van de Gemeenschap hebben ontvangen. Voorts dienen zij de Commissie er uitdrukkelijk toe te machtigen controles en verificaties ter plaatse uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96.

3.   Alle overeenkomsten die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de steun dienen de in lid 2 bedoelde rechten van de Commissie en de Rekenkamer veilig te stellen, zowel tijdens als na de uitvoering van de overeenkomst.

Artikel 19

Regels voor deelname en oorsprong, subsidiabiliteit

1.   De procedures voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, staan open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van en alle rechtspersonen die gevestigd zijn in een lidstaat, een land dat voor steun op grond van deze verordening in aanmerking komt, een land dat voor het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument in aanmerking komt, of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

2.   De procedures voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, staan ook open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van en alle rechtspersonen die gevestigd zijn in een ander dan de in lid 1 genoemde landen mits wederkerige toegang tot hun buitenlandse hulp is vastgesteld.

De wederkerige toegang tot de buitenlandse hulp van de Gemeenschap wordt vastgesteld bij een specifiek besluit voor een bepaald land of een bepaalde regionale groep landen. Dit besluit wordt door de Commissie aangenomen volgens de procedure van artikel 14, lid 2, en is ten minste één jaar van kracht.

Wederkerige toegang tot de buitenlandse hulp van de Gemeenschap wordt toegekend op basis van een vergelijking tussen de Gemeenschap en andere donoren op sectoraal niveau of op het niveau van het gehele land, ongeacht of dit land donorland of ontvangend land is. Of deze wederkerigheid ten aanzien van een donorland wordt toegepast, is afhankelijk van de transparantie, de consistentie en de evenredigheid van de door de donor verleende steun, met name uit kwalitatief en kwantitatief oogpunt. De begunstigde landen worden geraadpleegd bij het in dit lid beschreven proces.

3.   De procedures voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, staan open voor internationale organisaties.

4.   Deskundigen die in het kader van de gunning van opdrachten en overeenkomsten worden voorgesteld, hoeven niet aan de in lid 1 en lid 2 vastgestelde nationaliteitseisen te voldoen.

5.   Alle goederen en materialen die worden aangekocht uit hoofde van een overeenkomst die uit hoofde van deze verordening wordt gefinancierd, moeten afkomstig zijn uit de Gemeenschap of uit een land dat op grond van lid 1 of lid 2 voor subsidie in aanmerking komt. Voor de toepassing van deze verordening wordt „oorsprong” gedefinieerd conform de vigerende Gemeenschapswetgeving betreffende de oorsprongsregels voor douanedoeleinden.

6.   De Commissie kan, in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen, de deelname van natuurlijke personen die onderdaan zijn van en van rechtspersonen die gevestigd zijn in een ander dan de in lid 1 en lid 2 genoemde landen toestaan, of de aankoop van goederen en materialen van een andere dan de in lid 5 bedoelde oorsprong toestaan. De afwijkingen kunnen gerechtvaardigd zijn ingeval de goederen en de diensten op de markten van de betrokken landen niet beschikbaar zijn, in extreme noodgevallen of indien de toepassing van de voorschriften voor het in aanmerking nemen de uitvoering van een project, programma of actie onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

7.   Overeenkomstig artikel 114 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 kunnen natuurlijke personen subsidie ontvangen.

8.   Indien de communautaire financiering betrekking heeft op een operatie die via een internationale organisatie wordt uitgevoerd, staan de betrokken procedures voor de gunning van opdrachten en overeenkomsten open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de leden 1 en 2 in aanmerking komen, alsmede voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de regels van de betrokken organisatie in aanmerking komen, waarbij moet worden toegezien op gelijke behandeling van alle donoren. Dezelfde voorschriften gelden voor goederen, materialen en deskundigen.

Indien de communautaire financiering betrekking heeft op een operatie die gecofinancierd wordt door een lidstaat, met een derde land, onverminderd de in lid 2 bedoelde wederkerigheid, of met een regionale organisatie, staan de betrokken procedures voor de gunning van opdrachten en overeenkomsten open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de leden 1, 2 en 3 in aanmerking komen, alsmede voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de regelgeving van de lidstaat, het derde land of de regionale organisatie in aanmerking komen. Dezelfde voorschriften gelden voor goederen, materialen en deskundigen.

Artikel 20

Samenhang, compatibiliteit en coördinatie

1.   De uit hoofde van deze verordening gefinancierde programma's en projecten sluiten aan bij het beleid van de Europese Unie. Zij zijn in overeenstemming met de overeenkomsten die de Gemeenschap en haar lidstaten met de begunstigde landen hebben gesloten en eerbiedigen de verplichtingen uit hoofde van de multilaterale overeenkomsten waarbij deze partij zijn.

2.   De Commissie en de lidstaten zorgen voor de samenhang tussen de uit hoofde van deze verordening verleende communautaire steun en de financiële steun die door de Gemeenschap en de lidstaten via andere interne en externe financiële instrumenten en door de Europese Investeringsbank wordt verleend.

3.   De Commissie en de lidstaten zorgen voor de coördinatie van hun respectieve steunprogramma's om de doeltreffendheid en effectiviteit bij de uitkering van de steun te verbeteren overeenkomstig de vastgestelde richtsnoeren voor de versterking van de operationele coördinatie op het gebied van externe hulp, en om beleid en procedures op elkaar af te stemmen. Deze coördinatie omvat onder meer regelmatig overleg en de frequente uitwisseling van relevante informatie in de diverse fasen van de bijstandscyclus, met name op het terrein, en is een essentieel onderdeel van de programmeerprocedures van de lidstaten en de Gemeenschap.

4.   De Commissie neemt in overleg met de lidstaten de nodige maatregelen om te zorgen voor goede coördinatie, harmonisatie en samenwerking met multilaterale en regionale organisaties en instellingen, zoals internationale financiële instellingen, organisaties, fondsen en programma's van de Verenigde Naties, en niet-EU donoren.

Artikel 21

Opschorting van de steun

1.   De eerbieding van de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de rechten van de mensen, de rechten van minderheden en de fundamentele vrijheden is een element dat van doorslaggevend belang is voor de toepassing van deze verordening en de uitkering van steun uit hoofde van deze verordening. Communautaire steun aan Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië, inclusief Kosovo, is voorts onderworpen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld door de Raad in zijn conclusies van 29 april 1997, in het bijzonder met betrekking tot de toezegging van de begunstigden om democratische, economische en institutionele hervormingen door te voeren.

2.   Wanneer een begunstigd land in gebreke blijft bij de naleving van deze beginselen of van de verbintenissen van het desbetreffende partnerschap met de Europese Unie of wanneer de vooruitgang bij het vervullen van de criteria voor toetreding onvoldoende is, kan de Raad, met eenparigheid van stemmen en op voorstel van de Commissie, passende stappen nemen met betrekking tot de steun die uit hoofde van deze verordening wordt verleend. Het Europees Parlement wordt onverwijld en volledig op de hoogte gebracht van elk besluit in dit verband.

Artikel 22

Evaluatie

De Commissie evalueert op gezette tijden de resultaten en de doeltreffendheid van het beleid en de programma's en de effectiviteit van de programmering om zich ervan te vergewissen of de doelstellingen zijn verwezenlijkt en om aanbevelingen te kunnen opstellen om toekomstige operaties beter te laten verlopen. De Commissie legt alle desbetreffende evaluatierapporten ter bespreking voor aan de in artikel 14 bedoelde beheerscomités. De resultaten worden benut bij het ontwerpen van programma's en het toewijzen van middelen.

TITEL IV

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 23

Status van begunstigd land

Indien een begunstigd land van bijlage II de status van kandidaat-lidstaat voor toetreding tot de Europese Unie krijgt, besluit de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie, dit land over te brengen van bijlage II naar bijlage I.

Artikel 24

Bepaling inzake kruiselingse toepassing van instrumenten

Omwille van een consequente werkwijze en de doelmatigheid van de communautaire pretoetredingssteun, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 14, lid 2, onder a), andere derde landen, grondgebieden en regio's aanwijzen als begunstigde van maatregelen uit hoofde van deze verordening indien het desbetreffende project of programma een regionaal, grensoverschrijdend, transnationaal of mondiaal karakter heeft. Daarbij tracht de Commissie doublures met andere instrumenten voor externe financiële bijstand te voorkomen.

Artikel 25

Overgangsbepalingen

1.   Met ingang van 1 januari 2007 worden de Verordeningen (EEG) nr. 3906/89, (EG) nr. 2760/98, (EG) nr. 1266/1999, (EG) nr. 1267/1999, (EG) nr. 1268/1999, (EG) nr. 555/2000, (EG) nr. 2500/2001 en (EG) nr. 2112/2005 ingetrokken.

Die verordeningen, alsook Verordening (EG) nr. 2666/2000, blijven van toepassing voor rechtshandelingen en vastleggingen voor de begrotingsjaren voorafgaande aan 2007, alsook voor de toepassing van artikel 31 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (23).

2.   Indien blijkt dat specifieke maatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van het systeem zoals ingesteld bij de Verordeningen (EEG) nr. 3906/89, (EG) nr. 2760/98, (EG) nr. 1266/1999, (EG) nr. 1267/1999, (EG) nr. 1268/1999, (EG) nr. 555/2000, (EG) nr. 2666/2000 of (EG) nr. 2500/2001, naar het systeem van deze verordening, worden deze maatregelen vastgesteld door de Commissie volgens de procedures van artikel 14 van deze verordening.

Artikel 26

Financieel referentiebedrag

Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van deze verordening gedurende de periode 2007-2013 is 11 468 miljoen EUR. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegekend binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 27

Herziening

Uiterlijk 31 december 2010 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor met een evaluatie van de uitvoering van de verordening in de eerste drie jaar, met, indien nodig, een wetgevingsvoorstel om de nodige wijzigingen in het instrument aan te brengen.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 juli 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

E. TUOMIOJA


(1)  Advies van 6 juli 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 231 van 20.9.2005, blz. 67.

(3)  PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005 (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 23).

(4)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(7)  PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2257/2004 (PB L 389 van 31.12.2004, blz. 1).

(8)  PB L 345 van 19.12.1998, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1045/2005 (PB L 172 van 5.7.2005, blz. 78).

(9)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 68.

(10)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005 (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 23).

(11)  PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005.

(12)  PB L 68 van 16.3.2000, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 769/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 1).

(13)  PB L 342 van 27.12.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005.

(14)  PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005.

(15)  Zie bladzijde 25 van dit Publicatieblad.

(16)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(17)  Zie bladzijde 79 van dit Publicatieblad.

(18)  Zie bladzijde 12 van dit Publicatieblad.

(19)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(20)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(21)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(22)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(23)  PB L 157 van 21.6.2005, blz. 203.


BIJLAGE I

Kroatië

Turkije

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië


BIJLAGE II

Albanië

Bosnië en Herzegovina

Montenegro

Servië, inclusief Kosovo (1)


(1)  Zoals vastgesteld in UNSCR 1244.