11.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 102/15


RICHTLIJN 2006/21/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 maart 2006

betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3), en gezien de gemeenschappelijke ontwerp-tekst die op 8 december 2005 door het Bemiddelingscomité is goedgekeurd,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De mededeling van de Commissie „Veilig uitoefenen van mijnbouwactiviteiten: follow-up van recente mijnongevallen” noemt als een van haar prioritaire maatregelen een initiatief om het beheer van afval van de winningsindustrieën te reguleren. Deze maatregel is bedoeld als aanvulling op initiatieven met betrekking tot Richtlijn 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van de Raad betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (4), alsook de opstelling van een document met beste beschikbare technieken op het gebied van beheer van afvalgesteente en tailings afkomstig van mijnbouwactiviteiten in het algemene kader van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (5).

(2)

In zijn resolutie van 5 juli 2001 (6) met betrekking tot die mededeling acht het Europees Parlement een richtlijn betreffende afval van de winningsindustrieën dringend geboden.

(3)

Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (7) heeft voor afval dat nog ontstaat, als doel gesteld dat het gevaarlijke karakter ervan moet worden beperkt en dat het zo weinig mogelijk risico's met zich mee mag brengen, dat voorrang wordt gegeven aan de nuttige toepassing en vooral aan recycling, dat de hoeveelheid te verwijderen afval tot een minimum moet worden beperkt, dat afval op een veilige wijze moet worden verwijderd en dat afval dat voor verwijdering is bestemd, zo dicht mogelijk bij de plaats van ontstaan moet worden verwerkt, voorzover dit niet leidt tot een afname van de efficiëntie van de afvalverwerking. In Besluit nr. 1600/2002/EG wordt, onder verwijzing naar rampen en ongevallen, als prioritaire actie ook voorgesteld maatregelen te ontwikkelen om het gevaar van zware ongevallen te voorkomen, met bijzondere aandacht voor de gevaren van mijnbouw, en maatregelen te ontwikkelen op het gebied van mijnbouwafval. Een andere in Besluit nr. 1600/2002/EG voorgestelde prioritaire actie is de bevordering van het duurzame beheer van winningsindustrieën met het oog op de vermindering van de milieueffecten daarvan.

(4)

Overeenkomstig de doelstellingen van het communautaire milieubeleid dienen minimumvoorschriften te worden vastgesteld om nadelige effecten op het milieu of de volksgezondheid als gevolg van het beheer van afval van de winningsindustrieën, zoals tailings (d.w.z. de vaste afvalstoffen die achterblijven na de verwerking van het erts met verschillende technieken), afvalgesteente en deklaag (d.w.z. gesteente dat bij de winning — met inbegrip van de ontwikkelingsfase die aan de productie voorafgaat — wordt verplaatst om toegang te krijgen tot het erts of mineraal) en bovenste grondlaag (d.w.z. de bovenste laag van de bodem), te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, voorzover het gaat om afvalstoffen als gedefinieerd in Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (8).

(5)

Overeenkomstig punt 24 van de verklaring van Johannesburg over duurzame ontwikkeling die in het kader van de Verenigde Naties is aangenomen tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling moeten de natuurlijke hulpbronnen die de basis vormen van de economische en sociale ontwikkeling worden beschermd en moet de huidige achteruitgang van de natuurlijke hulpbronnen worden omgekeerd door een duurzaam en geïntegreerd beheer van deze bronnen.

(6)

Deze richtlijn dient derhalve het beheer van afval van winningsindustrieën op het land te bestrijken, dat wil zeggen afval dat afkomstig is van de prospectie, de winning (met inbegrip van de ontwikkelingsfase die aan de productie voorafgaat) de behandeling en de opslag van mineralen en de exploitatie van groeven. Het beheer dient echter wel gegrond te zijn op de beginselen en prioriteiten van Richtlijn 75/442/EEG die overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), ii), van toepassing blijft op alle aspecten van het beheer van afval van de winningsindustrieën die niet onder de onderhavige richtlijn vallen.

(7)

Teneinde overlapping en het instellen van onevenredige administratieve voorschriften te voorkomen, dient het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden beperkt tot de activiteiten die als prioriteit worden beschouwd voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn.

(8)

Deze richtlijn is dan ook niet van toepassing op de afvalstromen die, hoewel ze zijn ontstaan bij de winning of de verwerking van mineralen, geen direct verband houden met het winnings- of verwerkingsproces, bijvoorbeeld voedselresten, afgewerkte olie, autowrakken „end of life vehicles” gebruikte batterijen en accu's. Voor het beheer van dat afval dienen de bepalingen van Richtlijn 75/442/EEG of van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (9) of andere relevante communautaire wetgeving van toepassing te zijn, zoals het geval is voor afval dat wordt gegenereerd op een prospectie‐, winnings‐ of behandelingsterrein en wordt vervoerd naar een locatie die geen afvalvoorziening is in de zin van deze richtlijn.

(9)

Evenmin is deze richtlijn van toepassing op afval dat afkomstig is van de offshore-prospectie, ‐winning en ‐verwerking van mineralen, of de injectie van water en herinjectie van opgepompt grondwater; op inert afval, niet-gevaarlijk afval uit prospectie, niet-verontreinigde grond en afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf is vanwege het lagere milieurisico slechts een beperkte reeks voorschriften van toepassing. Voor niet-gevaarlijk niet-inert afval kunnen de lidstaten de voorschriften versoepelen of ontheffing ervan verlenen. Die uitzonderingen gelden evenwel niet voor afvalvoorzieningen van categorie A.

(10)

Hoewel deze richtlijn het beheer van — mogelijk radioactief — afval van de winningsindustrieën bestrijkt, moet zij niet gelden voor aspecten die specifiek zijn voor radioactiviteit, wat een materie is die in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom-Verdrag) wordt behandeld.

(11)

Om niet af te wijken van de beginselen en prioriteiten van Richtlijn 75/442/EEG, en met name de artikelen 3 en 4, dienen de lidstaten erop toe te zien dat exploitanten die actief zijn in de winningsindustrie, alle noodzakelijke maatregelen treffen om de reële en potentiële negatieve effecten die het beheer van afval van de winningsindustrieën heeft voor het milieu of de volksgezondheid, te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

(12)

Deze maatregelen dienen onder meer te worden gebaseerd op het concept van beste beschikbare technieken, zoals gedefinieerd in Richtlijn 96/61/EG; bij de toepassing van die technieken bepalen de lidstaten hoe er, waar nodig, rekening kan worden gehouden met de technische kenmerken, de geografische ligging en de plaatselijke milieuomstandigheden van de afvalvoorziening.

(13)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat exploitanten in de winningsindustrie passende afvalbeheersplannen voor de preventie of beperking tot een minimum, behandeling, nuttige toepassing en verwijdering van winningsafval opstellen. De plannen dienen zo te worden gestructureerd dat zij een passende planning van de afvalbeheersopties verzekeren, zodat de productie van afval en de schadelijkheid van afval tot een minimum wordt beperkt en de nuttige toepassing van afval wordt bevorderd. Voorts moet vermeld worden hoe het afval van de winningsindustrieën is samengesteld, teneinde te bewerkstelligen dat het afval voorzover mogelijk alleen op voorspelbare wijze reageert.

(14)

Om de risico's op ongevallen tot een minimum te beperken en een hoog niveau van bescherming voor het milieu en de volksgezondheid te garanderen, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat elke exploitant van een afvalvoorziening van categorie A een beleid ter preventie van zware ongevallen bepaalt en voert voor afval. Op het punt van preventieve maatregelen dient dit beleid in te houden dat een veiligheidsbeheerssysteem wordt ontworpen, dat noodplannen met het oog op ongevallen worden opgesteld en dat informatie over de veiligheid wordt verspreid onder personen die bij een zwaar ongeval kunnen worden getroffen. Exploitanten dienen te worden verplicht om bij een ongeval de bevoegde autoriteiten alle relevante informatie te verstrekken die nodig is om werkelijke of potentiële milieuschade te beperken. Deze voorschriften gelden niet voor de afvalvoorzieningen van de winningsindustrieën die vallen onder Richtlijn 96/82/EG.

(15)

Het indelen van een afvalvoorziening in categorie A mag niet uitsluitend gebaseerd zijn op risico's die verband houden met de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van werknemers in winningsindustrieën die onder andere communautaire wetgeving vallen, in het bijzonder onder de Richtlijnen 92/91/EEG (10) en 92/104/EEG (11).

(16)

Gezien de speciale aard van het beheer van afval van de winningsindustrieën, is het noodzakelijk een specifieke aanvraag- en vergunningenprocedure in te voeren voor afvalvoorzieningen die worden gebruikt om dat afval in ontvangst te nemen. Voorts dienen de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor een vergunning op gezette tijden opnieuw bezien en, waar nodig, bijstellen.

(17)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus), het publiek wordt geïnformeerd over de aanvraag voor een vergunning voor afvalbeheer en het betrokken publiek wordt geraadpleegd voordat een vergunning voor afvalbeheer wordt verleend.

(18)

Er dient duidelijk te worden aangegeven aan welke voorschriften afvalvoorzieningen voor de winningsindustrieën moeten voldoen uit het oogpunt van ligging, beheer, controle, sluiting, alsmede preventieve en beschermende maatregelen tegen eventuele gevaren voor het milieu, op korte en op lange termijn, en vooral tegen grondwaterverontreiniging door infiltratie van percolaat in de bodem.

(19)

De afvalvoorzieningen van categorie A die worden gebruikt voor afval van de winningsindustrieën, dienen duidelijk te worden gedefinieerd. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de effecten van een eventuele verontreiniging als gevolg van de exploitatie van de voorziening of van een ongeval waarbij afval vrijkomt uit de voorziening.

(20)

De bescherming van het oppervlaktewater en/of het grondwater, het verzekeren van de stabiliteit van dergelijk afval en een adequate monitoring bij de beëindiging van die activiteiten, vereist dat ook het afval dat in de uitgegraven ruimten wordt teruggeplaatst, hetzij met het oog op de rehabilitatie van die ruimten, hetzij voor bouwdoeleinden die verband houden met de winning van mineralen, zoals de constructie of het onderhoud in genoemde ruimten van toegangswegen voor machines, transporthellingen, schotten, veiligheidswanden of bermen, aan bepaalde eisen voldoet. De voorschriften van deze richtlijn die alleen gelden voor „afvalvoorzieningen”, zijn niet op dit soort afval van toepassing, met uitzondering van de voorschriften vastgesteld in de specifieke bepaling betreffende uitgegraven ruimten.

(21)

Teneinde een gedegen bouw en onderhoud te bewerkstelligen van afvalvoorzieningen die afval van de winningsindustrieën aanvaarden, dienen de lidstaten passende maatregelen te nemen om te verzekeren dat het ontwerp, de plaats van vestiging en het beheer van die voorzieningen worden bepaald door technisch competente personen. Er dient voor te worden gezorgd dat de exploitanten en hun personeel aan hun opleiding en kennis de vereiste vakbekwaamheid ontlenen. Daarnaast dienen de bevoegde autoriteiten zich ervan te vergewissen dat de exploitant zorgt voor passende regelingen inzake de bouw en het onderhoud van een nieuwe afvalvoorziening en inzake de uitbreiding of aanpassing van een bestaande voorziening, met inbegrip van de nazorgfase.

(22)

Er moeten procedures voor de monitoring tijdens de exploitatie en de nazorg van afvalvoorzieningen worden vastgesteld en er moet worden voorzien in een nazorgperiode voor de monitoring en controle van afvalvoorzieningen van categorie A die in verhouding staat tot het aan die specifieke afvalvoorziening verbonden risico, vergelijkbaar met de vereisten in Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen.

(23)

Er dient duidelijk te worden bepaald wanneer en hoe een afvalvoorziening voor de winningsindustrieën moet worden gesloten en de verplichtingen en verantwoordelijkheden die tijdens de periode na de sluiting op de exploitant rusten moeten worden beschreven.

(24)

De lidstaten dienen exploitanten van de winningsindustrieën te verplichten om monitorings- en beheersmaatregelen toe te passen, teneinde water‐ en bodemverontreiniging te voorkomen en nadelige effecten van hun afvalvoorzieningen op het milieu en de volksgezondheid aan te duiden. Daarnaast dient, met het oog op minimalisering van de waterverontreiniging, het storten van afval in een ontvangend waterlichaam in overeenstemming te zijn met Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (12). Voorts dienen concentraties in afvalbassins van cyanide en cyanideverbindingen van bepaalde winningsindustrieën, met het oog op de schadelijke en toxische effecten ervan, tot het laagst mogelijke niveau te worden beperkt, waarbij gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken. Dienovereenkomstig en, in ieder geval, overeenkomstig de specifieke voorschriften van deze richtlijn, dienen maximumdrempels voor concentraties te worden vastgesteld om dergelijke effecten te voorkomen.

(25)

De exploitant van een afvalvoorziening voor de winningsindustrieën dient te worden verplicht om, overeenkomstig een door de lidstaten vast te stellen procedure, een financiële zekerheid te bieden of een equivalente waarborg te stellen waarmee ervoor wordt ingestaan dat aan alle verplichtingen die uit de vergunning voortvloeien, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de sluiting en de fase na de sluiting van de afvalinstallatie, zal worden voldaan. De financiële zekerheid moet voldoende zijn om de kosten van rehabilitatie van het land dat door de afvalinstallatie is aangetast, met inbegrip van de afvalinstallatie zelf, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist volgens de vergunning van artikel 7, door een geschikte gekwalificeerde en onafhankelijke derde te dekken. Een dergelijke garantie moet bovendien worden gegeven voordat met de stortingsactiviteiten in de afvalvoorziening wordt begonnen en de garantie moet regelmatig worden aangepast. Daarnaast is het, in overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt en met Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (13), van belang duidelijk te maken dat exploitanten van een afvalvoorziening voor de winningsindustrieën onderworpen zijn aan een passende aansprakelijkheid voor milieuschade die door hun werkzaamheden wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt.

(26)

In het geval van exploitatie van afvalvoorzieningen van de winningsindustrieën die waarschijnlijk aanmerkelijke nadelige grensoverschrijdende milieueffecten alsmede daaruit voortvloeiende risico's voor de gezondheid hebben op het grondgebied van een andere lidstaat, dient er een gemeenschappelijke procedure te zijn om raadpleging onder buurlanden te vergemakkelijken. Dit is nodig om te verzekeren dat er een adequate informatie-uitwisseling tussen autoriteiten plaatsvindt en dat het publiek naar behoren wordt geïnformeerd over alle afvalvoorzieningen die negatieve gevolgen voor het milieu in die andere lidstaat kunnen hebben.

(27)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een effectief inspectiesysteem of systeem van equivalente controlemaatregelen voor afvalvoorzieningen voor de winningsindustrieën opzetten. Onverminderd de verplichtingen van de exploitant die voortvloeien uit de vergunning, moet vóór de aanvang van de stortingsactiviteiten tijdens een inspectie worden nagegaan of aan de voorwaarden van de vergunning is voldaan. Daarnaast dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de exploitanten en hun opvolgers actuele dossiers over dergelijke afvalvoorzieningen bijhouden en dat exploitanten informatie over de toestand en de werkzaamheden van de afvalvoorziening aan hun opvolgers overdragen.

(28)

De lidstaten dienen de Commissie regelmatig verslagen toe te zenden over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met inbegrip van informatie over ongevallen of bijna-ongevallen. Op basis van die verslagen dient de Commissie verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad.

(29)

De lidstaten dienen regels vast te leggen met betrekking tot sancties in geval van schending van deze richtlijn en ervoor te zorgen dat deze regels worden uitgevoerd. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

(30)

De lidstaten dienen erop toe te zien dat een inventaris wordt gemaakt van op hun grondgebied gevestigde gesloten, met inbegrip van stilgelegde, afvalvoorzieningen met het oog op identificatie van deze afvalvoorzieningen, die ernstige negatieve milieugevolgen hebben of op middellange of korte termijn een ernstige bedreiging kunnen gaan vormen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Deze inventarissen dienen als basis voor een gepast programma aan maatregelen.

(31)

De Commissie dient te zorgen voor een passende uitwisseling van wetenschappelijke en technische informatie over de manier waarop een inventaris van gesloten afvalvoorzieningen op het niveau van de lidstaten kan worden uitgevoerd, en over de ontwikkeling van methoden die de lidstaten kunnen helpen om bij de rehabilitatie van gesloten afvalvoorzieningen deze richtlijn na te leven. Er dient bovendien te worden gezorgd voor uitwisseling van informatie betreffende de beste beschikbare technieken binnen en tussen de lidstaten.

(32)

Voor een consequente toepassing van artikel 6 van het Verdrag, moeten de eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd in de uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

(33)

Deze richtlijn kan een nuttig instrument zijn waarmee rekening moet worden gehouden wanneer wordt gecontroleerd of projecten die in het kader van de ontwikkelingshulp financiering van de Gemeenschap ontvangen de noodzakelijke maatregelen omvatten om negatieve gevolgen voor het milieu te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Een dergelijke aanpak strookt met artikel 6 van het Verdrag, met name met betrekking tot de opneming van milieubeschermingseisen in het Gemeenschapsbeleid in verband met ontwikkelingssamenwerking.

(34)

De doelstelling van deze richtlijn, namelijk de verbetering van het beheer van afval van de winningsindustrieën, kan niet voldoende worden bereikt indien de lidstaten alleen werken, omdat een verkeerd beheer van dergelijk afval grensoverschrijdende verontreiniging tot gevolg kan hebben. Volgens het beginsel „de vervuiler betaalt” dient onder meer rekening te worden gehouden met eventuele schade aan het milieu die wordt veroorzaakt door afval van de winningsindustrieën; uiteenlopende nationale toepassingen van dat beginsel kunnen leiden tot aanmerkelijke verschillen in de financiële lasten voor economische actoren. Bovendien vormen onderlinge beleidsverschillen tussen de lidstaten inzake het beheer van afval van de winningsindustrieën een belemmering voor de verwezenlijking van het doel, dat een minimumniveau van veilig en verantwoord beheer van dergelijk afval wordt verzekerd en dat de nuttige toepassing van dergelijk afval in de hele Gemeenschap zoveel mogelijk wordt bevorderd. Vanwege de omvang en effecten van de onderhavige richtlijn kan de genoemde doelstelling derhalve beter op Gemeenschapsniveau worden verwezenlijkt en kunnen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag, maatregelen door de Gemeenschap worden genomen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om de doelstelling te bereiken.

(35)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (14).

(36)

De exploitatie van afvalvoorzieningen die bestaan op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn dient aldus te worden geregeld dat binnen een bepaalde termijn de maatregelen worden genomen die nodig zijn om de exploitatie aan de voorschriften van deze richtlijn aan te passen.

(37)

Overeenkomstig punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (15) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die, voorzover mogelijk, het verband weergeven tussen de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn behelst maatregelen, procedures en richtsnoeren om de nadelige effecten op het milieu, in het bijzonder op water, lucht, bodem, fauna en flora en landschap, als gevolg van het beheer van afval van de winningsindustrieën, hierna „winningsafval”, en de daaruit voortvloeiende risico's voor de gezondheid van de mens te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3 bestrijkt deze richtlijn het beheer van winningsafval, dat wil zeggen afval dat afkomstig is van de prospectie, de winning, de behandeling en de opslag van mineralen en de exploitatie van groeven.

2.   Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt:

a)

afval dat wordt gegenereerd door de prospectie, winning en behandeling van mineralen en de exploitatie van groeven, maar dat niet rechtstreeks afkomstig is van die activiteiten;

b)

afval dat afkomstig is van de offshore-prospectie, -winning en ‐behandeling van mineralen;

c)

injectie van water en herinjectie van opgepompt grondwater in de zin van artikel 11, lid 3, onder j), eerste en tweede streepje, van Richtlijn 2000/60/EG, voorzover krachtens dat artikel is toegestaan.

3.   Inert afval en niet-verontreinigde grond uit de prospectie, de winning, de behandeling en de opslag van mineralen en uit de exploitatie van groeven, alsmede afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, worden niet onderworpen aan de artikelen 7 en 8, artikel 11, leden 1 en 3, artikel 12, artikel 13, lid 6, en de artikelen 14 en 16, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A.

De bevoegde autoriteit kan de voorschriften, voor het storten van niet-gevaarlijk afval uit de prospectie van mineralen, uitgezonderd aardolie en andere evaporieten dan gips en anhydriet, alsmede voor het storten van niet-verontreinigde grond en afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, versoepelen of daarvan ontheffing verlenen, voorzover zij zich ervan heeft vergewist dat wordt voldaan aan de vereisten uit artikel 4.

De lidstaten kunnen de voorschriften van artikel 11, lid 3, artikel 12, leden 5 en 6, artikel 13, lid 6, en de artikelen 14 en 16 versoepelen of daarvan ontheffing verlenen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij dit wordt gestort in een afvalvoorziening van categorie A.

4.   Onverminderd andere communautaire wetgeving is afval dat binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt niet onderworpen aan Richtlijn 1999/31/EG.

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„afval”: afval in de zin van artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG;

2.

„gevaarlijk afval”: gevaarlijke afvalstoffen in de zin van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (16);

3.

„inert afval”: afval dat geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaat. Inert afval lost niet op, verbrandt niet en vertoont ook geen andere fysische of chemische reacties, het wordt niet biologisch afgebroken en heeft geen zodanige nadelige effecten op andere stoffen waarmee het in contact komt dat milieuverontreiniging of schade aan de menselijke gezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan vervuilende componenten van het afval en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en met name de kwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater niet in gevaar brengen;

4.

„niet-verontreinigde grond”: grond die tijdens de winning is verwijderd van de bovenste laag van de bodem en die volgens de nationale wetgeving van de lidstaat waar de locatie is gelegen, of volgens de communautaire wetgeving, niet verontreinigd is;

5.

„minerale bron” of „mineraal”: een van nature voorkomende afzetting in de aardkorst van een organische of anorganische stof, zoals brandstoffen, metaalertsen, industriële mineralen en mineralen voor de bouwsector, uitgezonderd water;

6.

„winningsindustrieën”: alle ondernemingen die zich bezighouden met de bovengrondse of ondergrondse winning van mineralen voor commerciële doeleinden, met inbegrip van de winning door middel van het boren van boorputten of behandeling van het gewonnen materiaal;

7.

„off-shore”: het deel van de zee en de zeebodem dat zich vanaf de laagwaterlijn bij normaal of gemiddeld getij zee-inwaarts uitstrekt;

8.

„behandeling”: een mechanisch, fysisch, biologisch, thermisch of chemisch proces of een combinatie van dergelijke processen die op minerale bronnen worden uitgevoerd met inbegrip van de exploitatie van groeven met de bedoeling het mineraal te extraheren, inclusief het wijzigen van de grootte ervan, het classificeren, het scheiden en uitlogen, en het opnieuw verwerken van eerder weggegooid afval, maar exclusief smelten, thermische productieprocessen (exclusief de verbranding van kalksteen), en/of metallurgische processen;

9.

„tailings”: de vaste afvalstoffen of de slurries die achterblijven na de behandeling van mineralen door middel van scheidingsprocessen (bv. verbrijzelen, malen, sorteren naar grootte, flotatie en andere fysisch-chemische technieken) waarbij de waardevolle mineralen worden gescheiden van het minder waardevolle gesteente;

10.

„afvalberg”: een aangelegde voorziening voor het storten van vast afval op het aardoppervlak;

11.

„dam”: een aangelegde structuur die tot doel heeft water en afval binnen een bekken vast te houden en/of daartoe op te sluiten;

12.

„bekkens”: een natuurlijke of aangelegde voorziening voor het storten van fijnkorrelig afval, doorgaans tailings, samen met wisselende hoeveelheden vrij water, afkomstig van de behandeling van minerale bronnen en het zuiveren en recycelen van proceswater;

13.

„in zwak zuur scheidbaar cyanide”: cyanide en cyanideverbindingen die kunnen worden gescheiden door/met behulp van een zwak zuur bij een bepaalde pH;

14.

„percolaat”: elke vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit een afvalvoorziening of zich daarin bevindt, met inbegrip van verontreinigd afvoerwater dat, als het niet op de juiste wijze wordt behandeld, nadelige effecten op het milieu kan hebben;

15.

„afvalvoorziening”: een terrein dat is aangewezen voor het verzamelen of storten van winningsafval, ongeacht of dit afval zich in vaste, in een oplossing, in een suspensie, of in vloeibare toestand bevindt, gedurende de volgende termijnen:

geen termijn voor afvalvoorzieningen van categorie A en voorzieningen voor in het afvalbeheersplan als gevaarlijk gekarakteriseerd afval;

een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd;

een termijn van meer dan één jaar voor voorzieningen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval;

een termijn van meer dan drie jaar voor voorzieningen voor niet-verontreinigde grond, niet-gevaarlijk afval uit prospectie, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en inert afval.

Tot dergelijke voorzieningen worden gerekend dammen of andere structuren voor het bevatten, vasthouden, beperken of anderszins ondersteunen van een dergelijke voorziening, alsmede, doch niet uitsluitend, afvalbergen en bekkens, maar met uitzondering van uitgravingen waarin afval wordt teruggeplaatst na extractie van het mineraal met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden;

16.

„zwaar ongeval”: een gebeurtenis op het terrein tijdens een exploitatie die het beheer van afval in een onder deze richtlijn begrepen inrichting omvat, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd, op het terrein of daarbuiten, ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens en/of het milieu ontstaat;

17.

„gevaarlijke stof”: een stof, mengsel of preparaat dat gevaarlijk is in de zin van Richtlijn 67/548/EEG (17) of Richtlijn 1999/45/EG (18);

18.

„beste beschikbare technieken”: technieken in de zin van artikel 2, punt 11, van Richtlijn 96/61/EG;

19.

„ontvangend waterlichaam”: oppervlaktewater, grondwater, overgangswater en kustwater in de zin van respectievelijk artikel 2, punt 1, punt 2, punt 6 en punt 7, van Richtlijn 2000/60/EG;

20.

„rehabilitatie”: de behandeling van het land dat nadelige invloed heeft ondervonden van een afvalvoorziening, op een zodanige manier dat het land weer in een bevredigende toestand wordt gebracht, en met speciale aandacht voor de bodemkwaliteit, in het wild levende dieren, de natuurlijke habitats, de zoetwatersystemen, het landschap en toepasselijk gunstig gebruik;

21.

„prospectie”: het zoeken naar economisch winbare ertslagen, tevens inhoudende bemonstering, bulkbemonstering, boren en graven, maar geen werkzaamheden in de ontwikkelings–fase voorafgaand aan de productiefase van dergelijke lagen, noch activiteiten die rechtstreeks verbonden zijn met bestaande winning;

22.

„publiek”: één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

23.

„betrokken publiek”: het publiek dat de gevolgen ondervindt of waarschijnlijk zal ondervinden van of belanghebbende is bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en voldoen aan de eisen van nationaal recht, geacht belanghebbende te zijn;

24.

„exploitant”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van winningsafval, in overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaat waar het afvalbeheer plaatsvindt, tevens met betrekking tot de tijdelijke opslag van winningsafval, alsmede de exploitatiefasen en de fase na de sluiting;

25.

„afvalhouder”: de producent van het winningsafval of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het afval in bezit heeft;

26.

„competente persoon”: een natuurlijke persoon die over de technische kennis en ervaring beschikt, als gedefinieerd door de nationale wetgeving van de lidstaat waar de persoon actief is, om de taken uit te voeren die uit deze richtlijn voortvloeien;

27.

„bevoegde autoriteit”: de autoriteit of de autoriteiten die een lidstaat aanwijst als zijnde verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die uit deze richtlijn voortvloeien;

28.

„terrein”: alle land op een afzonderlijke geografische locatie onder de beheerscontrole van een exploitant;

29.

„ingrijpende wijziging”: een wijziging in de structuur of de exploitatie van een afvalvoorziening die, naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, belangrijke negatieve gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid of het milieu.

Artikel 4

Algemene voorschriften

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat winningsafval wordt beheerd zonder gevaar voor de menselijke gezondheid en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die het milieu kunnen schaden, en met name zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, zonder geluids‐ of stankhinder te veroorzaken, en zonder schade te berokkenen aan het landschap of aan waardevolle gebieden. De lidstaten nemen ook de nodige maatregelen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van winningsafval te verbieden.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant alle maatregelen treft die nodig zijn om de nadelige effecten van het beheer van winningsafval voor het milieu en voor de gezondheid van de mens te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat het beheer van alle afvalvoorzieningen, ook na sluiting van de afvalvoorziening, en de voorkoming van zware ongevallen waarbij die afvalvoorziening is betrokken, en de beperking van de gevolgen ervan voor het milieu en de gezondheid van de mens.

3.   De in lid 2 genoemde maatregelen worden onder meer gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder het gebruik van een bepaalde techniek of specifieke technologie voor te schrijven, maar rekening houdende met de technische kenmerken, de geografische ligging en de plaatselijke milieuomstandigheden van de afvalvoorziening.

Artikel 5

Afvalbeheersplan

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant een afvalbeheersplan opstelt voor de preventie of beperking tot een minimum, behandeling, nuttige toepassing en verwijdering van winningsafval, rekening houdend met het beginsel van duurzame ontwikkeling.

2.   Een afvalbeheersplan heeft tot doel:

a)

het ontstaan van afval, alsook de schadelijkheid ervan te voorkomen of te beperken, in het bijzonder door aandacht te schenken aan:

i)

afvalbeheer in de ontwerpfase en bij de keuze van de methode die wordt gebruikt voor de winning en behandeling van mineralen;

ii)

de veranderingen die het winningsafval kan ondergaan met betrekking tot een vergroting van de oppervlakte en de blootstelling aan bovengrondse omstandigheden;

iii)

terugplaatsing van winningsafval in de uitgegraven ruimten na extractie van het mineraal, voorzover dit technisch en economisch haalbaar en vanuit milieuoogpunt verantwoord is, overeenkomstig de huidige milieunormen op Gemeenschapsniveau en, waar van toepassing, overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn;

iv)

het weer aanbrengen van de bovenste grondlaag na de sluiting van de afvalvoorziening of, als dit praktisch niet haalbaar is, hergebruik van de bovenste grondlaag elders;

v)

het gebruik van minder gevaarlijke stoffen voor de behandeling van minerale bronnen;

b)

de nuttige toepassing van winningsafval door middel van recycling, hergebruik of terugwinning van dergelijk afval te bevorderen waar dat vanuit milieuoogpunt verantwoord is overeenkomstig de huidige milieunormen op Gemeenschapsniveau en/of, waar relevant, andere voorschriften van deze richtlijn;

c)

op de korte en de lange termijn de veilige opslag van het afval te waarborgen, in het bijzonder door het beheer tijdens de exploitatie en de fase na sluiting van een afvalvoorziening in overweging te nemen in de ontwerpfase en door een ontwerp te kiezen waarvoor weinig en, zo mogelijk, uiteindelijk geen monitoring, controle en beheer van de gesloten afvalvoorziening nodig is:

i)

waarvoor weinig en, zo mogelijk, uiteindelijk geen monitoring, controle en beheer van de gesloten afvalvoorziening nodig is;

ii)

dat de, bijvoorbeeld aan verplaatsing van verontreinigde stoffen uit de voorziening door de lucht of door het water, op lange termijn toe te schrijven negatieve gevolgen voorkomt of althans zoveel mogelijk beperkt, en

iii)

dat de geotechnische stabiliteit op lange termijn van dammen of hopen die zich verheffen boven het voorheen bestaande bodemoppervlak waarborgt.

3.   Het afvalbeheersplan zal ten minste de volgende elementen bevatten:

a)

waar van toepassing, de voorgestelde indeling van de afvalvoorziening volgens de criteria van bijlage III:

wanneer een afvalvoorziening als categorie A geclassificeerd wordt: een document waaruit blijkt dat een preventiebeleid voor zware ongevallen, een veiligheidsbeheersysteem voor de uitvoering ervan en een intern noodplan overeenkomstig artikel 6, lid 3, zullen worden ingevoerd;

wanneer de exploitant van oordeel is dat een afvalvoorziening niet als categorie A geclassificeerd hoeft te worden, voldoende informatie ter staving, inclusief een identificatie van mogelijke ongevallen gevaren;

b)

een karakterisering van het afval volgens bijlage II en een verklaring van de geschatte totale hoeveelheid winningsafval die tijdens de exploitatiefase zal worden geproduceerd;

c)

een beschrijving van de werkzaamheden die dergelijk afval voortbrengen, en van eventuele daaropvolgende behandelingen die dit afval zal ondergaan;

d)

een beschrijving van de manier waarop het milieu en de gezondheid van de mens nadelige effecten kunnen ondervinden als gevolg van het storten van dergelijk afval en de preventieve maatregelen die moeten worden genomen om de gevolgen voor het milieu tijdens de exploitatie en na sluiting tot een minimum te beperken, met inbegrip van de elementen waarnaar wordt verwezen in artikel 11, lid 2, onder a), b), d) en e);

e)

de voorgestelde controle- en monitoringsprocedures uit hoofde van artikel 10 (indien van toepassing) en artikel 11, lid 2, onder c);

f)

het voorgestelde plan voor sluiting, inclusief de rehabilitatie, de procedures voor de follow-up na de sluiting en de monitoring overeenkomstig artikel 12;

g)

maatregelen om de verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, conform Richtlijn 2000/60/EG en bodem- en luchtverontreiniging uit hoofde van artikel 13 te voorkomen of tot een minimum te beperken;

h)

een overzicht van de toestand van het land dat door de afvalvoorziening zal aangetast worden.

Het afvalbeheersplan verstrekt voldoende informatie om de bevoegde autoriteit in staat te stellen te beoordelen in hoeverre de exploitant in staat is de in lid 2, genoemde doelstellingen van het afvalbeheersplan te bereiken en zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn na te leven. In het plan wordt met name toegelicht hoe via het gekozen alternatief en de gekozen methode overeenkomstig bovenstaand lid 2, onder a), i), de doelen van het in lid 2, onder a), vastgelegde afvalbeheerplan worden verwezenlijkt.

4.   Het afvalbeheersplan wordt elke vijf jaar herzien en/of, waar nodig, gewijzigd in geval van ingrijpende wijzigingen in de exploitatie van de afvalvoorziening of in het gestorte afval. De bevoegde autoriteit wordt in kennis gesteld van de wijzigingen.

5.   Ook plannen die worden opgesteld uit hoofde van andere nationale of communautaire wetgeving en die de in lid 3 genoemde informatie bevatten, kunnen worden gebruikt wanneer dit onnodige overlapping van informatie en dubbel werk voor de exploitant voorkomt, mits aan alle voorschriften van de leden 1 tot en met 4 wordt voldaan.

6.   De bevoegde autoriteit keurt het afvalbeheersplan goed op basis van procedures die door de lidstaten worden bepaald en ziet toe op de uitvoering ervan.

Artikel 6

Preventie van zware ongevallen en informatieverstrekking

1.   De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op afvalvoorzieningen van categorie A, met uitzondering van de afvalvoorzieningen die vallen onder Richtlijn 96/82/EG.

2.   Onverminderd andere communautaire wetgeving en in het bijzonder Richtlijn 92/91/EEG en Richtlijn 92/104/EEG, zorgen de lidstaten ervoor dat de gevaren van zware ongevallen in kaart zijn gebracht en dat in het ontwerp, de bouw, de exploitatie, het onderhoud, de sluiting en de follow-up van de sluiting van de afvalvoorziening de noodzakelijke elementen zijn opgenomen om dergelijke ongevallen te voorkomen en de nadelige gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu, met inbegrip van grensoverschrijdende gevolgen, te beperken.

3.   Voor de toepassing van lid 2 legt elke exploitant, voordat de exploitatie begint, een preventiebeleid voor zware ongevallen met betrekking tot het beheer van winningsafval vast en voert een veiligheidsbeheersysteem in dat overeenkomstig de in punt 1 van bijlage I beschreven elementen wordt uitgevoerd. Tevens voert hij een intern noodplan in met de maatregelen die moeten worden genomen op het terrein, wanneer zich een ongeval voordoet.

In het kader van dat beleid stelt de exploitant een veiligheidsmanager aan die verantwoordelijk is voor de uitvoering van en het periodieke toezicht op het preventiebeleid voor zware ongevallen.

De bevoegde autoriteit stelt een extern noodplan op voor de maatregelen die buiten het terrein moeten worden genomen wanneer zich een ongeval voordoet. In het kader van de vergunningsaanvraag verstrekt de exploitant de bevoegde autoriteit de benodigde informatie zodat deze het plan kan opstellen.

4.   De in lid 3 bedoelde noodplannen hebben de volgende doelstellingen:

a)

beperken en beheersen van zware ongevallen en andere incidenten teneinde de effecten ervan tot een minimum te beperken, en in het bijzonder het beperken van schade aan de gezondheid van de mens en het milieu;

b)

uitvoeren van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de effecten van zware ongevallen en andere incidenten;

c)

verstrekken van de nodige informatie aan het betrokken publiek en aan de betrokken diensten of autoriteiten in het gebied;

d)

zorgen voor de rehabilitatie, het herstel en de sanering van het milieu na een zwaar ongeval.

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant de bevoegde autoriteit bij een zwaar ongeval onmiddellijk alle informatie verstrekt die nodig is om de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te helpen beperken en de omvang van de feitelijke of potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek vroegtijdig en effectief in de gelegenheid wordt gesteld te participeren in de voorbereiding of de beoordeling van het externe noodplan dat moet worden opgesteld overeenkomstig lid 3. Daartoe moet het betrokken publiek worden geïnformeerd over dergelijke voorstellen en moet relevante informatie beschikbaar worden gesteld, met inbegrip van onder meer informatie over het recht om te participeren in het besluitvormingsproces en informatie over de bevoegde autoriteit waaraan opmerkingen en vragen kunnen worden gericht.

De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek gerechtigd is om binnen een redelijk tijdsbestek opmerkingen naar voren te brengen en dat in de besluitvorming over het externe noodplan terdege rekening wordt gehouden met deze opmerkingen.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over veiligheidsmaatregelen en over de maatregelen die moeten worden genomen bij ongevallen, die ten minste de in punt 2 van bijlage I genoemde elementen omvat, kostenloos en automatisch aan het betrokken publiek wordt verstrekt.

De informatie wordt om de drie jaar beoordeeld en, waar nodig, bijgesteld.

Artikel 7

Aanvraag en vergunning

1.   Geen enkele afvalvoorziening mag worden geëxploiteerd zonder een door de bevoegde autoriteit verleende vergunning. De vergunning bevat de elementen die zijn gespecificeerd in lid 2 en vermeldt duidelijk de categorie van de voorziening volgens de criteria van artikel 9.

Mits aan alle voorschriften van dit artikel wordt voldaan, mogen uit hoofde van andere nationale of communautaire wetgeving verleende vergunningen worden gecombineerd tot één vergunning, wanneer dit onnodige duplicering van informatie en dubbel werk van de exploitant of de bevoegde autoriteit voorkomt. De in lid 2 gespecificeerde bijzonderheden kunnen onder één enkele of onder verschillende vergunningen vallen, op voorwaarde dat is voldaan aan alle voorschriften uit hoofde van dit artikel.

2.   De aanvraag van een vergunning bevat ten minste de volgende bijzonderheden:

a)

de identiteit van de exploitant;

b)

de voorgestelde locatie van de afvalvoorziening, met inbegrip van eventuele alternatieve locaties;

c)

het afvalbeheersplan uit hoofde van artikel 5;

d)

adequate regelingen bij wijze van een financiële zekerheid of een equivalent ervan, zoals verlangd uit hoofde van artikel 14;

e)

de door de exploitant overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 85/337/EEG (19) verschafte informatie indien overeenkomstig die richtlijn een milieu-effectrapportage vereist is.

3.   De bevoegde autoriteit verleent alleen een vergunning indien zij zich ervan vergewist heeft dat:

a)

de exploitant voldoet aan de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn;

b)

het afvalbeheer niet rechtstreeks indruist tegen, noch een belemmering vormt voor de uitvoering van de toepasselijke afvalbeheerplannen bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 75/442/EEG.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor een vergunning op gezette tijden opnieuw bezien en, waar nodig, bijstellen:

wanneer zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval;

op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant uit hoofde van artikel 11, lid 3, verslag heeft uitgebracht of van de uit hoofde van artikel 17 uitgevoerde inspecties;

in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken uit hoofde van artikel 21, lid 3.

5.   De informatie die is vervat in een uit hoofde van dit artikel verleende vergunning wordt beschikbaar gesteld aan de bevoegde nationale en communautaire statistische autoriteiten indien dat voor statistische doeleinden wordt verlangd. Gevoelige informatie van louter commerciële aard, zoals informatie met betrekking tot zakelijke relaties en kostencomponenten en de omvang van economische mineralenreserves, wordt niet openbaar gemaakt.

Artikel 8

Inspraak van het publiek

1.   Het publiek wordt, via openbare kennisgevingen of andere passende middelen zoals elektronische media indien beschikbaar, in een vroeg stadium van de procedure voor het verlenen van een vergunning of ten laatste zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van:

a)

de aanvraag van een vergunning;

b)

voorzover van toepassing, het feit dat een besluit inzake de aanvraag van een vergunning onderworpen is aan overleg tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 16;

c)

details betreffende de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het nemen van een besluit of waarbij relevante informatie kan worden verkregen of waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd, en details betreffende het tijdsbestek voor het doorgeven van opmerkingen of vragen;

d)

de aard van eventuele besluiten;

e)

voorzover van toepassing, de details betreffende een voorstel voor de actualisatie van een vergunning of van de vergunningsvoorwaarden;

f)

een indicatie van de tijdstippen waarop, de plaatsen waar en de wijze waarop de relevante informatie beschikbaar wordt gesteld;

g)

nadere gegevens inzake de regelingen betreffende de inspraak van het publiek die overeenkomstig lid 7 zijn bepaald.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende zaken binnen een passend tijdsbestek aan het betrokken publiek beschikbaar worden gesteld:

a)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de belangrijkste rapporten en adviezen die aan de bevoegde autoriteit zijn uitgebracht op het moment dat het publiek werd geïnformeerd overeenkomstig lid 1;

b)

in overeenstemming met de bepalingen van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie (20) alle informatie, naast de informatie waarnaar wordt verwezen in lid 1 van het onderhavige artikel, die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 7 van deze richtlijn en die pas beschikbaar komt nadat het publiek overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel is geïnformeerd.

3.   De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het publiek overeenkomstig lid 1 van dit artikel wordt geïnformeerd over een aanpassing van de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 7, lid 4.

4.   Het betrokken publiek is gerechtigd aan de bevoegde autoriteit opmerkingen en meningen kenbaar te maken voordat een besluit wordt genomen.

5.   De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van dit artikel worden terdege in aanmerking genomen bij de besluitvorming.

6.   Nadat een besluit is genomen, stelt de bevoegde autoriteit het betrokken publiek hiervan in kennis overeenkomstig de passende procedures en stelt zij de volgende informatie beschikbaar voor het betrokken publiek:

a)

de inhoud van het besluit, met inbegrip van een afschrift van de vergunning;

b)

de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd.

7.   De nadere regelingen voor inspraak krachtens dit artikel worden door de lidstaten zodanig vastgesteld dat het betrokken publiek in staat wordt gesteld zich voor te bereiden en effectief kan participeren.

Artikel 9

Indeling van afvalvoorzieningen

Voor de toepassing van deze richtlijn delen de bevoegde autoriteiten de afvalvoorzieningen in de categorie A in op basis van de in bijlage III vermelde criteria.

Artikel 10

Uitgegraven ruimten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant, indien deze met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden winningsafval terugplaatst in de door bovengrondse of ondergrondse winning ontstane uitgegraven ruimten, passende maatregelen neemt om:

1.

de stabiliteit van het winningsafval veilig te stellen overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 11, lid 2;

2.

verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 13, leden 1, 3 en 5;

3.

te zorgen voor de monitoring van het winningsafval en de uitgegraven ruimte overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 12, leden 4 en 5.

2.   Richtlijn 1999/31/EG blijft van toepassing op niet uit de winningsindustrie afkomstig afval dat wordt gebruikt voor het opvullen van uitgegraven ruimten.

Artikel 11

Bouw en beheer van afvalvoorzieningen

1.   De lidstaten treffen passende maatregelen om te verzekeren dat het beheer van een afvalvoorziening in handen is van een competent persoon en dat wordt gezorgd voor technische ontwikkeling en opleiding van het personeel.

2.   De bevoegde autoriteit vergewist zich ervan dat de exploitant bij de bouw van een nieuwe afvalvoorziening of de aanpassing van een bestaande afvalvoorziening ervoor zorgt dat:

a)

de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder gelet op door de Gemeenschap opgelegde of nationale verplichtingen ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische, hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren, en zo is ontworpen dat wordt voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden om, op de korte en de lange termijn, verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of het oppervlaktewater, rekening houdend met in het bijzonder de Richtlijnen 76/464/EEG (21), 80/68/EEG (22) en 2000/60/EG, te voorkomen, te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze worden verzameld zoals en wanneer dat volgens de vergunning wordt verlangd, en erosie door water of wind tegen te gaan voorzover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is;

b)

de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden, teneinde op de korte en de lange termijn haar fysische stabiliteit te verzekeren en verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of het grondwater te voorkomen en schade aan het landschap zoveel mogelijk te minimaliseren;

c)

er passende plannen en regelingen zijn voor de periodieke monitoring en de inspectie van de afvalvoorziening door competente personen en voor het ondernemen van actie indien de resultaten wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem;

d)

passende regelingen zijn getroffen voor de rehabilitatie van het land en de sluiting van de afvalvoorziening;

e)

passende regelingen zijn getroffen voor de fase na de sluiting van de afvalvoorziening.

De gegevens van de monitoring en de inspecties als bedoeld onder c) worden, samen met de vergunningdocumentatie, bijgehouden, om de passende overdracht van informatie te verzekeren, met name in het geval van een wijziging van exploitant.

3.   De exploitant geeft de bevoegde autoriteit zonder onnodig uitstel en in elk geval binnen 48 uur kennis van alle gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van de voorziening, alsook van alle belangrijke nadelige milieueffecten die bij de controle- en monitoringsprocedures van de afvalvoorziening aan het licht komen. De exploitant voert het interne noodplan, indien van toepassing, uit en volgt alle overige instructies van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de te treffen correctieve maatregelen.

De exploitant betaalt de kosten van de te treffen maatregelen.

De exploitant brengt met een frequentie die wordt bepaald door de bevoegde autoriteit, maar in elk geval minstens éénmaal per jaar, op basis van verzamelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten verslag uit van alle monitoringsresultaten om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de vergunning, en om de kennis van het gedrag van afval en afvalvoorziening te vergroten. Op basis van dit rapport kan de bevoegde autoriteit besluiten dat validering door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk is.

Artikel 12

Procedures voor de sluiting van afvalvoorzieningen en de fase na de sluiting

1.   De lidstaten treffen maatregelen om te verzekeren dat wordt voldaan aan de leden 2 tot en met 5.

2.   Een afvalvoorziening doet de sluitingsprocedure pas aanvangen indien wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:

a)

er is voldaan aan de toepasselijke voorwaarden die in de vergunning staan vermeld;

b)

de bevoegde autoriteit heeft op verzoek van de exploitant toestemming verleend;

c)

de bevoegde autoriteit heeft daartoe een gemotiveerd besluit genomen.

3.   Een afvalvoorziening mag pas als definitief gesloten worden beschouwd nadat de bevoegde autoriteit zonder onnodig uitstel een eindinspectie op het land dat door de afvalvoorziening wordt aangetast, heeft uitgevoerd, alle rapporten heeft beoordeeld die door de exploitant zijn ingediend, officieel heeft verklaard dat het terrein is gerehabiliteerd en aan de exploitant heeft medegedeeld dat zij de sluiting goedkeurt.

Die goedkeuring doet niets af aan de verplichtingen van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden of andere wettelijke bepalingen.

4.   De exploitant is verantwoordelijk voor het onderhoud, de monitoring, de controle en corrigerende maatregelen van de afvalvoorziening in de fase na de sluiting voor zolang de bevoegde autoriteit zulks verlangt, rekening houdend met de aard en de duur van het gevaar, tenzij de bevoegde autoriteit besluit dergelijke taken, na de definitieve sluiting van een afvalvoorziening van de exploitant over te nemen, onverminderd eventuele nationale of communautaire wetgeving betreffende de aansprakelijkheid van de afvalhouder.

5.   Indien de bevoegde autoriteit dat na de sluiting van een afvalvoorziening noodzakelijk acht, met het oog op voldoening aan de relevante milieuvoorwaarden voorzien in Gemeenschapswetgeving, in het bijzonder deze in de Richtlijnen 76/464/EEG, 80/68/EEG en 2000/60/EG zal de exploitant onder meer de fysische en chemische stabiliteit van de voorziening onder controle houden en eventuele negatieve milieueffecten tot een minimum beperken, in het bijzonder met betrekking tot het oppervlaktewater en grondwater, door te verzekeren dat:

a)

alle structuren die deel uitmaken van de voorziening, worden gemonitord en in stand gehouden, met controle- en meetapparatuur die altijd gebruiksklaar is;

b)

voorzover van toepassing, overloopkanalen en afvoerkanalen schoon en vrij worden gehouden.

6.   Na de sluiting van de afvalvoorziening stelt de exploitant de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van alle gebeurtenissen of ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van een voorziening, alsook van alle belangrijke nadelige milieueffecten die bij de relevante controle- en monitoringsprocedures aan het licht komen. De exploitant voert het interne noodplan, indien van toepassing, uit en volgt alle overige instructies van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de te treffen correctieve maatregelen.

De exploitant betaalt de kosten van de te treffen maatregelen.

De bevoegde autoriteit bepaalt in welke gevallen en met welke frequentie de exploitant aan de bevoegde autoriteiten verslag uitbrengt van alle op basis van verzamelde gegevens opgestelde monitoringsresultaten om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de vergunning en om de kennis van het gedrag van afval en afvalvoorzieningen te vergroten.

Artikel 13

Preventie van de verslechtering van de toestand van het water, lucht- en bodemverontreiniging

1.   De bevoegde autoriteit moet zich ervan vergewissen dat de exploitant de noodzakelijke maatregelen heeft genomen, teneinde communautaire milieunormen na te leven, met name om overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG verslechtering van de huidige toestand van het water te voorkomen, onder meer door:

a)

de potentiële percolaatvorming te evalueren, met inbegrip van de verontreinigde bestanddelen van het percolaat, vanuit het gestorte afval zowel tijdens de exploitatiefase als de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, en de waterbalans van de afvalvoorziening te bepalen;

b)

te voorkomen, of zoveel mogelijk te voorkomen, dat percolaat wordt gegenereerd en oppervlaktewater en grondwater of de bodem door het afval worden verontreinigd;

c)

het verontreinigde water en percolaat van de afvalvoorziening te verzamelen en te behandelen totdat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen voor de lozing ervan.

2.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de exploitant de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om stof- en gasemissies te voorkomen of te beperken.

3.   Als de bevoegde autoriteit op basis van een beoordeling van de milieurisico's en rekening houdend met in het bijzonder Richtlijn 76/464/EEG, 80/68/EEG of 2000/60/EG, voorzover van toepassing, heeft besloten dat het verzamelen en behandelen van percolaat niet nodig is, of als is vastgesteld dat de afvalvoorziening geen potentieel gevaar voor de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater vormt, kunnen de voorschriften van lid 1, onder b) en c), dienovereenkomstig worden afgezwakt of vervallen.

4.   De lidstaten verbinden aan het storten van winningsafval, ongeacht of dit zich in vaste vorm, in de vorm van slib of in vloeibare vorm bevindt, in een ontvangend waterlichaam, niet zijnde het waterlichaam dat is aangelegd voor het verwijderen van winningsafval, de voorwaarde dat de exploitant voldoet aan de toepasselijke voorschriften van de Richtlijnen 76/464/EEG, 80/68/EEG en 2000/60/EG.

5.   Wanneer winningsafval terug in uitgegraven ruimten wordt geplaatst, ontstaan door bovengrondse of ondergrondse winning, die na sluiting mogen volstromen, neemt de exploitant de noodzakelijke maatregelen om de verslechtering van de waterstatus en bodemverontreiniging te voorkomen of tot een minimum te beperken, overeenkomstig, mutatis mutandis, de leden 1 en 3. De exploitant voorziet de bevoegde instantie van de informatie die noodzakelijk is om te verzekeren dat aan de communautaire voorschriften, in het bijzonder aan deze van Richtlijn 2000/60/EG is voldaan.

6.   In het geval van een bekken waarin cyanide aanwezig is, verzekert de exploitant dat de concentratie van in zwak zuur scheidbaar cyanide in het bekken met behulp van de beste beschikbare technieken wordt beperkt tot het laagst mogelijke niveau en, in elk geval, bij voorzieningen waaraan al een vergunning is verleend of die al in bedrijf zijn vóór 1 mei 2008, dat de concentratie van in zwak zuur scheidbaar cyanide op het punt van lozing van de tailings uit de verwerkende inrichting in het bekken in elk geval de 50 ppm vanaf 1 mei 2008, de 25 ppm vanaf 1 mei 2013, de 10 ppm vanaf 1 mei 2018 en de 10 ppm bij voorzieningen waaraan een vergunning is verleend na 1 mei 2008 niet overschrijdt.

Op verzoek van de bevoegde autoriteit, toont de exploitant, door middel van een risicobeoordeling waarin rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van het terrein, aan dat die concentratiegrenzen niet verder hoeven te worden verlaagd.

Artikel 14

Financiële zekerheid en milieuaansprakelijkheid

1.   Voordat wordt begonnen met werkzaamheden waarbij afval in een afvalvoorziening wordt opgestapeld of gestort, verlangt de bevoegde autoriteit een financiële zekerheid of een equivalent daarvan, op basis van procedures die door de lidstaten worden omschreven, zodat:

a)

alle verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning die ingevolge deze richtlijn wordt verleend, inclusief bepalingen voor na de sluiting, worden nagekomen;

b)

op elk moment middelen voorhanden zijn voor de rehabilitatie van het land dat door de afvalvoorziening is aangetast, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist volgens de vergunning van artikel 7.

2.   De berekening van de in lid 1 genoemde garantie wordt gemaakt op basis van:

a)

de waarschijnlijke invloed van de afvalvoorziening op het milieu. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de categorie van de voorziening, de kenmerken van het afval en het toekomstige gebruik van het gerehabiliteerde land;

b)

de aanneming dat onafhankelijke en deugdelijk gekwalificeerde derde partijen de noodzakelijke rehabilitatiewerkzaamheden zullen beoordelen en uitvoeren.

3.   De omvang van de garantie wordt periodiek aangepast, afhankelijk van de elke rehabilitatiewerkzaamheid die op het door de afvalvoorziening aangetaste land moet worden uitgevoerd, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist door de vergunning van artikel 7.

4.   Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 12, lid 3, instemt met de sluiting, verstrekt de bevoegde autoriteit de exploitant een schriftelijke verklaring die de exploitant ontslaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting tot financiële zekerheid met uitzondering van de verplichtingen die betrekking hebben op de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, overeenkomstig artikel 12, lid 4.

Artikel 15

Milieuaansprakelijkheid

Het volgende punt wordt toegevoegd aan bijlage III van Richtlijn 2004/35/EG:

„13.

Het beheer van winningsafvalvoorzieningen krachtens Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval uit winningsindustrieën (23)..

Artikel 16

Grensoverschrijdende effecten

1.   Als een lidstaat waar zich een voorziening bevindt zich ervan bewust is dat de exploitatie van een afvalvoorziening van categorie A aanmerkelijke nadelige milieueffecten kan hebben met de daaruit voortvloeiende risico's voor de gezondheid van de mens in een andere lidstaat, of als een lidstaat die dergelijke gevolgen kan ondervinden, daarom vraagt, verstrekt de lidstaat op wiens grondgebied de aanvraag van een vergunning uit hoofde van artikel 7 is ingediend, de informatie die uit hoofde van dat artikel is verstrekt aan de andere lidstaat op hetzelfde moment dat hij deze informatie beschikbaar stelt voor zijn eigen onderdanen.

Dergelijke informatie dient als basis voor het overleg dat nodig kan zijn in het kader van bilaterale betrekkingen tussen de twee lidstaten op basis van wederkerigheid en gelijkwaardigheid.

2.   Binnen het kader van hun bilaterale betrekkingen zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvragen in de in lid 1 bedoelde gevallen gedurende een passende periode ook beschikbaar worden gesteld voor het betrokken publiek van de lidstaat die invloed kan ondervinden, zodat dit publiek het recht krijgt om opmerkingen over deze aanvragen kenbaar te maken voordat de bevoegde autoriteit tot haar besluit komt.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat in geval van een ongeval waarbij een in lid 1 bedoelde afvalvoorziening betrokken is, informatie die door de exploitant aan de bevoegde autoriteit wordt verstrekt uit hoofde van artikel 6, lid 4, van dit artikel onmiddellijk naar de andere lidstaat wordt doorgezonden teneinde de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te helpen beperken en de omvang van de feitelijke of potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.

Artikel 17

Inspecties door de bevoegde autoriteit

1.   Voorafgaand aan de aanvang van de stortactiviteiten en vervolgens met regelmatige door de betrokken lidstaat te bepalen tussenpozen, ook in de fase na de sluiting, inspecteert de bevoegde autoriteit elke afvalvoorziening waarop artikel 7 van toepassing is, om te verzekeren dat de voorziening voldoet aan de relevante voorschriften van de vergunning. Een positief resultaat doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorschriften.

2.   De lidstaten verlangen dat de exploitant van alle afvalbeheeractiviteiten actuele dossiers beschikbaar en gereed houdt voor inspectie door de bevoegde autoriteit en dat hij verzekert dat in het geval van een wijziging van exploitant tijdens het beheer van een afvalvoorziening relevante actuele informatie en dossiers met betrekking tot de voorziening op passende wijze worden overgedragen.

Artikel 18

Rapportageverplichting

1.   Om de drie jaar brengen de lidstaten de Commissie verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een, volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure door de Commissie vast te stellen, vragenlijst of overzicht. Het verslag wordt aan de Commissie toegezonden binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.

Binnen negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten publiceert de Commissie een verslag over de uitvoering van de richtlijn.

2.   Elk jaar verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over voorvallen die door de exploitanten zijn gemeld overeenkomstig artikel 11, lid 3, en artikel 12, lid 6. De Commissie stelt deze informatie op verzoek beschikbaar voor de lidstaten. Onverminderd de communautaire wetgeving over de toegang van het publiek tot milieu-informatie, stellen de lidstaten op hun beurt deze informatie op verzoek beschikbaar voor het betrokken publiek.

Artikel 19

Sancties

De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot sancties in geval van schending van de bepalingen van de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale regelgeving en treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat ze worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

Artikel 20

Inventaris van gesloten afvalvoorzieningen

De lidstaten zien erop toe dat een inventaris wordt gemaakt en periodiek geactualiseerd van op hun grondgebied gevestigde gesloten afvalvoorzieningen die ernstige negatieve milieugevolgen hebben of op middellange of korte termijn een ernstige bedreiging kunnen gaan vormen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Deze inventaris, die openbaar moet worden gemaakt, wordt uitgevoerd uiterlijk op 1 mei 2012, rekening houdend met de methodologieën bedoeld in artikel 21, indien deze voorhanden zijn.

Artikel 21

Uitwisseling van informatie

1.   De Commissie, bijgestaan door het in artikel 23 bedoelde comité, zorgt ervoor dat tussen de lidstaten een passende uitwisseling van technische en wetenschappelijke informatie plaatsvindt om methodologieën te ontwikkelen die betrekking hebben op:

a)

de uitvoering van artikel 20;

b)

de rehabilitatie van de gesloten afvalvoorzieningen die in kaart zijn gebracht uit hoofde van artikel 20, teneinde aan de voorschriften van artikel 4 te voldoen. Dergelijke methodologieën maken het mogelijk de geschiktste risicobeoordelingsprocedures en herstelmaatregelen op te zetten, gelet op de verscheidenheid aan geologische, hydrogeologische en klimatologische kenmerken in Europa.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit de ontwikkelingen met betrekking tot de beste beschikbare technieken volgt of daarover wordt geïnformeerd.

3.   De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de betrokken organisaties betreffende de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende monitoring en de ontwikkelingen op dit gebied. De Commissie publiceert de resultaten van de informatie-uitwisseling.

Artikel 22

Uitvoerings- en wijzigingsmaatregelen

1.   Uiterlijk op 1 mei 2008 stelt de Commissie volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure de bepalingen vast die nodig zijn voor de volgende punten, met voorrang voor de punten e), f) en g):

a)

harmonisatie en periodieke toezending van de informatie bedoeld in artikel 7, lid 5, en artikel 12, lid 6;

b)

uitvoering van artikel 13, lid 6, met inbegrip van technische voorschriften voor de definitie van in zwak zuur scheidbaar cyanide en de meetmethode hiervoor;

c)

technische richtsnoeren voor het stellen van een financiële zekerheid overeenkomstig artikel 14, lid 2;

d)

technische richtsnoeren voor inspecties overeenkomstig artikel 17;

e)

aanvulling van de technische voorschriften voor de afvalkarakterisering in bijlage II;

f)

interpretatie van de definitie in artikel 3, punt 3;

g)

bepaling van de criteria voor de classificatie van afvalvoorzieningen overeenkomstig bijlage III;

h)

vaststelling van geharmoniseerde normen voor de benodigde steekproef- en analysemethoden voor de technische uitvoering van deze richtlijn.

2.   Alle verdere wijzigingen die nodig zijn voor aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure.

Deze wijzigingen worden aangebracht teneinde een hoog niveau van milieubescherming te bereiken.

Artikel 23

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG (hierna „het comité”genoemd).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 24

Overgangsbepaling

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een afvalvoorziening waaraan een vergunning is verleend of die al in bedrijf is op 1 mei 2008, uiterlijk op 1 mei 2012 na die datum aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet, behalve de in artikel 14, lid 1, bedoelde afvalvoorzieningen die binnen 1 mei 2014 na die datum aan de bepalingen van deze richtlijn moeten voldoen en de in artikel 13, lid 6, bedoelde voorzieningen die binnen de daar aangegeven termijnen aan de bepalingen van deze richtlijn moeten voldoen.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op afvalvoorzieningen die op 1 mei 2008 gesloten zijn.

3.   De lidstaten verzekeren dat vanaf 1 mei 2006, en ondanks de eventuele sluiting van een afvalvoorziening na die datum en vóór 1 mei 2008, winningsafval zodanig wordt beheerd dat de verwezenlijking van artikel 4, lid 1 van deze richtlijn en andere toepasselijke milieuvoorschriften voorzien in de Gemeenschapswetgeving, met inbegrip van Richtlijn 2000/60/EG, niet in gevaar komen.

4.   Artikel 5, artikel 6, leden 3 tot en met 5, de artikelen 7 en 8, artikel 12, leden 1 en 2, en artikel 14, leden 1 tot en met 3, zijn niet van toepassing op:

afvalvoorzieningen die voor 1 mei 2006 zijn gestopt,

met het aanvaarden van afval of de sluitingsprocedures afronden in overeenstemming met de toepasselijke communautaire of nationale wetgeving of met door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde programma's, en

uiterlijk op 31 december 2010 daadwerkelijk zullen zijn gesloten.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2008 in kennis van zulke gevallen, en zij zorgen ervoor dat deze afvalvoorzieningen worden beheerd op een manier die geen afbreuk doet aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn, in het bijzonder, de doelstellingen van artikel 4, lid 1, en van andere communautaire wetgeving, waaronder Richtlijn 2000/60/EG.

Artikel 25

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 mei 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 15 maart 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

H. WINKLER


(1)  PB C 80 van 30.3.2004, blz. 35.

(2)  PB C 109 van 30.4.2004, blz. 33.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 31 maart 2004 (PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 451), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 12 april 2005 (PB C 172 E van 12.7.2005, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 6 september 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2006 en Besluit van de Raad van 30 januari 2006.

(4)  PB L 345 van 31.12.2003, blz. 97.

(5)  PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

(6)  PB C 65 E van 14.3.2002, blz. 382.

(7)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(8)  PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(9)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(10)  Richtlijn 92/91/EEG van de Raad van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (elfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348 van 28.11.1992, blz. 9).

(11)  Richtlijn 92/104/EEG van de Raad van 3 december 1992 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën in dagbouw of ondergronds (twaalfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 404 van 31.12.1992, blz. 10).

(12)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Beschikking nr. 2455/2001/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).

(13)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(14)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(15)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(16)  PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006.

(17)  Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB  196 van 16.8.1967, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/73/EG van de Commissie (PB L 152 van 30.4.2004, blz. 1).

(18)  Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/8/EG van de Commissie (PB L 19 van 24.1.2006, blz. 12).

(19)  Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).

(20)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

(21)  Richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129 van 18.5.1976, blz. 23). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/60/EG.

(22)  Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB L 20 van 26.1.1980, blz. 43). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48).

(23)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15


BIJLAGE I

Beleid ter voorkoming van zware ongevallen en informatie die aan het betrokken publiek moet worden verstrekt

1.   Beleid ter voorkoming van zware ongevallen

Het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en het veiligheidsbeheersysteem van de exploitant dienen in verhouding te staan tot de gevaren voor zware ongevallen die de afvalvoorziening oplevert. Bij de uitvoering daarvan zal met de volgende elementen rekening worden gehouden.

1.

Het preventiebeleid voor zware ongevallen dient de algemene doelen en handelingsbeginselen van de exploitant te bevatten met betrekking tot de beheersing van de gevaren voor zware ongevallen.

2.

Het veiligheidsbeheersysteem dient het deel van het algemene beheersysteem te omvatten dat betrekking heeft op de organisatiestructuur, de verantwoordelijkheden, de praktijken, de procedures, de processen en de middelen voor de vaststelling en de uitvoering van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen.

3.

Het veiligheidsbeheersysteem dient in te gaan op de volgende zaken:

a)

organisatie en personeel — de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat betrokken is bij het beheer van grote gevaren, op alle niveaus van de organisatie; bepaling van opleidingsbehoeften van dit personeel en het bieden van de aldus bepaalde opleiding, en betrokkenheid van werknemers en, voorzover van toepassing, toeleveringsbedrijven;

b)

in kaart brengen en evaluatie van grote gevaren — de goedkeuring en uitvoering van procedures voor het systematisch in kaart brengen van grote gevaren die voortkomen uit normale of bijzondere werkzaamheden, en beoordeling van de waarschijnlijkheid en ernst ervan;

c)

operationele controle — de goedkeuring en uitvoering van procedures en instructies voor een veilige exploitatie, met inbegrip van het onderhoud, van de inrichting, processen, apparatuur en tijdelijke stilleggingen;

d)

management van verandering — de goedkeuring en toepassing van procedures voor de planning van aanpassingen aan of het ontwerp van nieuwe afvalvoorzieningen;

e)

planning voor noodsituaties — de goedkeuring en toepassing van procedures voor het in kaart brengen van voorzienbare noodsituaties door middel van systematische analyse, en voor het opstellen, testen en beoordelen van noodplannen om op dergelijke noodsituaties te reageren;

f)

monitoring van de prestaties — de goedkeuring en toepassing van procedures voor de doorlopende beoordeling van de overeenstemming met de doelstellingen van het preventiebeleid voor zware ongevallen en het veiligheidsbeheersysteem van de exploitant, en de mechanismen voor het onderzoeken van en het treffen van corrigerende maatregelen in gevallen van niet-naleving. De procedures moeten het systeem van de exploitant voor de rapportage van zware ongevallen of bijna-ongevallen bestrijken, in het bijzonder de voorvallen die te maken hebben met het falen van beschermende maatregelen, alsook het onderzoek daarnaar en de follow-up op basis van de verworven kennis;

g)

audit en toetsing — de goedkeuring en toepassing van procedures voor de periodieke systematische toetsing van het preventiebeleid voor zware ongevallen en de effectiviteit en geschiktheid van het veiligheidsbeheersysteem; de gedocumenteerde toetsing van de prestaties van het beleid en het veiligheidsbeheersysteem en de bijstelling daarvan door het hoger kader.

2.   Informatie die aan het betrokken publiek moet worden verstrekt

1.

De naam van de exploitant en het adres van de afvalvoorziening.

2.

De identiteit, met vermelding van de beklede functie, van de persoon die de informatie verstrekt.

3.

Een bevestiging dat de afvalvoorziening is onderworpen aan de wettelijke en/of bestuursrechtelijke bepalingen tot uitvoering van deze richtlijn en, indien van toepassing, dat de informatie met betrekking tot de in artikel 6, lid 2, bedoelde elementen bij de bevoegde autoriteit is ingediend.

4.

Een uitleg in duidelijke en begrijpelijke woorden van de werkzaamheid of werkzaamheden die op het terrein worden verricht.

5.

De gangbare namen of de generieke namen of de algemene gevarenclassificatie van de stoffen en preparaten die bij de afvalvoorziening zijn betrokken, alsook van het afval dat tot een zwaar ongeval zou kunnen leiden, met een indicatie van hun belangrijkste gevaarskenmerken.

6.

Algemene informatie over de aard van de gevaren voor zware ongevallen, met inbegrip van de potentiële effecten daarvan op de omwonende bevolking en het omliggende milieu.

7.

Adequate informatie over de manier waarop de betrokken omwonende bevolking zal worden gewaarschuwd en op de hoogte zal worden gehouden in het geval van een zwaar ongeval.

8.

Adequate informatie over de maatregelen die de betrokken bevolking moet nemen en over de manier waarop ze zich moeten gedragen in het geval van een zwaar ongeval.

9.

Een bevestiging dat de exploitant, in samenwerking met de hulpdiensten, verplicht is adequate regelingen te treffen op het terrein om zware ongevallen aan te pakken en de effecten ervan tot een minimum te beperken.

10.

Een verwijzing naar het externe noodplan dat is opgesteld om buiten het terrein met de eventuele gevolgen van een ongeval om te gaan. Deze verwijzing dient het advies te omvatten om ten tijde van een ongeval alle instructies of verzoeken van hulpdiensten op te volgen.

11.

Gegevens van de plaats waar verdere relevante informatie kan worden verkregen, afhankelijk van de geheimhoudingsvoorschriften van de nationale wetgeving.


BIJLAGE II

Afvalkarakterisering

Het winningsafval wordt zodanig gekarakteriseerd dat de fysische en chemische stabiliteit van de structuur op de lange termijn wordt gegarandeerd en zware ongevallen kunnen worden voorkomen. De afvalkarakterisering omvat, waar dat passend is en in overeenstemming is met de classificatie van de afvalvoorziening, de volgende aspecten:

1.

een beschrijving van de verwachte fysische en chemische kenmerken van het afval dat op de korte en de lange termijn zal worden gestort, waarbij met name de stabiliteit ervan onder de aan het oppervlak heersende atmosferische/meteorologische wordt vermeld, rekening houdend met het soort gewonnen minera(a)l(en) en de aard van eventuele overbelasting en/of ganggesteentemineralen, die tijdens de winningswerkzaamheden worden verplaatst;

2.

een classificatie van het afval volgens de toepasselijke indeling in Beschikking 2000/532/EG (1), met bijzondere aandacht voor de gevaarlijke kenmerken van het afval in kwestie;

3.

een beschrijving van de chemische stoffen die worden gebruikt tijdens de behandeling van het mineraal, en de stabiliteit van deze stoffen;

4.

een beschrijving van de stortmethode;

5.

het toe te passen afvalvervoersysteem.


(1)  Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3). Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2001/573/EG van de Raad (PB L 203 van 28.7.2001, blz. 18).


BIJLAGE III

Criteria voor het bepalen van de indeling van afvalvoorzieningen

Een afvalvoorziening wordt ingedeeld in categorie A indien:

falen of incorrecte werking, zoals de instorting van een berg of de breuk van een dam, zou kunnen leiden tot een zwaar ongeval, op basis van een risicobeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals de huidige of toekomstige omvang, de ligging en de gevolgen voor het milieu van de afvalvoorziening, of

de afvalvoorziening afval bevat dat volgens Richtlijn 91/689/EEG boven een bepaalde drempel als gevaarlijk wordt aangemerkt, of

de afvalvoorziening stoffen of preparaten bevat die volgens Richtlijn 67/548/EEG of Richtlijn 1999/45/EG boven een bepaalde drempel als gevaarlijk worden aangemerkt.


VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie spreken hun waardering uit voor de Gezamenlijke Verklaring van Bulgarije en Roemenië over de tenuitvoerlegging van de komende richtlijn betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën.