27.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 378/32


BESLUIT Nr. 1904/2006/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 december 2006

tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma „Europa voor de burger” ter bevordering van een actief Europees burgerschap

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 151 en 308,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag stelt een burgerschap van de Unie in dat het nationale burgerschap van de respectieve lidstaten aanvult. Dit burgerschap vormt een belangrijk element bij de versterking en de bescherming van het proces van Europese integratie.

(2)

De Gemeenschap moet de burgers ten volle doordringen van hun Europees burgerschap, de voordelen daarvan en de rechten en plichten, die met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en omwille van de samenhang moeten worden bevorderd.

(3)

De Europese burgers moeten vooral dringend volledig bewust worden gemaakt van hun burgerschap van de Europese Unie in de context van de brede bezinning over de toekomst van Europa die door de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 juni 2005 op gang is gebracht. Het programma „Europa voor de burger” dient derhalve andere in deze context gelanceerde initiatieven aan te vullen doch niet te overlappen.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de burgers de Europese integratie ten volle steunen, moet meer nadruk worden gelegd op hun gemeenschappelijke waarden, geschiedenis en cultuur als sleutelelementen van hun lidmaatschap van een samenleving die is gebaseerd op vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten, culturele verscheidenheid, verdraagzaamheid en solidariteit, overeenkomstig het op 7 december 2000 afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (4).

(5)

De bevordering van actief burgerschap is een essentieel element voor de versterking van de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en intolerantie, maar ook van de samenhang en de ontwikkeling van de democratie.

(6)

In het kader van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU moet gezorgd worden voor een brede bekendheid en een grote impact van de via het programma ondersteunde activiteiten.

(7)

Om Europa dichter bij de burger te brengen en de burger de kans te geven ten volle aan de opbouw van een steeds hechter Europa deel te nemen, moeten alle onderdanen van de deelnemende landen en eenieder die daar legaal verblijft worden aangesproken en bij transnationale uitwisselingen en samenwerkingsactiviteiten worden betrokken, wat zal bijdragen tot de ontwikkeling van het besef gemeenschappelijke Europese idealen te koesteren.

(8)

Het Europees Parlement stelde in een resolutie, aangenomen in 1988, dat het wenselijk is een grote inspanning te leveren om de betrekkingen tussen de burgers van de diverse lidstaten te intensiveren en dat specifieke steun van de Europese Unie voor de totstandkoming van jumelages tussen gemeenten of steden van verschillende landen van de Gemeenschap zowel gemotiveerd als gewenst is.

(9)

De Europese Raad heeft meermaals erkend dat de Europese Unie en haar instellingen dichter bij de burgers van de lidstaten moeten worden gebracht. Hij heeft de instellingen van de Unie aangemoedigd een open, transparante en regelmatige dialoog met de georganiseerde civiele samenleving te voeren en te cultiveren en aldus de participatie van de burgers aan het openbare leven en de besluitvorming te bevorderen en de nadruk te leggen op de door de burgers van Europa gedeelde essentiële waarden.

(10)

Bij Besluit 2004/100/EG van 26 januari 2004 heeft de Raad een communautair actieprogramma ter bevordering van actief Europees burgerschap (civic participation) (5) ingesteld, waarin wordt bevestigd dat een permanente dialoog met maatschappelijke organisaties en gemeenten moet worden bevorderd en de actieve betrokkenheid van de burgers moet worden gesteund.

(11)

Burgerprojecten met een transnationale en sectoroverschrijdende dimensie zijn belangrijke instrumenten om de burger te bereiken en het Europees bewustzijn, Europese politieke integratie, sociale insluiting en wederzijds begrip te bevorderen.

(12)

Europese, nationale, regionale en lokale maatschappelijke organisaties zijn belangrijke instrumenten om de burger actief bij de samenleving te betrekken en leveren een bijdrage tot het consolideren van alle aspecten van het openbare leven. Tevens fungeren zij als tussenschakels tussen Europa en zijn burgers. Hun transnationale samenwerking moet daarom worden bevorderd en aangemoedigd.

(13)

Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen, kunnen het debat op Europees vlak met ideeën en standpunten voeden. Het verdient derhalve aanbeveling om, als tussenschakel tussen de Europese instellingen en de burgers, activiteiten te steunen die een afspiegeling vormen van hun wil om een Europese identiteit en een Europees burgerschap te creëren, door het vaststellen van procedures met transparante criteria ter bevordering van netwerken voor informatieverschaffing en -uitwisseling.

(14)

Het is ook van belang om de actie voort te zetten die de Europese Unie heeft ondernomen in het kader van Besluit nr. 792/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter ondersteuning van organisaties die op Europees niveau op cultuurgebied actief zijn (6), teneinde de belangrijkste plaatsen en archieven in verband met de deportaties te beschermen en de herinnering hieraan levend te houden; met die aanpak kan worden voorkomen dat de volle omvang en de tragische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog in de vergetelheid raken en kan een universeel historisch besef worden bevorderd, zodat het verleden kan worden verwerkt en aan de toekomst kan worden gebouwd.

(15)

In de door de Europese Raad van Nice op van 7 tot 9 december 2000 aangenomen verklaring inzake sport werd gewezen op het volgende: „ook al beschikt de Gemeenschap niet over rechtstreekse bevoegdheden op dit gebied, toch moet zij bij haar optreden uit hoofde van de verschillende Verdragsbepalingen rekening houden met de maatschappelijke, educatieve en culturele functie van de sport”.

(16)

Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan een evenwichtige vertegenwoordiging van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten in transnationale projecten en activiteiten.

(17)

De kandidaat-lidstaten en de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, worden als mogelijke deelnemers aan communautaire programma's erkend in overeenstemming met de met hen gesloten overeenkomsten.

(18)

De Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 heeft zijn goedkeuring gehecht aan „de agenda voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie”, waarin de landen van de Westelijke Balkan worden uitgenodigd aan communautaire programma's en agentschappen deel te nemen. De landen van de Westelijke Balkan moeten daarom worden erkend als mogelijke deelnemers aan communautaire programma's.

(19)

Het programma moet regelmatig en op onafhankelijke wijze samen met de Commissie en de lidstaten worden gecontroleerd en geëvalueerd, zodat de aanpassingen kunnen worden aangebracht die nodig zijn om de maatregelen naar behoren uit te voeren.

(20)

In de procedures voor monitoring en evaluatie van het programma moet gebruik gemaakt worden van doelstellingen en indicatoren die specifiek, meetbaar, haalbaar en relevant zijn en waarvoor een termijn is vastgesteld.

(21)

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (7) (hierna het Financieel Reglement genoemd) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 19 november 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8), die de financiële belangen van de Europese Gemeenschap beschermen, moeten worden toegepast onder betrachting van eenvoud en samenhang bij de keuze van de begrotingsinstrumenten, beperking van het aantal gevallen waarin de Commissie rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering en het beheer van de begrotingsinstrumenten, en evenredigheid tussen de hoogte van de middelen en de administratieve lasten voor de besteding ervan.

(22)

Er moeten ook passende maatregelen worden genomen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en verloren gegane, ten onrechte betaalde of verkeerd bestede middelen terug te vorderen.

(23)

Overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer kan de uitvoering van het programma worden vereenvoudigd door gebruik te maken van financiering met forfaitaire bedragen, met betrekking tot ofwel de steun die aan deelnemers aan het programma wordt verleend ofwel communautaire steun voor de structuren die op nationaal niveau voor de administratie van het programma zijn opgericht.

(24)

Dit besluit stelt voor de gehele duur van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (9).

(25)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege het transnationale en multilaterale karakter van de acties en de maatregelen van het programma beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(26)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

(27)

Overeenkomstig Besluit 2004/100/EG moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld opdat toezicht kan worden uitgeoefend op vóór 31 december 2006 begonnen acties,

BESLUITEN:

Artikel 1

Onderwerp en omvang van het programma

1.   Bij dit besluit wordt het programma „Europa voor de burger” (hierna „programma” genoemd) voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 vastgesteld.

2.   Het programma draagt bij tot de volgende algemene doelstellingen:

a)

de burgers de kans geven om samen te werken en deel te nemen aan de opbouw van een steeds hechter, democratisch en op de wereld gericht Europa, dat verenigd is in en verrijkt door zijn culturele verscheidenheid, en aldus het burgerschap van de Europese Unie te ontwikkelen;

b)

een op gemeenschappelijke waarden, geschiedenis en cultuur gebaseerd besef van Europese identiteit ontwikkelen;

c)

de burger een gevoel van verantwoordelijkheid voor de Europese Unie bijbrengen;

d)

de verdraagzaamheid en het wederzijds begrip tussen de Europese burgers vergroten, waarbij de culturele verscheidenheid wordt gerespecteerd en gehuldigd en de interculturele dialoog wordt bevorderd.

Artikel 2

Specifieke doelstellingen van het programma

Het programma heeft de volgende specifieke doelstellingen die aansluiten bij de fundamentele doelstellingen van het Verdrag en die op transnationale basis worden uitgevoerd:

a)

mensen uit plaatselijke gemeenschappen in heel Europa samenbrengen om ervaringen, opvattingen en waarden uit te wisselen, van de geschiedenis te leren en aan de toekomst te bouwen;

b)

acties, debatten en denkoefeningen over het Europees burgerschap en democratie, gedeelde waarden, gemeenschappelijke geschiedenis en cultuur stimuleren door samenwerking tussen maatschappelijke organisaties op Europees niveau;

c)

Europa dichter bij de burgers brengen door de waarden en prestaties van Europa uit te dragen en de herinnering aan het verleden levendig te houden;

d)

de wisselwerking tussen burgers en maatschappelijke organisaties uit alle deelnemende landen stimuleren, door de interculturele dialoog te bevorderen en zowel de verscheidenheid als de eenheid van Europa te beklemtonen, met bijzondere aandacht voor activiteiten welke burgers uit lidstaten van de Europese Unie in haar samenstelling op 30 april 2004 en burgers uit lidstaten die na die datum zijn toegetreden, nader tot elkaar beogen te brengen.

Artikel 3

Acties

1.   De doelstellingen van het programma worden nagestreefd door steun te verlenen aan de volgende acties, die in deel I van de bijlage nader worden toegelicht:

a)

Actieve burgers voor Europa:

jumelages van steden;

burgerprojecten en ondersteunende maatregelen.

b)

Een actieve civiele samenleving in Europa:

structurele steun voor Europese organisaties die onderzoek naar overheidsbeleid doen (denktanks);

structurele steun voor maatschappelijke organisaties op Europees niveau;

steun voor projecten waartoe maatschappelijke organisaties de aanzet hebben gegeven.

c)

Samen voor Europa:

evenementen met een hoog zichtbaarheidsgehalte, zoals herdenkingen, prijsuitreikingen, artistieke evenementen, Europabrede conferenties;

studies, onderzoeken en opiniepeilingen;

hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding.

d)

Actief Europees gedenken, bestaande in:

het beschermen van de belangrijkste plaatsen en archieven in verband met de deportaties en het levend houden van de herinnering aan de slachtoffers.

2.   Bij elke actie mag prioriteit worden verleend aan de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten, zoals bepaald in de specifieke doelstelling van artikel 2, punt d).

Artikel 4

Vormen van communautaire maatregelen

1.   Communautaire maatregelen kunnen de vorm hebben van subsidies of overheidsopdrachten.

2.   Communautaire subsidies kunnen in een specifieke vorm worden verleend, bijvoorbeeld in de vorm van subsidies voor huishoudelijke uitgaven, subsidies voor acties, beurzen, prijzen.

3.   Overheidsopdrachten bestrijken de aankoop van diensten, zoals voor de organisatie van evenementen, studies en onderzoek, hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding, monitoring en evaluatie.

4.   Alleen gegadigden die de in deel II van de bijlage gestelde voorwaarden vervullen, komen voor een subsidie van de Gemeenschap in aanmerking.

Artikel 5

Deelname aan het programma

De volgende landen, hierna de „deelnemende landen” genoemd, kunnen aan het programma deelnemen:

a)

de lidstaten;

b)

de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, in overeenstemming met de bepalingen van die overeenkomst;

c)

de kandidaat-lidstaten die betrokken zijn bij een pretoetredingsstrategie, in overeenstemming met de algemene beginselen en de algemene voorwaarden die in de met deze landen gesloten kaderovereenkomsten voor hun deelname aan communautaire programma's zijn vastgesteld;

d)

de landen van de Westelijke Balkan, in overeenstemming met de afspraken die met deze landen zullen worden gemaakt in het kader van de kaderovereenkomsten over de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma's.

Artikel 6

Toegang tot het programma

Het programma staat open voor alle belanghebbende partijen die een actief Europees burgerschap bevorderen, en met name voor lokale overheden en organisaties, Europese organisaties die onderzoek naar overheidsbeleid doen (denktanks), burgergroepen en andere maatschappelijke organisaties.

Artikel 7

Samenwerking met internationale organisaties

Het programma kan gezamenlijke en innovatieve activiteiten op het gebied van actief Europees burgerschap met toepasselijke internationale organisaties, zoals de Raad van Europa of de Unesco, bestrijken op basis van gezamenlijke bijdragen en overeenkomstig het Financieel Reglement en de regels van elke instelling of organisatie.

Artikel 8

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie stelt de voor de uitvoering van het programma vereiste maatregelen vast in overeenstemming met de bepalingen van de bijlage.

2.   De volgende maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde procedure:

a)

de maatregelen tot uitvoering van het programma, met inbegrip van het jaarlijkse werkplan, de selectiecriteria en de selectieprocedures;

b)

het algemene evenwicht tussen de verschillende acties van het programma;

c)

de procedures voor monitoring en evaluatie van het programma;

d)

de financiële ondersteuning (bedrag, looptijd, verdeling en ontvangers) die de Gemeenschap biedt met betrekking tot alle subsidies voor huishoudelijke uitgaven, meerjarige jumelage-overeenkomsten uit hoofde van actie 1 en evenementen met een hoog zichtbaarheidsgehalte uit hoofde van actie 3.

3.   Alle overige voor de uitvoering van het programma noodzakelijke maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 3, bedoelde procedure.

4.   Als onderdeel van de in lid 2 genoemde procedure kan de Commissie voor elk van de acties in de bijlage richtsnoeren opstellen om het programma aan te passen aan wijzigingen van de prioriteiten op het gebied van actief Europees burgerschap.

Artikel 9

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

4.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 10

Samenhang met andere instrumenten van de Gemeenschap en de Europese Unie

1.   De Commissie zorgt voor de samenhang en de complementariteit tussen dit programma en instrumenten op andere actiegebieden van de Gemeenschap, met name onderwijs, beroepsopleidingen, cultuur, jeugd, sport, milieu, de audiovisuele sector en media, grondrechten en fundamentele vrijheden, sociale insluiting, gelijkheid van vrouwen en mannen, bestrijding van alle vormen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat, wetenschappelijk onderzoek, de informatiemaatschappij en het extern optreden van de Gemeenschap, met name op het niveau van het Europees nabuurschapsbeleid.

2.   Middelen van het programma kunnen worden gebundeld met middelen van andere instrumenten van de Gemeenschap en de Europese Unie tot uitvoering van acties die aan de doelstellingen van zowel dit programma als deze andere instrumenten beantwoorden.

Artikel 11

Financiering

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma tijdens de in artikel 1 vermelde periode bedragen 215 miljoen EUR.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financieel kader.

Artikel 12

Financiële bepalingen

1.   Financiële steun wordt verleend in de vorm van subsidies aan rechtspersonen. Naar gelang van de aard van de actie en het nagestreefde doel kunnen ook subsidies aan natuurlijke personen worden toegekend.

2.   De Commissie kan aan natuurlijke of rechtspersonen prijzen uitreiken voor in het kader van het programma uitgevoerde acties of projecten.

3.   Overeenkomstig artikel 181 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie en afhankelijk van de aard van de actie kunnen forfaitaire financieringen worden toegestaan en/of tarieven op grond van eenheidskosten worden toegepast.

4.   Medefinanciering in natura kan worden toegestaan.

5.   De Commissie kan op grond van de eigenschappen van de subsidieontvangers en de aard van de acties besluiten of het dienstig is de subsidieontvangers vrij te stellen van de verificatie van de beroepsbekwaamheden en -kwalificaties die vereist zijn om de voorgenomen actie of het voorgenomen werkprogramma tot een goed einde te brengen.

6.   Bij kleine subsidies kan de hoeveelheid door de subsidieontvanger te verstrekken informatie worden beperkt.

7.   In specifieke gevallen, bijvoorbeeld wanneer een kleine subsidie wordt verleend, hoeft de subsidieontvanger niet aan te tonen over voldoende financiële draagkracht te beschikken om het geplande project of werkprogramma uit te voeren.

8.   Subsidies voor huishoudelijke uitgaven die in het kader van het programma worden verleend aan organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, als omschreven in artikel 162 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002, hebben bij verlenging niet automatisch een degressief karakter.

Artikel 13

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van dit besluit gefinancierde acties de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, door doeltreffende controles en de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (11), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (12) en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (13).

2.   Bij de uit hoofde van het programma gefinancierde acties van de Gemeenschap wordt onder het begrip onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 verstaan elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of elke schending van een contractuele verplichting als gevolg van een handeling of een nalaten van een economische actor, die door een ongerechtvaardigde uitgave een nadelig effect heeft of zou kunnen hebben op de algemene begroting van de Gemeenschappen of op de door de Gemeenschappen beheerde budgetten.

3.   De Commissie vermindert de voor een actie toegekende financiering, schorst de uitbetaling ervan of vordert deze terug indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van dit besluit of van de individuele beschikking, het contract of de overeenkomst waarbij de betrokken financiële steun werd verleend, of indien aan het licht komt dat, zonder dat de Commissie daarvoor om toestemming werd verzocht, de actie werd gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van het project.

4.   Indien de termijnen niet worden gerespecteerd of slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang bij de uitvoering van de actie, verzoekt de Commissie de subsidieontvanger om binnen een vastgestelde termijn een toelichting te geven. Indien de subsidieontvanger geen bevredigend antwoord geeft, kan de Commissie de resterende financiële steun schrappen en terugbetaling van de reeds uitbetaalde bedragen eisen.

5.   Alle ten onrechte uitbetaalde bedragen worden aan de Commissie terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente overeenkomstig de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 14

Monitoring en evaluatie

1.   De Commissie zorgt voor regelmatige monitoring van het programma. De resultaten van de monitoring en evaluatie worden bij de uitvoering van het programma benut. De monitoring behelst met name dat de in lid 3, onder a) en c), vermelde verslagen worden opgesteld.

De specifieke doelstellingen kunnen overeenkomstig artikel 251 van het EG-Verdrag worden herzien.

2.   De Commissie zorgt voor een regelmatige, externe en onafhankelijke evaluatie van het programma en brengt regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement.

3.   De Commissie legt de volgende documenten aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voor:

a)

uiterlijk 31 december 2010 een tussentijds evaluatieverslag over de resultaten en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma;

b)

uiterlijk 31 december 2011 een mededeling over de voortzetting van het programma;

c)

uiterlijk 3 december 2015 een verslag over de ex-postevaluatie.

Artikel 15

Overgangsbepaling

Acties die vóór 31 december 2006 overeenkomstig Besluit 2004/100/EG van start gaan, blijven tot de voltooiing ervan aan de bepalingen van dat besluit onderworpen.

Zoals bepaald in artike 18 van het Financieel Reglement kunnen de bedragen die corresponderen met toegewezen inkomsten die voortvloeien uit de terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen ingevolge Besluit 2004/100/EG aan het programma beschikbaar worden gesteld.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het besluit is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Gedaan te Straatsburg, 12 december 2006

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Josep BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

Mauri PEKKARINEN


(1)  PB C 28 van 3.2.2006, blz. 29.

(2)  PB C 115 van 16.5.2006, blz. 81.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 5 april 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 25 september 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), standpunt van het Europees Parlement van 25 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 december 2006.

(4)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(5)  PB L 30 van 4.2.2004, blz. 6.

(6)  PB L 138 van 30.4.2004, blz. 40.

(7)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(8)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1248/2006 van de Commissie (PB L 227 van 19.8.2006, blz. 3).

(9)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Beslu 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(11)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(12)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(13)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.


BIJLAGE

I.   BESCHRIJVING VAN DE ACTIES

Aanvullende informatie over de toegang tot het programma

Tot maatschappelijke organisaties als bedoeld in artikel 6 worden onder meer vakbonden, onderwijsinstellingen en vrijwilligers- en amateursportorganisaties gerekend.

ACTIE 1:   Actieve burgers voor Europa

Deze actie omvat dat deel van het programma dat specifiek gericht is op activiteiten waarbij burgers worden betrokken. Deze activiteiten vallen onder twee soorten maatregelen:

Jumelages van steden

Bij deze maatregel gaat het om activiteiten waarbij directe uitwisselingen tussen Europese burgers plaatsvinden of worden bevorderd via activiteiten in het kader van jumelages van steden. Het kan gaan om eenmalige of proefactiviteiten, maar ook om gestructureerde, meerjarige overeenkomsten tussen verschillende partners op basis van een meer geprogrammeerde aanpak die betrekking hebben op een reeks activiteiten variërend van bijeenkomsten van burgers tot specifieke conferenties of seminars over thema's van gemeenschappelijk belang en publicaties naar aanleiding van activiteiten in het kader van jumelages van steden. Dankzij deze maatregel worden de wederzijdse kennis en het wederzijds begrip tussen burgers en tussen culturen actief bevorderd.

Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 kan rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de Raad van Europese gemeenten en regio's (CEMR), een orgaan dat een doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft en op het gebied van jumelages van steden actief is.

Burgerprojecten en ondersteunende maatregelen

In het kader van deze maatregel wordt steun verleend aan allerlei transnationale en sectoroverschrijdende projecten waarbij de burgers direct worden betrokken. Prioriteit wordt gegeven aan projecten die bedoeld zijn om de participatie op lokaal niveau te bevorderen. De omvang en de reikwijdte van deze projecten zullen afhangen van de maatschappelijke ontwikkelingen. De projecten zullen volgens innovatieve methoden mogelijke oplossingen voor de vastgestelde behoeften bestuderen. Het gebruik van nieuwe technologieën (vooral technologieën van de informatiemaatschappij) zal worden aangemoedigd. Bij de projecten worden burgers met verschillende achtergronden betrokken. Ze zullen samenwerken en in debat treden over gemeenschappelijke Europese thema's waardoor het wederzijds begrip en het inzicht in het proces van Europese integratie toenemen.

Met het oog op betere jumelage- en burgerprojecten moeten ook ondersteunende maatregelen worden ontwikkeld om beste praktijken uit te wisselen, ervaringen tussen plaatselijke en regionale belanghebbenden, inclusief overheden, te bundelen en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen, bijvoorbeeld via opleidingen.

Naar verwachting zal ten minste 45 % van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

ACTIE 2:   Een actieve civiele samenleving in Europa

Structurele steun voor Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen (denktanks)

Organisaties met nieuwe ideeën en standpunten over Europese thema's zijn belangrijke institutionele gesprekspartners die de Europese instellingen onafhankelijke, strategische en sectoroverschrijdende aanbevelingen kunnen doen. Ze kunnen activiteiten ondernemen om met name het debat over het burgerschap van de Europese Unie en de Europese waarden en culturen aan te wakkeren. Deze maatregel beoogt de institutionele capaciteit van deze organisaties te versterken. Het zijn representatieve organisaties die een reële Europese meerwaarde opleveren, belangrijke multiplicatoreffecten genereren en met andere begunstigden van het programma kunnen samenwerken. Het is in dit verband belangrijk de trans-Europese netwerken te versterken. Er kunnen subsidies worden verleend op basis van een meerjarig werkprogramma dat een reeks thema's of activiteiten bundelt.

Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 kan rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de vereniging „Groupement d'études et de recherches Notre Europe” en aan het „Institut für Europäische Politik”, als organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Structurele steun voor maatschappelijke organisaties op Europees niveau

Maatschappelijke organisaties vormen een belangrijk onderdeel van de burger-, educatieve, culturele en politieke activiteiten ten behoeve van participatie in de samenleving. Zij zijn nodig en moeten kunnen opereren en samenwerken op Europees niveau. Zij moeten tevens via raadpleging kunnen deelnemen aan de besluitvorming. Dankzij deze maatregel beschikken ze over de capaciteit en de stabiliteit om in een sectoroverschrijdende en horizontale dimensie als transnationale katalysatoren te fungeren voor hun leden en de civiele samenleving op Europees niveau, en dragen zij aldus bij tot de doelstellingen van het programma. Het is in dit verband belangrijk de trans-Europese netwerken en Europese verenigingen te versterken. Er kunnen subsidies worden verleend op basis van een meerjarig werkprogramma dat een reeks thema's of activiteiten bundelt.

Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 kan rechtstreeks structurele steun worden verleend aan drie organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven: het Platform van Europese sociale ngo's, de Europese Beweging en de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen.

Steun voor projecten waartoe maatschappelijke organisaties de aanzet hebben gegeven

Maatschappelijke organisaties op lokaal, nationaal, regionaal of Europees niveau bereiken burgers via debatten, publicaties, pleitbezorging en andere concrete transnationale projecten of behartigen hun belangen. Het introduceren van of het voortbouwen op een Europese dimensie in de activiteiten van maatschappelijke organisaties stelt deze organisaties in staat hun capaciteiten te vergroten en een breder publiek te bereiken. De directe samenwerking tussen maatschappelijke organisaties uit verschillende lidstaten zal het begrip voor andere culturen en standpunten ten goede komen en gemeenschappelijke belangen en waarden helpen ontdekken. Dit kan in de vorm van afzonderlijke projecten, maar een benadering op langere termijn zal zorgen voor duurzamere effecten en voor de ontwikkeling van netwerken en synergieën.

Naar verwachting zal ongeveer 31 % van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

ACTIE 3:   Samen voor Europa

Evenementen met een hoog zichtbaarheidsgehalte

Deze maatregel zal ondersteuning bieden aan door de Europese Commissie, in voorkomend geval in samenwerking met de lidstaten of andere toepasselijke partners, georganiseerde evenementen van aanzienlijke omvang en reikwijdte die bij de volkeren van Europa weerklank vinden, hun samenhorigheidsgevoel verdiepen, hen van de geschiedenis, de successen en de waarden van de Europese Unie bewustmaken, hen bij de interculturele dialoog betrekken en tot de ontwikkeling van hun Europese identiteit bijdragen.

Het kan onder meer gaan om herdenkingen van historische gebeurtenissen, vieringen van Europese successen, artistieke evenementen, bewustmakingscampagnes rond specifieke thema's, Europabrede conferenties en de uitreiking van prijzen naar aanleiding van belangrijke prestaties. Het gebruik van nieuwe technologieën (vooral technologieën van de informatiemaatschappij) zal worden aangemoedigd.

Studies

Om meer inzicht te krijgen in het concept actief Europees burgerschap zal de Commissie studies, enquêtes en opiniepeilingen uitvoeren.

Hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding

Aangezien de burgers in het brandpunt staan en de initiatieven op het gebied van actief burgerschap een uiteenlopend karakter hebben, is er behoefte aan uitgebreide informatie over de activiteiten van het programma, andere Europese acties met betrekking tot burgerschap en andere relevante initiatieven. Deze informatie moet worden verstrekt via een internetportaal en andere hulpmiddelen.

Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 kan rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de „Association Jean Monnet”, het „Centre européen Robert Schuman”, alsook aan de Europahuizen, die op nationaal en Europees niveau een federatie vormen, als organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Naar verwachting zal ongeveer 10 % van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

ACTIE 4:   Actief Europees gedenken

Uit hoofde van deze actie kunnen de hierna genoemde soorten projecten worden gesteund:

ter bescherming van de belangrijkste plaatsen en gedenktekens in verband met massadeportaties, voormalige concentratiekampen en andere plaatsen waar burgers ten tijde van het nazisme op grote schaal gemarteld en uitgeroeid werden, en van de archieven waarin documentatie over die gebeurtenissen te vinden is, om de herinnering aan de slachtoffers en aan de mensen die in extreme omstandigheden andere mensen van de holocaust hebben gered, levend te houden;

ter herdenking van de slachtoffers van massale uitroeiing en massadeportatie die verband houden met het stalinisme, en ter bescherming van de gedenktekens en de archieven waarin documentatie over die gebeurtenissen te vinden is.

Circa 4 % van de totale aan het programma toegewezen begroting zal aan deze actie worden besteed.

II.   BEHEER VAN HET PROGRAMMA

De uitvoering van het programma berust op transparantie en openheid ten aanzien van een grote verscheidenheid van organisaties en projecten. Projecten en activiteiten zullen daarom in de regel via openbare oproepen tot het indienen van voorstellen worden geselecteerd. Afwijkingen zijn alleen mogelijk in zeer specifieke gevallen en behoudens volledige naleving van artikel 168, lid 1, onder c) en d), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002.

Het programma zal het beginsel van op overeengekomen doelstellingen gebaseerde meerjarige partnerschappen ontwikkelen en op de analyse van de resultaten voortbouwen om wederzijdse voordelen voor de civiele samenleving en de Europese Unie te waarborgen. De maximale duur van financiering door middel van één enkele subsidieovereenkomst uit hoofde van het programma is beperkt tot 3 jaar.

Sommige acties zullen wellicht een indirect gecentraliseerd beheer door een uitvoerende instantie of, vooral voor actie 1, door nationale instanties vergen.

Alle acties zullen transnationaal worden uitgevoerd en zij zullen de mobiliteit van burgers en ideeën in de Europese Unie bevorderen.

Het is belangrijk netwerken te vormen en de aandacht op multiplicatoreffecten toe te spitsen (inclusief het gebruik van de informatie- en communicatietechnologieën (ICT)). Beide aspecten zullen worden weerspiegeld in de soorten activiteiten en de verscheidenheid van organisaties. Interacties en synergieën tussen de verschillende belanghebbenden bij het programma zullen worden bevorderd.

Uit de financiële middelen van het programma kunnen ook de uitgaven worden gedekt ten behoeve van maatregelen in verband met voorbereidende werkzaamheden, follow-up, monitoring, audits en evaluatie die voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen rechtstreeks noodzakelijk zijn, met name uitgaven voor studies, bijeenkomsten, informatie- en publicatieactiviteiten en onkosten in verband met IT-netwerken voor de uitwisseling van informatie en verdere uitgaven voor administratieve en technische ondersteuning, waarvan de Commissie bij het beheer van het programma gebruik kan maken.

De totale administratieve uitgaven voor het programma moeten in verhouding staan tot de in het desbetreffende programma opgenomen taken en, bij wijze van indicatie, circa 10 % van de totale aan het programma toegewezen begroting uitmaken.

De Commissie kan in voorkomend geval informatie-, publicatie- en verspreidingsactiviteiten ondernemen, en aldus zorgen voor ruime bekendheid en een grote impact van de door het programma ondersteunde activiteiten.

III.   CONTROLES EN AUDITS

Voor de projecten die volgens dit besluit zijn geselecteerd, wordt een systeem van steekproefsgewijze audits ingesteld.

De subsidieontvanger houdt alle bewijsstukken van uitgaven gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat eventuele bewijsstukken in het bezit van partners of leden ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

De Commissie kan de besteding van de subsidie ofwel rechtstreeks door eigen personeel, ofwel door een gekwalificeerde externe organisatie van haar keuze laten controleren. Deze audits kunnen worden uitgevoerd gedurende de volledige looptijd van de overeenkomst, en gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het saldo van de subsidie is betaald. De auditresultaten kunnen er in voorkomend geval toe leiden dat de Commissie tot terugvordering besluit.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de subsidieontvanger evenals tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, voor deze audits.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, en met name het recht van toegang.