25.11.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/9


VERORDENING (EG) Nr. 1889/2005 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 oktober 2005

betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 95 en 135,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een van de taken van de Gemeenschap is een harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteiten binnen de gehele Gemeenschap te bevorderen door de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt en een economische en monetaire unie. Daartoe omvat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal gewaarborgd is.

(2)

Het feit dat opbrengsten van illegale activiteiten in het financiële stelsel doordringen en, na te zijn witgewassen, worden geïnvesteerd, is schadelijk voor een solide en duurzame economische ontwikkeling. Bij Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (3) is dan ook een communautair controlemechanisme met betrekking tot transacties via krediet- en financiële instellingen en bepaalde soorten beroepen ingesteld om witwassen te voorkomen. Omdat het risico bestaat dat de toepassing van dat mechanisme het vervoer van liquide middelen voor illegale doeleinden doet toenemen, moet Richtlijn 91/308/EEG worden aangevuld met een systeem voor de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.

(3)

Momenteel zijn er slechts enkele lidstaten die dergelijke controlesystemen toepassen op grond van hun nationale wetgeving. De verschillen in wetgeving zijn nadelig voor de goede werking van de interne markt. De basiselementen moeten derhalve op communautair niveau worden geharmoniseerd om te zorgen voor een gelijkwaardig niveau van controle waar het betreft het vervoer van liquide middelen over de grenzen van de Gemeenschap. Die harmonisatie moet de mogelijkheden van de lidstaten onverlet laten om overeenkomstig de bestaande verdragsbepalingen nationale controles op het vervoer van liquide middelen binnen de Gemeenschap uit te voeren.

(4)

Er dient tevens rekening te worden gehouden met complementaire activiteiten in andere internationale fora, met name van de Financiële Actiegroep witwassen van geld (FATF), die in 1989 tijdens de G-7-top te Parijs is opgericht. In Speciale Aanbeveling IX van de FATF van 22 oktober 2004 worden de regeringen opgeroepen maatregelen te nemen met het oog op het traceren van fysieke geldbewegingen, waaronder een aangiftesysteem of een andere verplichting tot bekendmaking.

(5)

Liquide middelen vervoerd door een natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat, zouden derhalve onder een aangifteplicht moeten vallen. De douaneautoriteiten zouden dan gegevens over dit vervoer van liquide middelen kunnen vergaren en, zo nodig, aan andere autoriteiten mededelen. Zij zijn immers aanwezig aan de grenzen, waar controles het doeltreffendst zijn, en sommige douaneautoriteiten hebben op dit gebied reeds concrete ervaringen opgedaan. Er zou gebruik moeten worden gemaakt van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (4). Deze wederzijdse bijstand moet zorgen voor een correcte toepassing van de controles van liquide middelen, en voor mededeling van gegevens die kunnen helpen om de doelstellingen van Richtlijn 91/308/EEG te verwezenlijken.

(6)

Met het oog op een preventieve en afschrikkende werking van de aangifteplicht moet eraan worden voldaan bij het binnenkomen of verlaten van de Gemeenschap. Om het optreden van de autoriteiten op belangrijk liquide-middelenvervoer gericht te laten zijn, behoort alleen vervoer van liquide middelen ter waarde van EUR 10 000 of meer onder deze aangifteplicht te vallen. Ook moet duidelijk worden bepaald dat de aangifteverplichting geldt voor de natuurlijke persoon die de liquide middelen vervoert, ongeacht of hij de eigenaar ervan is of niet.

(7)

Er moet een gemeenschappelijke standaard voor de te verstrekken gegevens worden gebruikt. Daardoor zullen de bevoegde autoriteiten gegevens vlotter kunnen uitwisselen.

(8)

Er dienen definities te worden vastgesteld voor de uniforme uitlegging van deze verordening.

(9)

De krachtens deze verordening door de bevoegde autoriteiten verzamelde gegevens moeten worden doorgegeven aan de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde autoriteiten.

(10)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (5) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6) zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uit hoofde van de toepassing van onderhavige richtlijn.

(11)

Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen verband houden met een illegale activiteit ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in Richtlijn 91/308/EEG, kunnen de in het kader van deze verordening door de bevoegde autoriteiten verzamelde gegevens worden doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en/of aan de Commissie. Ook moet worden voorzien in de mededeling van bepaalde gegevens als er aanwijzingen zijn dat liquide middelen worden vervoerd waarvan het bedrag onder de in deze verordening vastgestelde drempel blijft.

(12)

De bevoegde autoriteiten moeten over de nodige bevoegdheden voor de toepassing van effectieve controles op het vervoer van liquide middelen beschikken.

(13)

De bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten moeten worden aangevuld met de verplichting voor de lidstaten om in sancties te voorzien. Er moeten echter alleen sancties worden opgelegd indien wordt nagelaten overeenkomstig deze verordening aangifte te doen.

(14)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de transnationale schaal van witwasactiviteiten op de interne markt, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, moet de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(15)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in artikel 6, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn erkend en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inzonderheid in artikel 8, zijn overgenomen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   Deze verordening strekt tot aanvulling van Richtlijn 91/308/EEG voor wat betreft langs financiële en kredietinstellingen en bepaalde beroepen verlopende transacties, en stelt daartoe geharmoniseerde regels in voor de controle, door de bevoegde autoriteiten, op liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.

2.   Deze verordening geldt onverminderd de nationale maatregelen om het vervoer van liquide middelen binnen de Gemeenschap te controleren, mits deze maatregelen worden genomen overeenkomstig artikel 58 van het Verdrag.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„bevoegde autoriteiten”: de douaneautoriteiten van de lidstaten of andere autoriteiten die door de lidstaten met de toepassing van deze verordening zijn belast;

2.

„liquide middelen”:

a)

verhandelbare instrumenten aan toonder, met inbegrip van monetaire instrumenten aan toonder, zoals reischeques, verhandelbare instrumenten (waaronder cheques, promessen en betalingsopdrachten) die aan toonder gesteld zijn, geëndosseerd zijn zonder beperking, op naam van een fictieve begunstigde gesteld zijn, of anderszins een zodanige vorm hebben dat de aanspraak erop bij afgifte wordt overgedragen, en onvolledige instrumenten (waaronder cheques, promessen en betalingsopdrachten) die ondertekend zijn, maar niet op naam van een begunstigde gesteld zijn;

b)

contant geld (bankbiljetten en muntstukken die als betaalmiddel in omloop zijn).

Artikel 3

Aangifteplicht

1.   Iedere natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat, en liquide middelen ten bedrage van EUR 10 000 of meer vervoert, moet dat bedrag overeenkomstig deze verordening aangeven bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat via welke deze middelen de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. Er is niet aan de aangifteplicht voldaan indien de verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn.

2.   De in lid 1 bedoelde aangifte dient de nodige gegevens te bevatten omtrent:

a)

de aangever, met inbegrip van volledige naam, geboorteplaats en -datum en nationaliteit;

b)

de eigenaar van de liquide middelen;

c)

de beoogde ontvanger van de liquide middelen;

d)

bedrag en aard van de liquide middelen;

e)

herkomst en beoogd gebruik van de liquide middelen;

f)

de transportroute;

g)

het vervoermiddel.

3.   De gegevens worden schriftelijk, mondeling of elektronisch verstrekt, als bepaald door de lidstaat bedoeld in lid 1. De declarant heeft evenwel het recht de gegevens schriftelijk te verstrekken. Indien een schriftelijke aangifte is ingediend, wordt aan de aangever op diens verzoek een gewaarmerkt afschrift ter hand gesteld.

Artikel 4

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.   Teneinde de naleving van de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht te controleren, zijn de bevoegde autoriteiten bevoegd om, overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, natuurlijke personen, hun bagage en hun vervoermiddelen te controleren.

2.   Indien niet voldaan is aan de aangifteplicht van artikel 3, mogen liquide middelen overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden bij een administratieve beslissing in bewaring worden genomen.

Artikel 5

Vastlegging en verwerking van gegevens

1.   De krachtens artikel 3 en/of artikel 4 verkregen gegevens worden vastgelegd en verwerkt door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 3, lid 1, bedoelde lidstaat, en worden beschikbaar gesteld aan de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde autoriteiten van die lidstaat.

2.   Indien bij de controles bedoeld in artikel 4 blijkt dat een natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat, liquide middelen vervoert waarvan het bedrag onder de in artikel 3 vastgestelde drempel blijft, terwijl er aanwijzingen zijn van illegale activiteiten ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in Richtlijn 91/308/EEG, kunnen die gegevens, de volledige naam, de geboorteplaats- en datum en de nationaliteit van die persoon en gegevens over het gebruikte vervoermiddel ook worden vastgelegd en verwerkt door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 3, lid 1, bedoelde lidstaat en beschikbaar worden gesteld aan de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde autoriteiten van die lidstaat.

Artikel 6

Uitwisseling van gegevens

1.   Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen verband houden met een illegale activiteit ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in Richtlijn 91/308/EEG, kunnen de gegevens die zijn verkregen door middel van de in artikel 3 bedoelde aangifte of de controles bedoeld in artikel 4 worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten.

De bepalingen van Verordening (EG) nr. 515/97 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.   Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen betrekking hebben op de opbrengst van fraude of andere onwettige activiteiten ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap, worden deze gegevens ook aan de Commissie medegedeeld.

Artikel 7

Uitwisseling van gegevens met derde landen

In het kader van de wederzijdse administratieve bijstand kunnen de krachtens deze verordening verkregen gegevens door de lidstaten of de Commissie aan een derde land worden medegedeeld. Voor deze mededeling is de instemming vereist van de bevoegde autoriteiten die de gegevens krachtens artikel 3 en/of artikel 4 hebben verkregen; zij moet tevens in overeenstemming zijn met de desbetreffende nationale en communautaire bepalingen inzake de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze uitwisseling van gegevens indien dit voor de uitvoering van deze verordening van bijzonder belang is.

Artikel 8

Beroepsgeheim

Alle inlichtingen van vertrouwelijke aard of die als vertrouwelijk zijn verstrekt, vallen onder het beroepsgeheim en worden door de bevoegde autoriteiten niet bekendgemaakt zonder uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de autoriteit die deze inlichtingen heeft verstrekt. Het doorgeven van inlichtingen is evenwel toegestaan voorzover de bevoegde autoriteiten daartoe overeenkomstig de geldende bepalingen, met name in het kader van gerechtelijke procedures, gehouden zijn. Bij het openbaar maken of doorgeven van inlichtingen worden de geldende voorschriften inzake gegevensbescherming, met name Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001, strikt nageleefd.

Artikel 9

Sancties

1.   Elke lidstaat stelt sancties vast die van toepassing zijn indien niet aan de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht wordt voldaan. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 15 juni 2007 de bij niet-naleving van de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht toepasselijke sancties mede.

Artikel 10

Evaluatie

Vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering ervan.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 15 juni 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 26 oktober 2005.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

D. ALEXANDER


(1)  PB C 227 E van 24.9.2002, blz. 574.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 15 mei 2003 (PB C 67 E van 17.3.2004, blz. 259), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 17 februari 2005 (PB C 144 E van 14.6.2005, blz. 1), standpunt van het Europees Parlement van 8 juni 2005 en Besluit van de Raad van 12 juli 2005.

(3)  PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76).

(4)  PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(5)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(6)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.