25.11.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 310/28


RICHTLIJN 2005/65/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 oktober 2005

betreffende het verhogen van de veiligheid van havens

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Veiligheidsincidenten die het gevolg zijn van terrorisme behoren tot de grootste bedreigingen voor de idealen van democratie en vrijheid en de waarden van vrede, die het wezen van de Europese Unie uitmaken.

(2)

Personen, infrastructuur en uitrusting in havens moeten worden beschermd tegen veiligheidsincidenten en de vernietigende effecten ervan. Een dergelijke bescherming zou ten goede komen aan de vervoersgebruikers, de economie en de maatschappij als geheel.

(3)

Op 31 maart 2004 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie Verordening (EG) nr. 725/2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (4) aangenomen betreffende maritieme veiligheid. De bij deze verordening opgelegde maatregelen voor maritieme veiligheid vormen slechts een deel van de maatregelen die nodig zijn om een adequaat niveau van veiligheid te realiseren in de zeegerelateerde vervoersketens. Deze verordening is in werkingssfeer beperkt tot veiligheidsmaatregelen aan boord van vaartuigen en het directe schip/haven raakvlak.

(4)

Teneinde maximale veiligheid te realiseren voor maritieme en havenindustrieën moeten maatregelen betreffende havenveiligheid worden ingevoerd die van toepassing zijn op elke haven binnen de door de betrokken lidstaten vastgestelde grenzen, waardoor er tevens voor wordt gezorgd dat de verhoogde veiligheid in de gebieden met havenactiviteit ten goede komt aan uit hoofde van Verordening (EG) nr. 725/2004 genomen veiligheidsmaatregelen. Deze maatregelen dienen van toepassing te zijn op al die havens waarin een of meer onder Verordening (EG) nr. 725/2004 vallende havenfaciliteiten zijn gesitueerd.

(5)

Het veiligheidsdoel van deze richtlijn moet worden gerealiseerd door het vaststellen van passende maatregelen die geen afbreuk doen aan de voorschriften van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid en maatregelen die op basis van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie kunnen worden genomen.

(6)

De lidstaten moeten steunen op gedetailleerde veiligheidsbeoordelingen voor het vaststellen van de exacte grenzen van het voor de veiligheid relevante havengebied alsook de verschillende maatregelen die vereist zijn om voor de nodige havenveiligheid te zorgen. Dergelijke maatregelen dienen te verschillen overeenkomstig het ingestelde veiligheidsniveau en zijn een afspiegeling van de verschillen in risicoprofiel van de verschillende subgebieden in de haven.

(7)

De lidstaten moeten havenveiligheidsplannen goedkeuren waarin de bevindingen van de havenveiligheidsbeoordeling zijn opgenomen. De efficiënte werking van veiligheidsmaatregelen vereist ook duidelijke taakverdelingen tussen alle betrokken partijen alsook het regelmatig oefenen van maatregelen. Het vaststellen van taakverdelingen en oefenprocedures bij de opstelling van het havenveiligheidsplan wordt geacht in belangrijke mate bij te dragen tot de effectiviteit van zowel preventieve als remediërende havenveiligheidsmaatregelen.

(8)

Roll-on roll-off-schepen zijn bijzonder kwetsbaar voor veiligheidsincidenten, met name indien zij zowel passagiers als vracht vervoeren. Er moeten adequate maatregelen worden genomen op basis van risicobeoordelingen die waarborgen dat auto's en vrachtwagens die bestemd zijn voor vervoer op roll-on roll-off-schepen op binnenlandse en internationale routes geen risico veroorzaken voor het schip, de passagiers en bemanning ervan en de vracht. De maatregelen moeten worden genomen op een wijze die de doorstroming van de operaties zo weinig mogelijk belemmert.

(9)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben havenveiligheidscomités in te stellen die worden belast met het verstrekken van praktische adviezen in de onder deze richtlijn vallende havens.

(10)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheden op het gebied van havenveiligheid duidelijk erkend worden door alle betrokken partijen. De lidstaten houden toezicht op de naleving van de veiligheidsregels en stellen een duidelijke verantwoordelijke autoriteit in voor al hun havens, keuren alle veiligheidsbeoordelingen en -plannen goed voor hun havens, stellen, waar nodig, veiligheidsniveaus vast en delen deze mede, en zorgen ervoor dat de maatregelen goed worden doorgegeven, geïmplementeerd en gecoördineerd.

(11)

De lidstaten moeten de beoordelingen en plannen goedkeuren en de implementatie in hun havens controleren. Teneinde de hinder voor de havens en de administratieve belasting voor de inspectieorganen tot een minimum te beperken, moet de controle van de Commissie op de toepassing van de richtlijn gezamenlijk worden verricht met de inspecties van artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 725/2004.

(12)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat een instantie de rol op zich neemt van contactpunt tussen de Commissie en de lidstaten. Op basis van de uitgevoerde veiligheidsbeoordelingen moeten zij de Commissie laten weten welke havens onder de richtlijn vallen.

(13)

De doeltreffende en uniforme toepassing van de maatregelen in het kader van dit beleid doet belangrijke vragen rijzen in verband met de financiering ervan. De financiering van extra veiligheidsmaatregelen mag niet leiden tot concurrentieverstoring. De Commissie moet uiterlijk op 30 juni 2006 aan het Europees Parlement en de Raad de bevindingen voorleggen van een studie betreffende de kosten van de uit hoofde van deze richtlijn genomen maatregelen, waarin met name aandacht wordt besteed aan de verdeling van de kosten tussen de overheidsinstanties, de havenautoriteiten en het bedrijfsleven.

(14)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(15)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(16)

Er moet een procedure worden vastgesteld voor de aanpassing van deze richtlijn om rekening te houden met ontwikkelingen in internationale instrumenten en om, in het licht van de ervaring, de gedetailleerde bepalingen van de bijlagen bij deze richtlijn aan te passen of aan te vullen zonder dat het toepassingsgebied van deze richtlijn wordt uitgebreid.

(17)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de evenwichtige invoering van passende maatregelen op het gebied van het zeevervoers- en havenbeleid, vanwege de Europese schaal van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(18)

Aangezien deze richtlijn betrekking heeft op zeehavens, zijn de daarin vervatte verplichtingen niet van toepassing op Oostenrijk, Tsjechië, Hongarije, Luxemburg en Slowakije,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Het hoofddoel van deze richtlijn is het invoeren van communautaire maatregelen ter verhoging van de havenveiligheid ten aanzien van dreiging van veiligheidsincidenten.

De richtlijn verzekert ook dat een verhoogde veiligheid in de haven ten goede komt aan uit hoofde van Verordening (EG) nr. 725/2004 genomen veiligheidsmaatregelen.

2.   In lid 1 bedoelde maatregelen omvatten:

a)

gemeenschappelijke basisregels inzake havenveiligheidsmaatregelen;

b)

een implementatiemechanisme voor deze regels;

c)

de nodige mechanismen voor nalevingscontrole.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn behelst veiligheidsmaatregelen die dienen te worden nageleefd in havens. De lidstaten mogen de bepalingen van deze richtlijn toepassen op havengerelateerde gebieden.

2.   De bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen zijn van toepassing op elke haven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarin zich een of meer havenfaciliteiten bevinden die onder een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 725/2004 goedgekeurd veiligheidsplan voor havenfaciliteiten vallen. Deze richtlijn is niet van toepassing op militaire installaties in havens.

3.   De lidstaten stellen voor elke haven de grenzen vast voor de toepassing van deze richtlijn, in voorkomende gevallen rekening houdend met de informatie van de havenveiligheidsbeoordeling.

4.   Voorzover de grenzen van een havenfaciliteit in de zin van Verordening (EG) nr. 725/2004 door de lidstaat op zodanige wijze zijn afgebakend dat deze precies overeenkomen met die van de haven, hebben de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 725/2004 voorrang boven die van deze richtlijn.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„haven”: elk uit land en water bestaand gespecificeerd gebied, waarvan de grenzen door de lidstaat waar de haven zich bevindt, zijn bepaald, met werken en voorzieningen ten behoeve van het commercieel vervoer over zee;

2.

„schip/haven raakvlak”: interacties die plaatsvinden wanneer een schip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het schip;

3.

„havenfaciliteit”: een locatie waar het schip/haven raakvlak plaatsvindt; daartoe behoren in voorkomende gevallen ankergebieden, ligplaatsen en aanvaarroutes vanuit zee;

4.

„instantie voor havenbeveiliging”: de door iedere lidstaat aangewezen instantie die als contactpunt voor de Commissie en de overige lidstaten dient en die de toepassing van de maatregelen op het gebied van havenveiligheid in deze richtlijn faciliteert, de follow-up van die toepassing verzorgt en daar informatie over verschaft;

5.

„autoriteit voor havenveiligheid”: de autoriteit verantwoordelijk voor veiligheidsaangelegenheden in een gegeven haven.

Artikel 4

Coördinatie met uit hoofde van Verordening (EG) nr. 725/2004 genomen maatregelen

De lidstaten zorgen ervoor dat bij deze richtlijn ingevoerde havenveiligheidsmaatregelen nauwlettend worden gecoördineerd met uit hoode van Verordening (EG) nr. 725/2004 genomen maatregelen.

Artikel 5

Autoriteit voor havenveiligheid

1.   De lidstaten wijzen een autoriteit voor havenveiligheid aan voor elke haven die onder deze richtlijn valt. Een autoriteit voor havenveiligheid kan voor meer dan één haven worden aangewezen.

2.   De autoriteit voor havenveiligheid is verantwoordelijk voor de opstelling en uitvoering van havenveiligheidsplannen die zijn gebaseerd op de bevindingen van havenveiligheidsbeoordelingen.

3.   De lidstaten kunnen een „bevoegde autoriteit voor maritiemebeveiliging” krachtens Verordening (EG) nr. 725/2004 aanstellen als autoriteit voor havenveiligheid.

Artikel 6

Havenveiligheidsbeoordeling

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat havenveiligheidsbeoordelingen worden uitgevoerd voor de onder deze richtlijn vallende havens. Bij deze beoordelingen wordt naar behoren rekening gehouden met de specificiteiten van de verschillende delen van een haven alsmede, wanneer zulks volgens de betrokken autoriteit in die lidstaat van toepassing is, met de naburige gebieden daarvan indien deze van invloed zijn op de veiligheid in de haven, en wordt rekening gehouden met de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 725/2004 uitgevoerde beoordelingen betreffende havenfaciliteiten binnen de grenzen ervan.

2.   Elke havenveiligheidsbeoordeling wordt uitgevoerd met inachtneming van ten minste de gedetailleerde eisen in bijlage I.

3.   Havenveiligheidsbeoordelingen kunnen worden uitgevoerd door een erkende veiligheidsorganisatie zoals bedoeld in artikel 11.

4.   Havenveiligheidsbeoordelingen worden goedgekeurd door de betrokken lidstaat.

Artikel 7

Havenveiligheidsplan

1.   Afhankelijk van de bevindingen van de havenveiligheidsbeoordelingen dragen de lidstaten er zorg voor dat havenveiligheidsplannen worden ontwikkeld, in stand gehouden en geactualiseerd. In de havenveiligheidsplannen worden op adequate wijze de specificiteiten van de verschillende delen van een haven behandeld en worden de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 725/2004 opgestelde veiligheidsplannen voor havenfaciliteiten binnen de grenzen ervan geïntegreerd.

2.   In de havenveiligheidsplannen worden, voor elk van de verschillende in artikel 8 genoemde veiligheidsniveaus, vastgesteld:

a)

de te volgen procedures,

b)

de in te voeren maatregelen,

c)

de te nemen maatregelen.

3.   Elk havenveiligheidsplan wordt ontwikkeld met inachtneming van ten minste de gedetailleerde eisen in bijlage II. Waar en voorzover passend omvat het havenveiligheidsplan met name veiligheidsmaatregelen voor passagiers en voertuigen die gereed staan om in te schepen op zeeschepen die passagiers en voertuigen vervoeren. In geval van internationale zeevervoersdiensten werken de betrokken lidstaten samen bij de veiligheidsbeoordeling.

4.   Havenveiligheidsplannen kunnen worden ontwikkeld door een erkende veiligheidsorganisatie als bedoeld in artikel 11.

5.   Voordat deze havenveiligheidsplannen worden uitgevoerd worden ze goedgekeurd door de betrokken lidstaat.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat toezicht wordt uitgeoefend op de implementatie van veiligheidsplannen. Dit toezicht wordt gecoördineerd met andere controleactiviteiten in de haven.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat er adequate oefeningen worden verricht, waarbij rekening wordt gehouden met de in bijlage III vermelde basiseisen voor veiligheidsopleidingsoefeningen.

Artikel 8

Veiligheidsniveaus

1.   De lidstaten voeren een systeem van veiligheidsniveaus in voor havens of delen van havens.

2.   Er zijn drie veiligheidsniveaus, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 725/2004:

Veiligheidsniveau 1: het te allen tijde handhaven van een minimum aan passende beschermende veiligheidsmaatregelen;

Veiligheidsniveau 2: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van passende bijkomende beschermende veiligheidsmaatregelen in verband met een verhoogd risico op een veiligheidsincident;

Veiligheidsniveau 3: het gedurende een beperkte tijd handhaven van verdere specifieke beschermende veiligheidsmaatregelen, wanneer een veiligheidsincident waarschijnlijk of ophanden is, hoewel de specifieke target misschien niet kan worden vastgesteld.

3.   De lidstaten bepalen voor elke haven of elk deel van een haven de in gebruik zijnde veiligheidsniveaus. Op elk veiligheidsniveau kan een lidstaat bepalen dat verschillende veiligheidsmaatregelen moeten worden geïmplementeerd in verschillende delen van de haven afhankelijk van de bevindingen van de havenveiligheidsbeoordeling.

4.   De lidstaten delen voor elke haven of elk deel van een haven het van kracht zijnde veiligheidsniveau, alsmede elke wijziging hiervan, mee aan de juiste persoon of personen.

Artikel 9

Havenveiligheidsfunctionaris

1.   Voor elke haven wordt door de betrokken lidstaat een havenveiligheidsfunctionaris erkend. Elke haven heeft een andere havenveiligheidsfunctionaris voorzover dat praktisch haalbaar is, maar kan in voorkomend geval een gedeelde veiligheidsfunctionaris hebben.

2.   De havenveiligheidsfunctionarissen vervullen de rol van contactpunt voor kwesties die verband houden met havenveiligheid.

3.   Daar waar de havenveiligheidsfunctionaris niet dezelfde is als de beveiligingsbeambte(n) van de havenfaciliteit(en) krachtens Verordening (EG) nr. 725/2004 moet ervoor worden gezorgd dat zij nauw samenwerken.

Artikel 10

Evaluaties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat havenveiligheidsbeoordelingen en havenveiligheidsplannen op passende wijze worden geëvalueerd. Zij moeten minstens eenmaal in de vijf jaar worden geëvalueerd.

2.   Het voorwerp van de evaluatie is dat van de artikelen 6 of 7, als passend.

Artikel 11

Erkende veiligheidsorganisatie

De lidstaten kunnen erkende veiligheidsorganisaties aanwijzen voor de in deze richtlijn gespecificeerde doeleinden. Erkende veiligheidsorganisaties moeten de voorwaarden in bijlage IV vervullen.

Artikel 12

Instantie voor havenveiligheid

De lidstaten stellen een instantie aan voor havenveiligheidsaspecten. De lidstaten kunnen voor havenveiligheidsaspecten de instantie aanwijzen die is aangesteld krachtens Verordening (EG) nr. 725/2004. De instantie voor havenveiligheid deelt aan de Commissie de lijst mee van havens waarop deze richtlijn betrekking heeft, alsook alle eventuele wijzigingen in deze lijst.

Artikel 13

Implementatie en conformiteitscontrole

1.   De lidstaten zetten een systeem op dat zorgt voor adequate en regelmatige supervisie van de havenveiligheidsplannen en de implementatie ervan.

2.   In samenwerking met de in artikel 12 bedoelde instanties controleert de Commissie de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten.

3.   Deze controle wordt gezamenlijk verricht met de inspecties van artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 725/2004.

Artikel 14

Aanpassingen

De bijlagen I tot en met IV kunnen worden gewijzigd in overeenstemming met de procedure als bedoeld in artikel 15, lid 2, zonder het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te breiden.

Artikel 15

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 725/2004.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 16

Vertrouwelijkheid en verspreiding van informatie

1.   De Commissie neemt bij de toepassing van deze richtlijn, in overeenstemming met de bepalingen van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom (6) de nodige maatregelen om vertrouwelijke informatie waartoe zij toegang heeft of die zij van de lidstaten ontvangt, te beschermen.

De lidstaten nemen equivalente maatregelen in overeenstemming met hun relevante nationale wetgeving.

2.   Personeel dat veiligheidsinspecties uitvoert of vertrouwelijke informatie behandelt in verband met deze richtlijn, heeft een passend veiligheidsniveau dat wordt gecontroleerd door de lidstaat waarvan het onderdaan is.

Artikel 17

Sancties

De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden ingesteld voor schendingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.

Artikel 18

Uitvoering

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 15 juni 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Evaluatieverslag

Uiterlijk op 15 december 2008 en daarna om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag in dat onder andere is gebaseerd op de krachtens artikel 13 verkregen gegevens. In dit verslag gaat de Commissie na in hoeverre de richtlijn door de lidstaten wordt nageleefd en in hoeverre de genomen maatregelen doeltreffend zijn. Indien nodig dient zij voorstellen voor aanvullende maatregelen in.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 21

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten met havens als bedoeld in artikel 2, lid 2.

Gedaan te Straatsburg, 26 oktober 2005.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

D. ALEXANDER


(1)  PB C 120 van 20.5.2005, blz. 28.

(2)  PB C 43 van 18.2.2005, blz. 26.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 10 mei 2005 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 oktober 2005.

(4)  PB L 129 van 29.4.2004, blz. 6.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2005/94/EG, Euratom (PB L 31 van 4.2.2005, blz. 66).


BIJLAGE I

BEOORDELING VAN DE HAVENVEILIGHEID

De beoordeling van de havenveiligheid is de basis voor de werkzaamheden betreffende het havenveiligheidsplan en de implementatie ervan. De beoordeling van de havenveiligheid omvat ten minste de volgende elementen:

vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuur die dienen te worden beschermd;

vaststelling van mogelijke bedreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuur en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van veiligheidsmaatregelen;

vaststelling, selectie en prioritering van tegenmaatregelen en procedurele wijzigingen en hun effectiviteitsniveau wat vermindering van de kwetsbaarheid betreft; en

vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures.

Met dit doel dient de beoordeling minstens betrekking te hebben op de volgende aspecten:

vaststellen van alle gebieden die relevant zijn voor de havenveiligheid en daarmee ook de havengrenzen. Daartoe behoren de havenfaciliteiten die al onder Verordening (EG) nr. 725/2004 vallen en waarvan de risicobeoordeling als basis zal dienen;

vaststellen van veiligheidskwesties die voortvloeien uit het raakvlak tussen de havenfaciliteit en andere havenveiligheidsmaatregelen;

vaststellen welke leden van het havenpersoneel onderworpen moeten worden aan backgroundchecks en/of een veiligheidsonderzoek omdat zij contacten hebben met gebieden met een hoge risicograad;

opsplitsen, indien nuttig, van de haven volgens de waarschijnlijkheid van veiligheidsincidenten. Gebieden worden niet enkel beoordeeld op het directe profiel ervan als potentieel doelwit, maar ook op de potentiële rol ervan als doorgangsgebied wanneer naburige gebieden het doelwit vormen;

vaststellen van risicovariaties, bv. die welke seizoensgebonden zijn;

vaststellen van de specifieke kenmerken van elk subgebied, zoals ligging, toegangen, stroomvoorziening, communicatiesysteem, eigendom en gebruikers en andere voor de veiligheid relevant geachte elementen;

vaststellen van potentiële bedreigingsscenario's voor de haven. De volledige haven of specifieke onderdelen van haar infrastructuur, vracht, baggage, personen of vervoersuitrusting binnen de haven kunnen een direct doelwit zijn van een vastgestelde bedreiging, of kunnen onderdeel zijn van een in het bedreigingsscenario ontwikkeld ruimer gebied;

vaststellen van de specifieke gevolgen van een bedreigingsscenario. De gevolgen kunnen een of meer subgebieden betreffen. Er moeten zowel directe als indirecte gevolgen worden vastgesteld. Speciale aandacht moet worden besteed aan het risico van menselijke slachtoffers;

vaststellen van de mogelijkheid van clustereffecten voor een veiligheidsincident;

vaststellen van de kwetsbaarheden van elk subgebied;

vaststellen van alle organisatorische aspecten die relevant zijn voor de totale havenveiligheid, inclusief de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van alle veiligheidsgerelateerde autoriteiten, bestaande regels en procedures;

vaststellen van de kwetsbaarheden van de overkoepelende havenveiligheid met betrekking tot organisatorische, wettelijke en procedurele aspecten;

vaststellen van maatregelen, procedures en acties die gericht zijn op het verminderen van kritieke kwetsbaarheden. Er moet meer bepaald aandacht worden besteed aan de noodzaak van en de middelen voor toegangscontrole of beperkingen voor wat betreft de hele haven of bepaalde delen van een haven, inclusief identificatie van passagiers, havenbedienden of andere werknemers, bezoekers en scheepsbemanningen, bewakingseisen voor een gebied of activiteit, vracht- en bagagecontrole. Maatregelen, procedures en acties moeten in overeenstemming zijn met het waargenomen risico, dat kan verschillen per havengebied;

vaststellen hoe maatregelen, procedures en acties moeten worden versterkt in geval van een verhoging van het veiligheidsniveau;

vaststellen van specifieke eisen voor het omgaan met veiligheidsaandachtspunten zoals „verdachte” vracht, bagage, bunkeractiviteiten, voorzieningen of personen, onbekende pakjes, bekende gevaren (bv. bommen). In verband met deze eisen moet worden nagegaan in hoeverre het wenselijk is een veiligheidsmachtiging te geven ter plekke of na vervoer naar een beveiligde zone;

vaststellen van maatregelen, procedures en acties voor het beperken en mitigeren van gevolgen;

vaststellen van taakverdelingen die de passende en correcte implementatie van de vastgestelde maatregelen, procedures en acties mogelijk maken;

in voorkomende gevallen, met name besteden van aandacht aan het verband met andere veiligheidsplannen (bv. veiligheidsplannen voor havenfaciliteiten) en andere reeds bestaande veiligheidsmaatregelen. Er moet ook aandacht worden besteed aan het verband met andere reactieplannen (bv. reactieplan bij olieverliezen, havennoodplan, medisch interventieplan, nucleair rampenplan, enz);

vaststellen van communicatie-eisen betreffende de implementatie van de maatregelen en procedures;

met name aandacht besteden aan maatregelen om veiligheidsgevoelige informatie te beschermen tegen openbaarmaking;

vaststelling van de „need-to-know”-eisen ten aanzien van al diegenen die direct betrokken zijn alsook, in voorkomende gevallen, het grote publiek.


BIJLAGE II

HAVENVEILIGHEIDSPLAN

In het havenveiligheidsplan zijn de regelingen inzake de havenveiligheid opgenomen. Het wordt gebaseerd op de bevindingen van de havenveiligheidsbeoordeling. Er worden duidelijk gedetailleerde maatregelen in genoemd. Het omvat een controlemechanisme dat in voorkomende gevallen de mogelijkheid biedt passende collectieve maatregelen te nemen.

Het havenveiligheidsplan wordt gebaseerd op de volgende algemene elementen:

bepalen van alle voor de havenveiligheid relevante gebieden. Afhankelijk van de havenveiligheidsbeoordeling kunnen maatregelen, procedures en acties verschillen per subgebied. Immers, sommige subgebieden kunnen strengere preventieve maatregelen vereisen dan andere. Met name moet aandacht worden besteed aan de raakvlakken tussen subgebieden, zoals aangewezen in de havenveiligheidsbeoordeling;

zorgen voor coördinatie tussen veiligheidsmaatregelen voor gebieden met verschillende veiligheidskenmerken;

voorzover nodig voorzien in verschillende maatregelen met betrekking tot verschillende delen van de haven, veranderende veiligheidsniveaus, en specifieke informatie;

vaststellen van een organisatorische structuur ter ondersteuning van de verhoging van de havenveiligheid.

Op basis van deze algemene elementen worden in het havenveiligheidsplan taken toegewezen en werkschema's gespecificeerd op de volgende gebieden:

toegangseisen. Voor sommige gebieden worden de eisen pas van kracht wanneer de veiligheidsniveaus bepaalde minimumdrempelwaarden overschrijden. Alle eisen en drempelwaarden moeten in het havenveiligheidsplan worden opgenomen;

identiteits-, bagage- en vrachtcontrole-eisen. De eisen kunnen al dan niet van toepassing zijn op subgebieden; de eisen kunnen al dan niet volledig van toepassing zijn op verschillende subgebieden. Personen die een subgebied binnenkomen of zich in een subgebied bevinden kunnen onderworpen worden aan controle. Het havenveiligheidsplan moet op passende wijze beantwoorden aan de bevindingen van de havenveiligheidsbeoordeling, hetgeen het instrument is op basis waarvan de veiligheidseisen voor elk subgebied en elk veiligheidsniveau worden vastgesteld. Wanneer specifieke identificatiekaarten worden ontwikkeld voor havenveiligheidsdoeleinden moeten duidelijke procedures worden ingesteld voor de afgifte, de gebruikscontrole en het terugzenden van dergelijke documenten. Bij dergelijke procedures moet rekening worden gehouden met de specificiteiten van bepaalde groepen havengebruikers en moeten specifieke maatregelen mogelijk zijn teneinde de negatieve impact van toegangscontrole-eisen te beperken. Er dient minstens in de volgende categorieën te worden voorzien: zeevarenden, overheidsfunctionarissen, mensen die regelmatig in de haven werken of deze bezoeken, mensen die in de haven wonen en mensen die occasioneel werkzaam zijn in de haven of deze bezoeken;

verbinding met de autoriteiten voor vrachtcontrole, bagagecontrole en passagierscontrole. Voorzover nodig moet het plan voorzien in de koppeling van de informatie- en machtigingssystemen van deze autoriteiten, inclusief mogelijke machtigingssystemen vóór aankomst;

procedures en maatregelen betreffende het omgaan met verdachte vracht, bagage, bunkering, voorzieningen of personen, inclusief vaststelling van een veilig gebied alsook betreffende andere veiligheidsaspecten en inbreuken op de havenveiligheid;

controle-eisen voor subgebieden of activiteiten binnen subgebieden. Zowel voor de noodzaak daarvan als voor mogelijke technische oplossingen baseert men zich op de havenveiligheidsbeoordeling;

markering. Gebieden ten aanzien waarvan toegangs- en/of controle-eisen worden gesteld, moeten behoorlijk worden gemarkeerd. In verband met controle- en toegangseisen wordt op passende wijze rekening gehouden met alle relevante bestaande wettelijke regelingen en praktijken. Het feit dat activiteiten worden gecontroleerd moet op passende wijze worden aangegeven indien de nationale wetgeving dit vereist;

communicatie- en veiligheidsmachtiging. Alle relevante veiligheidsinformatie moet naar behoren worden doorgegeven overeenkomstig in het plan opgenomen normen voor veiligheidsmachtiging. Met het oog op de gevoeligheid van bepaalde informatie heeft communicatie plaats op basis van het „need-to-know”-beginsel, waarbij evenwel voorzover nodig wordt voorzien in procedures voor mededelingen aan het grote publiek. Normen voor veiligheidsmachtiging zijn een onderdeel van het plan en beogen het beschermen van veiligheidsgevoelige informatie tegen niet-geautoriseerde openbaarmaking;

melding van veiligheidsincidenten. Met het oog op de zorg voor een snelle reactie moeten in het havenveiligheidsplan duidelijke eisen worden opgenomen inzake melding aan de havenveiligheidsfunctionaris en/of de autoriteit voor havenveiligheid van alle veiligheidsincidenten;

integratie in andere preventieve plannen of activiteiten. Het plan moet meer bepaald betrekking hebben op integratie van andere preventieve en controleactiviteiten in de haven;

integratie in andere reactieplannen en/of opneming van specifieke reactiemaatregelen, -procedures en -acties. In het plan moeten de interactie en coördinatie met andere reactie- en noodplannen worden gedetailleerd. Voorzover nodig moeten conflicten en tekortkomingen worden opgelost;

opleidings- en oefeneisen;

operationele havenveiligheidsorganisatie en werkprocedures. In het havenveiligheidsplan worden de havenveiligheidsorganisatie, de taakverdeling en de werkprocedures gedetailleerd. In voorkomende gevallen wordt ook de coördinatie met havenfaciliteitsfunctionarissen en scheepsveiligheidsfunctionarissen gedetailleerd. In het havenveiligheidsplan worden de taken omlijnd van het havenveiligheidscomité, indien dit bestaat;

procedures voor het aanpassen en actualiseren van het havenveiligheidsplan.


BIJLAGE III

BASISEISEN VOOR VEILIGHEIDSOPLEIDINGSOEFENINGEN

Er dienen minstens eenmaal per kalenderjaar, met een periode van niet meer dan 18 maanden tussen de opleidingsoefeningen, diverse soorten opleidingsoefeningen te worden uitgevoerd, waarbij sprake kan zijn van deelname door havenveiligheidsbeambten, tezamen met desbetreffende autoriteiten van de lidstaten, veiligheidsbeambten van de maatschappij, of scheepsveiligheidsbeambten, indien beschikbaar. Verzoeken tot deelname van veiligheidsbeambten van de maatschappij of scheepsveiligheidsbeambten aan gezamenlijke opleidingsoefeningen dienen plaats te vinden met het oog op de veiligheid en implicaties voor de werkzaamheden van het schip. Bij deze opleidingsoefeningen dienen de communicatie, coördinatie, beschikbaarheid van hulpmiddelen en de reacties te worden getest. Deze opleidingsoefeningen kunnen:

1.

op ware grootte of live worden uitgevoerd;

2.

uit computersimulatie of seminars bestaan; of

3.

worden gecombineerd met andere oefeningen, zoals oefeningen op het gebied van reacties op noodsituaties of andere oefeningen van overheidsinstanties voor de haven.


BIJLAGE IV

DOOR EEN ERKENDE VEILIGHEIDSORGANISATIE TE VERVULLEN VOORWAARDEN

Een erkende veiligheidsorganisatie moet kunnen aantonen:

1.

deskundigheid op het gebied van relevante aspecten van havenveiligheid;

2.

de nodige kennis van havenactiviteiten, waaronder begrepen kennis van het ontwerp en de constructie van havens;

3.

de nodige kennis van andere voor de veiligheid relevante activiteiten die van invloed kunnen zijn op de havenveiligheid;

4.

het vermogen om waarschijnlijke havenveiligheidsrisico's te beoordelen;

5.

het vermogen om de deskundigheid van het personeel op het gebied van havenveiligheid te onderhouden en verbeteren;

6.

het vermogen om de blijvende betrouwbaarheid van het personeel te controleren;

7.

het vermogen om de nodige maatregelen te onderhouden ter voorkoming van de bekendmaking van of toegang tot gevoelig materiaal door onbevoegden;

8.

kennis van relevante nationale en internationale wetgeving en veiligheidseisen;

9.

kennis van huidige bedreigingen met betrekking tot de veiligheid en patronen daarin;

10.

kennis van de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;

11.

kennis van de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de havenveiligheid kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;

12.

kennis van de technieken die worden gehanteerd om veiligheidsmaatregelen te ontduiken;

13.

kennis van beveiligings- en bewakingsapparatuur en -systemen en van de beperkingen van de functies ervan.

Een erkende veiligheidsorganisatie die een beoordeling van de havenveiligheid of een evaluatie van een dergelijke beoordeling voor een haven heeft uitgevoerd, mag het havenveiligheidsplan voor deze haven niet opstellen of evalueren.