13.11.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 338/1


VERORDENING (EG) nr. 1934/2004 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 27 oktober 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1726/2000 betreffende ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Afrika

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 179,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overeenkamstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Verordening (EG) nr. 1726/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Afrika (2) moet de Commissie uiterlijk op 31 oktober 2003 een tussentijdse evaluatie aan het Europees Parlement en de Raad voorleggen. Op basis van die tussentijdse evaluatie is voorgesteld om in Verordening (EG) nr. 1726/2000 een aantal wijzigingen aan te brengen.

(2)

De tussentijdse evaluatie houdt suggesties en voorstellen in voor de verbetering van de uitvoering van de ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Afrika, waarvan sommige al zijn gedaan in het landenstrategiedocument (2002), en zijn opgenomen in het indicatieve programma voor 2003-2005. Deze voorstellen betreffen onder meer mainstreaming van genderkwesties in alle projectfasen van planning tot implementatie; stroomlijning van administratieve procedures; verbetering van de criteria voor de evaluatie van de opzet van projecten en programma's, en verduidelijking van de voorwaarden voor de verlening van een bijdrage uit het Europees programma voor de wederopbouw en ontwikkeling (EPRD) aan regionale programma's.

(3)

Op grond van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (3) is het mogelijk de Republiek Zuid-Afrika financiering te verstrekken via directe begrotingssteun. Verordening (EG) nr. 1726/2000 zou echter kunnen worden geïnterpreteerd als zou niet-gerichte begrotingssteun zijn uitgesloten. Bovendien zijn in titel IV van het tweede deel van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4) specifieke bepalingen voor „Externe maatregelen” opgenomen. Derhalve dient Verordening (EG) nr. 1726/2000 in overeenstemming te worden gebracht met Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en met Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5).

(4)

Met het oog op de tenuitvoerlegging van het EPRD en in het bijzonder van het indicatief meerjarenprogramma 2000-2002, dient Verordening (EG) nr. 1726/2000 te worden aangepast, in het bijzonder met betrekking tot de goedkeuring van sectorale programma's, de financiering via begrotingssteun en de gezamenlijke financiering van projecten en programma's op het gebied van regionale samenwerking en integratie.

(5)

Verordening (EG) nr. 1726/2000 is in werking getreden in 2000 en verstrijkt op 31 december 2006. Op grond van artikel 6, lid 1, echter moet een driejarige programmering plaatsvinden. Om ervoor te zorgen dat de looptijd van de programma's en de geldigheidsduur van de verordening op elkaar zijn afgestemd, dient ook in vierjarige indicatieve programma's te worden voorzien.

(6)

De Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (6), waarbij Zuid-Afrika één van de ondertekenaars was, werd op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekend. In protocol nr. 3 bij die overeenkomst is de gekwalificeerde status van Zuid-Afrika in het kader van de overeenkomst vastgesteld.

(7)

Bij Besluit 1999/753/EG van de Raad (7) werd de voorlopige toepassing van de overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, goedgekeurd. In Bijlage X bij die overeenkomst is bepaald dat de Gemeenschap bijstand verstrekt ten behoeve van de herstructurering van de sector wijnen en gedistilleerde dranken van Zuid-Afrika. De overeenkomsten betreffende de handel in wijn en de handel in gedistilleerde dranken zijn respectievelijk bij Besluit 2002/51/EG van de Raad (8) en bij Besluit 2002/52/EG van de Raad (9) goedgekeurd. Daarom moet het in Verordening (EG) nr. 1726/2000 vastgestelde bedrag van het financiële kader worden verhoogd.

(8)

In de praktijk is het Comité van het Europees Ontwikkelingsfonds opgetreden als het „Comité Zuid-Afrika” in het kader van Verordening (EG) nr. 1726/2000. Het betrokken comité dient officieel te worden ingesteld.

(9)

Op grond van artikel 8, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1726/2000 moet de Commissie het comité raadplegen voor financieringsbesluiten die zij voornemens is te nemen met betrekking tot projecten en programma's van meer dan 5 miljoen EUR. Ter wille van een deugdelijk financieel management en een rationalisering van de procedures dient dit bedrag te worden verhoogd tot 8 miljoen EUR.

(10)

Verordening (EG) nr. 1726/2000 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1726/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 2, wordt lid 1 vervangen door de volgende tekst:

„1.   De programma's zijn vooral gericht op de armoedebestrijding en daarin wordt rekening gehouden met de behoeften van de gemeenschappen die vroeger met ontwikkelingsachterstand te kampen hadden, worden de milieudimensie van de ontwikkeling en de gelijke behandeling geïntegreerd, en wordt met name de participatie van de vrouw op alle niveaus van beleid, programmering en implementatie versterkt. In al deze programma's wordt bijzondere aandacht geschonken aan de versterking van de institutionele capaciteiten.”

2.

In artikel 2, lid 2, wordt de inleidende zin vervangen door de volgende tekst:

„2.   De ontwikkelingssamenwerking in het kader van deze verordening is vooral gericht op de samenwerkingsterreinen als bedoeld in artikel 8 van Protocol 3 betreffende Zuid-Afrika bij de Overeenkomst van Cotonou, en in het bijzonder op:”

3.

Artikel 4, wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt de inleidende zin vervangen door:

„2.   De communautaire financiering kan betrekking hebben op:”

ii)

in de eerste alinea wordt punt a) vervangen door:

„a)

begrotingsuitgaven van de regering ter ondersteuning van hervormingen en beleidsuitvoering in via een beleidsdialoog vastgestelde prioritaire sectoren, waarbij gebruik wordt gemaakt van de meest geschikte instrumenten, inclusief begrotingssteun en andere specifieke vormen van begrotingsondersteuning.”

iii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

„Een deel van de financiering kan in de vorm van risicokapitaal of een andere vorm van financiële participatie naar welbepaalde doelgroepen (bv. beginnende ondernemers) worden gekanaliseerd. De Europese Investeringsbank kan eventueel bij het beheer van deze fondsen worden betrokken. De middelen die bij deze verordening ter beschikking worden gesteld mogen niet op zodanige wijze worden gebruikt dat oneerlijke concurrentie mogelijk wordt.”

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„4 bis.   Individuele projecten en programma's voor regionale samenwerking en integratie worden uit het EPRD en/of met regionale middelen uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) gefinancierd.

De Commissie tracht te zorgen voor een evenwicht tussen de beide financieringsbronnen op het niveau van het meerjarige indicatieve programma, door aan regionale samenwerking en integratie een indicatief percentage van het EPRD toe te wijzen dat vergelijkbaar is met het deel van de EOF-middelen dat in het financieel protocol bij de Overeenkomst van Cotonou is bestemd voor regionale samenwerking en integratie.”

4.

Artikel 5 wordt geschrapt.

5.

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

Programmering

1.   De meerjarige indicatieve programmering vindt plaats in nauwe samenspraak met de Zuid-Afrikaanse regering, en rekening houdend met de resultaten van de in artikel 4, leden 6 en 7, bedoelde coördinatie. Bij de indicatieve programmering worden de beginselen van door de ontvanger gestuurde programmering volledig geëerbiedigd.

2.   Ter voorbereiding van de programmering stelt de Commissie in het kader van een geïntensiveerde coördinatie met de lidstaten — inclusief coördinatie ter plaatse — in samenspraak met de Zuid-Afrikaanse regering een landenstrategiedocument op. In dit document wordt rekening gehouden met de resultaten van de meest recente algemene evaluatie van de krachtens Verordening (EG) nr. 2259/96 en deze verordening gefinancierde acties, alsmede met andere regelmatige evaluaties van acties. Het document wordt gekoppeld aan een probleemgerichte analyse en behandelt transversale thema's zoals armoedebestrijding, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, milieu en duurzame ontwikkeling. Een ontwerp van het meerjarige indicatieve programma wordt aan het landenstrategiedocument gehecht. Op basis van de in artikel 2 aangegeven terreinen wordt een beperkt aantal samenwerkingssectoren gekozen. Voor deze sectoren worden voorwaarden en begeleidende maatregelen vastgesteld. Voorzover mogelijk worden resultaatindicatoren opgesteld om de verwezenlijking van de doelstellingen en de effectbeoordeling van het programma te vergemakkelijken. Het landenstrategiedocument en het ontwerp van het meerjarige indicatieve programma worden besproken door het in artikel 8, lid 1, bedoelde comité voor ontwikkelingszaken voor dat geografische gebied, hierna „het comité” te noemen. Het comité brengt advies uit volgens de procedure van artikel 8, lid 2.

3.   Het meerjarige indicatieve programma wordt na onderhandelingen opgesteld en ondertekend door de Commissie en de Zuid-Afrikaanse regering. Het definitieve resultaat van de onderhandelingen wordt ter informatie aan het comité toegezonden. Indien één of meer leden van het comité hierom verzoeken, wordt het document door het comité besproken.

4.   Eens per jaar onderzoekt het comité de werking, de resultaten en de verdere bruikbaarheid van het landenstrategiedocument en het meerjarige indicatieve programma. Indien evaluaties of andere relevante ontwikkelingen op de noodzaak daarvan wijzen, kan het comité de Commissie verzoeken om met de Zuid-Afrikaanse regering te onderhandelen over wijzigingen in het meerjarige indicatieve programma.

5.   Eens per jaar wordt op basis van een uiteenzetting van de Commissie van gedachten gewisseld over de algemene richtsnoeren voor de in het komende jaar uit te voeren activiteiten.”

6.

In artikel 7 wordt lid 2 geschrapt.

7.

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité Zuid-Afrika, hierna „het Comité” genoemd.”

b)

in de leden 5 en 6 wordt het bedrag „5 miljoen EUR” vervangen door „8 miljoen EUR”.

8.

In artikel 10, lid 1, wordt het bedrag „885,5 miljoen EUR” vervangen door „900,5 miljoen EUR”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is bindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 27 oktober 2004.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

A. NICOLAI


(1)  Advies van het Europees Parlement van 31 maart 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 13 september 2004.

(2)  PB L 198 van 4.8.2000, blz. 1.

(3)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(4)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

(6)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(7)  PB L 311 van 4.12.1999, blz. 1.

(8)  PB L 28 van 30.1.2002, blz. 3.

(9)  PB L 28 van 30.1.2002, blz. 112.