15.10.2003   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 264/1


VERORDENING (EG) Nr. 1798/2003 VAN DE RAAD

van 7 oktober 2003

betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 93,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Belastingontduiking en belastingontwijking over de grenzen van de lidstaten leiden niet alleen tot inkomstenderving voor de begrotingen, maar vormen ook een inbreuk op het beginsel van fiscale rechtvaardigheid en kunnen verstoringen in het kapitaalverkeer en in de concurrentievoorwaarden veroorzaken. Zij zijn dus van invloed op de werking van de interne markt.

(2)

De bestrijding van BTW-ontduiking vraagt om nauwe samenwerking tussen de administratieve autoriteiten die in elk van de lidstaten met de uitvoering van de terzake vastgestelde bepalingen belast zijn.

(3)

In het kader van de maatregelen inzake belastingharmonisatie met het oog op de voltooiing van de interne markt dient derhalve te worden voorzien in een gemeenschappelijke regeling voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten, met behulp waarvan de administratieve autoriteiten van de lidstaten elkaar wederzijdse bijstand moeten verlenen en met de Commissie moeten samenwerken teneinde een juiste BTW-toepassing op leveringen van goederen, dienstverrichtingen, intracommunautaire verwervingen van goederen en invoer van goederen te waarborgen.

(4)

De elektronische opslag en transmissie van bepaalde gegevens voor controledoeleinden ter zake van de BTW is onmisbaar voor een deugdelijke werking van het BTW-stelsel.

(5)

De voorwaarden voor de uitwisseling van, en de rechtstreekse toegang van de lidstaten tot, elektronisch opgeslagen gegevens in elke lidstaat moeten duidelijk worden omschreven. Om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen, dienen ondernemers toegang te hebben tot bepaalde van die gegevens.

(6)

De lidstaat van verbruik heeft de primaire verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat niet in de Gemeenschap gevestigde leveranciers aan hun verplichtingen voldoen. De toepassing van de tijdelijke bijzondere regeling voor langs elektronische weg verrichte diensten waarin wordt voorzien bij artikel 26 quater van Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (4) — vergt derhalve dat regels worden vastgesteld betreffende het verstrekken van informatie en de overdracht van geldmiddelen tussen de lidstaat van identificatie en de lidstaat van verbruik.

(7)

Bij Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW) (5) is daartoe een regeling voor nauwe samenwerking tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten onderling en tussen die autoriteiten en de Commissie ingesteld.

(8)

Genoemde verordening vormt een aanvulling op de bepalingen van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen (6).

(9)

Deze twee rechtsinstrumenten hebben hun nut bewezen, maar beantwoorden niet meer aan de nieuwe behoeften op het gebied van administratieve samenwerking als gevolg van de steeds hechtere integratie van de economieën binnen de interne markt.

(10)

Het bestaan van twee verschillende rechtsinstrumenten voor de samenwerking op het gebied van de BTW blijkt daarenboven een belemmering te vormen voor een doelmatige samenwerking tussen de belastingadministraties.

(11)

Bovendien blijkt het nodig duidelijker en bindende regels vast te stellen voor de samenwerking tussen lidstaten, aangezien de rechten en plichten van alle betrokken partijen onvoldoende omschreven zijn.

(12)

Voorts zijn er te weinig rechtstreekse contacten tussen plaatselijke of nationale bureaus voor fraudebestrijding, doordat de communicatie in de regel plaatsvindt tussen de centrale verbindingsbureaus. Dat leidt zowel tot beperkte daadkracht en onvoldoende gebruik van het instrument voor administratieve samenwerking als tot vertragingen bij het doorgeven van inlichtingen. Er dienen dan ook rechtstreekser contacten tussen diensten plaats te vinden om een efficiënter en snellere samenwerking mogelijk te maken.

(13)

Ook is de samenwerking niet intensief genoeg, doordat er, afgezien van het VIES-systeem, te weinig automatische of spontane uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten plaatsvindt. De uitwisseling van inlichtingen tussen de overheidsdiensten onderling en tussen overheidsdiensten en de Commissie dient te worden geïntensiveerd en sneller te worden uitgevoerd teneinde fraude doeltreffender te bestrijden.

(14)

Daarom is het nodig de in Verordening (EEG) nr. 218/92 en in Richtlijn 77/799/EEG opgenomen bepalingen betreffende de administratieve samenwerking op BTW-gebied samen te voegen en aan te scherpen. Duidelijkheidshalve dient dit te resulteren in één nieuw instrument dat genoemde verordening gaat vervangen.

(15)

Deze verordening dient andere communautaire maatregelen ter bestrijding van BTW-fraude onverlet te laten.

(16)

Voor de toepassing van deze verordening dient te worden overwogen de reikwijdte te beperken van bepaalde rechten en plichten die zijn neergelegd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van gegevens (7), teneinde de in artikel 13, lid 1, onder e), van die richtlijn bedoelde belangen te vrijwaren.

(17)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(18)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de met name bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I   ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1.   Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld waaronder de administratieve autoriteiten die in de lidstaten met de uitvoering van de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) op leveringen van goederen, dienstverrichtingen, intracommunautaire verwervingen van goederen en invoer van goederen belast zijn, onderling en met de Commissie samenwerken om de naleving van die wetgeving te verzekeren.

Daartoe worden bij deze verordening regels en procedures vastgesteld, die de bevoegde autoriteiten in de lidstaten in staat stellen samen te werken, alsmede onderling alle inlichtingen uit te wisselen met het oog op een juiste BTW-heffing.

Bij deze verordening worden bovendien regels en procedures vastgesteld voor de uitwisseling van bepaalde inlichtingen langs elektronische weg, met name ter zake van de BTW op intracommunautaire transacties.

Voor de duur van de periode bepaald in artikel 4 van Richtlijn 2002/38/EG (9) worden bij deze verordening tevens regels en procedures vastgesteld voor de elektronische uitwisseling van inlichtingen over de BTW op diensten die overeenkomstig de bijzondere regeling van Richtlijn 77/388/EEG, artikel 26 quater, langs elektronische weg worden verricht, alsmede voor eventuele daarop aansluitende uitwisselingen van inlichtingen en, wat de onder die bijzondere regeling vallende diensten betreft, voor de overdracht van geldmiddelen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

2.   Deze verordening laat de toepassing in de lidstaten van de voorschriften inzake de wederzijdse rechtshulp in strafzaken onverlet.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„bevoegde autoriteit van een lidstaat”:

in België:

le ministre des finances

de minister van Financiën

in Denemarken:

Skatteministeren

in Duitsland:

Bundesministerium der Finanzen

in Griekenland:

Yπουργείο Oικονομίας και Οικονομικών

in Spanje:

El Secretario de Estado de Hacienda

in Frankrijk:

le ministre de l'économie, des finances et de l'industrie

in Ierland:

The Revenue Commissioners

in Italië:

il Capo del Dipartimento delle Politiche Fiscali

in Luxemburg:

l'administration de l'enregistrement et des domaines

in Nederland:

de minister van Financiën

in Oostenrijk:

Bundesminister für Finanzen

in Portugal:

O Ministro das Finanças

in Finland:

Valtiovarainministeriö

Finansministeriet

in Zweden:

Chefen för Finansdepartementet

in het Verenigd Koninkrijk:

The Commissioners of Customs and Excise;

2.

„centraal verbindingsbureau”: het bureau dat uit hoofde van artikel 3, lid 2, is aangewezen en de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;

3.

„verbindingsdienst”: elk ander bureau dan het centrale verbindingsbureau dat een specifieke territoriale of functionele bevoegdheid bezit en uit hoofde van artikel 3, lid 3, door de bevoegde autoriteit is aangewezen om op grond van deze verordening rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen;

4.

„bevoegde ambtenaar”: een ambtenaar die op grond van deze verordening rechtstreeks de inlichtingen kan uitwisselen waartoe hem uit hoofde van artikel 3, lid 4, machtiging is verleend;

5.

„verzoekende autoriteit”: het centrale verbindingsbureau, een verbindingsdienst of elke bevoegde ambtenaar van een lidstaat die namens de bevoegde autoriteit om bijstand verzoekt;

6.

„aangezochte autoriteit”: het centrale verbindingsbureau, een verbindingsdienst of elke bevoegde ambtenaar van een lidstaat die namens de bevoegde autoriteit om bijstand wordt verzocht;

7.

„intracommunautaire transacties”: de intracommunautaire levering van goederen of de intracommunautaire verrichting van diensten;

8.

„intracommunautaire levering van goederen”: een levering van goederen die moet worden vermeld op de lijst bedoeld in artikel 22, lid 6, onder b), van Richtlijn 77/388/EEG;

9.

„intracommunautaire verrichting van diensten”: een verrichting van diensten die valt onder artikel 28 ter, onder C, D, E en F, van Richtlijn 77/388/EEG;

10.

„intracommunautaire verwerving van goederen”: het verwerven van het recht om als eigenaar te beschikken over roerende lichamelijke zaken, overeenkomstig artikel 28 bis, lid 3, van Richtlijn 77/388/EEG;

11.

„BTW-identificatienummer”: het nummer bedoeld in artikel 22, lid 1, onder c), d) en e), van Richtlijn 77/388/EEG;

12.

„administratief onderzoek”: alle door de lidstaten bij de uitoefening van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties gericht op het waarborgen van de juiste toepassing van de BTW-wetgeving;

13.

„automatische uitwisseling”: het systematisch en zonder voorafgaand verzoek verstrekken van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen;

14.

„gestructureerde automatische uitwisseling”: het systematisch en zonder voorafgaand verzoek verstrekken van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zodra deze inlichtingen beschikbaar worden;

15.

„spontane uitwisseling”: het onregelmatig en zonder voorafgaand verzoek verstrekken van inlichtingen aan een andere lidstaat;

16.

„persoon”:

a)

een natuurlijk persoon,

b)

een rechtspersoon,

c)

indien de geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de wettelijke status van rechtspersoon bezit;

17.

„toegang verlenen”: toestemming geven voor toegang tot de relevante elektronische gegevensbank, alsmede voor het verkrijgen van gegevens langs elektronische weg;

18.

„langs elektronische weg”: door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (met inbegrip van digitale compressie) en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio, optische of andere elektromagnetische middelen;

19.

„CCN/CSI-netwerk”: het op het gemeenschappelijk communicatienetwerk (CCN) met gemeenschappelijke interface (CSI) gebaseerde gemeenschappelijk platform dat de Gemeenschap ontwikkeld heeft voor het elektronisch berichtenverkeer tussen de autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.

Artikel 3

1.   De in artikel 2, punt 1, genoemde bevoegde autoriteiten zijn de autoriteiten uit naam waarvan deze verordening wordt toegepast.

2.   Elke lidstaat wijst één centraal verbindingsbureau aan dat bij delegatie de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking. Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten hiervan in kennis.

3.   De bevoegde autoriteit van elke lidstaat kan verbindingsdiensten aanwijzen. Het is de taak van het centrale verbindingsbureau om een lijst van deze diensten bij te houden en ervoor te zorgen dat deze lijst voor de centrale verbindingsbureaus van de andere betrokken lidstaten toegankelijk is.

4.   Daarnaast kan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat onder de door haar bepaalde voorwaarden bevoegde ambtenaren aanwijzen die op grond van deze verordening rechtstreeks inlichtingen kunnen uitwisselen. Wanneer zij dat doet kan zij het bereik van deze delegatie beperken. Het is de taak van het centrale verbindingsbureau om de lijst van deze ambtenaren bij te houden en deze lijst aan de centrale verbindingsbureaus van de andere betrokken lidstaten beschikbaar te stellen.

5.   Ambtenaren die uit hoofde van de artikelen 11 en 13 inlichtingen uitwisselen, worden in elk geval geacht over de daartoe vereiste bevoegdheid te beschikken, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten bepaalde voorwaarden.

6.   Wanneer een verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar een verzoek of een antwoord op een verzoek om bijstand verzendt of ontvangt, stelt deze het centrale verbindingsbureau van de eigen lidstaat hiervan overeenkomstig de bepalingen van deze lidstaat in kennis.

7.   Wanneer een verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar een verzoek om bijstand ontvangt dat een optreden buiten zijn territoriale bevoegdheid of ambtsgebied vereist, geeft hij het verzoek onverwijld door aan het centrale verbindingsbureau van de eigen lidstaat en stelt hij de verzoekende autoriteit hiervan in kennis. In dat geval vangt de in artikel 8 bedoelde termijn aan op de dag nadat het verzoek om bijstand aan het centrale verbindingsbureau is doorgezonden.

Artikel 4

1.   De bij deze verordening ingestelde verplichting tot het verlenen van bijstand strekt zich niet uit tot het verstrekken van inlichtingen of documenten die de in artikel 1 bedoelde administratieve autoriteiten verkrijgen wanneer zij handelen met toestemming of op verzoek van een rechterlijke instantie.

2.   Wanneer evenwel een bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving gemachtigd is de in lid 1 bedoelde inlichtingen te verstrekken, kunnen deze worden verstrekt als onderdeel van de bij deze verordening ingestelde administratieve samenwerking. Voor elke verstrekking van deze aard moet de voorafgaande toestemming van de rechterlijke instantie worden verkregen indien die toestemming krachtens de nationale wetgeving vereist is.

HOOFDSTUK II   UITWISSELING VAN INLICHTINGEN OP VERZOEK

Afdeling 1   Verzoek om inlichtingen en om administratieve onderzoeken

Artikel 5

1.   Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, ook wanneer het verzoek een welbepaald geval of verscheidene welbepaalde gevallen betreft.

2.   Met het oog op de in lid 1 bedoelde verstrekking van inlichtingen laat de aangezochte autoriteit de vereiste administratieve onderzoeken uitvoeren om deze inlichtingen te verkrijgen.

3.   Het in lid 1 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een specifiek administratief onderzoek omvatten. Indien de lidstaat van oordeel is dat geen administratief onderzoek nodig is, stelt hij de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de redenen waarop hij zijn oordeel baseert.

4.   Voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen of het verrichten van het gevraagde administratieve onderzoek gaat de aangezochte autoriteit, of de administratieve autoriteit waartoe zij zich heeft gericht, te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit van haar eigen lidstaat.

Artikel 6

De krachtens artikel 5 ingediende verzoeken om inlichtingen of administratieve onderzoeken worden voorzover mogelijk doorgegeven door middel van een standaardformulier dat volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure wordt vastgesteld.

Artikel 7

1.   Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit haar alle pertinente inlichtingen die zij verkrijgt of waarover zij beschikt, alsmede de resultaten van administratieve onderzoeken, in de vorm van verslagen, verklaringen en andere bescheiden of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan.

2.   Originelen worden slechts verstrekt indien de geldende bepalingen van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd, dat niet beletten.

Afdeling 2   Termijn voor het verstrekken van inlichtingen

Artikel 8

De aangezochte autoriteit gaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van het verzoek, over tot het verstrekken van de in de artikelen 5 en 7 bedoelde inlichtingen.

Ingeval deze inlichtingen de aangezochte autoriteit echter reeds ter beschikking staan, wordt deze termijn ingekort tot ten hoogste één maand.

Artikel 9

Voor bijzondere categorieën gevallen kunnen de aangezochte en de verzoekende autoriteit andere termijnen dan die van artikel 8 overeenkomen.

Artikel 10

Wanneer de aangezochte autoriteit niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, deelt zij de verzoekende autoriteit onverwijld schriftelijk mee waarom zij de termijn niet kan nakomen, en wanneer zij denkt waarschijnlijk aan het verzoek te kunnen voldoen.

Afdeling 3   Aanwezigheid in de administratiekantoren en deelname aan administratieve onderzoeken

Artikel 11

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, aanwezig mogen zijn in de kantoren waar de administratieve autoriteiten van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit gevestigd is, hun taken vervullen. Indien de verlangde inlichtingen staan in bescheiden waartoe de ambtenaren van de aangezochte autoriteit toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de verzoekende autoriteit afschriften van de bescheiden die de verlangde inlichtingen bevatten.

2.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, door de verzoekende autoriteit aangewezen ambtenaren, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, bij de administratieve onderzoeken aanwezig mogen zijn. Uitsluitend de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn met de uitvoering van het administratieve onderzoek belast. De ambtenaren van de verzoekende autoriteit oefenen niet de aan de ambtenaren van de aangezochte autoriteit verleende controlebevoegdheden uit. Zij kunnen wel toegang krijgen tot dezelfde plaatsen en bescheiden als laatstgenoemden, door tussenkomst van dezen, en alleen ten behoeve van het lopende administratieve onderzoek.

3.   De ambtenaren van de verzoekende autoriteit die uit hoofde van de leden 1 en 2 in een andere lidstaat aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen voorleggen waarin hun identiteit en hun officiële hoedanigheid zijn vermeld.

Afdeling 4   Gelijktijdige controles

Artikel 12

Met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen kunnen twee of meer lidstaten overeenkomen om ieder op zijn grondgebied over te gaan tot gelijktijdige controles van de situatie van een of meer belastingplichtigen die voor die lidstaten een gemeenschappelijk of complementair belang vertegenwoordigen, wanneer dergelijke controles efficiënter lijken dan door slechts één lidstaat uitgevoerde controles.

Artikel 13

1.   Elke lidstaat stelt zelfstandig vast welke belastingplichtigen hij voornemens is voor een gelijktijdige controle voor te stellen. Zijn bevoegde autoriteit deelt de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten mee welke dossiers voor een gelijktijdige controle worden voorgesteld. Zij motiveert de keuze in de mate van het mogelijke door de inlichtingen te verstrekken die tot deze keuze hebben geleid. Zij geeft aan binnen welk tijdsbestek deze controles moeten plaatsvinden.

2.   De betrokken lidstaten beslissen vervolgens of zij aan de gelijktijdige controles wensen deel te nemen. De bevoegde autoriteit waaraan een gelijktijdige controle wordt voorgesteld, bevestigt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het voorstel uitging dat zij de uitvoering van deze controle aanvaardt of geeft haar een met redenen omkleed afwijzend antwoord.

3.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten wijzen elk voor zich een vertegenwoordiger aan die belast wordt met de leiding en de coördinatie van de controle.

HOOFDSTUK III   VERZOEK TOT ADMINISTRATIEVE NOTIFICATIE

Artikel 14

Op verzoek van de verzoekende autoriteit gaat de aangezochte autoriteit, overeenkomstig de geldende voorschriften betreffende de kennisgeving van de overeenkomstige akten van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd, over tot kennisgeving aan de geadresseerde van alle akten en beslissingen die uitgaan van de administratieve autoriteiten en betrekking hebben op de toepassing van de BTW-wetgeving op het grondgebied van de lidstaat waar de verzoekende autoriteit gevestigd is.

Artikel 15

Het verzoek tot kennisgeving, waarin het voorwerp van de akte of beslissing waarvan kennis moet worden gegeven, wordt vermeld, vermeldt tevens de naam, het adres en alle overige gegevens die nodig zijn ter bepaling van de geadresseerde.

Artikel 16

De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot kennisgeving is gegeven en, meer in het bijzonder, van de datum waarop de kennisgeving van de akte of beslissing aan de geadresseerde heeft plaatsgevonden.

HOOFDSTUK IV   UITWISSELING VAN INLICHTINGEN ZONDER VOORAFGAAND VERZOEK

Artikel 17

Onverminderd de bepalingen van de hoofdstukken V en VI, gaan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten over tot automatische of gestructureerde automatische uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten in de volgende situaties:

1.

wanneer de belastingheffing wordt geacht plaats te vinden in de lidstaat van bestemming en de doeltreffendheid van het controlesysteem noodzakelijkerwijs afhangt van door de lidstaat van oorsprong verstrekte inlichtingen;

2.

wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat in de andere lidstaat een inbreuk op de BTW-wetgeving heeft of vermoedelijk heeft plaatsgevonden;

3.

wanneer in de andere lidstaat gevaar voor belastingderving bestaat.

Artikel 18

Volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld:

1.

de exacte categorieën inlichtingen die moeten worden uitgewisseld;

2.

de frequentie van de uitwisseling;

3.

de praktische regelingen voor de uitwisseling van inlichtingen.

Elke lidstaat bepaalt of hij deelneemt aan de uitwisseling van een bepaalde categorie inlichtingen en of dit automatisch dan wel gestructureerd automatisch geschiedt.

Artikel 19

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen elkaar in alle omstandigheden spontaan mededeling doen van alle in artikel 1 bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis hebben.

Artikel 20

De lidstaten nemen de nodige administratieve en organisatorische maatregelen om de uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk mogelijk te maken.

Artikel 21

Een lidstaat kan er niet toe verplicht worden om voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk BTW-plichtigen nieuwe verplichtingen met het oog op het vergaren van inlichtingen op te leggen of een buitensporige administratieve last op zich te nemen.

HOOFDSTUK V   OPSLAG EN UITWISSELING VAN INLICHTINGEN DIE SPECIFIEK BETREKKING HEBBEN OP INTRACOMMUNAUTAIRE TRANSACTIES

Artikel 22

1.   Elke lidstaat houdt een elektronische gegevensbank bij waarin hij de inlichtingen opslaat en verwerkt die hij overeenkomstig artikel 22, lid 6, onder b), in de versie van artikel 28 nonies van Richtlijn 77/388/EEG vergaart.

Met het oog op het gebruik van deze inlichtingen in het kader van de bij deze verordening ingestelde procedures worden de inlichtingen opgeslagen voor een periode van ten minste vijf jaar, te rekenen vanaf het einde van het kalenderjaar waarin toegang tot de inlichtingen moet worden verleend.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevensbank actueel, volledig en accuraat blijft.

Volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure worden criteria vastgesteld aan de hand waarvan wordt bepaald welke wijzigingen niet relevant, essentieel of nuttig zijn en derhalve niet behoeven te worden aangebracht.

Artikel 23

Op basis van de overeenkomstig artikel 22 opgeslagen gegevens verkrijgt de bevoegde autoriteit van een lidstaat automatisch en onverwijld van elke andere lidstaat, of heeft zij rechtstreeks toegang tot, de volgende inlichtingen:

1.

de BTW-identificatienummers die zijn toegekend door de lidstaat die de inlichtingen ontvangt;

2.

de totale waarde van alle intracommunautaire leveringen van goederen aan de personen aan wie die nummers zijn toegekend, door alle in de lidstaat die de inlichtingen verschaft voor BTW-doeleinden geïdentificeerde handelaren.

De in punt 2 bedoelde waarden worden uitgedrukt in de munteenheid van de lidstaat die de inlichtingen verschaft en hebben betrekking op kalenderkwartalen.

Artikel 24

Op basis van de overeenkomstig artikel 22 opgeslagen gegevens verkrijgt de bevoegde autoriteit van een lidstaat, wanneer zij het nodig acht intracommunautaire verwervingen van goederen te controleren, doch uitsluitend met het oog op het voorkomen van inbreuken op de BTW-wetgeving, rechtstreeks en onverwijld, of heeft zij rechtstreeks langs elektronische weg toegang tot, alle volgende inlichtingen:

1.

de BTW-identificatienummers van de personen die de in artikel 23, punt 2, bedoelde leveringen hebben verricht; en

2.

de totale waarde van deze leveringen door elk van deze personen aan elke persoon aan wie een BTW-identificatienummer als bedoeld in artikel 23, punt 1, is toegekend.

De in punt 2 bedoelde waarden worden uitgedrukt in de munteenheid van de lidstaat die de inlichtingen verschaft en hebben betrekking op kalenderkwartalen

Artikel 25

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat krachtens de artikelen 23 en 24 verplicht is toegang tot inlichtingen te verlenen, doet zij dit zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden te rekenen vanaf het einde van het kalenderkwartaal waarop de inlichtingen betrekking hebben.

2.   In afwijking van lid 1 wordt, wanneer in de in artikel 22 bedoelde omstandigheden inlichtingen aan de gegevensbank worden toegevoegd, zo spoedig mogelijk en binnen de drie maanden volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvullende inlichtingen zijn verkregen, toegang tot de toegevoegde inlichtingen verleend.

3.   De voorwaarden voor het beschikbaar stellen van de gecorrigeerde inlichtingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 26

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor de toepassing van de artikelen 22 tot en met 25 inlichtingen in elektronische gegevensbanken opnemen en die inlichtingen langs elektronische weg uitwisselen, nemen zij de maatregelen die noodzakelijk zijn om naleving van artikel 41 te verzekeren.

Artikel 27

1.   Elke lidstaat houdt een elektronische gegevensbank bij waarin alle personen zijn opgenomen aan wie in de betrokken lidstaat een BTW-identificatienummer is toegekend.

2.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan te allen tijde, op basis van de overeenkomstig artikel 22 opgeslagen gegevens, rechtstreeks of door middel van toezending, bevestiging krijgen van de geldigheid van het BTW-identificatienummer waaronder een persoon een intracommunautaire levering van goederen of diensten heeft ontvangen of verricht.

Op specifiek verzoek deelt de aangezochte autoriteit tevens de datum mee waarop het BTW-identificatienummer is toegekend en, in voorkomend geval, de datum vanaf welke het BTW-nummer niet meer geldig is.

3.   Op verzoek verstrekt de bevoegde autoriteit ook onverwijld de naam en het adres van de persoon aan wie het nummer is toegekend, mits die inlichtingen door de verzoekende autoriteit niet worden opgeslagen om deze eventueel op een later tijdstip te gebruiken.

4.   De bevoegde autoriteiten van elke lidstaat zorgen ervoor dat de personen die bij intracommunautaire leveringen van goederen of diensten betrokken zijn, alsmede, voor de duur van de periode bepaald in artikel 4 van Richtlijn 2002/38/EG, de personen die de in artikel 9, lid 2, onder e), laatste streepje, van Richtlijn 77/388/EEG bedoelde diensten leveren, bevestiging kunnen krijgen van de geldigheid van een aan een welbepaalde persoon toegekend BTW-identificatienummer.

Gedurende de periode bepaald in artikel 4 van Richtlijn 2002/38/EG verstrekken de lidstaten deze gegevens met name langs elektronische weg, overeenkomstig de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure.

5.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 inlichtingen in elektronische gegevensbanken opslaan en die inlichtingen langs elektronische weg uitwisselen, nemen zij de maatregelen die noodzakelijk zijn om naleving van artikel 41 te verzekeren.

HOOFDSTUK VI   BEPALINGEN INZAKE DE BIJZONDERE REGELING VAN ARTIKEL 26 QUATER VAN RICHTLIJN /EEG 77/388

Artikel 28

De volgende bepalingen zijn van toepassing op de bijzondere regeling van artikel 26 quater van Richtlijn 77/388/EEG. De definities onder A van dat artikel gelden eveneens voor de toepassing van dit hoofdstuk.

Artikel 29

1.   De in artikel 26 quater, onder B, punt 2, tweede alinea, van Richtlijn 77/388/EEG bedoelde mededeling die door de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige bij aanvang van zijn activiteiten aan de lidstaat van identificatie wordt gedaan, geschiedt langs elektronische weg. De technische details, inclusief een gemeenschappelijk elektronisch bericht, worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure.

2.   De lidstaat van identificatie zendt de meegedeelde inlichtingen langs elektronische weg toe aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, binnen tien dagen te rekenen vanaf het einde van de maand waarin de mededeling van de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige is ontvangen. Op dezelfde wijze worden de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in kennis gesteld van het toegekende identificatienummer. De technische details, inclusief een gemeenschappelijk elektronisch bericht waarin deze informatie wordt verzonden, worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure.

3.   Indien een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige uit het identificatieregister wordt verwijderd, stelt de lidstaat van identificatie de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan onverwijld langs elektronische weg in kennis.

Artikel 30

De aangifte met de in artikel 26 quater, onder B, punt 5, van Richtlijn 77/388/EEG genoemde gegevens, wordt langs elektronische weg ingediend. De technische details, inclusief een gemeenschappelijk elektronisch bericht, worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure.

De lidstaat van identificatie zendt deze gegevens langs elektronische weg toe aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, uiterlijk tien dagen na het einde van de maand waarin de aangifte is ontvangen. De lidstaten die hebben voorgeschreven dat de belastingaangifte dient te luiden in een andere valuta dan de euro, zetten de bedragen om in euro tegen de op de laatste dag van de aangifteperiode geldende wisselkoers. De omwisseling vindt plaats volgens de wisselkoersen die de Europese Centrale Bank voor die dag heeft bekendgemaakt of, als er die dag geen bekendmaking heeft plaatsgevonden, op de eerstvolgende dag van bekendmaking. De technische details over de wijze waarop deze informatie wordt verzonden, worden overeenkomstig de procedure van artikel 44, lid 2, vastgesteld.

De lidstaat van identificatie zendt de lidstaat van verbruik langs elektronische weg de informatie toe die nodig is om te bepalen met welke driemaandelijkse aangifte een betaling overeenstemt.

Artikel 31

Artikel 22 is eveneens van toepassing op informatie die door de lidstaat van identificatie is verzameld uit hoofde van artikel 26 quater, onder B, punten 2 en 5, van Richtlijn 77/388/EEG.

Artikel 32

De lidstaat van identificatie zorgt ervoor dat het bedrag dat door de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige is betaald, gestort wordt op de bankrekening in euro die is aangewezen door de lidstaat van verbruik waaraan de betaling verschuldigd is. De lidstaten die hebben voorgeschreven dat de aangifte dient te luiden in een andere valuta dan de euro, zetten de bedragen om in euro tegen de op de laatse dag van de aangifteperiode geldende wisselkoers. De omwisseling vindt plaats volgens de wisselkoersen die de Europese Centrale Bank voor die dag heeft bekendgemaakt of, als er die dag geen bekendmaking heeft plaatsgevonden, op de eerstvolgende dag van bekendmaking. De storting vindt plaats uiterlijk tien dagen na het eind van de maand waarin de betaling is ontvangen.

Indien de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige niet de totale verschuldigde belasting voldoet, zorgt de lidstaat van identificatie ervoor dat de betaling naar de lidstaten van verbruik wordt overgemaakt in evenredigheid met de in elke lidstaat verschuldigde belasting. De lidstaat van identificatie stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van verbruik daarvan langs elektronische weg in kennis.

Artikel 33

De lidstaten doen de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten langs elektronische weg mededeling van de relevante bankrekeningnummers voor de ontvangst van betalingen overeenkomstig artikel 32.

De lidstaten doen de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten onverwijld langs elektronische weg mededeling van wijzigingen van het normale belastingtarief.

Artikel 34

De artikelen 28 tot en met 33 zijn gedurende de in artikel 4 van Richtlijn 2002/38/EG bepaalde periode van toepassing.

HOOFDSTUK VII   BETREKKINGEN MET DE COMMISSIE

Artikel 35

1.   De lidstaten en de Commissie onderzoeken en beoordelen de werking van de op grond van deze verordening ingestelde regeling voor administratieve samenwerking. De Commissie verzamelt de ervaringen van de lidstaten teneinde de werking van deze regeling te verbeteren.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie alle beschikbare inlichtingen in verband met het gebruik dat zij van deze verordening maken.

3.   Een lijst met de statistische gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van deze verordening wordt vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure. De lidstaten doen de Commissie mededeling van die gegevens, voorzover zij beschikbaar zijn en de mededeling ervan naar verwachting geen onredelijke administratieve lasten met zich brengt.

4.   Teneinde de doeltreffendheid van deze regeling voor administratieve samenwerking met het oog op de bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking te beoordelen, kunnen de lidstaten de Commissie alle andere in artikel 1 bedoelde inlichtingen verstrekken.

5.   De Commissie doet de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde inlichtingen toekomen aan de andere betrokken lidstaten.

HOOFDSTUK VIII   BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 36

1.   Wanneer door een derde land aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat inlichtingen zijn meegedeeld, kan laatstgenoemde deze doorgeven aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die in deze inlichtingen geïnteresseerd zouden kunnen zijn en in elk geval aan de autoriteiten die erom verzoeken, voorzover de bijstandsregelingen met het derde land in kwestie dat toelaten.

2.   Mits het betrokken derde land zich ertoe verplicht heeft de bijstand te verlenen die nodig is om bewijsmateriaal bijeen te brengen omtrent de onregelmatigheid van verrichtingen die strijdig lijken met de BTW-wetgeving, kunnen de krachtens deze verordening verkregen inlichtingen aan dat derde land worden meegedeeld, met toestemming van de bevoegde autoriteiten die deze hebben verstrekt en met inachtneming van hun nationale wetgeving betreffende de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen.

HOOFDSTUK IX   VOORWAARDEN VOOR DE UITWISSELING VAN INLICHTINGEN

Artikel 37

De verstrekking van inlichtingen uit hoofde van deze verordening geschiedt voor zover mogelijk langs elektronische weg overeenkomstig de praktische regelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 38

De verzoeken om bijstand, waaronder de verzoeken tot kennisgeving, en de bijgevoegde stukken mogen gesteld zijn in een door de aangezochte en de verzoekende autoriteit overeengekomen taal. Deze verzoeken gaan slechts in bijzondere gevallen, op grond van een met redenen omkleed verzoek van de aangezochte autoriteit, vergezeld van een vertaling in de officiële taal of in één van de officiële talen van de lidstaat waar die autoriteit is gevestigd.

Artikel 39

Gedurende de in artikel 4 van Richtlijn 2002/38/EG bedoelde periode zorgen de Commissie en de lidstaten ervoor dat bestaande of nieuwe communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen die nodig zijn voor de uitwisseling van inlichtingen als omschreven in de artikelen 29 en 30 operationeel zijn. De Commissie is verantwoordelijk voor elke ontwikkeling van het gemeenschappelijk communicatienetwerk met gemeenschappelijke interface (CCN/CSI) die nodig is om de uitwisseling van die inlichtingen tussen de lidstaten mogelijk te maken. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor elke ontwikkeling van hun systemen die nodig is om de uitwisseling van de inlichtingen via het CCN/CSI mogelijk te maken.

De lidstaten zien af van iedere eis tot terugbetaling van uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende kosten, behalve, in voorkomend geval, wat de aan deskundigen uitbetaalde vergoedingen betreft.

Artikel 40

1.   De aangezochte autoriteit van een lidstaat verstrekt de in artikel 1 bedoelde inlichtingen aan de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat op voorwaarde dat:

a)

het aantal en de aard van de binnen een bepaalde periode door deze verzoekende autoriteit ingediende verzoeken om inlichtingen de aangezochte autoriteit administratief niet onevenredig zwaar belasten,

b)

de verzoekende autoriteit voor het verkrijgen van de inlichtingen eerst een beroep heeft gedaan op alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden had kunnen benutten zonder het verkrijgen van het beoogde resultaat in gevaar te brengen.

2.   Deze verordening legt niet de verplichting op onderzoek in te stellen of inlichtingen te verstrekken wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de lidstaat die de inlichtingen moet verstrekken, de lidstaat niet toestaat dergelijk onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen of te gebruiken voor de eigen doeleinden van deze lidstaat.

3.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan weigeren inlichtingen te verstrekken indien de betrokken lidstaat op wettelijke gronden niet in staat is gelijksoortige inlichtingen te verstrekken. De met redenen omklede afwijzing wordt door de aangezochte lidstaat aan de Commissie meegedeeld.

4.   Het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien dit zou leiden tot onthulling van een commercieel, industrieel of beroepsgeheim of van een handelswerkwijze of van gegevens waarvan de onthulling met de openbare orde in strijd zou zijn.

5.   De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit in kennis van de redenen voor de afwijzing van een verzoek om bijstand.

6.   Een minimumbedrag op grond waarvan een verzoek om bijstand kan worden voorgelegd, kan worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 41

1.   De in enigerlei vorm uit hoofde van deze verordening verstrekte inlichtingen vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin voor soortgelijke inlichtingen wordt voorzien bij de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat en bij de overeenkomstige bepalingen die voor de communautaire instanties gelden.

Dergelijke inlichtingen mogen worden gebruikt voor de vaststelling van de grondslag, de inning of de administratieve controle van de belastingen.

Deze inlichtingen kunnen bovendien worden gebruikt om andere heffingen, rechten en belastingen vast te stellen die vallen onder artikel 2 van Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen (10).

Deze inlichtingen kunnen tevens worden gebruikt in tot de eventuele toepassing van sancties leidende gerechtelijke procedures die worden ingesteld in verband met inbreuken op de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de wettelijke bepalingen betreffende de rechten van verdachten en getuigen in deze procedures.

2.   Personen die daartoe zijn gemachtigd door de instantie voor veiligheidsaccreditatie (IVA) van de Europese Commissie mogen alleen toegang hebben tot deze inlichtingen voorzover dat nodig is voor het onderhoud en de uitbouw van het CCN/CSI-netwerk.

3.   In afwijking van lid 1 staat de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt toe, dat deze inlichtingen in de lidstaat van de verzoekende autoriteit ook voor andere doeleinden worden gebruikt, indien de wetgeving van de lidstaat van de aangezochte autoriteit het gebruik van de inlichtingen voor soortgelijke doeleinden toestaat.

4.   Wanneer de verzoekende autoriteit van mening is dat inlichtingen die zij van de aangezochte autoriteit heeft ontvangen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat, kan zij de inlichtingen aan deze autoriteit doorgeven. Zij stelt de aangezochte autoriteit daarvan vooraf in kennis. De aangezochte autoriteit kan het doorgeven van de inlichtingen aan een derde lidstaat verbinden aan de voorwaarde dat zij daarmee vooraf moet instemmen.

5.   Voor de juiste toepassing van deze verordening beperken de lidstaten de reikwijdte van de verplichtingen en rechten neergelegd in artikel 10, artikel 11, lid 1, en de artikelen 12 en 21 van Richtlijn 95/46/EG, voorzover dit noodzakelijk is om de in artikel 13, onder e), van die richtlijn bedoelde belangen te vrijwaren.

Artikel 42

De verslagen, verklaringen en overige bescheiden of de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die door de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn verkregen en aan de verzoekende autoriteit zijn doorgegeven in het kader van de bijstandsregeling van deze verordening, kunnen door de bevoegde instanties van de lidstaat van de verzoekende autoriteit als bewijs worden gebruikt op dezelfde voet als soortgelijke bescheiden die door een andere instantie van het eigen land worden doorgegeven.

Artikel 43

1.   Voor de toepassing van deze verordening nemen de lidstaten alle nodige maatregelen teneinde:

a)

een effectieve interne coördinatie tussen de in artikel 3 bedoelde bevoegde autoriteiten te verzekeren;

b)

te zorgen voor rechtstreekse samenwerking tussen de instanties die tot die coördinatie zijn gemachtigd;

c)

de goede werking van de bij deze verordening ingestelde regeling voor de uitwisseling van inlichtingen te verzekeren.

2.   De Commissie deelt alle inlichtingen die zij ontvangt en die zij kan verstrekken, zo spoedig mogelijk aan elke lidstaat mee.

HOOFDSTUK X   ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 44

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité inzake administratieve samenwerking (hierna „het comité” genoemd).

2.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 45

1.   Om de drie jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze verordening.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze verordening vallende gebied vaststellen.

Artikel 46

1.   De bepalingen van deze verordening laten verdergaande verplichtingen inzake wederzijdse bijstand welke voortvloeien uit andere rechtsbesluiten, met inbegrip van eventuele bilaterale of multilaterale overeenkomsten, onverlet.

2.   Wanneer de lidstaten bilaterale regelingen treffen voor onder deze verordening vallende aangelegenheden, behalve voor het afwikkelen van een op zichzelf staand geval, stellen zij de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis. De Commissie stelt op haar beurt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 47

Verordening (EEG) nr. 218/92 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 218/92 worden beschouwd als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 48

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 7 oktober 2003.

Voor de Raad

De voorzitter

G. TREMONTI


(1)  PB C 270 E van 25.9.2001, blz. 87.

(2)  PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 121, 191.

(3)  PB C 80 van 3.4.2002, blz. 76.

(4)  PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/92/EG (PB L 331 van 7.12.2002, blz. 27).

(5)  PB L 24 van 1.2.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 792/2002 (PB L 128 van 15.5.2002, blz. 1).

(6)  PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van 1994.

(7)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB L 128 van 15.5.2002, blz. 41.

(10)  PB L 73 van 19.3.1976, blz. 18. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/44/EG (PB L 175 van 28.6.2001, blz. 17).