32003R1702

Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 243 van 27/09/2003 blz. 0006 - 0079


Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie

van 24 september 2003

tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart(1), (hierna de "basisverordening" genoemd), zoals aangepast door Verordening (EG) nr. 1701/2003(2), en met name de artikelen 5 en 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De "basisverordening" stelt gemeenschappelijke essentiële eisen vast voor een hoog en uniform niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart en de daarmee verband houdende milieubescherming; de Commissie dient de voor een uniforme toepassing noodzakelijke uitvoeringsvoorschriften vast te stellen; de verordening voorziet in de oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna het "Agentschap" genoemd) dat de Commissie bijstand moet verlenen bij de ontwikkeling van dergelijke uitvoeringsvoorschriften.

(2) De bestaande luchtvaartvoorschriften op het gebied van luchtwaardigheid, zoals vermeld in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2871/2000(4), komen met ingang van 28 september 2003 te vervallen.

(3) Het is noodzakelijk gemeenschappelijke technische voorschriften aan te nemen en administratieve procedures in te stellen om de luchtwaardigheid en de verenigbaarheid met het milieu van luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken die vallen onder de basisverordening, te waarborgen. Deze voorschriften en procedures dienen de voorwaarden te specificeren voor het afgeven, handhaven, wijzigen, opschorten of intrekken van de passende certificaten.

(4) De organisaties, belast met het ontwerp en de productie van producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten zich conformeren aan bepaalde technische voorschriften teneinde aan te tonen dat zij beschikken over de bekwaamheid en middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan hun rechten verbonden zijn; de Commissie dient maatregelen te treffen voor het specificeren van de voorwaarden voor het afgeven, behouden, wijzigen, opschorten of intrekken van certificaten die getuigen van een dergelijke conformiteit.

(5) Bij het aannemen van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke essentiële voorschriften op het gebied van luchtwaardigheid, dient de Commissie er zorg voor te dragen dat deze de stand van de techniek en de beste praktijken weergeven, rekening houden met wereldwijde ervaringen op het gebied van luchtvaartuigen en wetenschappelijke en technische vooruitgang, alsmede voor vastgestelde oorzaken van ongevallen en ernstige incidenten een onmiddellijke respons mogelijk maken.

(6) De behoefte aan uniformiteit in de toepassing van gemeenschappelijke luchtwaardigheids- en milieuvoorschriften voor luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken vereist een gemeenschappelijke benadering en maatregelen die opgevolgd dienen te worden door de bevoegde instanties in de lidstaten en, voorzover van toepassing, door het Agentschap, teneinde naleving van deze voorschriften te beoordelen. Het Agentschap dient derhalve specificaties voor certificering te ontwikkelen, met inbegrip van gedragslijnen voor luchtwaardigheid, aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren teneinde de noodzakelijke uniformiteit in de regelgeving te bevorderen.

(7) Voor dit doel is het noodzakelijk een soepele overgang naar het nieuwe juridische kader van het Agentschap mogelijk te maken, teneinde handhaving van een hoog en uniform niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart binnen de Gemeenschap te waarborgen. Het is van belang de luchtvaartindustrie en de autoriteiten in de lidstaten voldoende tijd te geven om zich aan dit nieuwe kader aan te passen en de blijvende geldigheid van certificaten te erkennen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn afgegeven, in overeenstemming met artikel 57 van de basisverordening.

(8) De in deze verordening voorziene maatregelen zijn gebaseerd op het door het Agentschap afgegeven advies(5) in overeenstemming met de artikelen 12, lid 2, sub b) en 14, lid 1, van de basisverordening.

(9) De in deze verordening voorziene maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, ingesteld bij artikel 54, lid 3 van de basisverordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied en definities

1. In overeenstemming met de artikelen 5, lid 4, en 6, lid 3, van de basisverordening stelt de onderhavige verordening gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures vast voor de luchtwaardigheid en milieucertificering van producten, onderdelen en uitrustingsstukken en specificeert:

a) de afgifte van typecertificaten, beperkte typecertificaten, aanvullende typecertificaten en wijzigingen in die certificaten,

b) de afgifte van luchtwaardigheidscertificaten en beperkte luchtwaardigheidscertificaten, vliegvergunningen en certificaten van geschiktheid voor gebruik,

c) het afgeven van goedkeuringen voor reparatieontwerpen,

d) het aantonen van naleving van eisen op het gebied van milieubescherming,

e) de afgifte van geluidscertificaten,

f) de identificatie van producten, onderdelen en uitrustingsstukken,

g) de certificering van bepaalde onderdelen en uitrustingsstukken,

h) de certificering van ontwerp- en productieorganisaties,

i) de uitvaardiging van luchtwaardigheidsrichtlijnen.

2. Voor deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

a) "JAA" betekent "gezamenlijke luchtvaartautoriteiten",

b) "JAR" betekent "gezamenlijke luchtvaartvoorschriften",

c) "Deel 21" houdt in de vereisten en procedures voor de certificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken alsmede van ontwerp- en productieorganisaties, die bij deze verordening zijn gevoegd,

d) "Deel M" houdt in de van toepassing zijnde voorschriften voor permanente luchtwaardigheid die conform de basisverordening zijn goedgekeurd.

Artikel 2

Certificering van producten, onderdelen en uitrustingsstukken

1. Voor producten, onderdelen en uitrustingsstukken worden certificaten afgegeven, als omschreven in deel 21.

2. In afwijking van het gestelde in lid 1, zijn luchtvaartuigen, met inbegrip van daarin geïnstalleerde producten, onderdelen en uitrustingsstukken die niet zijn geregistreerd in een lidstaat, vrijgesteld van de bepalingen van de subdelen H en I van deel 21.

3. Ten aanzien van producten met typecertificaten die vóór 28 september 2003 door lidstaten zijn afgegeven, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) Een dergelijk product zal beschouwd worden als een product met een typecertificaat dat in overeenstemming met de onderhavige verordening is afgegeven indien:

i) de typecertificering is gebaseerd op:

- de JAA-basis voor typecertificering, voor producten die zijn gecertificeerd volgens JAA-procedures, zoals gedefinieerd in het JAA-gegevensblad, of

- voor andere producten de basis voor typecertificering als gedefinieerd in het gegevensblad van het typecertificaat van het land van ontwerp, indien het betreffende land van ontwerp:

- een lidstaat is, tenzij het Agentschap vaststelt, met name rekening houdend met de gebruikte luchtwaardigheidsvoorschriften en ervaring, dat een dergelijke basis voor typecertificering geen veiligheidsniveau verschaft dat equivalent is aan het door de basisverordening of deze verordening vereiste veiligheidsniveau, of

- een land is waarmee een lidstaat een bilaterale luchtwaardigheidsovereenkomst of een vergelijkbare overeenkomst heeft gesloten, volgens welke genoemde producten zijn gecertificeerd op basis van de luchtwaardigheidsvoorschriften van het betreffende land van ontwerp, tenzij het Agentschap vaststelt dat dergelijke luchtwaardigheidsvoorschriften of ervaring of het veiligheidssysteem van het betreffende land van ontwerp niet het veiligheidsniveau verschaft dat equivalent is aan het door de basisverordening of deze verordening vereiste veiligheidsniveau,

- het Agentschap moet een eerste evaluatie van de mogelijke consequenties van de twee voornoemde bepalingen opstellen in het licht van een advies aan de Commissie met eventuele, in de onderhavige verordening aan te brengen wijzigingen.

ii) de eisen op het gebied van milieubescherming zijn gehanteerd zoals vastgelegd in bijlage 16 van het Verdrag van Chicago, voorzover van toepassing op het product;

iii) de van toepassing zijnde luchtwaardigheidsrichtlijnen die van het betreffende land van ontwerp zijn.

b) Een ontwerp van een luchtvaartuig dat vóór 28 september 2003 is ingeschreven in het register van een lidstaat wordt geacht te voldoen aan de bepalingen van deze verordening:

i) het basistypeontwerp is onderdeel van een typecertificaat zoals vermeld in lid a);

ii) alle wijzigingen aan dit basistypeontwerp, die niet vallen onder de verantwoordelijkheid van de houder van het typecertificaat, zijn goedgekeurd; en

iii) er is voldaan aan de richtlijnen voor luchtwaardigheid die vóór 28 september 2003 door de lidstaat van registratie zijn uitgevaardigd of goedgekeurd, inclusief eventuele wijzigingen in de luchtwaardigheidsrichtlijnen van het betreffende land van ontwerp, goedgekeurd door de lidstaat van registratie.

c) Het Agentschap bepaalt vóór 28 maart 2007 het typecertificaat voor de producten die niet voldoen aan lid a).

d) Het Agentschap stelt ten behoeve van alle producten waarop lid a) betrekking heeft vóór 28 maart 2007 het geluidsgegevensblad voor het typecertificaat vast. Zolang dit niet is gebeurd, mogen de lidstaten geluidscertificaten blijven afgeven in overeenstemming met de van toepassing zijnde nationale regelingen.

4. Ten aanzien van producten waarvoor op 28 september 2003 een typecertificeringsprocedure loopt via het JAA of een lidstaat, geldt het volgende:

a) indien de certificeringsprocedure voor een product in verscheidene lidstaten loopt, wordt het verst gevorderde project als referentie gebruikt;

b) 21A.15 a), b) en c) van deel 21 zijn niet van toepassing;

c) in afwijking van het gestelde in 21A.17 a) van deel 21, wordt de grondslag voor typecertificering vastgesteld door het JAA of, indien van toepassing, door de lidstaat op de aanvraagdatum van de goedkeuring;

d) bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap in naleving van het bepaalde in 21A.20 a) en b) van deel 21.

5. Ten aanzien van producten met een nationaal typecertificaat of een equivalent daarvan, waarvoor de goedkeuringsprocedure voor door lidstaten uitgevoerde wijzigingen ten tijde van de vaststelling van het typecertificaat in overeenstemming met de onderhavige verordening nog niet is afgerond, geldt het volgende:

a) indien een goedkeuringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten moet het verst gevorderde project als referentie dienen;

b) 21A.93 van deel 21 is niet van toepassing;

c) van toepassing is de typecertificeringsbasis als vastgesteld door het JAA of, indien van toepassing, de lidstaat op de aanvraagdatum voor de goedkeuring van de wijziging;

d) bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.103 a) en b) van deel 21.

6. Ten aanzien van aanvullende typecertificaten waarvoor op 28 september 2003 volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures voor aanvullende typecertificaten een certificeringsprocedure wordt uitgevoerd door een lidstaat, en ten aanzien van grote wijzigingen in producten die zijn voorgesteld door andere personen dan de houder van het typecertificaat van het product, waarvoor volgens de op 28 september 2003 van toepassing zijnde nationale procedures een certificeringsprocedure wordt uitgevoerd door een lidstaat, geldt het volgende:

a) indien een goedkeuringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten moet het verst gevorderde project als referentie dienen;

b) 21A.113 a) en b) van deel 21 zijn niet van toepassing;

c) van toepassing is de certificeringsbasis als vastgesteld door het JAA of, indien van toepassing, de lidstaat op de aanvraagdatum voor het aanvullende typecertificaat of goedkeuring van de grote wijziging;

d) de bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.115 a) van deel 21.

7. Ten aanzien van producten met een nationaal typecertificaat of een equivalent daarvan, waarvoor de goedkeuringsprocedure voor door lidstaten uitgevoerde grote reparatieontwerpen ten tijde van de vaststelling van het typecertificaat in overeenstemming met de onderhavige verordening nog niet is afgerond, geldt dat de bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.433 a) van deel 21.

8. Ten aanzien van onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor op 28 september 2003 een goedkeurings- of autorisatieprocedure wordt uitgevoerd door een lidstaat, geldt het volgende:

a) indien een goedkeuringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten moet het verst gevorderde project als referentie dienen;

b) 21A.603 van Deel 21 is niet van toepassing;

c) de gegevenseisen die volgens 21A.605 van deel 21 van toepassing zijn, betreffen gegevenseisen zoals vastgesteld door de betreffende lidstaat op de aanvraagdatum voor de goedkeuring of autorisatie;

d) bevindingen die door de desbetreffende lidstaat zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.606 b) van deel 21.

9. Een certificaat van luchtwaardigheid dat is vastgesteld door een lidstaat en dat de conformiteit bevestigt met een typecertificaat dat is vastgesteld in overeenstemming met lid 3 zal beschouwd worden als een certificaat dat voldoet aan de onderhavige verordening.

10. In afwachting van het bepaalde krachtens punt c) van lid 3, blijven luchtvaartuigtypen waarvoor door een lidstaat vóór 28 september 2003 een vliegvergunning is afgegeven en waarvoor geen typecertificaat kan worden afgegeven in overeenstemming met lid 3, onder de verantwoordelijkheid vallen van de lidstaat van registratie volgens de van toepassing zijnde nationale regelingen.

11. Tot 28 maart 2007 zullen lidstaten bepalen of het luchtvaartuig met de passende daarvoor geldende beperkingen ter compensatie van de afwijking van de essentiële eisen, toch veilig een eenvoudige vlucht kan maken. In dergelijke gevallen dienen vliegvergunningen een gebruiksbeperking te bevatten voor het luchtruim van de lidstaat waarvan de bevoegde instantie de vergunning verstrekt. Vluchten buiten dit luchtruim vereisen validering van de vergunning door de bevoegde instanties van de betrokken staten.

Tot 28 maart 2007 kunnen luchtvaartuigen waarvoor door een lidstaat vóór 28 september 2003 een vliegvergunning is afgegeven zonder bewijs van luchtwaardigheid onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat blijven krachtens de nationale voorschriften. Dergelijke luchtvaartuigen mogen alleen in het luchtruim van de desbetreffende lidstaat vliegen. Voor vluchten buiten dit luchtruim is toestemming van de bevoegde instantie van het betrokken land noodzakelijk.

12. Indien in deel 21 wordt verwezen naar toepassing en/of naleving van de bepalingen van afdeling M en de betreffende afdeling niet van kracht is, worden de betreffende nationale voorschriften toegepast.

13. Goedkeuringen van onderdelen en uitrustingsstukken die zijn verstrekt door een lidstaat en die geldig zijn op 28 september 2003 worden beschouwd als goedkeuringen die zijn verstrekt in overeenstemming met de onderhavige verordening.

14. Ten aanzien van aanvullende typecertificaten die door een lidstaat zijn afgegeven volgens JAA-procedures of de van toepassing zijnde nationale procedures en ten aanzien van wijzigingen aan producten, voorgesteld door andere personen dan de houder van het typecertificaat voor het product, die zijn goedgekeurd door een lidstaat volgens de van toepassing zijnde nationale procedures, waarbij het aanvullende typecertificaat of de wijziging geldig is op 28 september 2003, wordt het aanvullende typecertificaat of de wijziging beschouwd als zijnde afgegeven volgens de onderhavige verordening.

Artikel 3

Ontwerporganisaties

1. Een organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van producten, onderdelen en uitrustingsstukken of voor eventuele wijzigingen of reparaties daarvan toont haar bekwaamheid aan in overeenstemming met de bepalingen van deel 21.

2. In afwijking van het gestelde in lid 1, kan een organisatie die niet in een lidstaat is gevestigd haar bekwaamheid aantonen op basis van een certificaat dat aan de organisatie is afgegeven door dat land, voor het product, het onderdeel en het uitrustingsstuk waarvoor de aanvraag is ingediend, vooropgesteld dat:

a) het betreffende land het land van ontwerp is,

b) het Agentschap heeft vastgesteld dat het systeem van het land hetzelfde onafhankelijke niveau van controle op naleving kent als de onderhavige verordening, via een gelijkwaardig systeem van goedkeuringen van organisaties of via directe betrokkenheid van de bevoegde instantie in het betreffende land.

3. Goedkeuringen voor ontwerporganisaties die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend volgens de van toepassing zijnde JAA-vereisten en -procedures en die vóór 28 september 2003 geldig zijn, worden beschouwd als goedkeuringen die voldoen aan de onderhavige verordening. In dit geval is de sluitingsperiode voor niveau 2-bevindingen, waarnaar in subdeel J van deel 21 wordt verwezen, ten hoogste één jaar wanneer die bevindingen verband hebben met verschillen ten opzichte van de vorige van toepassing zijnde JAR.

4. Houders van typecertificaten die op 28 september 2003 niet over een gepaste goedkeuring voor ontwerporganisaties beschikken die zijn afgegeven volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures, moeten vóór 28 september 2005 hun bekwaamheid aantonen volgens de voorwaarden als vastgelegd in deel 21, 21A.14.

5. Een organisatie die aanvrager is van een aanvullend typecertificaat, een goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie of een goedkeuring van een ontwerp van een hulpaggregaat (APU) en die op 28 september 2003 niet over een door een lidstaat uitgegeven gepaste goedkeuring voor ontwerporganisaties beschikt volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures, moeten haar bekwaamheid aantonen vóór 28 september 2005 in overeenstemming met deel 21, 21A.112, 21A.432B of, in het geval van een hulpaggregaat (APU), 21A.602B.

6. Met betrekking tot organisaties die op 28 september 2003 volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures voorwerp zijn van een goedkeuringsprocedure voor ontwerporganisaties in een lidstaat:

1. is 21A.234 van deel 21 niet van toepassing;

2. worden de bevindingen die tijdens JAA-procedures zijn gedaan beschouwd als zijnde bevindingen van het Agentschap, in naleving van het bepaalde in deel 21, 21A.245.

Artikel 4

Productieorganisaties

1. Een organisatie die verantwoordelijk is voor de fabricage van producten, onderdelen en uitrustingsstukken toont haar bekwaamheid aan in overeenstemming met de bepalingen van deel 21.

2. In afwijking van het gestelde in lid 1, kan een fabrikant die niet in een lidstaat gevestigd is haar bekwaamheid aantonen op basis van een certificaat dat aan de organisatie is afgegeven door dat land, voor het product, het onderdeel en het uitrustingsstuk waarvoor de aanvraag is ingediend, vooropgesteld dat:

a) het betreffende land het land van vervaardiging is,

b) het Agentschap heeft vastgesteld dat het systeem van het land hetzelfde onafhankelijke niveau van controle op naleving kent als de onderhavige verordening, via een gelijkwaardig systeem van goedkeuringen van organisaties of via directe betrokkenheid van de bevoegde instantie in het betreffende land.

3. Goedkeuringen voor productieorganisaties die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend volgens de van toepassing zijnde JAA-vereisten en -procedures en die vóór 28 september 2003 geldig zijn, worden beschouwd als goedkeuringen die voldoen aan de onderhavige verordening. In dit geval is de sluitingsperiode voor niveau 2-bevindingen, waarnaar in subdeel G van deel 21 wordt verwezen, ten hoogste één jaar wanneer die bevindingen verband hebben met verschillen ten opzichte van de vorige van toepassing zijnde JAR.

4. Een organisatie dient haar bekwaamheid volgens de onderhavige verordening vóór 28 september 2005 aan te tonen.

5. Totdat een productieorganisatie haar bekwaamheid heeft aangetoond volgens de subdelen F en G van deel 21, worden conformiteitsverklaringen en certificaten van geschiktheid voor gebruik die door de betreffende organisaties volgens de van toepassing zijnde regelingen zijn afgegeven, beschouwd als certificaten van geschiktheid voor gebruik, afgegeven krachtens de onderhavige verordening.

6. Met betrekking tot organisaties die op 28 september 2003 volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures voorwerp zijn van een goedkeuringsprocedure voor ontwerporganisaties in een lidstaat:

a) is 21A.234 van deel 21 niet van toepassing;

b) worden de bevindingen die tijdens JAA-procedures zijn gedaan beschouwd als zijnde bevindingen van het Agentschap, in naleving van het bepaalde in deel 21, 21A.245.

Artikel 5

Inwerkingtreding

1. De onderhavige verordening treedt op 28 september 2003 in werking, met uitzondering van deel 21, 21A.804(a)(3) dat op 28 maart 2004 van kracht zal worden en deel 21, subdeel H dat op 28 september 2004 van kracht zal worden.

2. In afwijking van deel 21, 21A.159 mogen de lidstaten tot 28 september 2005 goedkeuringen afgeven voor een bepaalde duur.

3. In afwijking van deel 21, 21A.181 mogen de lidstaten tot 28 september 2008 goedkeuringen afgeven voor een bepaalde duur.

4. Wanneer een lidstaat de bepalingen in de leden 2 en 3 toepast, moeten de Commissie en het Agentschap in kennis gesteld worden.

5. Het Agentschap moet te zijner tijd een evaluatie opstellen van de mogelijke consequenties van de bepalingen van de onderhavige verordening met betrekking tot de duur van de geldigheid van de goedkeuringen in het licht van een advies aan de Commissie met eventuele, in de onderhavige verordening aan te brengen wijzigingen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 september 2003.

Voor de Commissie

Loyola De Palacio

Vice-voorzitter

(1) PB L 240 van 7.9.2002, blz. 1.

(2) Zie bladzijde 5 van dit Publicatieblad.

(3) PB L 373 van 31.12.1991, blz. 4.

(4) PB L 333 van 29.12.2000, blz. 47.

(5) Op 1 september 2003.

BIJLAGE

DEEL 21

Certificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, en van ontwerp- en productieorganisaties

Inhoudsopgave (gedetailleerde opmaak)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

21.1 Algemeen

"Bevoegde instantie" betekent in dit deel:

a) voor organisaties die gevestigd zijn in een lidstaat, de door die lidstaat aangestelde autoriteit of het Agentschap op verzoek van die lidstaat; of

b) voor organisaties die niet gevestigd zijn in een lidstaat, het Agentschap.

SECTIE A VEREISTEN VOOR AANVRAGERS EN VERWORVEN RECHTEN EN VERPLICHTINGEN

SUBDEEL A - ALGEMENE BEPALINGEN

21A.1 Toepassingsgebied

In deze sectie worden de algemene bepalingen vastgelegd betreffende de rechten en verplichtingen van de aanvrager en houder van een certificaat dat overeenkomstig deze sectie is of zal worden afgegeven.

21A.2 Uitvoering door een andere persoon dan de aanvrager of houder van een certificaat

De acties en verplichtingen die overeenkomstig deze sectie moeten worden uitgevoerd door de houder of aanvrager van een certificaat voor een product, onderdeel of uitrustingsstuk mogen in zijn naam worden uitgevoerd door een andere natuurlijke of rechtspersoon, op voorwaarde dat de houder of aanvrager van dat certificaat kan aantonen dat hij een overeenkomst met die andere persoon heeft gesloten om zeker te stellen dat de verplichtingen van de houder naar behoren worden en zullen worden vervuld.

21A.3 Gebreken, storingen en defecten

a) Systeem voor het verzamelen, onderzoeken en analyseren van gegevens. De houder van een typecertificaat, een beperkt typecertificaat, een aanvullend typecertificaat, een ETSO-autorisatie (European Technical Standard Order), een goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie of enige andere relevante goedkeuring die beschouwd kan worden krachtens de onderhavige verordening te zijn afgegeven, moet beschikken over een systeem voor het verzamelen, onderzoeken en analyseren van rapporten en informatie over gebreken, storingen, defecten of andere incidenten die een nadelig effect hebben of kunnen hebben op de permanente luchtwaardigheid van het product, het onderdeel of het uitrustingsstuk waarvoor het typecertificaat, het beperkte typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de ETSO-autorisatie, de goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening, is afgegeven. Informatie over dit systeem moet ter beschikking worden gesteld aan alle bekende gebruikers van het product, onderdeel of uitrustingsstuk en, op verzoek, aan eenieder die bevoegd is overeenkomstig andere aanverwante uitvoeringsvoorschriften.

b) Rapportage aan het Agentschap

1. De houder van een typecertificaat, een beperkt typecertificaat, een aanvullend typecertificaat, een ETSO-autorisatie, een goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening moet aan het Agentschap alle gebreken, storingen, defecten of andere incidenten melden waarvan hij weet heeft met betrekking tot een product, onderdeel of uitrustingsstuk waarvoor het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de ETSO-autorisatie, de goedkeuring van het ontwerp voor een grote reparatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening is afgegeven en die hebben geleid of zouden kunnen leiden tot een onveilige toestand.

2. Deze meldingen moeten gebeuren in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap, zodra dit mogelijk is en in ieder geval niet meer dan 72 uur na het vaststellen van de mogelijke onveilige toestand, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het verhinderen.

c) Onderzoek van gerapporteerde incidenten

1. Als een overeenkomstig paragraaf (b) of overeenkomstig 21A.129(f)(2) of 21A.165(f)(2) gemeld incident het gevolg is van een ontwerp- of fabricagefout, moet de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een grote reparatie, de ETSO-autorisatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening, of de fabrikant, naargelang van toepassing, de reden voor de fout onderzoeken en aan het Agentschap de resultaten rapporteren van zijn onderzoek en van de maatregelen die hij treft of voorstelt om de fout te verhelpen.

2. Als het Agentschap oordeelt dat een maatregel dient te worden getroffen om de fout te verhelpen, moet de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een grote reparatie, de ETSO-autorisatie, of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening, of de fabrikant, naargelang van toepassing, de desbetreffende gegevens voorleggen aan het Agentschap.

21A.3B Luchtwaardigheidsrichtlijnen

a) Een luchtwaardigheidsrichtlijn is een door het Agentschap uitgevaardigd of aangenomen document dat werkzaamheden oplegt die aan een luchtvaartuig moeten worden uitgevoerd om opnieuw een aanvaardbaar veiligheidsniveau tot stand te brengen, als er aanwijzingen voor zijn dat het veiligheidsniveau van dat luchtvaartuig anders zou kunnen worden aangetast.

b) Het Agentschap vaardigt een luchtwaardigheidsrichtlijn uit als:

1. door het Agentschap een onveilige toestand in een luchtvaartuig is vastgesteld, die het gevolg is van een defect in het luchtvaartuig of in een motor, propeller, onderdeel of uitrustingsstuk van dat luchtvaartuig, en

2. deze toestand vermoedelijk aanwezig is of zich zal ontwikkelen in andere luchtvaartuigen.

c) Als een luchtwaardigheidsrichtlijn door het Agentschap moet worden uitgevaardigd om de in paragraaf (b) vermelde onveilige toestand te verhelpen of om een inspectie te laten uitvoeren, moet de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een grote reparatie, een ETSO-autorisatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening:

1. de passende corrigerende maatregel en/of de nodige inspecties voorstellen en de details van deze voorstellen ter goedkeuring voorleggen aan het Agentschap;

2. nadat de in subparagraaf (1) bedoelde voorstellen zijn goedgekeurd door het Agentschap, aan alle bekende gebruikers of eigenaars van het product, onderdeel of uitrustingsstuk, en, op verzoek, aan eenieder die moet voldoen aan de luchtwaardigheidsrichtlijn, de passende beschrijvende gegevens en uitvoeringsinstructies ter beschikking stellen.

d) Een luchtwaardigheidsrichtlijn moet ten minste de volgende informatie bevatten:

1. een identificatie van de onveilige toestand

2. een identificatie van het betreffende luchtvaartuig

3. de vereiste maatregel(en)

4. de uitvoeringstijd voor de vereiste maatregel(en)

5. de datum van inwerkingtreding.

21A.4 Coördinatie tussen ontwerp en productie

Elke houder van een typecertificaat, een beperkt typecertificaat, een aanvullend typecertificaat, een ETSO-autorisatie, een goedkeuring van een wijziging aan een typeontwerp of een goedkeuring van een reparatieontwerp moet naargelang nodig samenwerken met de productieorganisatie om te komen tot:

a) een toereikende coördinatie tussen ontwerp en productie, zoals voorgeschreven in 21A.122, 21A.133 of 21A.165(c)(2), al naargelang van toepassing, en

b) een passende ondersteuning van de permanente luchtwaardigheid van het product, onderdeel of uitrustingsstuk.

SUBDEEL B - TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

21A.11 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van typecertificaten voor producten en beperkte typecertificaten voor luchtvaartuigen, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers en houders van deze certificaten.

21A.13 Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon die zijn bekwaamheid overeenkomstig 21A.14 aangetoond heeft, of aan het bewijzen is, is aanvaardbaar als aanvrager van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat onder de in dit subdeel beschreven voorwaarden.

21A.14 Bewijs van bekwaamheid

a) Elke organisatie die een typecertificaat of een beperkt typecertificaat aanvraagt moet haar bekwaamheid bewijzen door houder te zijn van een door het Agentschap in overeenstemming met subdeel J afgegeven erkenning als ontwerporganisatie.

b) In afwijking van paragraaf (a) kan een aanvrager, als alternatieve procedure om zijn bekwaamheid te bewijzen, de goedkeuring van het Agentschap vragen voor het gebruik van procedures die beschrijven met welke specifieke ontwerppraktijken, -middelen en -werkzaamheden zal worden voldaan aan dit deel, als het product een van de volgende is:

1. een heel licht vliegtuig of draagschroefvliegtuig, een zweefvliegtuig of een gemotoriseerd zweefvliegtuig, een ballon, een zeppelin; of

2. een klein vliegtuig dat beantwoordt aan alle onderstaande elementen:

i) motor met één zuiger, natuurlijke aanzuiging en maximaal startvermogen van 250 pk,

ii) conventionele configuratie,

iii) conventioneel materiaal en conventionele structuur,

iv) vliegen onder VFR-, buitenijsvormingscondities,

v) maximaal 4 plaatsen, de piloot inbegrepen, en maximaal startgewicht van 1361 kg,

vi) geen drukcabine,

vii) geen semimachinale besturing,

viii) kunstvliegen beperkt tot + 6/- 3 g; of

3. een zuigermotor; of

4. een motor of propeller waarvoor een typecertificaat is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor gemotoriseerde zweefvliegtuigen, of

5. een vaste of variabele schuine propeller.

21A.15 Aanvraag

a) Een aanvraag om een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet worden ingediend in een vorm en op een wijze als vastgesteld door het Agentschap.

b) Bij een aanvraag om een typecertificaat of een beperkt typecertificaat voor een luchtvaartuig moet een voor-, zij- en bovenaanzicht van dat luchtvaartuig worden gevoegd, evenals voorlopige basisgegevens, met o.a. de voorgestelde gebruikskenmerken en -beperkingen.

c) Bij een aanvraag om een typecertificaat voor een motor of propeller moet een algemene overzichtstekening van de motor of de propeller worden gevoegd, evenals een beschrijving van de ontwerpkenmerken, de gebruikskenmerken en de voorgestelde gebruiksbeperkingen.

21A.16A Luchtwaardigheidsvoorschriften

Het Agentschap zal, in overeenstemming met artikel 14 van de basisverordening, luchtwaardigheidsvoorschriften uitvaardigen als standaardmiddelen om aan te tonen dat producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan de essentiële eisen van bijlage 1 bij de basisverordening. Deze voorschriften moeten voldoende gedetailleerd en specifiek zijn, zodat de aanvragers weten onder welke voorwaarden certificaten worden afgegeven.

21A.16B Speciale voorwaarden

a) Het Agentschap zal speciale gedetailleerde technische specificaties, speciale voorwaarden genoemd, voorschrijven voor een product, als de betreffende luchtwaardigheidsvoorschriften geen adequate of geschikte veiligheidsnormen voor dat product bevatten, omdat:

1. het product nieuwe of ongewone ontwerpkenmerken heeft ten opzichte van de ontwerppraktijken waarop de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften gebaseerd zijn, of

2. het beoogde gebruik van het product onconventioneel is, of

3. uit ervaringen met andere, vergelijkbare producten die in de praktijk worden gebruikt of met producten die vergelijkbare ontwerpkenmerken hebben, is gebleken dat onveilige toestanden kunnen ontstaan.

b) De speciale voorwaarden bevatten de veiligheidsnormen die het Agentschap noodzakelijk acht om te komen tot een veiligheidsniveau dat gelijkstaat met het in de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften vastgelegde veiligheidsniveau.

21A.17 Basis voor typecertificering

a) De basis voor typecertificering die dient te worden gemeld voor het afgeven van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet bestaan uit:

1. de toepasselijke, door het Agentschap vastgelegde luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht zijn op de datum van de aanvraag om dat certificaat, tenzij:

i) anders wordt gespecificeerd door het Agentschap, of

ii) de aanvrager verkiest te voldoen aan later van kracht geworden amendementen, of vereist overeenkomstig de paragrafen (c) en (d);

2. elke speciale voorwaarde die wordt voorgeschreven in overeenstemming met 21A.16B(a).

b) Een aanvraag om typecertificering van een grote vliegtuigen en grote draagschroefvliegtuigen is vijf jaar geldig en een aanvraag om elk ander typecertificaat is drie jaar geldig, tenzij de aanvrager op het moment van de aanvraag kan aantonen dat er voor het ontwerpen, ontwikkelen en testen van zijn product meer tijd nodig is, en het Agentschap een langere periode goedkeurt.

c) Als er geen typecertificaat is afgegeven, of als duidelijk is dat er geen typecertificaat zal worden afgegeven, binnen de in paragraaf (b) vastgelegde termijn, mag de aanvrager:

1. Een nieuwe aanvraag om een typecertificaat indienen en voldoen aan alle bepalingen van paragraaf (a) die van toepassing zijn op een oorspronkelijke aanvraag, of

2. Een verlenging van de oorspronkelijke aanvraag aanvragen en voldoen aan de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht waren op een door de aanvrager te kiezen datum, zij het niet eerder dan de datum die wordt verkregen door de in paragraaf (b) voor de oorspronkelijke aanvraag vastgelegde termijn af te trekken van de datum van afgifte van het typecertificaat.

d) Als een aanvrager verkiest te voldoen aan een amendement bij de luchtwaardigheidsvoorschriften dat van kracht wordt nadat de aanvraag om een typecertificaat is ingediend, moet de aanvrager ook voldoen aan elk ander amendement dat er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houdt.

21A.18 Aanduiding van de toepasselijke milieueisen en certificeringsspecificaties

a) De toepasselijke geluidseisen voor het afgeven van een typecertificaat voor een luchtvaartuig zijn vastgelegd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1 van bijlage 16, volume I, deel II van het Verdrag van Chicago en:

1. voor subsonische straalvliegtuigen, in volume I, deel II, hoofdstuk 2, 3 en 4, naar gelang van toepassing;

2. voor propellervliegtuigen, in volume I, deel II, hoofdstuk 3, 4, 5, 6 en 10, naar gelang van toepassing;

3. voor helikopters, in volume I, deel II, hoofdstuk 8 en 11, naar gelang van toepassing, en

4. voor supersonische vliegtuigen, in volume I, deel II, hoofdstuk 12, naar gelang van toepassing.

b) De toepasselijke emissie-eisen voor het afgeven van een typecertificaat voor een luchtvaartuig en een motor zijn vastgelegd in bijlage 16 van het Verdrag van Chicago:

1. voor de preventie van opzettelijke brandstoflozing, in volume II, deel II, hoofdstuk 2;

2. voor emissies van turbojet- en turbofanmotoren die alleen bestemd zijn voor aandrijving met subsonische snelheid, in volume II, deel III, hoofdstuk 2; en

3. voor emissies van turbojet- en turbofanmotoren die alleen bestemd zijn voor aandrijving met supersonische snelheid, in volume II, deel III, hoofdstuk 3.

c) Het Agentschap zal in overeenstemming met artikel 14 van de basisverordening certificeringsspecificaties uitvaardigen die aanvaardbare middelen voorzien om aan te tonen dat wordt voldaan aan de in paragraaf (a) respectievelijk (b) beschreven geluids- respectievelijk emissie-vereisten.

21A.19 Wijzigingen die een nieuw typecertificaat vereisen

Elke natuurlijke of rechtspersoon die een wijziging aan een product voorstelt, moet een nieuw typecertificaat aanvragen als het Agentschap oordeelt dat de verandering van ontwerp, vermogen, stuwkracht of massa zo groot is, dat een nagenoeg compleet onderzoek vereist is om na te gaan of voldaan wordt aan de toepasselijke typecertificeringsbasis.

21A.20 Voldoening aan de basis voor typecertificering en de milieueisen

a) De aanvrager van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet voldoen aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen, en moet aan het Agentschap aantonen met welke middelen hieraan voldaan wordt.

b) De aanvrager moet verklaren dat hij volledig voldoet aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen.

c) Als de aanvrager houder is van een erkenning als ontwerporganisatie, moet de verklaring van paragraaf (b) worden ingediend overeenkomstig de bepalingen van subdeel J.

21A.21 Afgifte van een typecertificaat

De aanvrager heeft recht op een door het Agentschap afgegeven producttypecertificaat nadat:

a) hij zijn bekwaamheid heeft bewezen overeenkomstig 21A.14;

b) hij de in 21A.20(b) vermelde verklaring heeft ingediend; en

c) is aangetoond dat:

1. het te certificeren product voldoet aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen, zoals aangeduid in 21A.17 en 21A.18;

2. het niet-voldoen aan bepaalde luchtwaardigheidsvoorschriften wordt gecompenseerd door factoren die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen;

3. geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor de certificering is aangevraagd, en

4. de aanvrager van het typecertificaat expliciet heeft verklaard dat hij bereid is om te voldoen aan 21A.44;

d) in het geval van een luchtvaartuigtypecertificaat voor de motor en/of de propeller, indien geïnstalleerd in het luchtvaartuig, een typecertificaat is afgegeven of vastgesteld in overeenstemming met de onderhavige verordening.

21A.23 Afgifte van een beperkt typecertificaat

a) Voor een luchtvaartuig dat niet voldoet aan de bepalingen van 21A.21(c) heeft de aanvrager recht op een door het Agentschap afgegeven beperkt typecertificaat, na:

1. te hebben voldaan aan de passende, door het Agentschap vastgelegde basis voor typecertificering zodat voldoende veiligheid wordt gegarandeerd met betrekking tot het beoogde gebruik van het luchtvaartuig, en aan de toepasselijke milieueisen

2. expliciet verklaard te hebben dat hij bereid is om te voldoen aan 21A.44.

b) Voor de in het luchtvaartuig geïnstalleerde motor en/of propeller, moet:

1. een typecertificaat zijn afgegeven of vastgesteld in overeenstemming met dit deel, of

2. zijn aangetoond dat hij voldoet aan de certificeringsspecificaties die noodzakelijk zijn voor de vliegveiligheid van het luchtvaartuig.

21A.31 Typeontwerp

a) Het typeontwerp moet bestaan uit:

1. de tekeningen en specificaties, en een lijst van deze tekeningen en specificaties, die nodig zijn om de configuratie en de ontwerpkenmerken te bepalen van het product waarvan aangetoond is dat het voldoet aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen;

2. informatie over de materialen en procédés en over de fabricage- en assemblagemethoden die nodig is om de conformiteit van het product vast te stellen;

3. een goedgekeurde sectie luchtwaardigheidsbeperkingen van de instructies voor permanente luchtwaardigheid, zoals gedefinieerd door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften, en

4. alle andere gegevens die nodig zijn om, door vergelijking, de luchtwaardigheid, de geluidskenmerken, de brandstoflozing en de uitlaatemissies (voor zover van toepassing) van latere producten van hetzelfde type te bepalen.

b) Elk typeontwerp dient naar behoren te worden geïdentificeerd.

21A.33 Onderzoek en tests

a) De aanvrager moet alle inspecties en tests uitvoeren die nodig zijn om aan te tonen dat het product voldoet aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen.

b) Voordat een van de door paragraaf (a) vereiste proeven wordt uitgevoerd, moet de aanvrager hebben bepaald:

1. voor het testexemplaar:

i) dat de materialen en procédés in toereikende mate beantwoorden aan de specificaties voor het voorgestelde typeontwerp;

ii) dat de onderdelen van de producten in toereikende mate beantwoorden aan de tekeningen van het voorgestelde typeontwerp;

iii) dat de fabricageprocessen, de constructie en de assemblage in toereikende mate beantwoorden aan die van het voorgestelde typeontwerp, en

2. Dat de testuitrusting en alle voor de proeven gebruikte meetapparatuur geschikt zijn voor de test en juist gekalibreerd zijn.

c) De aanvrager moet het Agentschap toelaten om elke inspectie uit te voeren die nodig is om vast te stellen of voldaan wordt aan paragraaf (b).

d) De aanvrager moet het Agentschap toelaten om elk rapport te analyseren en elke inspectie en elke test in vlucht en op de grond uit te voeren of bij te wonen die nodig is om de geldigheid van de door de aanvrager overeenkomstig 21A.20 (b) voorgelegde conformiteitsverklaring te controleren en om vast te stellen dat geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor een certificering is aangevraagd.

e) Voor proeven die door het Agentschap worden uitgevoerd of bijgewoond overeenkomstig paragraaf (d):

1. moet de aanvrager aan het Agentschap een verklaring voorleggen dat voldaan wordt aan paragraaf (b), en

2. mag geen wijziging die betrekking heeft op de test en invloed heeft op de conformiteitsverklaring worden aangebracht aan een product, onderdeel of uitrustingsstuk tussen het moment dat wordt aangetoond dat het voldoet aan paragraaf (b) en het moment dat het aan het Agentschap wordt aangeboden om te worden getest.

21A.35 Vliegproeven

a) Vliegproeven met het oog op het verkrijgen van een typecertificaat moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de voorwaarden die door het Agentschap zijn vastgelegd voor dergelijke vliegproeven.

b) De aanvrager moet alle vliegproeven ondernemen die het Agentschap nodig acht:

1. Om vast te stellen of voldaan wordt aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen, en

2. Voor luchtvaartuigen die overeenkomstig deze sectie moeten worden gecertificeerd, met uitzondering van zweefvliegtuigen en gemotoriseerde zweefvliegtuigen en met uitzondering van vliegtuigen met een maximale startmassa van 2722 kg of minder, om te bepalen of er voldoende waarborgen zijn dat het luchtvaartuig, zijn onderdelen en zijn uitrustingsstukken betrouwbaar zijn en goed functioneren.

c) (Voorbehouden)

d) (Voorbehouden)

e) (Voorbehouden)

f) De in subparagraaf (b)(2) voorgeschreven vliegproeven moeten omvatten:

1. voor luchtvaartuigen met turbinemotoren van een type dat nog niet eerder gebruikt is in een vliegtuig met typecertificaat: tenminste 300 vlieguren met een volledig stel motoren die voldoen aan een typecertificaat, en

2. voor alle andere luchtvaartuigen: tenminste 150 vlieguren.

21A.41 Typecertificaat

Het typecertificaat en het beperkte typecertificaat omvatten beide het typeontwerp, de gebruiksbeperkingen, het gegevensblad voor luchtwaardigheid en emissies, de toepasselijke basis voor typecertificering en de milieueisen waarvan het Agentschap bijhoudt of eraan voldaan wordt, en alle andere voorwaarden of beperkingen die voor het product worden voorgeschreven in de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen. Het typecertificaat en het beperkte typecertificaat voor luchtvaartuigen omvatten bovendien ook het gegevensblad voor geluid. Het gegevensblad van het typecertificaat van de motor omvat de gegevens omtrent naleving van de emissievereisten.

21A.44 Verplichtingen van de houder

Elke houder van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet:

a) de in 21A.3, 21A.3B, 21A.4, 21A.55, 21A.57 en 21A.61 beschreven verplichtingen nakomen en hiervoor dient hij te blijven voldoen aan de kwalificatie-eisen voor aanvaardbaarheid overeenkomstig 21A.14;

b) de kenmerking in overeenstemming met subdeel Q specificeren.

21A.47 Overdraagbaarheid

Een typecertificaat of een beperkt typecertificaat mag alleen worden overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon die in staat is om de in 21A.44 vermelde verplichtingen na te komen en te dien einde heeft aangetoond dat hij bekwaam is om te voldoen aan de criteria van 21A.14.

21A.51 Duur en permanente geldigheid

a) Een typecertificaat en een beperkt typecertificaat worden afgegeven voor een onbeperkte duur. Zij blijven geldig op voorwaarde dat:

1. de houder blijft voldoen aan de bepalingen van dit deel, en

2. geen afstand wordt gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken volgens de door het Agentschap vastgestelde van toepassing zijnde administratieve procedures.

b) In geval van afstand of intrekking moeten het typecertificaat en beperkt typecertificaat moet worden ingeleverd bij het Agentschap.

21A.55 Administratie

Alle relevante ontwerpinformatie, tekeningen en testverslagen, met inbegrip van de inspectieverslagen voor het geteste product, moeten door de houder van het typecertificaat of het beperkt typecertificaat ter beschikking van het Agentschap worden gehouden en worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om vast te stellen dat het product permanent luchtwaardig is en voldoet aan de toepasselijke milieueisen.

21A.57 Handleidingen

De houder van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet originele exemplaren samenstellen, bijhouden en bijwerken van alle handleidingen die voor het product vereist worden door de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen, en hij moet, op verzoek, kopieën bezorgen aan het Agentschap.

21A.61 Instructies voor permanente luchtwaardigheid

a) De houder van het typecertificaat of het beperkt typecertificaat moet tenminste één pakket complete instructies voor permanente luchtwaardigheid, bevattende de beschrijvende gegevens en uitvoeringsinstructies die zijn opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke basis voor typecertificering, bezorgen aan elke bekende eigenaar van één of meer luchtvaartuigen, motoren of propellers bij aflevering van het product of bij afgifte van het eerste certificaat van luchtwaardigheid voor het betreffende luchtvaartuig, al naargelang wat laatst geschiedt, en nadien deze instructies op verzoek beschikbaar stellen aan eenieder die moet voldoen aan een of meer bepalingen van deze instructies. Het ter beschikking stellen van een handleiding of een deel van de instructies voor permanente luchtwaardigheid dat betrekking heeft op revisie of andere vormen van zwaar onderhoud, mag worden uitgesteld tot na de ingebruikneming van het product, maar moet gebeuren voordat een van de producten de desbetreffende leeftijd of het desbetreffende aantal vlieguren/cycli bereikt.

b) Bovendien moeten wijzigingen in de instructies voor permanente luchtwaardigheid op verzoek beschikbaar worden gesteld aan eenieder die dient te voldoen aan een of meer van deze instructies. Een programma dat toont hoe wijzigingen aan de instructies voor permanente luchtwaardigheid zullen worden verspreid, moet aan het Agentschap worden voorgelegd.

(SUBDEEL C - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL D - WIJZIGINGEN AAN DE TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

21A.90 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de goedkeuring van wijzigingen aan typeontwerpen en typecertificaten, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers en houders van deze goedkeuringen. In dit subdeel wordt met typecertificaten ook verwezen naar beperkte typecertificaten.

21A.91 Classificatie van wijzigingen aan typeontwerpen

Wijzigingen aan typeontwerpen worden geclassificeerd als kleine en grote wijzigingen. Een "kleine wijziging" is een wijziging die geen merkbaar effect heeft op de massa, de balans, de structurele sterkte, de betrouwbaarheid, de operationele kenmerken, het geluid, de brandstoflozing, de uitlaatemissie of andere kenmerken die de luchtwaardigheid van het product beïnvloeden. Onverminderd 21A.19 worden alle andere wijzigingen in dit subdeel beschouwd als "grote wijzigingen". Grote en kleine wijzigingen moeten worden goedgekeurd in overeenstemming met 21A.95 of 21A.97, al naargelang van toepassing, en moeten naar behoren worden geïdentificeerd.

21A.92 Aanvaardbaarheid

a) Alleen de houder van het typecertificaat mag een aanvraag om goedkeuring van een grote wijziging aan een typeontwerp indienen overeenkomstig dit subdeel; alle andere aanvragers van een grote wijziging aan een typeontwerp moeten hun aanvraag indienen overeenkomstig subdeel E.

b) Elke natuurlijke of rechtspersoon mag een aanvraag om goedkeuring van een kleine wijziging aan een typeontwerp indienen overeenkomstig dit subdeel.

21A.93 Aanvraag

Een aanvraag om goedkeuring van een wijziging aan een typeontwerp moet gebeuren in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap, en moet omvatten:

a) Een beschrijving van de wijziging, met identificatie van:

1. alle delen van het typeontwerp en de goedgekeurde handleidingen waarop de wijziging betrekking heeft; en

2. de certificeringsspecificaties en milieueisen waaraan de wijziging voldoet in overeenstemming met 21A.101

b) Een identificatie van nieuwe onderzoeken die nodig zijn om aan te tonen dat het gewijzigde product voldoet aan de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen.

21A.95 Kleine wijzigingen

Kleine wijzigingen aan een typeontwerp moeten worden geclassificeerd en goedgekeurd:

a) door het Agentschap, of

b) door een erkende ontwerporganisatie volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure.

21A.97 Grote wijzigingen

a) Een aanvrager van een goedkeuring van een grote wijziging moet:

1. bewijskrachtige gegevens, samen met alle noodzakelijke beschrijvende gegevens, ter opneming in het typeontwerp voorleggen aan het Agentschap;

2. aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan de in 21A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen;

3. verklaren dat hij voldoet aan de toepasselijke typecertificeringsbasis en milieueisen, en duidelijk maken aan het Agentschap op basis waarvan hij deze verklaring doet;

4. als de aanvrager houder is van een erkenning als ontwerporganisatie, de verklaring van subparagraaf (a)(3) doen overeenkomstig de bepalingen van subdeel J;

5. voldoen aan 21A.33 en, voor zover van toepassing, 21A.35.

b) De goedkeuring van een grote wijziging aan een typeontwerp blijft beperkt tot die specifieke configuratie(s) van het typeontwerp waarop de wijziging betrekking heeft.

21A.101 Aanduiding van de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen

a) Een aanvrager van een wijziging aan een typecertificaat moet aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan de luchtwaardigheidsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gewijzigde product en van kracht zijn op de datum van de aanvraag om de wijziging en aan de toepasselijke milieu-eisen zoals uiteengezet in 21A.18.

b) In afwijking van paragraaf (a) mag een aanvrager aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan een eerder amendement op de in paragraaf (a) vermelde luchtwaardigheidsvoorschriften, en op elke certificeringsspecificatie die er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houdt. De eerder geamendeerde luchtwaardigheidsvoorschriften mogen evenwel niet ouder zijn dan de overeenkomstige luchtwaardigheidsvoorschriften waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat. De aanvrager mag aantonen dat zijn product voldoet aan een eerder amendement op de luchtwaardigheidsvoorschriften, als het gaat om:

1. een wijziging die het Agentschap niet belangrijk acht. Om te bepalen of een specifieke wijziging al dan niet belangrijk is, beoordeelt het Agentschap de wijziging in het licht van alle eerdere relevante ontwerpwijzigingen en alle verbandhoudende herzieningen van de toepasselijke certificeringsspecificaties waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat voor het product. Wijzigingen die beantwoorden aan een van de volgende criteria worden automatisch beschouwd als belangrijk:

i) de algemene configuratie of de constructieprincipes worden niet behouden,

ii) de voor de certificering van het te wijzigen product gebruikte veronderstellingen gelden niet langer;

2. een gebied, systeem, onderdeel of uitrustingsstuk dat naar het oordeel van het Agentschap niet wordt beïnvloed door de wijziging;

3. gebieden, systemen, onderdelen of uitrustingsstukken die door de wijziging worden beïnvloed en waarvan het Agentschap oordeelt dat het voldoen aan de in paragraaf (a) vermelde luchtwaardigheidsvoorschriften niet wezenlijk zou bijdragen tot het veiligheidsniveau van het gewijzigde product of onpraktisch zou zijn.

c) Een aanvrager van een wijziging aan een luchtvaartuig (uitgezonderd een hefschroefvliegtuig) met een maximumgewicht van 2722 kg of minder, of aan een hefschroefvliegtuig zonder turbine met een maximumgewicht van 1361 kg of minder, kan aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan de basis voor typecertificering waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat. Als het Agentschap echter oordeelt dat de wijziging belangrijk is op een bepaald gebied, kan het Agentschap eisen dat voldaan wordt aan een amendement op de basis voor typecertificering waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat en dat van kracht is op de datum van de aanvraag, en aan elke certificeringsspecificatie die er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houdt, tenzij het Agentschap ook oordeelt dat het voldoen aan dat amendement of die certificeringsspecificatie niet wezenlijk zou bijdragen tot het veiligheidsniveau van het gewijzigde product of onpraktisch zou zijn.

d) Als het Agentschap oordeelt dat de luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht zijn op de datum van de aanvraag om een wijziging geen toereikende normen bevatten voor de voorgestelde wijziging, moet de aanvrager ook voldoen aan alle speciale voorwaarden, en amendementen op deze voorwaarden, die worden voorgeschreven in de bepalingen van 21A.16B, om te komen tot een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan het veiligheidsniveau dat is vastgelegd in de luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht waren op de datum van de aanvraag om de wijziging.

e) Een aanvraag om een wijziging aan een typecertificaat voor grote luchtvaartuigen en grote draagschroefvliegtuigen blijft vijf jaar geldig, een aanvraag om een wijziging aan een ander typecertificaat blijft drie jaar geldig. Als de wijziging niet is goedgekeurd of als het duidelijk is dat ze niet zal worden goedgekeurd binnen de in deze subparagraaf vastgelegde termijn, kan de aanvrager:

1. een nieuwe aanvraag om een wijziging aan het typecertificaat indienen en voldoen aan alle bepalingen van paragraaf (a) die van toepassing zijn op een oorspronkelijke aanvraag om een wijziging; of

2. een verlenging van de oorspronkelijke aanvraag aanvragen en voldoen aan de bepalingen van paragraaf (a) die van kracht waren op een door de aanvrager te kiezen datum, zij het niet eerder dan de datum die wordt verkregen door de in paragraaf (e) voor de oorspronkelijke aanvraag vastgelegde termijn af te trekken van de datum van goedkeuring van de wijziging.

21A.103 Goedkeuring

a) De aanvrager heeft recht op een door het Agentschap afgegeven goedkeuring van een grote wijziging aan een typeontwerp nadat:

1. de in 21A.97(a)(3) vermelde verklaring is voorgelegd, en

2. er is aangetoond dat:

i) het gewijzigde product voldoet aan de in 21A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen;

ii) de luchtwaardigheidsvoorschriften waaraan niet voldaan is, worden gecompenseerd door factoren die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen; en

iii) geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor de certificering is aangevraagd.

b) Een kleine wijziging aan een typeontwerp zal slechts worden goedgekeurd in overeenstemming met 21A.95 als wordt aangetoond dat het gewijzigde product voldoet aan de in 21A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties.

21A.105 Administratie

Voor elke wijziging moeten alle desbetreffende ontwerpinformatie, tekeningen en testverslagen, met inbegrip van de inspectieverslagen voor het geteste product, door de aanvrager ter beschikking van het Agentschap worden gehouden en worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om vast te stellen dat het gewijzigde product permanent luchtwaardig is en voldoet aan de van toepassing zijnde voorschriften op het gebied van milieubescherming.

21A.107 Instructies voor permanente luchtwaardigheid

a) De houder van de goedkeuring van een kleine wijziging aan een typeontwerp ten minste één kopie van de er eventueel mee gepaard gaande aanvullingen op de instructies voor permanente luchtwaardigheid van het product waaraan de kleine wijziging wordt aangebracht, opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke certificeringsbasis, bezorgen aan elke bekende eigenaar van één of meer luchtvaartuigen, motoren of propellers waarin de kleine wijziging is geïntegreerd, bij de levering of bij de afgifte van het eerste bewijs van luchtwaardigheid voor het betreffende luchtvaartuig, al naargelang wat laatst geschiedt, en daarna deze aanvullingen op de instructies op verzoek ter beschikking stellen van eenieder die dient te voldoen aan één of meer bepalingen van deze instructies.

b) Bovendien moeten wijzigingen aan deze aanvullingen op de instructies voor permanente luchtwaardigheid ter beschikking worden gesteld van alle bekende gebruikers van een product waarin de kleine wijziging is geïntegreerd en, op verzoek, aan eenieder die moet voldoen aan één of meer van deze instructies.

21A.109 Verplichtingen en EPA-kenmerking

De houder van een goedkeuring van een kleine wijziging aan een typeontwerp moet:

a) de in 21A.4, 21A.105 en 21A.107 beschreven verplichtingen nakomen, en

b) de kenmerking specificeren, met inbegrip van de EPA-letters ("European Part Approval"), in overeenstemming met 21A.804(a).

SUBDEEL E - AANVULLENDE TYPECERTIFICATEN

21A.111 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de goedkeuring van grote wijzigingen aan het typeontwerp overeenkomstig de procedures van het aanvullend typecertificaat, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers of houders van deze certificaten.

21A.112 Aanvaardbaarheid

Elk natuurlijke of rechtspersoon die zijn bekwaamheid overeenkomstig 21A.112B heeft bewezen, of aan het bewijzen is, is aanvaardbaar als aanvrager van een aanvullend typecertificaat onder de in dit subdeel beschreven voorwaarden.

21A.112B Bewijs van bekwaamheid

a) Elke organisatie dat een aanvullend typecertificaat aanvraagt, moet zijn bekwaamheid bewijzen door houder te zijn van een door het Agentschap in overeenstemming met subdeel J afgegeven erkenning als ontwerporganisatie.

b) In afwijking van paragraaf (a) kan een aanvrager, als alternatieve procedure om zijn bekwaamheid te bewijzen, de goedkeuring van het Agentschap vragen voor het gebruik van procedures die beschrijven met welke specifieke ontwerppraktijken, -middelen en -werkzaamheden zal worden voldaan aan dit subdeel.

21A.113 Aanvraag om een aanvullend typecertificaat

a) Een aanvraag om een aanvullend typecertificaat moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap.

b) Een aanvraag om een aanvullend typecertificaat moet vergezeld gaan van de in 21A.93 voorgeschreven beschrijvingen en identificatie. Daarnaast moet deze aanvraag ook een verantwoording bevatten die stelt dat de informatie waarop deze identificaties gebaseerd zijn toereikend is, en verkregen is uit de eigen bronnen van de aanvrager of via een overeenkomst met de houder van het typecertificaat.

21A.114 Conformiteit

Elke aanvrager van een aanvullend typecertificaat moet voldoen aan 21A.97.

21A.115 Afgifte van een aanvullend typecertificaat

De aanvrager heeft het recht op een door het Agentschap afgegeven aanvullend typecertificaat nadat:

a) hij voldoet aan 21A.103(a);

b) hij zijn bekwaamheid heeft bewezen In overeenstemming met 21A.112B;

c) als de aanvrager, overeenkomstig 21A.113(b), een overeenkomst heeft gesloten met de houder van het typecertificaat,

1. de houder van het typecertificaat heeft kenbaar gemaakt dat hij geen technisch bezwaar heeft tegen de overeenkomstig 21A.93 voorgelegde informatie, en

2. de houder van het typecertificaat ermee heeft ingestemd om met de houder van het aanvullend typecertificaat samen te werken om ervoor te zorgen dat alle verplichtingen inzake de permanente luchtwaardigheid van het gewijzigde product nagekomen worden in overeenstemming met 21A.44 en 21A.118A.

21A.116 Overdraagbaarheid

Een aanvullend typecertificaat mag alleen worden overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon die in staat is om de verplichtingen van 21A.118A na te komen en te dien einde zijn bekwaamheid overeenkomstig de criteria van 21A.112B heeft bewezen.

21A.117 Wijzigingen aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft

a) Kleine wijzigingen aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft, moeten worden geclassificeerd en goedgekeurd in overeenstemming met subdeel D.

b) Elke grote wijziging aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft, moet worden goedgekeurd als een afzonderlijk aanvullend typecertificaat, in overeenstemming met dit subdeel.

c) In afwijking van paragraaf (b) kan een grote wijziging aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft, dat door de houder van het aanvullend typecertificaat is ingediend, worden goedgekeurd als een wijziging aan het bestaande aanvullende typecertificaat.

21A.118A Verplichtingen en EPA-kenmerking

Elke houder van een aanvullend typecertificaat moet:

a) de verplichtingen nakomen die:

1. worden beschreven in 21A.3, 21A.3B, 21A.4, 21A.105, 21A.119 en 21A.120,

2. inherent zijn aan de samenwerking met de houder van het typecertificaat overeenkomstig 21A.115(c)(2)

en hiertoe blijven voldoen aan de criteria van 21A.112B;

b) de kenmerking specificeren, met inbegrip van de EPA-letters, in overeenstemming met 21A.804(a).

21A.118B Duur en permanente geldigheid

a) Een aanvullend typecertificaat wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Het blijft geldig op voorwaarde dat:

1. de houder blijft voldoen aan dit deel, en

2. geen afstand wordt gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken volgens de door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures.

b) In geval van afstand of intrekking moet het aanvullende typecertificaat worden ingeleverd bij het Agentschap.

21A.119 Handleidingen

De houder van een aanvullend typecertificaat moet originele exemplaren samenstellen, bijhouden en bijwerken van de aanvullingen op de door de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen vereiste handleidingen, die noodzakelijk zijn om de overeenkomstig het aanvullend typecertificaat aangebrachte wijzigingen te behandelen en hij moet, op verzoek, kopieën van deze handleidingen bezorgen aan het Agentschap.

21A.120 Instructies voor permanente luchtwaardigheid

a) De houder van het aanvullend typecertificaat moet ten minste één kopie van de betreffende aanvullingen op de instructies voor permanente luchtwaardigheid, opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke basis voor typecertificering, bezorgen aan elke bekende eigenaar van één of meer luchtvaartuigen, motoren of propellers, bij levering van het product of bij afgifte van het eerste certificaat van luchtwaardigheid voor het betreffende luchtvaartuig, al naargelang wat laatst geschiedt, en nadien deze aanvullingen op de instructies op verzoek beschikbaar stellen aan eenieder die dient te voldoen aan één of meer bepalingen van deze instructies. Het beschikbaar stellen van een handleiding of een deel van de aanvullingen op de instructies voor permanente luchtwaardigheid dat betrekking heeft op revisie of andere vormen van zwaar onderhoud, mag worden uitgesteld tot na de ingebruikneming van het product, maar moet gebeuren voordat een van de producten de desbetreffende leeftijd of het desbetreffende aantal vlieguren/cycli bereikt.

b) Bovendien moeten wijzigingen aan deze aanvullingen op de instructies voor permanente luchtwaardigheid beschikbaar worden gesteld aan alle bekende gebruikers van een product waarvoor het aanvullend typecertificaat is afgegeven en aan eenieder die moet voldoen aan een of meer van deze instructies. Een programma dat toont hoe wijzigingen aan de aanvullingen op de instructies voor permanente luchtwaardigheid zullen worden verspreid, moet aan het Agentschap worden voorgelegd.

SUBDEEL F - PRODUCTIE ZONDER ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21A.121 Toepassingsgebied

a) In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd volgens dewelke moet worden aangetoond dat aan de toepasselijke ontwerpgegevens wordt voldaan door een product, onderdeel of uitrustingsstuk dat zal worden vervaardigd zonder erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G.

b) In dit subdeel worden de regels vastgelegd betreffende de verplichtingen van de fabrikant van producten, onderdelen of uitrustingsstukken die worden vervaardigd overeenkomstig dit subdeel.

21A.122 Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon mag een aanvraag indienen om de conformiteit van individuele producten, onderdelen of uitrustingsstukken aan te tonen overeenkomstig dit subdeel, als

a) hij houder is van of een aanvraag heeft ingediend voor een goedkeuring van het ontwerp van dat product, onderdeel of uitrustingsstuk, of

b) hij heeft gezorgd voor een toereikende coördinatie tussen productie en ontwerp, via een overeenkomst met de aanvrager of houder van een goedkeuring van zo'n ontwerp.

21A.124 Aanvraag

a) Elke aanvraag om een goedkeuring voor het aantonen van de conformiteit van individuele producten, onderdelen en uitrustingsstukken overeenkomstig dit subdeel moet gebeuren in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde instantie.

b) Deze aanvraag moet bevatten:

1. bewijsmateriaal dat aantoont, al naargelang van toepassing, dat:

i) de afgifte van een erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G ongepast zou zijn, of

ii) de certificering of goedkeuring van een product, onderdeel of uitrustingsstuk nodig is in afwachting van de afgifte van een erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G;

2. een overzicht van de in 21A.125(b) voorgeschreven informatie.

21A.125 Afgifte van een akkoordverklaring

De aanvrager heeft recht op een door de bevoegde instantie afgegeven akkoordverklaring waarin deze zich akkoord verklaart met het aantonen van de conformiteit van individuele producten, onderdelen en uitrustingsstukken overeenkomstig dit subdeel, nadat:

a) hij een productiecontrolesysteem heeft ontwikkeld dat garandeert dat elk product, onderdeel of uitrustingsstuk voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig gebruikt kan worden.

b) hij een handleiding heeft bezorgd met daarin:

1. een beschrijving van het in paragraaf (a) voorgeschreven productiecontrolesysteem,

2. een beschrijving van de vaststellingsmiddelen van het productiecontrolesysteem,

3. een beschrijving van de proeven voorzien in 21A.127 en 21A.128, en een lijst van de namen van de personen die bevoegd zijn voor de uitvoering van 21A.130 (a).

c) hij heeft aangetoond dat hij in staat is om bijstand te verlenen in overeenstemming met 21A.3 en 21A.129(d).

21A.125B Bevindingen

a) Als op basis van objectieve bewijzen wordt vastgesteld dat de houder van een akkoordverklaring niet voldoet aan de toepasselijke eisen van dit deel, wordt deze vaststelling als volgt geclassificeerd:

1. Een niveau 1-bevinding betekent dat de niet-conformiteit met de bepalingen van dit deel kan leiden tot een ongecontroleerde niet-conformiteit met de toepasselijke ontwerpgegevens, en de veiligheid van het luchtvaartuig kan aantasten.

2. Een niveau 2-bevinding is elke niet-conformiteit met de bepalingen van dit deel die niet als niveau één geclassificeerd wordt.

b) Een niveau 3-bevinding betreft elk element waarvan met objectieve bewijzen is aangetoond dat het mogelijke problemen bevat die zouden kunnen leiden tot een niet-conformiteit overeenkomstig (a).

c) Na ontvangst van de kennisgeving betreffende de bevindingen overeenkomstig 21B.143,

1. moet de houder van een akkoordverklaring in het geval van een niveau 1-bevinding aantonen dat hij tot voldoening van de bevoegde instantie corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen een periode van maximum 21 werkdagen na de schriftelijke bevestiging van de bevinding;

2. in het geval van een niveau 2-bevinding moet de periode voor corrigerende maatregelen die door de bevoegde instantie wordt toegekend toepasselijk zijn voor de aard van de bevinding, maar in geen geval langer dan zes maanden. Onder bepaalde omstandigheden en afhankelijk van de aard van de bevinding kan de bevoegde instantie de periode van zes maanden verlengen afhankelijk van een met de bevoegde instantie overeengekomen geschikt actieplan voor corrigerende maatregelen;

3. een niveau 3-bevinding vereist geen onmiddellijke maatregelen van de houder van de akkoordverklaring.

d) In het geval van een niveau 1- of niveau 2-bevinding kan de akkoordverklaring gedeeltelijk of volledig worden beperkt, opgeschort of ingetrokken overeenkomstig 21B.145. De houder van de akkoordverklaring moet binnen een redelijke termijn bevestigen dat hij de kennisgeving van beperking, opschorting of intrekking van de akkoordverklaring heeft ontvangen.

21A.125C Duur en permanente geldigheid

a) De akkoordverklaring wordt afgegeven voor een beperkte duur van ten hoogste één jaar. De verklaring blijft geldig tenzij:

1. de houder van de akkoordverklaring nalaat te voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van dit subdeel; of

2. het bewijs bestaat dat de fabrikant niet in staat is om de fabricage van producten, onderdelen of uitrustingsstukken voldoende onder controle te houden overeenkomstig de verklaring; of

3. de fabrikant niet langer voldoet aan de vereisten van 21A.122; of

4. afstand is gedaan van de akkoordverklaring of deze is ingetrokken overeenkomstig 21B.145, ofwel is verlopen.

b) In geval van afstand, intrekking of verloop moet de akkoordverklaring worden ingeleverd bij de bevoegde instantie.

21A.126 Productiecontrolesysteem

a) Het in 21A.125(a) voorgeschreven productiecontrolesysteem moet het mogelijk maken om vast te stellen dat:

1. de binnenkomende materialen en gekochte of in onderaanneming vervaardigde onderdelen die in het eindproduct worden gebruikt, overeenkomen met de specificaties van de toepasselijke ontwerpgegevens;

2. de binnenkomende materialen en gekochte of in onderaanneming vervaardigde onderdelen naar behoren geïdentificeerd zijn;

3. de procédés, fabricagetechnieken en assemblagemethoden die de kwaliteit en veiligheid van de eindproducten beïnvloeden, uitgevoerd worden in overeenstemming met de door de bevoegde instantie geaccepteerde specificaties;

4. de ontwerpwijzigingen, met inbegrip van de materiaalvervangingen, zijn goedgekeurd overeenkomstig subdeel D of E en gecontroleerd alvorens te worden verwerkt in het eindproduct.

b) Het in 21A.125(a) voorgeschreven productiecontrolesysteem moet ook garanderen dat:

1. tijdens het verwerken van de onderdelen wordt gecontroleerd of deze beantwoorden aan de ontwerpgegevens op punten in het productieproces waar zulks nauwkeurig kan worden vastgesteld;

2. de materialen die vatbaar zijn voor beschadiging of bederf op een geschikte manier opgeslagen en naar behoren afgeschermd zijn;

3. recente ontwerptekeningen gemakkelijk te raadplegen zijn door het fabricage- en controlepersoneel, en gebruikt worden wanneer nodig;

4. afgekeurde materialen en onderdelen afgezonderd worden en dusdanig geïdentificeerd worden dat verwerking ervan in het eindproduct uitgesloten is;

5. materialen en onderdelen die worden tegengehouden omdat ze afwijken van de ontwerpgegevens of de specificaties, maar die wel in aanmerking komen om te worden verwerkt in het eindproduct, worden onderworpen aan een goedgekeurde constructie- en fabricageherzieningsprocedure. De materialen en onderdelen die door deze procedure bruikbaar worden bevonden, moeten naar behoren worden geïdentificeerd en opnieuw gecontroleerd als een nabewerking of reparatie noodzakelijk is. Materialen die door deze procedure worden afgekeurd, moeten dusdanig worden gekenmerkt en geborgen, dat ze niet kunnen worden verwerkt in het eindproduct;

6. de registraties van het productiecontrolesysteem worden bijgehouden, geïdentificeerd met het afgewerkte product of onderdeel, indien mogelijk, en bewaard door de fabrikant zodat de nodige informatie voorhanden is om de permanente luchtwaardigheid van het product te kunnen waarborgen.

21A.127 Proeven: luchtvaartuigen

a) Elke fabrikant van een luchtvaartuig dat wordt vervaardigd overeenkomstig dit subdeel moet een goedgekeurde productietestprocedure met proeven op de grond en in vlucht opstellen, evenals aankruisformulieren, en in overeenstemming met deze formulieren elk geproduceerd luchtvaartuig testen, ten einde vast te stellen of op een relevante manier wordt voldaan aan 21A.125(a).

b) Elke productietestprocedure moet ten minste het volgende omvatten:

1. een controle van de bestuurbaarheid;

2. een controle van de vluchtprestaties (met normale vliegtuiginstrumentatie);

3. een controle van de goede werking van alle vliegtuigapparatuur en -systemen;

4. een vaststelling dat alle instrumenten duidelijk aangeduid zijn en dat alle opschriften en vereiste vlieghandboeken aangebracht worden na de vliegproef;

5. een controle van de operationele kenmerken van het vliegtuig op de grond;

6. een controle van alle andere specifieke elementen van het geteste luchtvaartuig.

21A.128 Proeven: motoren, propellers

Elke fabrikant van motoren of propellers die worden vervaardigd overeenkomstig dit subdeel moet elke motor of propeller met verstelbare spoed onderwerpen aan een aanvaardbare functionele test zoals gespecificeerd in de documentatie van de houder van het typecertificaat teneinde na te gaan of hij goed werkt tijdens de gebruikstoepassingen waarvoor een typecertificaat is afgegeven, ten einde vast te stellen of op een relevante manier wordt voldaan aan 21A.125(a).

21A.129 Verplichtingen van de fabrikant

Elke fabrikant van een product, onderdeel of uitrustingsstuk dat wordt vervaardigd overeenkomstig dit subdeel, moet:

a) elk product, onderdeel of uitrustingsstuk beschikbaar houden voor controle door de bevoegde instantie;

b) op de plaats van de fabricage de technische gegevens en tekeningen bewaren die nodig zijn om vast te stellen of het product voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens;

c) het productiecontrolesysteem in stand houden dat garandeert dat elk product voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt;

d) bijstand verlenen aan de houder van het typecertificaat, beperkt typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring bij alle maatregelen inzake permanente luchtwaardigheid die betrekking hebben op de geproduceerde producten, onderdelen of uitrustingsstukken;

e) een intern incidentmeldingssysteem instellen en in stand houden om het verzamelen en beoordelen van incidentmeldingen in het belang van de veiligheid mogelijk te maken ten einde negatieve tendensen te identificeren of gebreken te verhelpen, en om meldbare incidenten te selecteren. Dit systeem omhelst de evaluatie van relevante informatie betreffende incidenten en de bekendmaking van informatie die ermee verband houdt;

f) 1. aan de houder van het typecertificaat, beperkte typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring alle gevallen melden van producten, onderdelen of uitrustingsstukken die door de fabrikant zijn vrijgegeven en nadien afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens blijken te vertonen, en samen met de houder van het typecertificaat, beperkte typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring onderzoeken welke afwijkingen kunnen leiden tot een onveilige toestand;

2. aan het Agentschap en de bevoegde instantie van de lidstaat de afwijkingen melden die kunnen leiden tot een onveilige toestand en die geïdentificeerd zijn overeenkomstig subparagraaf (1). Dergelijke meldingen moeten worden gedaan in een vorm en op een wijze die vastgesteld zijn door het Agentschap overeenkomstig 21A.3(b)(2) of aanvaardbaar voor de bevoegde instantie van de lidstaat;

3. ingeval de fabrikant optreedt als leverancier voor een andere productieorganisatie, ook aan die andere organisatie alle gevallen melden waarin hij producten, onderdelen of uitrustingsstukken heeft vrijgegeven en nadien heeft vastgesteld dat ze mogelijke afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens vertonen.

21A.130 Conformiteitsverklaring

a) Elke fabrikant van een product, onderdeel of uitrustingsstuk dat vervaardigd is overeenkomstig dit subdeel moet een conformiteitsverklaring voorleggen, d.i. een EASA-formulier 52 voor complete luchtvaartuigen of een EASA-formulier 1 voor andere producten, onderdelen of uitrustingsstukken (zie aanhangsel). Deze verklaring moet worden ondertekend door een bevoegd persoon die een verantwoordelijke functie bekleedt in de productieorganisatie.

b) Een conformiteitsverklaring moet omvatten:

1. voor elk product, onderdeel of uitrustingsstuk een verklaring dat het product, onderdeel of uitrustingsstuk voldoet aan de goedgekeurde ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt;

2. voor elk luchtvaartuig een verklaring dat het luchtvaartuig op de grond en in vlucht is getest in overeenstemming met 21A.127(a); en

3. voor elke motor of propeller met verstelbare spoed een verklaring dat de motor of propeller door de fabrikant is onderworpen aan een functionele eindtest, in overeenstemming met 21A.128, en bovendien, in het geval van motoren, een vaststelling, overeenkomstig door de houder van het typecertificaat voor motoren bezorgde gegevens; dat elke afgewerkte motor voldoet aan de op de fabricagedatum geldende toepasselijke emissie-eisen.

c) Elke fabrikant van zo'n product, onderdeel of uitrustingsstuk moet:

1. bij de initiële overdracht door hem van de eigendom van het product, onderdeel of uitrustingsstuk; of

2. bij de aanvraag om de oorspronkelijke afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid voor luchtvaartuigen; of

3. bij de aanvraag om de oorspronkelijke afgifte van een geschiktheidsdocument betreffende luchtwaardigheid voor een vliegtuigmotor, een propeller, een onderdeel of een uitrustingsstuk,

een recente conformiteitsverklaring voegen ter bekrachtiging door de bevoegde instantie.

d) De bevoegde instantie moet met haar handtekening de conformiteitsverklaring bekrachtigen als ze na inspectie van oordeel is dat het product, het onderdeel of het uitrustingsstuk voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt.

SUBDEEL G - ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21A.131 Toepassingsgebied

In dit subdeel worden vastgelegd:

a) de procedure voor de afgifte van een erkenning als productieorganisatie aan een productieorganisatie waarvan de producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan de toepasselijke ontwerpgegevens;

b) de regels betreffende de rechten en verplichtingen van de aanvragers en houders van dergelijke erkenningen vastgelegd.

21A.133 Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon ("organisatie") komt in aanmerking voor een erkenning overeenkomstig dit subdeel. De aanvrager moet:

a) verantwoorden dat, voor een welbepaald werkgebied, een erkenning overeenkomstig dit subdeel gepast is om aan te tonen dat zijn product voldoet aan een specifiek ontwerp; en

b) houder zijn van of een aanvraag hebben ingediend voor een goedkeuring van dat specifieke ontwerp; of

c) via een passende overeenkomst met de aanvrager of houder van een goedkeuring van dat specifieke ontwerp, gezorgd hebben voor een toereikende coördinatie tussen productie en ontwerp.

21A.134 Aanvraag

Elke aanvraag om een erkenning als productieorganisatie moet worden ingediend bij de bevoegde instantie in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door die autoriteit, en moet een overzicht bevatten van de in 21A.143 voorgeschreven informatie en van de voorwaarden van de aangevraagde erkenning overeenkomstig 21A.151.

21A.135 Afgifte van een erkenning als productieorganisatie

Een organisatie heeft recht op een door de bevoegde instantie afgegeven erkenning als productieorganisatie, indien het heeft aangetoond dat het voldoet aan de toepasselijke eisen overeenkomstig dit subdeel.

21A.139 Kwaliteitssysteem

a) De productieorganisatie moet aantonen dat het een kwaliteitssysteem heeft ingesteld en in stand kan houden. Het kwaliteitssysteem moet gedocumenteerd zijn. Dit kwaliteitssysteem moet de productieorganisatie in staat stellen om te garanderen dat elk product, onderdeel of uitrustingsstuk dat wordt geproduceerd door de organisatie of door zijn partners, of wordt geleverd door of uitbesteed aan derden, beantwoordt aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt, zodat de organisatie de in 21A.163 beschreven bevoegdheden kan uitoefenen.

b) Het kwaliteitssysteem moet omvatten:

1. naargelang van toepassing binnen het erkenningsgebied, controleprocedures voor:

i) uitgifte, goedkeuring of wijziging van documenten

ii) evaluatieaudit en controle van leveranciers en toeleveranciers

iii) controle dat binnenkomende producten, onderdelen, materialen en uitrustingen, met inbegrip van door de kopers van producten geleverde nieuwe of gebruikte elementen, beantwoorden aan de toepasselijke ontwerpgegevens

iv) identificatie en traceerbaarheid

v) fabricageprocessen

vi) inspectie en proeven, met inbegrip van proeven in vlucht

vii) kalibrering van werktuigen, mallen en testapparatuur

viii) controle van niet-conforme artikelen

ix) coördinatie inzake luchtwaardigheid met de aanvrager of houder van een ontwerpgoedkeuring

x) bijhouden en bewaren van verslagen

xi) bekwaamheid en kwalificatie van het personeel

xii) afgifte van geschiktheidsdocumenten betreffende luchtwaardigheid.

xiii) transport, opslag en verpakking

xiv) interne kwaliteitsaudits en eruit voortvloeiende corrigerende maatregelen

xv) werk dat binnen de erkenningsvoorwaarden wordt uitgevoerd op een andere plaats dan de goedgekeurde installaties

xvi) werk dat wordt uitgevoerd na de productie maar voor de levering, om het luchtvaartuig in een gebruiksveilige toestand te houden.

De controleprocedures moeten specifieke voorzieningen voor kritieke onderdelen bevatten.

2. Een onafhankelijke kwaliteitsborgingsfunctie om de conformiteit en de geschiktheid van de gedocumenteerde procedures van het kwaliteitssysteem te controleren. Deze controle moet een systeem omvatten van feedback aan de in 21A.145(c)(2) vermelde persoon of groep personen en uiteindelijk aan de in 21A.145 (c)(1) vermelde manager, zodat corrigerende maatregelen worden uitgevoerd wanneer nodig.

21A.143 Handboek

a) De organisatie moet aan de bevoegde instantie een handboek voorleggen met de volgende informatie:

1. een door de verantwoordelijke manager ondertekende verklaring waarin bevestigd wordt dat te allen tijde zal worden voldaan aan het handboek en aan alle betreffende handleidingen waarin is vastgelegd hoe de erkende productieorganisatie voldoet aan dit subdeel;

2. de titel(s) en namen van de managers die door de bevoegde instantie worden aanvaard in overeenstemming met 21A.145(c)(2);

3. de in 21A.145(c)(2) voorziene plichten en verantwoordelijkheden van de manager(s), met inbegrip van zaken die zij in naam van de organisatie rechtstreeks met de bevoegde instantie mogen afhandelen;

4. een organigram met de in 21A.145(c)(1) en (2) voorgeschreven verantwoordelijkheidsketens van de managers;

5. een lijst van certificeringspersoneel, zoals bedoeld in 21A.145(d);

6. een algemene beschrijving van de beschikbare mankracht;

7. een algemene beschrijving van de installaties op elk vestigingsadres dat in het erkenningscertificaat van de productieorganisatie wordt gespecificeerd;

8. een algemene beschrijving van de werkzaamheden van de productieorganisatie met betrekking tot de erkenningsvoorwaarden;

9. de procedure voor het bekendmaken van organisatorische wijzigingen aan de bevoegde instantie;

10. de procedure voor het aanpassen van het handboek;

11. een beschrijving van het kwaliteitssysteem en van de in 21A.139(b)(1) voorgeschreven procedures;

12. een lijst van de in 21A.139 (a) vermelde derde partijen.

b) Het handboek moet worden aangepast naargelang nodig is om de beschrijving van de organisatie actueel te houden, en kopieën van alle aanpassingen moeten worden bezorgd aan de bevoegde instantie.

21A.145 Erkenningseisen

De productieorganisatie moet aantonen, op basis van de overeenkomstig 21A.143 voorgelegde informatie:

a) met betrekking tot de algemene erkenningseisen: dat de installaties, arbeidsomstandigheden, uitrustingen en werktuigen, procédés en bijbehorende materialen, personeelssterkte en -bekwaamheid, en algemene organisatie toereikend zijn voor het nakomen van zijn verplichtingen overeenkomstig 21A.165;

b) met betrekking tot alle noodzakelijke gegevens betreffende luchtwaardigheid, lawaai, brandstoflozing en uitlaatemissies:

1. dat de productieorganisatie dergelijke gegevens heeft ontvangen van het Agentschap en van de houder of aanvrager van het typecertificaat, beperkte typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring om vast te stellen of het voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens.

2. dat de productieorganisatie een procedure heeft ingesteld om te garanderen dat luchtwaardigheid, geluid, brandstoflozing en uitlaatemissies correct worden verwerkt in zijn productiegegevens.

3. dat gegevens permanent worden bijgewerkt en ter beschikking worden gesteld van alle personeelsleden die toegang tot deze gegevens moeten kunnen hebben om hun taken te kunnen vervullen.

c) met betrekking tot de directie en het personeel:

1. dat een manager door de productieorganisatie is benoemd en rekenschap verschuldigd is aan de bevoegde instantie. Dat zijn verantwoordelijkheid binnen de organisatie erin bestaat ervoor te zorgen dat de gehele productie verloopt volgens de vereiste normen en dat de productieorganisatie permanent voldoet aan de gegevens en procedures die worden geïdentificeerd in het in 21A.143 vermelde handboek.

2. dat een persoon of een groep personen die ervoor moet zorgen dat de organisatie voldoet aan de eisen van dit deel, is benoemd en geïdentificeerd, en dat zijn of hun bevoegdheden nauwkeurig zijn omschreven. Een dergelijke persoon of dergelijke personen is/zijn rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de in subparagraaf (1) bedoelde manager. De benoemde personen moeten hun kennis, achtergrond en ervaring met bewijzen kunnen staven om hun taken te kunnen vervullen.

3. dat het personeel op alle niveaus de nodige bevoegdheid heeft gekregen om de hun toegewezen taken te kunnen vervullen en dat er binnen de productieorganisatie een volledige en effectieve coördinatie bestaat met betrekking tot luchtwaardigheids, geluids-, brandstoflozings- en uilaatemissie-aangelegenheden.

d) met betrekking tot certificeringspersoneel dat door de productieorganisatie is gemachtigd om de overeenkomstig 21A.163 afgegeven documenten te ondertekenen, binnen het toepassingsgebied of de erkenningsvoorwaarden:

1. dat de kennis, achtergrond (met inbegrip van andere functies in de organisatie) en de ervaring van het certificeringspersoneel dusdanig zijn dat zij de hun toegewezen taken kunnen vervullen;

2. dat de productieorganisatie een register bijhoudt van al het certificeringspersoneel waarin hun bevoegdheden nauwkeurig zijn vastgelegd,

3. dat aan het certificeringspersoneel een bewijs van hun bevoegdheden is verstrekt.

21A.147 Wijzigingen in de erkende productieorganisatie

a) Nadat een erkenning als productieorganisatie is afgegeven, moet elke wijziging in de erkende productieorganisatie die gevolgen heeft voor de conformiteit of voor de luchtwaardigheid, de geluidskenmerken, de brandstoflozing en de uitlaatemissies van het product, het onderdeel of het uitrustingsstuk, met name wijzigingen aan het kwaliteitssysteem, worden goedgekeurd door de bevoegde instantie. Een voorstel voor dergelijke wijziging moet schriftelijk bij de bevoegde instantie worden ingediend en de productieorganisatie moet de bevoegde instantie aantonen voordat de wijziging wordt toegepast, dat het zal blijven voldoen aan de dit subdeel.

b) De bevoegde instantie legt de voorwaarden vast waaronder een overeenkomstig dit subdeel erkend productieorganisatie kan blijven werken gedurende dergelijke wijzigingen, tenzij de bevoegde instantie bepaalt dat de erkenning dient te worden opgeschort.

21A.148 Wijzigingen van vestigingsplaats

Een wijziging van de vestigingsplaats van de fabricage-installaties van de erkende productieorganisatie dient te worden beschouwd als een grote wijziging en moet bijgevolg voldoen aan 21A.147.

21A.149 Overdraagbaarheid

Behalve in het geval van een verandering van eigendom, die dient te worden beschouwd als een grote wijziging en moet voldoen aan 21A.147, kan een erkenning als productieorganisatie niet worden overgedragen.

21A.151 Erkenningsvoorwaarden

De erkenningsvoorwaarden bepalen de werkzaamheden, en de producten en/of de categorieën van onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor de houder het recht heeft om de in 21A.163 vastgelegde bevoegdheden uit te oefenen.

Deze voorwaarden worden afgegeven als onderdeel van een erkenning als productieorganisatie.

21A.153 Wijzigingen aan de erkenningsvoorwaarden

Elke wijziging aan de erkenningsvoorwaarden moet worden goedgekeurd door de bevoegde instantie. Een aanvraag om een wijziging van de erkenningsvoorwaarden moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde instantie. De aanvrager moet voldoen aan de toepasselijke eisen van dit subdeel.

21A.157 Onderzoeken

Een productieorganisatie moet voorzieningen treffen die de bevoegde instantie in staat stellen om de nodige onderzoeken, met inbegrip van een onderzoek van de partners en toeleveranciers, uit te voeren, ten einde vast te stellen of voldaan wordt en permanent voldaan zal worden aan de toepasselijke eisen van dit subdeel.

21A.158 Bevindingen

a) Als op basis van objectieve bewijzen wordt vastgesteld dat de houder van een erkenning als productieorganisatie niet voldoet aan de toepasselijke eisen van dit subdeel, wordt deze bevinding als volgt geclassificeerd:

1. een niveau 1-bevinding betekent dat de niet-conformiteit met de bepalingen van dit deel kan leiden tot een ongecontroleerde niet-conformiteit met de toepasselijke ontwerpgegevens, en de veiligheid van het luchtvaartuig kan aantasten;

2. een niveau 2-bevinding is elke niet-conformiteit met de bepalingen van dit deel die niet als niveau één geclassificeerd wordt;

b) Een niveau 3-bevinding betreft elk element waarvan met objectieve bewijzen is aangetoond dat het mogelijke problemen bevat die zouden kunnen leiden tot een niet-conformiteit overeenkomstig paragraaf (a).

c) Na ontvangst van de kennisgeving betreffende de bevindingen overeenkomstig 21B.225,

1. moet de houder van een akkoordverklaring in het geval van een niveau 1-bevinding aantonen dat hij tot voldoening van de bevoegde instantie corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen een periode van maximum 21 werkdagen na de schriftelijke bevestiging van de bevinding;

2. in het geval van een niveau 2-bevinding moet de periode voor corrigerende maatregelen die door de bevoegde instantie wordt toegekend toepasselijk zijn voor de aard van de bevinding, maar in geen geval langer dan zes maanden. Onder bepaalde omstandigheden en afhankelijk van de aard van de bevinding kan de bevoegde instantie de periode van zes maanden verlengen afhankelijk van een met de bevoegde instantie overeengekomen geschikt actieplan voor corrigerende maatregelen;

3. een niveau 3-bevinding vereist geen onmiddellijke maatregelen van de houder van de erkenning als productieorganisatie.

d) In het geval van een niveau 1- of niveau 2-bevinding kan de erkenning als productieorganisatie gedeeltelijk of volledig worden beperkt, opgeschort of ingetrokken overeenkomstig 21B.245. De houder van de erkenning als productieorganisatie moet binnen een redelijke termijn bevestigen dat hij de kennisgeving van beperking, opschorting of intrekking van de erkenning als productieorganisatie heeft ontvangen.

21A.159 Duur en permanente geldigheid

a) Een erkenning als productieorganisatie wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Ze blijft geldig tenzij:

1. de productieorganisatie niet kan aantonen dat het voldoet aan de toepasselijke eisen van dit subdeel; of

2. de bevoegde instantie door de houder of een van zijn partners of toeleveranciers wordt verhinderd om onderzoeken uit te voeren in overeenstemming met 21A.157; of

3. er aanwijzingen zijn dat de productieorganisatie niet in staat is om de fabricage van producten, onderdelen of uitrustingsstukken voldoende onder controle te houden overeenkomstig de erkenning; of

4. de productieorganisatie niet langer voldoet aan de eisen van 21A.133; of

5. afstand is gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken overeenkomstig 21B.245.

b) In geval van afstand of intrekking moet het certificaat worden ingeleverd bij de bevoegde instantie.

21A.163 Bevoegdheden

Overeenkomstig de in 21A.135 vermelde erkenningsvoorwaarden kan de houder van een erkenning als productieorganisatie:

a) productieactiviteiten uitvoeren overeenkomstig dit deel;

b) in het geval van een compleet luchtvaartuig en na voorlegging van een conformiteitsverklaring (EASA-formulier 52) overeenkomstig 21A.174, een bewijs van luchtwaardigheid en een geluidscertificaat voor een luchtvaartuig verkrijgen zonder verder iets te moeten aantonen;

c) in het geval van andere producten, onderdelen of uitrustingsstukken, certificaten van geschiktheid voor gebruik (EASA-formulier 1) afgeven overeenkomstig 21A.307 zonder verder iets te moeten aantonen;

d) een nieuw, door hem geproduceerd luchtvaartuig onderhouden en een certificaat van geschiktheid voor gebruik (EASA-formulier 53) met betrekking tot dat onderhoud afgeven.

21A.165 Verplichtingen van de houder

De houder van een erkenning als productieorganisatie moet:

a) ervoor zorgen dat het in overeenstemming met 21A.143 ter beschikking gestelde handboek en de documenten waarnaar het verwijst, in de organisatie gebruikt worden als basiswerkdocumenten;

b) ervoor zorgen dat de productieorganisatie blijft beantwoorden aan de voor de erkenning als productieorganisatie goedgekeurde gegevens en procedures;

c) 1. vaststellen dat elk afgewerkt luchtvaartuig beantwoordt aan het typeontwerp en veilig kan worden gebruikt, alvorens conformiteitsverklaringen voor te leggen aan de bevoegde instantie; of

2. vaststellen dat andere producten, onderdelen of uitrustingen compleet zijn, beantwoorden aan de goedgekeurde ontwerpgegevens en veilig kunnen worden gebruikt, alvorens EASA-formulier 1 af te geven ten bewijze van luchtwaardigheid, en bovendien, in het geval van motoren, vaststellen, overeenkomstig de door de houder van het typecertificaat voor motoren bezorgde gegevens, dat elke afgewerkte motor voldoet aan de op de fabricagedatum geldende toepasselijke emissie-eisen, zoals gedefinieerd in 21A.18(b), als bewijs van conformiteit inzake emissies; of

3. vaststellen dat andere producten, onderdelen of uitrustingsstukken beantwoorden aan de toepasselijke gegevens, alvorens EASA-formulier 1 af te geven als bewijs van conformiteit;

d) alle details van uitgevoerde werkzaamheden registreren;

e) een intern incidentmeldingssysteem instellen en in stand houden om het verzamelen en beoordelen van incidentmeldingen in het belang van de veiligheid mogelijk te maken ten einde negatieve tendensen te identificeren of gebreken te verhelpen, en om meldbare incidenten te selecteren. Dit systeem omhelst de evaluatie van relevante informatie betreffende incidenten en de bekendmaking van informatie die ermee verband houdt;

f) 1. aan de houder van het typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring alle gevallen melden van producten, onderdelen of uitrustingsstukken die door de productieorganisatie zijn vrijgegeven en nadien mogelijke afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens blijken te vertonen, en samen met de houder van het typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring onderzoeken welke afwijkingen kunnen leiden tot een onveilige toestand;

2. aan het Agentschap en de bevoegde instantie van de lidstaat de overeenkomstig subparagraaf (1) geïdentificeerde afwijkingen melden die kunnen leiden tot een onveilige toestand. Dergelijke meldingen moeten worden gedaan in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap overeenkomstig 21A.3(b)(2) of aanvaardbaar voor de bevoegde instantie van de lidstaat;

3. ingeval de houder van de erkenning als productieorganisatie optreedt als leverancier voor een andere productieorganisatie, ook aan die organisatie alle gevallen melden waarin hij producten, onderdelen of uitrustingsstukken aan die organisatie heeft vrijgegeven en nadien heeft vastgesteld dat ze mogelijke afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens vertonen;

g) bijstand verlenen aan de houder van het typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring bij alle maatregelen inzake permanente luchtwaardigheid die betrekking hebben op de geproduceerde producten, onderdelen of uitrustingsstukken;

h) een archiefsysteem instellen waarin alle aan de partners, leveranciers en toeleveranciers opgelegde eisen zijn opgenomen, en dat de gegevens bevat die gebruikt worden om de conformiteit van de producten, onderdelen of uitrustingsstukken aan te tonen. Deze gegevens moeten ter beschikking worden gehouden van de bevoegde instantie en dienen te worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om te kunnen waarborgen dat de producten, onderdelen of uitrustingsstukken permanent luchtwaardig zijn;

i) indien de houder, overeenkomstig zijn erkenningsvoorwaarden, een certificaat van geschiktheid voor gebruik afgeeft, vaststellen dat elk afgewerkt luchtvaartuig onderworpen is aan het noodzakelijke onderhoud en veilig kan worden gebruikt, alvorens het certificaat af te geven.

SUBDEEL H - BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID

21A.171 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van bewijzen van luchtwaardigheid.

21A.172 Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of juridische persoon onder wiens naam een luchtvaartuig is geregistreerd of zal worden geregistreerd in een lidstaat ("lidstaat van registratie"), of zijn vertegenwoordiger, kan in aanmerking komen om een bewijs van luchtwaardigheid voor dat luchtvaartuig aan te vragen overeenkomstig dit subdeel.

21A.173 Classificatie

Bewijzen van luchtwaardigheid worden als volgt geclassificeerd:

a) bewijzen van luchtwaardigheid worden afgegeven voor luchtvaartuigen waarvoor een typecertificaat is afgegeven in overeenstemming met dit deel;

b) beperkte bewijzen van luchtwaardigheid worden afgegeven voor luchtvaartuigen:

1. waarvoor een beperkt typecertificaat is afgegeven in overeenstemming met dit deel, of

2. waarvan is aangetoond aan het Agentschap dat ze voldoen aan de specifieke certificeringsspecificaties die een toereikende veiligheid garanderen;

c) vliegvergunningen worden afgegeven voor luchtvaartuigen die niet beantwoorden, of waarvan niet is aangetoond dat ze beantwoorden, aan de toepasselijke certificeringsspecificaties, maar in staat zijn om veilig te vliegen onder welbepaalde omstandigheden.

21A.174 Aanvraag

a) Overeenkomstig 21A.172 moet een aanvraag om een bewijs van luchtwaardigheid worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

b) Elke aanvraag om een bewijs van luchtwaardigheid of een beperkt bewijs van luchtwaardigheid moet bevatten:

1. een vermelding van het type bewijs van luchtwaardigheid dat wordt aangevraagd;

2. voor nieuwe luchtvaartuigen:

i) een conformiteitsverklaring:

- afgegeven overeenkomstig 21A.163(b), of

- afgegeven overeenkomstig 21A.130 en gevalideerd door de bevoegde instantie,

- of, voor geïmporteerde luchtvaartuigen, een door de exporterende overheid ondertekende verklaring dat het luchtvaartuig beantwoordt aan een door het Agentschap goedgekeurd ontwerp;

ii) een gewichts- en zwaartepuntsrapport met een beladingschema;

iii) het vlieghandboek, indien vereist door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor het betreffende luchtvaartuig;

3. voor gebruikte luchtvaartuigen:

i) komende van een lidstaat, een overeenkomstig deel M afgegeven certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid;

ii) komende van een niet-lidstaat:

- een verklaring door de bevoegde instantie van het land waar het luchtvaartuig geregistreerd is, of was, waarin de luchtwaardigheidstoestand van het betreffende luchtvaartuig op het moment van de overdracht wordt beschreven;

- een gewichts- en zwaartepuntsrapport met een beladingsschema;

- het vlieghandboek als dit wordt vereist door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor het betreffende luchtvaartuig;

- historische gegevens om de productie-, wijzigings- en onderhoudsnorm van het luchtvaartuig vast te stellen, met inbegrip van alle beperkingen die verbonden zijn aan een beperkt bewijs van luchtwaardigheid overeenkomstig 21A.184(c);

- een aanbeveling voor de afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid of een beperkt bewijs van luchtwaardigheid en een certificaat van herbeoordleing van de luchtwaardigheid, na een herbeoordeling van de luchtwaardigheid in overeenstemming met deel M.

c) Tenzij anders overeengekomen, moeten de verklaringen vermeld in de subparagrafen (b)(2)(i) en (b)(3)(ii) worden afgegeven ten laatste 60 dagen voordat het luchtvaartuig wordt aangeboden aan de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

d) Elke aanvraag om een vliegvergunning moet bevatten:

1. het doel van de vlucht(en);

2. de vliegroutes die en/of het luchtruim dat voor de vlucht wordt gebruikt;

3. de minimale bemanning en de kwalificaties die vereist zijn om met het luchtvaartuig te vliegen;

4. beperkingen betreffende het vervoer van andere personen dan de bemanning;

5. de wijzen waarop het luchtvaartuig niet voldoet aan de toepasselijke certificeringsspecificaties;

6. elke beperking die nodig wordt geacht voor een veilig gebruik van het luchtvaartuig;

7. elke andere informatie die nodig wordt geacht met het oog op het voorschrijven van gebruiksbeperkingen.

21A.175 Taal

De handleidingen, opschriften, lijsten en instrumentaanduidingen, en alle andere noodzakelijke informatie die vereist wordt door de toepasselijke certificeringsspecificaties moeten worden opgesteld in één of meerdere van de voor de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie aanvaardbare officiële talen van de Europese Gemeenschap.

21A.177 Amendement of wijziging

Een bewijs van luchtwaardigheid kan alleen door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie worden geamendeerd of gewijzigd.

21A.179 Overdraagbaarheid en nieuwe afgifte binnen lidstaten

a) Als een luchtvaartuig van eigenaar is veranderd:

1. en als het blijft ingeschreven in hetzelfde register, wordt het bewijs van luchtwaardigheid, of het beperkt bewijs van luchtwaardigheid beantwoordend aan een beperkt typecertificaat, samen met het luchtvaartuig overgedragen;

2. en als het luchtvaartuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat, wordt het bewijs van luchtwaardigheid, of het beperkt bewijs van luchtwaardigheid beantwoordend aan een beperkt typecertificaat, opnieuw afgegeven:

i) na voorlegging van het oude bewijs van luchtwaardigheid en van een overeenkomstig deel M afgegeven geldig bewijs van herbeoordeling van de luchtwaardigheid, en

ii) als voldaan wordt aan 21A.175.

b) Als het luchtvaartuig van eigenaar is veranderd en het luchtvaartuig heeft:

1. een beperkt bewijs van luchtwaardigheid dat niet beantwoordt aan een beperkt typecertificaat, of

2. een vliegvergunning,

mogen dergelijke bewijzen van luchtwaardigheid alleen met de formele instemming van de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie samen met het luchtvaartuig worden overgedragen of opnieuw worden afgegeven.

21A.180 Inspecties

De houder van het bewijs van luchtwaardigheid moet op verzoek van de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie toegang verlenen tot het luchtvaartuig waarvoor het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven.

21A.181 Duur en permanente geldigheid

a) Een bewijs van luchtwaardigheid wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Het blijft geldig op voorwaarde dat:

1. de van toepassing zijnde vereisten voor type-ontwerp en permanente luchtwaardigheid worden nageleefd; en

2. het luchtvaartuig in hetzelfde register ingeschreven blijft; en

3. het typecertificaat of beperkte typecertificaat krachtens hetwelk het bewijs is afgegeven niet ongeldig wordt verklaard overeenkomstig 21A.51, en

4. geen afstand wordt gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken overeenkomstig 21B.330.

b) In geval van afstand of intrekking moet het certificaat worden ingeleverd bij de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

21A.182 Identificatie van het luchtvaartuig

Elke aanvrager van een bewijs van luchtwaardigheid overeenkomstig dit subdeel moet aantonen dat zijn luchtvaartuig geïdentificeerd is overeenkomstig subdeel Q.

21A.183 Afgifte van bewijzen van luchtwaardigheid

De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie geeft een bewijs van luchtwaardigheid af:

1. voor nieuwe luchtvaartuigen:

i) na overlegging van de in 21A.174(b)(2) voorgeschreven documenten;

ii) als het luchtvaartuig beantwoordt aan een goedgekeurd ontwerp en veilig gebruikt kan worden. Dit kan ook inspecties inhouden door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie;

2. voor gebruikte luchtvaartuigen:

i) na voorlegging van de in 21A.174(b)(3) voorgeschreven documenten die aantonen dat:

- het luchtvaartuig beantwoordt aan een krachtens een typecertificaat goedgekeurd typeontwerp, en aan elk aanvullend typecertificaat, elke wijziging of reparatie die is goedgekeurd overeenkomstig dit deel, en aan de toepasselijke luchtwaardigheidsrichtlijnen, en

- het luchtvaartuig is geïnspecteerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van deel M;

ii) als het luchtvaartuig beantwoordt aan een goedgekeurd ontwerp en veilig gebruikt kan worden. Dit kan ook inspecties inhouden door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

21A.184 Afgifte van beperkte bewijzen van luchtwaardigheid

a) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie geeft een beperkt bewijs van luchtwaardigheid af:

1. voor nieuwe luchtvaartuigen: na voorlegging van de in 21A voorgeschreven documenten. 174(b)(2) die aantonen dat het luchtvaartuig beantwoordt aan een door het Agentschap goedgekeurd ontwerp, krachtens een beperkt typecertificaat of in overeenstemming met specifieke certificeringsspecificaties, en veilig kan worden gebruikt;

2. voor gebruikte luchtvaartuigen:

i) na voorlegging van de in 21A.174(b)(3) voorgeschreven documenten die aantonen dat:

- het luchtvaartuig beantwoordt aan een door het Agentschap goedgekeurd ontwerp, krachtens een beperkt typecertificaat of in overeenstemming met specifieke certificeringsspecificaties, en

- er wordt voldaan aan de toepasselijke luchtwaardigheidsrichtlijnen, en

- het luchtvaartuig is geïnspecteerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van deel M, en

ii) als de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie ervan overtuigd is dat het luchtvaartuig beantwoordt aan het goedgekeurde ontwerp en veilig kan worden gebruikt. Hiervoor kunnen inspecties door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie nodig zijn.

b) Voor een luchtvaartuig dat niet kan voldoen aan de in de basisverordening vastgelegde essentiële eisen en dat niet aanvaardbaar is voor een beperkt typecertificaat, zal het Agentschap, naargelang nodig is om rekening te houden met afwijkingen van deze essentiële eisen:

1. specifieke certificeringsspecificaties uitvaardigen en de naleving ervan controleren, zodat een toereikende veiligheid met betrekking tot het voorziene gebruik gegarandeerd is, en

2. gebruiksbeperkingen vastleggen voor dit luchtvaartuig.

c) Aan beperkte bewijzen van luchtwaardigheid worden gebruiksbeperkingen gekoppeld, met inbegrip van luchtruimbeperkingen, naargelang nodig is om rekening te houden met afwijkingen van de in de basisverordening vastgelegde essentiële eisen inzake luchtwaardigheid.

21A.185 Afgifte van vliegvergunningen

De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie geeft een vliegvergunning af nadat het Agentschap heeft vastgesteld dat het luchtvaartuig met de nodige beperkingen ter compensatie van afwijkingen van de essentiële eisen in staat is om veilig een basisvlucht uit te voeren. Te dien einde kan het Agentschap de voor het waarborgen van de veiligheid noodzakelijke inspecties of proeven uitvoeren of door de aanvrager laten uitvoeren.

SUBDEEL I - GELUIDSCERTIFICATEN

21A.201 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van individuele geluidscertificaten.

21A.203 Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon onder wiens naam een luchtvaartuig is geregistreerd of zal worden geregistreerd in een lidstaat (lidstaat van registratie), of zijn vertegenwoordiger, kan in aanmerking komen om een geluidscertificaat voor dat luchtvaartuig aan te vragen overeenkomstig dit subdeel.

21A.204 Aanvraag

a) Overeenkomstig 21A.203 moet een aanvraag om een geluidscertificaat worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

b) Elke aanvraag moet bevatten:

1. voor nieuwe luchtvaartuigen:

i) een conformiteitsverklaring:

- afgegeven overeenkomstig 21A.163(b), of

- afgegeven overeenkomstig 21A.130 en gevalideerd door de bevoegde instantie,

- of, voor een geïmporteerd luchtvaartuig, een door de bevoegde instantie ondertekende verklaring dat het luchtvaartuig beantwoordt aan een door het Agentschap goedgekeurd ontwerp; en

ii) de in overeenstemming met de toepasselijke geluidseisen vastgestelde informatie. Deze informatie moet worden opgenomen in het vlieghandboek, indien een vlieghandboek vereist wordt door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor het betreffende luchtvaartuig;

2. voor gebruikte luchtvaartuigen:

i) de in overeenstemming met de toepasselijke geluidseisen vastgestelde geluidsinformatie. Deze informatie moet worden opgenomen in het vlieghandboek, indien een vlieghandboek vereist wordt door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor het betreffende luchtvaartuig;

ii) historische gegevens om de productie-, wijzigings- en onderhoudsnorm van het luchtvaartuig vast te leggen.

c) Tenzij anders overeengekomen, moeten de in subparagraaf(b)(1) vermelde verklaringen worden afgegeven ten laatste 60 dagen voordat het luchtvaartuig wordt aangeboden aan de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

21A.205 Afgifte van geluidscertificaten

De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie geeft een geluidscertificaat af na voorlegging van de in 21A.204(b) voorgeschreven documenten.

21A.207 Amendement of wijziging

Een geluidscertificaat kan alleen door de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie worden geamendeerd of gewijzigd.

21A.209 Overdraagbaarheid en nieuwe afgifte binnen lidstaten

Als een luchtvaartuig van eigenaar is veranderd:

a) en het luchtvaartuig blijft ingeschreven in hetzelfde register, moet het geluidscertificaat samen met het luchtvaartuig worden overgedragen.

b) en het luchtvaartuig wordt ingeschreven in het register van een andere lidstaat, moet een nieuw geluidscertificaat worden afgegeven na voorlegging van het oude geluidscertificaat.

21A.210 Inspecties

De houder van het geluidscertificaat moet op verzoek van de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie of van het Agentschap toegang verlenen tot het luchtvaartuig waarvoor het geluidscertificaat is afgegeven, voor de uitvoering van inspecties.

21A.211 Duur en permanente geldigheid

a) Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Het blijft geldig op voorwaarde dat:

1. de van toepassing zijnde vereisten voor type-ontwerp, milieubescherming en permanente luchtwaardigheid worden nageleefd; en

2. het luchtvaartuig in hetzelfde register ingeschreven blijft, en

3. het typecertificaat of beperkt typecertificaat krachtens hetwelk het is afgegeven niet ongeldig is verklaard overeenkomstig 21A.51, en

4. geen afstand wordt gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken overeenkomstig 21B.430.

b) In geval van afstand of intrekking moet het certificaat worden ingeleverd bij de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie.

SUBDEEL J - ERKENNING ALS ONTWERPORGANISATIE

21A.231 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de erkenning van ontwerporganisaties, en worden ook de regels betreffende de rechten en verplichtingen van de aanvragers en houders van dergelijke erkenningen vastgelegd.

21A.233 Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon ("organisatie") komt in aanmerking als aanvrager van een erkenning overeenkomstig dit subdeel:

a) in overeenstemming met 21A.14, 21A.112B, 21A.432B of 21A.602B; of

b) voor de goedkeuring van kleine wijzigingen of een ontwerp voor kleine reparaties, indien aangevraagd met het oog op het verkrijgen van bevoegdheden overeenkomstig 21A.263.

21A.234 Aanvraag

Elke aanvraag om een erkenning als ontwerporganisatie moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap en moet een overzicht bevatten van de in 21A.243 voorgeschreven informatie en van de overeenkomstig 21A.251 vast te leggen erkenningsvoorwaarden.

21A.235 Afgifte van een erkenning als ontwerporganisatie

Een organisatie heeft recht op een door het Agentschap afgegeven erkenning als ontwerporganisatie, indien het heeft aangetoond dat het voldoet aan de toepasselijke eisen overeenkomstig dit subdeel.

21A.239 Ontwerpborgingssysteem

a) De ontwerporganisatie moet aantonen dat het een ontwerpborgingssysteem heeft ingesteld en in stand kan houden voor het controleren van en het toezien op het ontwerp, en ontwerpwijzigingen, van de producten, onderdelen en uitrustingsstukken waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit ontwerpborgingssysteem moet dusdanig zijn, dat de organisatie in staat wordt gesteld om:

1. te garanderen dat het ontwerp, en de ontwerpwijzigingen, van de producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan de toepasselijke basis voor typecertificering en milieueisen; en

2. te garanderen dat het zijn verantwoordelijkheden naar behoren vervult in overeenstemming met:

i) de toepasselijke bepalingen van dit deel, en

ii) de overeenkomstig 21A.251 vastgelegde erkenningsvoorwaarden;

3. onafhankelijk te controleren of de gedocumenteerde procedures van het systeem worden nageleefd en toereikend zijn. Deze controle omvat een systeem van feedback naar een persoon of groep personen die bevoegd is/zijn om corrigerende maatregelen te treffen.

b) Het ontwerpborgingssysteem moet een onafhankelijke conformiteitscontrole bevatten op basis waarvan de organisatie conformiteitsverklaringen en bijbehorende documentatie voorlegt aan het Agentschap.

c) De ontwerporganisatie moet specificeren op welke manier het ontwerpborgingssysteem zeker stelt dat de ontworpen onderdelen of uitrustingsstukken aanvaardbaar zijn of dat de partners of toeleveranciers hun taken uitvoeren overeenkomstig methoden die zijn vastgelegd in schriftelijke procedures.

21A.243 Gegevens

a) De ontwerporganisatie moet aan het Agentschap een handboek bezorgen waarin, rechtstreeks of door middel van verwijzingen, de organisatie, de relevante procedures en de te ontwerpen producten of productwijzigingen worden beschreven.

b) Ingeval onderdelen of uitrustingsstukken of wijzigingen aan de producten worden ontworpen door partnerbedrijven of toeleveranciers, moet het handboek een verklaring bevatten over de wijze waarop de ontwerporganisatie in staat is om, voor alle onderdelen en uitrustingsstukken, de in 21A.239 (b) voorgeschreven conformiteit te waarborgen en moet het tevens, rechtstreeks of door middel van verwijzingen, beschrijvingen en informatie over de ontwerpactiviteiten en de organisatie van deze partners of toeleveranciers bevatten, naargelang nodig is om deze verklaring op te stellen.

c) Het handboek moet naargelang nodig worden aangepast om de beschrijving van de organisatie actueel te houden, en kopieën van de aanpassingen moeten aan het Agentschap worden bezorgd.

d) De ontwerporganisatie moet een verklaring opstellen over de kwalificaties en ervaring van het directiepersoneel en van andere personen die in de organisatie verantwoordelijk zijn voor het nemen van beslissingen inzake luchtwaardigheid en milieubescherming.

21A.245 Erkenningseisen

De ontwerporganisatie moet, op basis van de in overeenstemming met 21A.243 voorgelegde informatie, aantonen dat niet alleen wordt voldaan aan 21A.239, maar dat bovendien:

a) Het personeel in alle technische afdelingen voldoende talrijk en ervaren is en voldoende bevoegdheden heeft gekregen om de hun toegewezen taken te kunnen vervullen, en dat deze, samen met de accommodatie, installaties en uitrustingen, toereikend zijn om het personeel in staat te stellen de voor het product vastgelegde normen inzake luchtwaardigheid, geluid, brandstoflozing en uitlaatemissies te bereiken.

b) Er tussen en binnen de afdelingen een volledige en efficiënte coördinatie is met betrekking tot luchtwaardigheids- en milieubeschermingsaangelegenheden.

21A.247 Wijzigingen aan het ontwerpborgingssysteem

Nadat een erkenning als ontwerporganisatie is afgegeven, moet elke wijziging aan het ontwerpborgingssysteem die invloed heeft op de conformiteit of de luchtwaardigheid en milieubeschermingskenmerken van het product, worden goedgekeurd door het Agentschap. Een schriftelijke aanvraag om goedkeuring moet worden ingediend bij het Agentschap en de ontwerporganisatie moet aan het Agentschap aantonen, op basis van ingediende voorstellen voor wijzigingen aan het handboek en alvorens de wijzigingen toe te passen, dat het na de toepassing zal blijven voldoen aan dit subdeel.

21A.249 Overdraagbaarheid

Behalve in het geval van een verandering van eigendom, die dient te worden beschouwd als een grote wijziging en moet voldoen aan 21A.147, kan een erkenning als productieorganisatie niet worden overgedragen.

21A.251 Erkenningsvoorwaarden

De erkenningsvoorwaarden bepalen de ontwerpwerkzaamheden en de categorieën van producten, onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor de ontwerporganisatie een erkenning als ontwerporganisatie heeft gekregen, evenals de functies en verplichtingen die de organisatie mag vervullen met betrekking tot de luchtwaardigheid en de geluidskenmerken, de brandstoflozing en de uitlaatemissies van de producten. Voor erkenningen als ontwerporganisatie die een typecertificering of ETSO-autorisatie voor hulpaggregaten (APU) inhouden, moeten de erkenningsvoorwaarden ook nog een lijst van producten of hulpaggregaten bevatten. Deze voorwaarden worden afgegeven als onderdeel van een erkenning als ontwerporganisatie.

21A.253 Wijzigingen aan de erkenningsvoorwaarden

Elke wijziging aan de erkenningsvoorwaarden moet worden goedgekeurd door het Agentschap. Een aanvraag om een wijziging van de erkenningsvoorwaarden moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap. De aanvrager moet voldoen aan de toepasselijke eisen van dit subdeel.

21A.257 Onderzoeken

a) De ontwerporganisatie moet voorzieningen treffen die het Agentschap in staat stellen om de nodige onderzoeken, met inbegrip van een onderzoek van partners en toeleveranciers, uit te voeren, ten einde vast te stellen of voldaan wordt en permanent voldaan zal worden aan de toepasselijke eisen van dit subdeel.

b) De ontwerporganisatie moet het Agentschap toelaten om alle rapporten te analyseren en alle inspecties en proeven op de grond en in vlucht bij te wonen en uit te voeren die nodig zijn om de geldigheid te controleren van de door de aanvrager overeenkomstig 21A.239(b) voorgelegde conformiteitsverklaringen.

21A.258 Bevindingen

a) Als op basis van objectieve bewijzen wordt vastgesteld dat de houder van een erkenning als ontwerporganisatie niet voldoet aan de toepasselijke eisen van dit deel, wordt deze vaststelling als volgt geclassificeerd:

1. een niveau 1-bevinding betekent dat de niet-conformiteit met de bepalingen van dit deel kan leiden tot een ongecontroleerde niet-conformiteit met de toepasselijke eisen, en de veiligheid van het luchtvaartuig kan aantasten;

2. een niveau 2-bevinding is elke niet-conformiteit met de bepalingen van dit deel die niet als niveau één geclassificeerd wordt;

b) Een niveau 3-bevinding betreft elk element waarvan met objectieve bewijzen is aangetoond dat het mogelijke problemen bevat die zouden kunnen leiden tot een niet-conformiteit overeenkomstig (a).

c) Na ontvangst van de kennisgeving betreffende de bevindingen volgens de door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures,

1. moet de houder van een erkenning als ontwerporganisatie in het geval van een niveau 1-bevinding aantonen dat hij tot voldoening van de bevoegde instantie corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen een periode van maximum 21 werkdagen na de schriftelijke bevestiging van de bevinding;

2. in het geval van een niveau 2-bevinding moet de periode voor corrigerende maatregelen die door het Agentschap wordt toegekend toepasselijk zijn voor de aard van de bevinding, maar in geen geval langer dan zes maanden. Onder bepaalde omstandigheden en afhankelijk van de aard van de bevinding kan het Agentschap de periode van zes maanden verlengen afhankelijk van een met de bevoegde instantie overeengekomen geschikt actieplan voor corrigerende maatregelen;

3. een niveau 3-bevinding vereist geen onmiddellijke maatregelen van de houder van de erkenning als ontwerporganisatie.

d) In het geval van een niveau 1- of niveau 2-bevinding kan de erkenning als ontwerporganisatie gedeeltelijk of volledig worden opgeschort of ingetrokken volgens de administratieve procedures van het Agentschap. De houder van de erkenning als ontwerporganisatie moet binnen een redelijke termijn bevestigen dat hij de kennisgeving van opschorting of intrekking van de akkoordverklaring heeft ontvangen.

21A.259 Duur en permanente geldigheid

a) Een erkenning als ontwerporganisatie wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Ze blijft geldig tenzij:

1. de ontwerporganisatie niet kan aantonen dat het voldoet aan de toepasselijke eisen van dit subdeel; of

2. het Agentschap door de houder of een van zijn partners of toeleveranciers wordt verhinderd om onderzoeken uit te voeren in overeenstemming met 21A.257; of

3. er aanwijzingen zijn dat de ontwerporganisatie niet in staat is om voldoende controle en toezicht uit te oefenen op het ontwerp van producten, of wijzigingen eraan; of

4. afstand is gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken volgens de door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures.

b) In geval van afstand of intrekking moet het certificaat worden ingeleverd bij het Agentschap.

21A.263 Bevoegdheden

a) De houder van een erkenning als ontwerporganisatie heeft het recht om ontwerpwerkzaamheden uit te voeren overeenkomstig de bepalingen van dit deel en binnen het toepassingsgebied van de erkenning.

b) Overeenkomstig 21A.257(b) worden de conformiteitsdocumenten die door de aanvrager worden voorgelegd teneinde:

1. een typecertificaat of goedkeuring van een grote wijziging aan een typeontwerp te krijgen; of

2. een aanvullend typecertificaat te krijgen; of

3. een ETSO-autorisatie overeenkomstig 21A.602(b)(1) te krijgen; of

4. een goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie

aanvaard door het Agentschap zonder verdere controle.

c) De houder van een erkenning als ontwerporganisatie heeft het recht om, overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden en de relevante procedures van het ontwerpborgingssysteem:

1. wijzigingen aan een typeontwerp en reparaties te classificeren als "groot" of "klein".

2. kleine wijzigingen aan een typeontwerp en kleine reparaties goed te keuren.

3. informatie of instructies te publiceren met de volgende verklaring: "De technische inhoud van dit document is goedgekeurd krachtens erkenning als ontwerporganisatie nr. [EASA]. J. [xyz]."

4. documentaire wijzigingen aan vlieghandboeken goed te keuren en dergelijke wijzigingen te publiceren met de volgende verklaring: "Herziening nr. xx van vlieghandboek ref. yyy, is goedgekeurd krachtens erkenning als ontwerporganisatie nr.[EASA].J.[xyz]."

5. het ontwerp goed te keuren van grote reparaties aan producten waarvoor hij het typecertificaat of aanvullend typecertificaat heeft gekregen.

21A.265 Verplichtingen van de houder

De houder van een erkenning als ontwerporganisatie moet:

a) het handboek bijhouden in overeenstemming met het ontwerpborgingssysteem;

b) ervoor zorgen dat dit handboek in de organisatie wordt gebruikt als basiswerkdocument;

c) vaststellen dat het ontwerp van producten, wijzigingen of reparaties, al naargelang van toepassing, voldoet aan de toepasselijke eisen en geen onveilige kenmerken vertoont;

d) behalve voor kleine wijzigingen of reparaties, goedgekeurd krachtens het voorrecht van 21A.263, aan het Agentschap verklaringen en bijbehorende documentatie bezorgen die bevestigen dat wordt voldaan aan paragraaf (c);

e) aan het Agentschap informatie of instructies verstrekken met betrekking tot de in 21A.3B voorgeschreven maatregelen.

SUBDEEL K - ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

21A.301 Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de goedkeuring van onderdelen en uitrustingsstukken.

21A.303 Conformiteit met toepasselijke vereisten

De conformiteit van de onderdelen en uitrustingsstukken die worden geïnstalleerd in een product waarvoor een typecertificaat is afgegeven dient te worden aangetoond:

a) In combinatie met de typecertificeringsprocedures van subdeel B, D of E voor het product waarin ze worden geïnstalleerd; of

b) Indien van toepassing, overeenkomstig de ETSO-autorisatieprocedures van subdeel O; of

c) In het geval van standaardonderdelen, in overeenstemming met officieel erkende normen.

21A.305 Goedkeuring van onderdelen en uitrustingsstukken

In alle gevallen waarin de goedkeuring van een onderdeel of uitrustingsstuk expliciet vereist wordt door communautaire wetgeving of maatregelen van het Agentschap, moet het onderdeel of uitrustingsstuk voldoen aan de toepasselijke ETSO-bepalingen of aan de specificaties die door het Agentschap als gelijkwaardig worden beschouwd voor het concrete geval.

21A.307 Geschiktheid van onderdelen en uitrustingsstukken om te worden geïnstalleerd

Geen enkel onderdeel of uitrustingsstuk (met uitzondering van standaardonderdelen) wordt geschikt bevonden om te worden geïnstalleerd in een product met typecertificaat, tenzij het:

a) vergezeld wordt van een certificaat van geschiktheid voor gebruik (EASA-formulier 1), waarin het luchtwaardig wordt verklaard, en

b) gekenmerkt is in overeenstemming met subdeel Q.

(SUBDEEL L - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL M - REPARATIES

21A.431 Toepassingsgebied

a) In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de goedkeuring van reparatieontwerpen, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers en houders van deze goedkeuringen.

b) Een "reparatie" betekent het verwijderen van schade en/of het opnieuw in een luchtwaardige toestand brengen van een product, onderdeel of uitrustingsstuk nadat het oorspronkelijk door de fabrikant voor gebruik is vrijgegeven.

c) Als schade wordt verwijderd door onderdelen of uitrustingsstukken te vervangen zonder dat enige ontwerpactiviteit nodig is, wordt dit beschouwd als een onderhoudstaak en is hiervoor bijgevolg geen goedkeuring overeenkomstig dit deel vereist.

d) Een reparatie van een ETSO-artikel moet worden behandeld als een wijziging aan het ETSO-ontwerp en moet worden behandeld in overeenstemming met 21A.611.

21A.432 Aanvaardbaarheid

a) Elke natuurlijke of rechtspersoon die zijn bekwaamheid overeenkomstig 21A.432B bewezen heeft, of aan het bewijzen is, is aanvaardbaar als aanvrager van een goedkeuring van een ontwerp voor een grotere reparatie onder de in dit subdeel beschreven voorwaarden.

b) Elke natuurlijke of rechtspersoon komt in aanmerking om een goedkeuring van een ontwerp voor een kleine reparatie aan te vragen.

21A.432B Bewijs van bekwaamheid

a) Een aanvrager van een goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie moet zijn bekwaamheid bewijzen door houder te zijn van een door het Agentschap in overeenstemming met subdeel J afgegeven erkenning als ontwerporganisatie.

b) In afwijking van paragraaf a) kan een aanvrager, als alternatieve procedure om zijn bekwaamheid te bewijzen, de goedkeuring van het Agentschap vragen voor het gebruik van procedures die beschrijven met welke specifieke ontwerppraktijken, -middelen en -werkzaamheden zal worden voldaan aan dit subdeel.

21A.433 Reparatieontwerp

a) De aanvrager van een goedkeuring van een reparatieontwerp moet:

1. aantonen dat hij voldoet aan de basis voor typecertificering en milieueisen waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat, al naargelang van toepassing, of aan de eisen die van kracht zijn op de datum van de aanvraag (om goedkeuring van een reparatieontwerp), plus alle eventuele amendementen op de certificeringsspecificaties of bijzondere voorwaarden die het Agentschap nodig acht om een veiligheidsniveau vast te leggen dat gelijk is aan het veiligheidsniveau dat wordt vastgelegd door de basis voor typecertificering waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat;

2. alle nodige bewijskrachtige gegevens voorleggen als het Agentschap daarom verzoekt;

3. verklaren dat hij voldoet aan de certificeringsspecificaties en milieueisen van subparagraaf a), 1);

b) Als de aanvrager niet de houder is van het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat, al naargelang van toepassing, kan hij voldoen aan de eisen van paragraaf a) door gebruik te maken van eigen bronnen of via een overeenkomst met de houder van het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat, al naargelang van toepassing.

21A.435 Classificatie van reparaties

a) Een reparatie kan "groot" of "klein" zijn. De classificatie moet gebeuren in overeenstemming met de criteria van 21A.91 voor een wijziging aan het typeontwerp.

b) Een reparatie wordt overeenkomstig paragraaf a) geclassificeerd als "groot" of "klein":

1. door het Agentschap, of

2. door een erkende ontwerporganisatie volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure.

21A.437 Afgifte van een goedkeuring van een reparatieontwerp

Als is verklaard en aangetoond dat het reparatieontwerp voldoet aan de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen van 21A.433 a) 1), zal het worden goedgekeurd:

a) door het Agentschap, of

b) door een erkende organisatie die ook de houder van het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat is, volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure, of

c) uitsluitend voor kleine reparaties, door een erkende ontwerporganisatie, volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure.

21A.439 Productie van reparatieonderdelen

Voor de reparatie te gebruiken onderdelen en uitrustingsstukken moeten worden gefabriceerd in overeenstemming met productiegegevens die gebaseerd zijn op alle nodige ontwerpgegevens, verstrekt door de houder van de goedkeuring van het reparatieontwerp:

a) overeenkomstig subdeel F, of

b) door een organisatie die erkend is overeenkomstig subdeel G, of

c) door een naar behoren erkende onderhoudsorganisatie.

21A.441 Uitvoering van een reparatie

a) De uitvoering van een reparatie moet gebeuren door een erkende onderhoudsorganisatie of door een productieorganisatie dat is erkend in overeenstemming met subdeel G, overeenkomstig voorrecht 21A.163(d).

b) De ontwerporganisatie moet de organisatie die de reparatie uitvoert alle nodige installatie-instructies bezorgen.

21A.443 Beperkingen

Een reparatieontwerp kan worden goedgekeurd onder voorbehoud van beperkingen; in dat geval bevat de goedkeuring van het reparatieontwerp alle nodige instructies en beperkingen. Deze instructies en beperkingen moeten door de houder van de goedkeuring van het reparatieontwerp worden bezorgd aan de gebruiker volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure.

21A.445 Niet-gerepareerde schade

a) Als een beschadigd product, onderdeel of uitrustingsstuk niet gerepareerd wordt en niet valt onder eerder verstrekte gegevens, mogen de gevolgen van de schade voor de luchtwaardigheid van het product, onderdeel of uitrustingsstuk alleen worden beoordeeld;

1. door het Agentschap, of

2. door een erkende ontwerporganisatie volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure.

Alle nodige beperkingen moeten worden verwerkt in overeenstemming met de procedures van 21A.443.

b) Als de organisatie die de schade beoordeelt overeenkomstig paragraaf a) noch het Agentschap noch de houder van het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat is, moet deze organisatie aantonen dat de informatie waarop de beoordeling is gebaseerd toereikend is, hetzij aan de hand van eigen bronnen, hetzij via een overeenkomst met de houder van het typecertificaat of het aanvullend typecertificaat of de fabrikant, al naargelang van toepassing.

21A.447 Administratie

Voor elke reparatie moeten alle relevante ontwerpinformatie, tekeningen en testverslagen, de eventueel in overeenstemming met 21A.443 vastgelegde instructies en beperkingen, de classificatieverantwoording en de bewijzen van de ontwerpgoedkeuring:

a) door de houder van de goedkeuring van het reparatieontwerp ter beschikking van het Agentschap worden gehouden, en

b) door de houder van de goedkeuring van het reparatieontwerp worden bewaard zodat de nodige informatie voorhanden is om te waarborgen dat de gerepareerde producten, onderdelen en uitrustingsstukken permanent luchtwaardig zijn.

21A.449 Instructies voor permanente luchtwaardigheid

a) De houder van de goedkeuring van het reparatieontwerp moet ten minste één volledige kopie van de wijzigingen aan de instructies voor permanente luchtwaardigheid die voortvloeien uit het ontwerp van de reparatie, met o.a. beschrijvende gegevens en uitvoeringsinstructies opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke eisen, bezorgen aan elke gebruiker van luchtvaartuigen waarop de reparatie is uitgevoerd. Het gerepareerde product, onderdeel of uitrustingsstuk mag voor gebruik geschikt worden verklaard voordat de wijzigingen aan deze instructies zijn voltooid, maar dit slechts voor een beperkte gebruiksperiode en na akkoord van het Agentschap. Deze wijzigingen aan de instructies moeten op verzoek beschikbaar worden gesteld voor eenieder die moet voldoen aan een of meer bepalingen van deze wijzigingen aan de instructies. Het ter beschikking stellen van een handleiding of een deel van de instructies voor permanente luchtwaardigheid dat betrekking heeft op revisie of andere vormen van zwaar onderhoud, mag worden uitgesteld tot na de ingebruikneming van het product, maar moet gebeuren voordat een van de producten de desbetreffende leeftijd of het desbetreffende aantal vlieguren/cycli bereikt.

b) Als de houder van de goedkeuring van het reparatieontwerp de wijzigingen aan de instructies voor permanente luchtwaardigheid bijwerkt nadat de reparatie is goedgekeurd, moeten deze bijwerkingen worden bezorgd aan elke gebruiker en op verzoek beschikbaar worden gesteld voor eenieder die moet voldoen aan alle bepalingen van deze wijzigingen aan de instructies. Een programma dat toont hoe wijzigingen aan de instructies voor permanente luchtwaardigheid zullen worden verspreid, moet aan het Agentschap worden voorgelegd.

21A.451 Verplichtingen en EPA-kenmerking

a) Elke houder van een goedkeuring van een ontwerp voor een grote reparatie moet:

1. de verplichtingen nakomen:

i) die worden beschreven in 21A.3, 21A.3B, 21A.4, 21A.439, 21A.441, 21A.443, 21A.447 en 21A.449;

ii) die inherent zijn aan de samenwerking van de houder van het typecertificaat en/of aanvullend typecertificaat overeenkomstig 21A.433 b), al naargelang van toepassing;

2. de kenmerking specificeren, met inbegrip van de EPA-letters ("European Part Approval"), in overeenstemming met 21A.804 a).

b) Behalve houders van een typecertificaat waarvoor 21A.44 geldt, moet de houder van een goedkeuring van een ontwerp voor een kleine reparatie:

1. de in 21A.4, 21A.447 en 21A.449 beschreven verplichtingen nakomen, en

2. de kenmerking specificeren, met inbegrip van de EPA-letters, in overeenstemming met 21A.804 a).

(SUBDEEL N - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL O - ETSO-AUTORISATIES

21A.601 Toepassingsgebied

a) In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van ETSO-autorisaties, en worden ook de regels betreffende de rechten en verplichtingen van de aanvragers of houders van dergelijke autorisaties vastgelegd.

b) In dit subdeel:

1. betekent "artikel" elk onderdeel en uitrustingsstuk dat wordt gebruikt in burgerluchtvaartuigen.

2. is ETSO (European Technical Standard Order) een gedetailleerde luchtwaardigheidsspecificatie die door het Agentschap is uitgevaardigd om zeker te stellen dat wordt voldaan aan de essentiële eisen van de basisverordening, en tevens een minimale prestatienorm voor gespecificeerde artikelen.

3. is een artikel dat wordt geproduceerd overeenkomstig een ETSO-autorisatie een goedgekeurd artikel krachtens subdeel K.

21A.602A Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon die een ETSO-artikel produceert of de productie ervan voorbereidt en zijn bekwaamheid overeenkomstig 21A.602B bewezen heeft, of aan het bewijzen is, komt in aanmerking als aanvrager van een ETSO-autorisatie.

21A.602B Bewijs van bekwaamheid

Elke aanvrager van een ETSO-autorisatie aanvraagt moet zijn bekwaamheid als volgt bewijzen:

a) in het geval van productie, door houder te zijn van een in overeenstemming met subdeel G afgegeven erkenning als productieorganisatie, of door te voldoen aan de procedures van subdeel F, en

b) in het geval van ontwerp:

1. voor een hulpaggregaat: door houder te zijn van een door het Agentschap in overeenstemming met subdeel J afgegeven erkenning als ontwerporganisatie;

2. voor alle andere artikelen: door procedures te gebruiken die beschrijven met welke specifieke ontwerppraktijken, -middelen en -werkzaamheden zal worden voldaan aan de bepalingen van dit deel.

21A.603 Aanvraag

a) Een aanvraag om een ETSO-autorisatie moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap en moet een overzicht van de in 21A.605 voorgeschreven informatie bevatten.

b) Als een reeks kleine wijzigingen in overeenstemming met 21A.611 wordt voorzien, moet de aanvrager in zijn aanvraag het nummer van het basismodel van het artikel en de bijbehorende stuknummers laten volgen door open haakjes, om aan te geven dat wijzigingsnummers of -letters (of combinaties van beide) van tijd tot tijd als achtervoegsel zullen worden toegevoegd.

21A.604 ETSO-autorisatie voor een hulpaggregaat (APU)

Met betrekking tot ETSO-autorisaties voor een hulpaggregaat:

a) zijn 21A.15, 21A.16B, 21A.17, 21A.20, 21A.21, 21A.31, 21A.33, 21A.44 van toepassing in afwijking van 21A.603, 21A.606(c), 21A.610 en 21A.615, met dien verstande dat een ETSO-autorisatie in plaats van een typecertificaat wordt afgegeven in overeenstemming met 21A.606;

b) is subdeel D of subdeel E van dit deel 21, in afwijking van 21A.611, van toepassing voor de goedkeuring van ontwerpwijzigingen. Als subdeel E wordt gebruikt, wordt een afzonderlijke ETSO-autorisatie afgegeven in plaats van een aanvullend typecertificaat.

21A.605 Vereisten inzake gegevens

De aanvrager moet de volgende documenten voorleggen aan het Agentschap:

a) een conformiteitsverklaring waarin gecertificeerd wordt dat de aanvrager heeft voldaan aan de vereisten van dit subdeel;

b) een ontwerp- en prestatieverklaring (DDP);

c) één kopie van de technische gegevens die vereist worden door de toepasselijke ETSO;

d) het handboek (of een verwijzing naar het handboek) zoals vermeld in 21A.143 met het oog op het verkrijgen van een erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G of de handleiding (of een verwijzing naar de handleiding) zoals vermeld in 21A.125(b) met het oog op fabricage overeenkomstig subdeel F zonder erkenning als productieorganisatie;

e) voor een hulpaggregaat het handboek (of een verwijzing naar het handboek) dat vermeld wordt in 21A.243 met het oog op het verkrijgen van een erkenning als ontwerporganisatie overeenkomstig subdeel J;

f) voor alle andere artikelen, de in 21A.602B(b)(2) vermelde procedures.

21A.606 Afgifte van een ETSO-autorisatie

De aanvrager heeft recht op een door het Agentschap afgegeven ETSO-autorisatie, nadat:

a) hij zijn bekwaamheid heeft bewezen in overeenstemming met 21A.602B; en

b) hij heeft aangetoond dat het artikel voldoet aan de technische voorwaarden van de toepasselijke ETSO, en de overeenkomstige conformiteitsverklaring heeft voorgelegd;

c) hij heeft aangetoond dat hij in staat is om te voldoen aan 21A.3(b) en (c).

21A.607 Voorrechten verbonden aan een ETSO-autorisatie

De houder van een ETSO-autorisatie heeft het recht om het artikel te produceren en te voorzien van de passende ETSO-kenmerking.

21A.608 Ontwerp- en prestatieverklaring (DDP)

a) De ontwerp- en prestatieverklaring moet ten minste de volgende informatie bevatten:

1. informatie overeenkomstig 21A.31(a) en (b), waarin het artikel en zijn ontwerp- en testnorm worden gepreciseerd;

2. de verwachte prestaties van het artikel, indien van toepassing, hetzij direct hetzij door te verwijzen naar andere aanvullende documenten;

3. een conformiteitsverklaring waarin bevestigd wordt dat het artikel voldoet aan de betreffende ETSO;

4. een verwijzing naar relevante testverslagen;

5. een verwijzing naar de betreffende onderhouds-, revisie- en reparatiehandleidingen;

6. de conformiteitsniveaus, indien verschillende conformiteitsniveaus worden toegestaan door de ETSO;

7. een lijst van in overeenstemming met 21A.610 aanvaarde afwijkingen.

b) De ontwerp- en prestatieverklaring moet met datum en handtekening worden bekrachtigd door de houder van de ETSO-autorisatie, of door zijn erkende vertegenwoordiger.

21A.609 Verplichtingen van de houders van ETSO-autorisaties

De houder van een ETSO-autorisatie overeenkomstig dit subdeel moet:

a) elk artikel vervaardigen in overeenstemming met subdeel G of subdeel F, dat waarborgt dat elk afgewerkt artikel voldoet aan zijn ontwerpgegevens en veilig geïnstalleerd kan worden;

b) voor elke model van elk artikel waarvoor een ETSO-autorisatie is afgegeven, een recent bestand van complete technische gegevens en verslagen opstellen en bijhouden in overeenstemming met 21A.613;

c) originele exemplaren opstellen, bijhouden en bijwerken van alle handleidingen die voor het artikel vereist worden door de toepasselijke certificeringsspecificaties;

d) de onderhouds-, revisie- en reparatiehandleidingen die nodig zijn om het artikel te gebruiken en te onderhouden, evenals wijzigingen aan deze handleidingen, op verzoek ter beschikking stellen van de gebruikers van het artikel en van het Agentschap;

e) elk artikel kenmerken in overeenstemming met 21A.807;

f) voldoen aan 21A.3(b), (c), 21A.3B en 21A.4;

g) blijven voldoen aan de kwalificatie-eisen van 21A.602B.

21A.610 Goedkeuring voor een afwijking

a) Elke fabrikant die een goedkeuring vraagt om te mogen afwijken van een prestatienorm of een ETSO moet aantonen dat de normen waarvan een afwijking wordt gevraagd worden gecompenseerd door factoren of ontwerpkenmerken die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

b) Het verzoek om een goedkeuring voor een afwijking moet, samen met alle relevante gegevens, worden ingediend bij het Agentschap.

21A.611 Ontwerpwijzigingen

a) De houder van de ETSO-autorisatie mag kleine wijzigingen (alle wijzigingen die geen grote wijziging zijn) aan het ontwerp aanbrengen zonder toestemming van het Agentschap. In dat geval behoudt het gewijzigde artikel het nummer van het originele model (kleine wijzigingen worden aangeduid door gewijzigde stuknummers of door amendementen) en moet de houder aan het Agentschap alle herziene gegevens bezorgen die nodig zijn om te voldoen aan 21A.603(b).

b) Als de houder van de ETSO-autorisatie een wijziging aan een ontwerp aanbrengt die dermate belangrijk is dat een nagenoeg compleet onderzoek vereist is om vast te stellen of nog voldaan wordt aan een ETSO, gaat het om een grote wijziging. Voordat hij zulke wijziging aanbrengt, moet de houder een nieuwe type- of modelnaam aan het artikel toekennen en een nieuwe autorisatie overeenkomstig 21A.603 aanvragen.

c) Geen enkele wijziging die aan een ontwerp wordt aangebracht door een natuurlijke of rechtspersoon die niet de houder van de ETSO-autorisatie is, en die de conformiteitsverklaring voor het artikel heeft ingediend, komt in aanmerking voor een goedkeuring overeenkomstig dit subdeel O, tenzij de persoon die de goedkeuring wenst, een aanvraag om een afzonderlijke ETSO-autorisatie indient overeenkomstig 21A.603.

21A.613 Administratie

Naast de administratievereisten die eigen zijn aan of verband houden met het kwaliteitssysteem, moeten alle relevante ontwerpinformatie, tekeningen en testverslagen, met inbegrip van inspectieverslagen voor het geteste artikel, ter beschikking van het Agentschap worden gehouden en worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om te waarborgen dat zowel het artikel als het product met typecertificaat waarin het wordt geïnstalleerd permanent luchtwaardig zijn.

21A.615 Inspectie door het Agentschap

Op verzoek van het Agentschap moet elke aanvrager of houder van een ETSO-autorisatie voor een artikel het Agentschap toelaten om:

a) proeven bij te wonen;

b) de technische gegevensbestanden betreffende dat artikel te controleren.

21A.619 Duur en permanente geldigheid

a) Een ETSO-autorisatie wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Ze blijft geldig, tenzij:

1. de voorwaarden die vereist waren toen de ETSO-autorisatie werd verleend, niet langer worden nageleefd, of

2. de in 21A.609 gespecificeerde verplichtingen van de houder niet langer worden vervuld, of

3. het artikel tijdens het gebruik onaanvaardbare gevaren heeft veroorzaakt, of

4. afstand is gedaan van de autorisatie of de autorisatie is ingetrokken volgens de door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures.

b) In geval van afstand of intrekking moet de autorisatie worden ingeleverd bij het Agentschap.

21A.621 Overdraagbaarheid

Behalve in het geval van een verandering van eigendom, die dient te worden beschouwd als een grote wijziging en dus moet voldoen aan 21A.147 en 21A.247, al naargelang van toepassing, kan een overeenkomstig dit deel afgegeven ETSO-autorisatie niet worden overgedragen.

(SUBDEEL P - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL Q - IDENTIFICATIE VAN PRODUCTEN, ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

21A.801 Identificatie van producten

a) De identificatie van producten moet de volgende informatie bevatten:

1. naam van de fabrikant;

2. benaming van het product;

3. serienummer van de fabrikant;

4. elke andere informatie die het Agentschap nodig acht.

b) Elke natuurlijke of rechtspersoon die een luchtvaartuig of een vliegtuigmotor vervaardigt overeenkomstig subdeel G of subdeel F, moet dat luchtvaartuig of die motor identificeren door middel van een vuurvaste plaat waarop de in paragraaf (a) vermelde informatie is geëtst, geperst, gegraveerd of aangebracht volgens een andere goedgekeurde methode van vuurvaste merking. De identificatieplaat moet dusdanig zijn aangebracht, dat deze toegankelijk en leesaar is en de kans klein is dat deze tijdens normaal gebruik wordt beschadigd of verwijderd, of tijdens een ongeluk verloren raakt of wordt vernietigd.

c) Elke natuurlijke of rechtspersoon die een propeller, een propellerblad of een propellernaaf vervaardigt overeenkomstig subdeel G of subdeel F moet zijn product identificeren door middel van een plaat, of door een vuurvaste identificatie te persen, te graveren, te etsen of volgens een andere goedgekeurde methode aan te brengen op een niet-kritiek oppervlak; deze identificatie moet de in paragraaf (a) vermelde informatie bevatten en dusdanig zijn aangebracht dat de kans klein is dat deze tijdens normaal gebruik wordt beschadigd of verwijderd, of tijdens een ongeluk verloren raakt of wordt vernietigd.

d) Voor bemande vrije ballonnen moet de in paragraaf (b) voorgeschreven identificatieplaat worden bevestigd aan het ballonomhulsel en, indien mogelijk, zodanig worden geplaatst dat de gebruiker ze kan lezen wanneer de ballon is opgeblazen. Verder moeten op de mand en de brander permanent en leesbaar aangebracht zijn: de naam van de fabrikant, het stuknummer, of gelijkwaardig, en het serienummer, of gelijkwaardig.

21A.803 Behandeling van de identificatiegegevens

a) Niemand mag identificatie-informatie zoals bedoeld in 21A.801(a) voor luchtvaartuigen, motoren, propellers, propellerbladen of propellernaven, of zoals bedoeld in 21A.807(a) voor hulpaggregaten, verwijderen, wijzigen of plaatsen zonder goedkeuring van het Agentschap.

b) Niemand mag een identificatieplaat zoals bedoeld in 21A.801, of in 21A.807 voor hulpaggregaten, verwijderen of aanbrengen zonder goedkeuring van het Agentschap.

c) In afwijking van paragraaf (a) en (b) mogen natuurlijke en rechtspersonen die onderhoudswerkzaamheden uitvoeren overeenkomstig de van toepassing zijnde aanverwante uitvoeringsvoorschriften, in overeenstemming met de door het Agentschap vastgelegde methoden, technieken en praktijken:

1. identificatie-informatie zoals bedoeld in 21A.801(a) voor luchtvaartuigen, motoren, propellers, propellerbladen of propellernaven, of zoals bedoeld in 21A.807(a) voor hulpaggregaten, verwijderen, wijzigen of plaatsen, of

2. een identificatieplaat zoals bedoeld in 21A.801, of 21A.807 voor hulpaggregaten, indien nodig verwijderen tijdens de onderhoudswerkzaamheden.

d) Niemand mag een in overeenstemming met subparagraaf (c)(2) verwijderde identificatieplaat aanbrengen op een ander luchtvaartuig of een andere motor, propeller, propellerblad of propellernaaf dan waarvan deze verwijderd is.

21A.804 Identificatie van onderdelen en uitrustingsstukken

a) Elke fabrikant van een onderdeel of uitrustingsstuk moet permanent en leesbaar op het onderdeel of uitrustingsstuk aanbrengen:

1. de naam, het handelsmerk of het logo van de fabrikant, en

2. het stuknummer, zoals gedefinieerd in de toepasselijke ontwerpgegevens, en

3. de EPA-letters ("European Part Approval") voor onderdelen of uitrustingsstukken die geproduceerd zijn in overeenstemming met goedgekeurde ontwerpgegevens die niet behoren tot de houder van het typecertificaat voor het betreffende product, behalve voor ETSO-artikelen.

b) In afwijking van paragraaf (a), als het Agentschap ermee akkoord gaat dat het onderdeel of uitrustingsstuk te klein is of dat het niet praktisch zou zijn om het onderdeel of uitrustingsstuk te voorzien van de in paragraaf (a) voorgeschreven informatie, mag op het certificaat van geschiktheid voor gebruik dat bij het onderdeel of het uitrustingsstuk of zijn verpakking is gevoegd, de informatie worden vermeld die niet kon worden aangebracht op het onderdeel of uitrustingsstuk.

21A.805 Identificatie van kritieke onderdelen

Naast de vereisten van 21A.804, moet elke fabrikant van een in een product met typecertificaat te installeren onderdeel dat is geïdentificeerd als een kritiek onderdeel, permanent en leesbaar een stuknummer en een serienummer aanbrengen op dat onderdeel.

21A.807 Identificatie van ETSO-artikelen

a) Elke houder van een ETSO-autorisatie overeenkomstig subdeel O moet elk artikel permanent en leesbaar voorzien van de volgende informatie:

1. de naam en het adres van de fabrikant;

2. de naam, het type, het stuknummer of de modelnaam van het artikel;

3. het serienummer en/of de fabricagedatum van het artikel, en

4. het toepasselijke ETSO-nummer.

b) In afwijking van paragraaf (a), als het Agentschap ermee akkoord gaat dat het onderdeel of uitrustingsstuk te klein is of dat het niet praktisch zou zijn om het onderdeel of uitrustingsstuk te voorzien van de in paragraaf (a) voorgeschreven informatie, moet op het certificaat van geschiktheid voor gebruik dat bij het onderdeel of het uitrustingsstuk of zijn verpakking is gevoegd, de informatie worden vermeld die niet kon worden aangebracht op het onderdeel of uitrustingsstuk.

c) Eenieder die een hulpaggregaat overeenkomstig subdeel G of subdeel F vervaardigt, moet dat hulpaggregaat identificeren door middel van een vuurvaste plaat waarop de in paragraaf (a) gespecificeerde informatie is geëtst, geperst, gegraveerd of aangebracht volgens een andere goedgekeurde methode van vuurvaste merking. De identificatieplaat moet zo worden bevestigd, dat de kans klein is dat ze tijdens normaal gebruik wordt beschadigd of verwijderd, of tijdens een ongeluk verloren raakt of wordt vernietigd.

SECTIE B PROCEDURES VOOR BEVOEGDE INSTANTIES

SUBDEEL A - ALGEMENE VOORZIENINGEN

21B.5 Toepassingsgebied

a) In deze sectie wordt vastgelegd welke procedure de bevoegde instantie van de lidstaat moet volgen bij het uitoefenen van haar taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot het afgeven, handhaven, wijzigen, opschorten en intrekken van de in dit deel behandelde certificaten, goedkeuringen en autorisaties.

b) Het Agentschap ontwikkelt in overeenstemming met artikel 14 van de basisverordening certificeringsspecificaties om de lidstaten bij te staan bij de tenuitvoerlegging van deze sectie.

21B.20 Verplichtingen van de bevoegde instantie

Elke bevoegde instantie van de lidstaat is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van sectie A, subdelen F, G, H en I, voor zover het aanvragers of houders betreft die gevestigd zijn op haar grondgebied.

21B.25 Vereisten voor de organisatie van de bevoegde instantie

a) Algemeen:

De lidstaat stelt een bevoegde instantie aan die verantwoordelijkheden toegewezen krijgt voor de tenuitvoerlegging van sectie A, subdelen F, G, H en I met gedocumenteerde procedures, organisatiestructuur en personeel.

b) Personeel:

1. Het aantal personeelsleden moet voldoende groot zijn om de toegewezen taken te kunnen uitvoeren.

2. De bevoegde instantie van de lidstaat moet een manager, of managers, benoemen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de betreffende taak of taken binnen de autoriteit, met inbegrip van de communicatie met het Agentschap en de andere nationale autoriteiten, indien van toepassing.

c) Kwalificatie en opleiding:

Alle personeelsleden moeten de juiste kwalificatie hebben en over voldoende kennis, ervaring en opleiding beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren.

21B.30 Gedocumenteerde procedures

a) De bevoegde instantie van de lidstaat moet gedocumenteerde procedures vastleggen om te beschrijven met welke organisatie, middelen en methoden zij de vereisten van dit deel zal naleven. De procedures moeten geregeld worden bijgewerkt en binnen de autoriteit als basiswerkdocumenten voor alle verbandhoudende werkzaamheden dienen.

b) Een kopie van de procedures en hun amendementen moet aan het Agentschap ter beschikking worden gesteld.

21B.35 Wijzigingen in organisatie en procedures

a) De bevoegde instantie van de lidstaat moet alle grote wijzigingen in de organisatie en gedocumenteerde procedures melden aan het Agentschap.

b) De bevoegde instantie van de lidstaat moet zijn gedocumenteerde procedures binnen een redelijke termijn aanpassen aan elke wijziging van de voorschriften, ten einde een effectieve tenuitvoerlegging te waarborgen.

21B.40 Oplossing van geschillen

a) De bevoegde instantie van de lidstaat moet een procédé vastleggen voor de oplossing van geschillen binnen haar organisatie.

b) Als er een onoplosbaar geschil bestaat tussen de bevoegde instanties van de lidstaten, moeten de in 21B.25(b)(2) bedoelde managers de kwestie bespreken met het Agentschap en de bemiddeling ervan inroepen.

21B.45 Rapportage/coördinatie

a) De bevoegde instantie van de lidstaat moet zorgen voor de coördinatie, al naargelang van toepassing, met andere betreffende certificerings-, onderzoeks- of goedkeurings- of autorisatieteams van die autoriteit, met andere lidstaten en met het Agentschap, om een efficiënte uitwisseling te waarborgen van informatie die relevant is voor de veiligheid van de producten, onderdelen en uitrustingsstukken.

b) De bevoegde instantie van de lidstaat moet elke moeilijkheid bij de tenuitvoerlegging van dit Deel melden aan het Agentschap.

21B.55 Administratie

De bevoegde instantie van de lidstaat moet de passende administratie bijhouden, of toegankelijk houden, van de certificaten, goedkeuringen en autorisaties die ze heeft afgegeven in overeenstemming met de respectievelijke nationale regelgevingen, en waarvoor verantwoordelijkheid is overgedragen aan het Agentschap, voor zover deze documenten nog niet zijn overgedragen aan het Agentschap.

21B.60 Luchtwaardigheidsrichtlijnen

Als de bevoegde instantie van een lidstaat een luchtwaardigheidsrichtlijn ontvangt van de bevoegde instantie van een niet-lidstaat, moet die luchtwaardigheidsrichtlijn worden overgedragen aan het Agentschap, dat hem verspreidt in overeenstemming met artikel 15 van de basisverordening.

SUBDEEL B - TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

(SUBDEEL C - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL D - WIJZIGINGEN IN TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

SUBDEEL E - AANVULLENDE TYPECERTIFICATEN

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

SUBDEEL F - PRODUCTIE ZONDER ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21B.120 Onderzoek

a) De bevoegde instantie moet voor elke aanvrager of houder van een akkoordverklaring een onderzoeksteam aanstellen dat alle relevante taken met betrekking tot deze akkoordverklaring vervult en bestaat uit een teamleider, die het onderzoeksteam bestuurt en leidt, en, indien nodig, één of meer teamleden. De teamleider brengt verslag uit bij de manager die verantwoordelijk is voor de betreffende werkzaamheid, zoals bepaald in 21B.25 (b)(2).

b) De bevoegde instantie moet voldoende onderzoeksactiviteiten uitvoeren voor een aanvrager of houder van een akkoordverklaring om verantwoorde aanbevelingen te kunnen doen inzake het afgeven, handhaven, wijzigen, opschorten of intrekken van de akkoordverklaring.

c) De bevoegde instantie moet procedures opstellen voor het onderzoek van aanvragers of houders van een akkoordverklaring, als onderdeel van de gedocumenteerde procedures, die op zijn minst de volgende elementen bevatten:

1. evaluatie van ontvangen aanvragen;

2. samenstelling van het onderzoeksteam;

3. voorbereiding en planning van het onderzoek;

4. evaluatie van de documentatie (handleiding, procedures, enz.);

5. controles en inspectie;

6. opvolging van corrigerende maatregelen; en

7. aanbevelingen inzake het afgeven, wijzigen, opschorten of intrekken van de akkoordverklaring.

21B.130 Afgifte van een akkoordverklaring

a) Als de bevoegde instantie ervan overtuigd is dat de fabrikant voldoet aan de toepasselijke eisen van sectie A, subdeel F, geeft zij zonder onnodig uitstel een brief af waarin zij zich akkoord verklaart met de bewijzen van conformiteit van individuele producten, onderdelen of uitrustingsstukken (EASA-formulier 65, zie bijlage).

b) In de akkoordverklaring moet vermeld staan in hoeverre, tot welke datum en, indien van toepassing, met welke beperkingen de bevoegde instantie haar toestemming verleent.

c) De akkoordverklaring is niet langer dan een jaar geldig.

21B.135 Handhaving van de akkoordverklaring

De bevoegde instantie zal de akkoordverklaring handhaven zolang:

a) de fabrikant EASA-formulier 52 (zie bijlage) naar behoren gebruikt als conformiteitsverklaring voor complete luchtvaartuigen, en EASA-formulier 1 (zie bijlage) voor andere producten dan complete luchtvaartuigen, onderdelen en uitrustingsstukken, en

b) bij de inspecties die door de bevoegde instantie worden uitgevoerd voor de validering van EASA-formulier 52 (zie bijlage) of EASA-formulier 1 (zie bijlage), overeenkomstig 21A.130(c) en (d), geen aanwijzingen worden gevonden dat niet wordt voldaan aan de vereisten of de procedures vermeld in de door de fabrikant voorziene handleiding, of dat de respectievelijke producten, onderdelen of uitrustingsstukken niet conform zijn. Deze inspecties zullen ten minste controleren of:

1. de akkoordverklaring betrekking heeft op het te valideren product, onderdeel of uitrustingsstuk, en geldig blijft;

2. de in 21A.125(b) beschreven handleiding, en de in de akkoordverklaring vermelde wijzigingen eraan, door de fabrikant gebruikt wordt als basiswerkdocument. Zo niet, mag de inspectie niet worden voortgezet en mogen de certificaten van geschiktheid voor gebruik niet worden gevalideerd;

3. de productie is geschied overeenkomstig de in de akkoordverklaring opgelegde voorwaarden, en op een bevredigende wijze is uitgevoerd;

4. de inspecties en proeven (met inbegrip van vliegproeven, indien van toepassing), in overeenstemming met 21A.130(b)(2) en/of (b)(3), zijn geschied overeenkomstig de in de akkoordverklaring opgelegde voorwaarde, en op een bevredigende wijze zijn uitgevoerd;

5. de in de akkoordverklaring beschreven of behandelde inspecties door de bevoegde instantie zijn uitgevoerd en aanvaardbaar zijn bevonden;

6. de conformiteitsverklaring voldoet aan 21A.130, en de erin verstrekte informatie de validering niet verhindert, en

c) Geen einddatum voor de akkoordverklaring is bereikt.

21B.140 Wijziging van een akkoordverklaring

a) De bevoegde instantie moet, in overeenstemming met 21B.120, elke wijziging van de akkoordverklaring onderzoeken naargelang nodig.

b) Als de bevoegde instantie ervan overtuigd is dat er nog altijd wordt voldaan aan de eisen van sectie A, subdeel F, wijzigt ze de akkoordverklaring dienovereenkomstig.

21B.143 Kennisgeving van resultaten

a) Als de bevoegde instantie op basis van objectieve bewijzen vaststelt dat de houder van een akkoordverklaring niet voldoet aan de toepasselijke eisen van dit deel, wordt deze vaststelling geclassificeerd in overeenstemming met 21A.125B en:

1. wordt een niveau 1-bevinding onmiddellijk gemeld aan de houder van de akkoordverklaring en binnen 3 werkdagen na de vaststelling schriftelijk bevestigd;

2. wordt een niveau 2-bevinding schriftelijk bevestigd aan de houder van de akkoordverklaring binnen 14 werkdagen na de vaststelling.

b) De bevoegde instantie moet elke niveau 3-bevinding, zoals gedefinieerd in 21A.125B(b), met de toepasselijke middelen en zo spoedig mogelijk aan de houder van de akkoordverklaring kenbaar maken.

21B.145 Opschorting en intrekking van een akkoordverklaring

a) In het geval van niveau 1- of niveau 2-bevindingen moet de bevoegde instantie een akkoordverklaring als volgt geheel of gedeeltelijk beperken, opschorten of intrekken:

1. in het geval van een niveau 1-bevinding wordt de akkoordverklaring onmiddellijk beperkt of opgeschort. Als de houder van de akkoordverklaring nalaat te voldoen aan 21A.125B(c)(1) wordt de akkoordverklaring ingetrokken;

2. in het geval van een niveau 2-bevinding moet de bevoegde instantie beslissen over een beperking van de akkoordverklaring door een tijdelijke opschorting van de akkoordverklaring of delen daarvan. Als de houder van de akkoordverklaring nalaat te voldoen aan 21A.125B(c)(2) moet de akkoordverklaring worden ingetrokken.

b) De opschorting of intrekking moet schriftelijk worden meegedeeld aan de houder van de akkoordverklaring. De bevoegde instantie specificeert de redenen voor de beperking, opschorting of intrekking en brengt de houder van de akkoordverklaring op de hoogte van zijn recht op beroep.

c) Een opgeschorte akkoordverklaring wordt pas hersteld nadat opnieuw voldaan wordt aan sectie A, subdeel F.

21B.150 Administratie

a) De bevoegde instantie moet een administratiesysteem instellen dat het mogelijk maakt om vlot het proces van afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van elke afzonderlijke akkoordverklaring op te sporen.

b) Het administratiesysteem moet ten minste bevatten:

1. de door de aanvrager of houder van een akkoordverklaring verstrekte documenten;

2. de tijdens onderzoek en inspectie opgestelde documenten waarin de werkzaamheden en de eindresultaten van de in 21B.120 bepaalde elementen vermeld staan;

3. de akkoordverklaring, met inbegrip van eventuele wijzigingen; en

4. de notulen van de vergaderingen met de fabrikant.

c) De documenten van het administratiesysteem moeten in een archief worden bewaard gedurende ten minste zes jaar na de einddatum van de akkoordverklaring.

d) De bevoegde instantie moet ook een administratie bijhouden van alle conformiteitsverklaringen (EASA-formulier 52, zie bijlage) en certificaten van geschiktheid voor gebruik (EASA-formulier 1, zie bijlage) die ze heeft gevalideerd.

SUBDEEL G - ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21B.220 Onderzoek

a) De bevoegde instantie moet voor elke aanvrager of houder van een erkenning als productieorganisatie een onderzoeksteam aanstellen dat alle relevante taken met betrekking tot deze erkenning als productieorganisatie vervult en bestaat uit een teamleider, die het onderzoeksteam bestuurt en leidt, en, indien nodig, één of meer teamleden. De teamleider brengt verslag uit bij de manager die verantwoordelijk is voor de betreffende werkzaamheid, zoals bepaald in 21B.25(b)(2).

b) De bevoegde instantie moet voldoende onderzoeksactiviteiten uitvoeren voor een aanvrager of houder van een erkenning als productieorganisatie om verantwoorde aanbevelingen te kunnen doen inzake het afgeven, handhaven, wijzigen, opschorten of intrekken van de erkenning.

c) De bevoegde instantie moet procedures opstellen voor het onderzoek van een erkenning als productieorganisatie, als onderdeel van de gedocumenteerde procedures, die op zijn minst de volgende elementen bevatten:

1. evaluatie van de ontvangen aanvragen;

2. samenstelling van het onderzoeksteam;

3. voorbereiding en planning van het onderzoek;

4. evaluatie van de documentatie (handboek, procedures, enz.);

5. controles;

6. opvolging van corrigerende maatregelen;

7. aanbevelingen inzake het afgeven, wijzigen, opschorten of intrekken van de erkenning als productieorganisatie;

8. permanent toezicht.

21B.225 Kennisgeving van resultaten

a) Als op basis van objectieve bewijzen wordt vastgesteld dat de houder van een erkenning als productieorganisatie niet voldoet aan de toepasselijke eisen van dit deel, wordt deze vaststelling geclassificeerd in overeenstemming met 21A.158(a) en:

1. wordt een resultaat van niveau één onmiddellijk gemeld aan de houder van een erkenning als productieorganisatie en binnen 3 werkdagen na de vaststelling schriftelijk bevestigd;

2. wordt een resultaat van niveau twee schriftelijk bevestigd aan de houder van de erkenning als productieorganisatie binnen 14 dagen na de vaststelling.

b) De bevoegde instantie moet elke niveau 3-bevinding, zoals gedefinieerd in 21A.158(b), met de toepasselijke middelen en zo spoedig mogelijk aan de houder van de akkoordverklaring kenbaar maken.

21B.230 Afgifte van een certificaat

a) Als de bevoegde instantie ervan overtuigd is dat de productieorganisatie voldoet aan de toepasselijke eisen van sectie A, subdeel G, geeft zij zonder onnodig uitstel een erkenning als productieorganisatie (EASA-formulier 55, zie bijlage) af.

b) Het referentienummer moet worden opgenomen in EASA-formulier 55 op een door het Agentschap vastgestelde wijze.

21B.235 Permanent toezicht

a) Om de handhaving van de erkenning als productieorganisatie te verantwoorden moet de bevoegde instantie permanent toezicht houden:

1. om te controleren of het kwaliteitssysteem van de houder van de erkenning als productieorganisatie nog steeds voldoet aan sectie A, subdeel G; en

2. om te controleren of de organisatie van de houder van de erkenning als productieorganisatie werkt in overeenstemming met het handboek; en

3. om de doeltreffendheid te controleren van de procedures in het handboek; en

4. om door middel van monsterneming de normen van het product, onderdeel of uitrustingsstuk te controleren.

b) Er moet permanent toezicht worden uitgeoefend in overeenstemming met 21B.220.

c) De bevoegde instantie moet er door middel van planmatig permanent toezicht voor zorgen dat een erkenning als productieorganisatie gedurende een periode van 24 maanden volledig wordt beoordeeld inzake haar conformiteit met dit deel. Het permanent toezicht mag tijdens deze periode bestaan uit verscheidene onderzoeksactiviteiten. Het aantal controles kan variëren naar gelang van de complexiteit van de organisatie, het aantal vestigingen en het kritieke karakter van de productie. Op zijn minst moet de houder van een erkenning als productieorganisatie tenminste eenmaal per jaar worden onderworpen aan een activiteit van permanent toezicht door de bevoegde instantie.

21B.240 Wijziging van een erkenning als productieorganisatie

a) De bevoegde instantie controleert elke wijziging, hoe klein ook, via de activiteiten van permanent toezicht.

b) De bevoegde instantie onderzoekt, naargelang van toepassing, in overeenstemming met 21B.220 elke belangrijke wijziging aan een erkenning als productieorganisatie of elke aanvraag door de productieorganisatie om een wijziging van het toepassingsgebied en de voorwaarden van de erkenning.

c) Als de bevoegde instantie ervan overtuigd is dat er nog altijd wordt voldaan aan de eisen van sectie A, subdeel G, wijzigt ze de erkenning als productieorganisatie dienovereenkomstig.

21B.245 Opschorting en intrekking van een erkenning als productieorganisatie

a) In het geval van een niveau 1- of niveau 2-bevinding moet de bevoegde instantie een erkenning als productieorganisatie als volgt geheel of gedeeltelijk beperken, opschorten of intrekken:

1. in het geval van een niveau 1-bevinding wordt de erkenning als productieorganisatie onmiddellijk beperkt of opgeschort. Als de houder van de erkenning als productieorganisatie nalaat te voldoen aan 21A.125B(c)(1) wordt de erkenning ingetrokken;

2. in het geval van een niveau 2-bevinding moet de bevoegde instantie beslissen over een beperking van de erkenning door een tijdelijke opschorting van de erkenning als productieorganisatie of delen daarvan. Als de houder van de erkenning als productieorganisatie nalaat te voldoen aan 21A.158(c)(2) moet de erkenning worden ingetrokken;

b) De beperking, opschorting of intrekking van de erkenning als productieorganisatie moet schriftelijk worden meegedeeld aan de houder van de erkenning. De bevoegde instantie specificeert de redenen voor de opschorting of intrekking en brengt de houder van de erkenning als productieorganisatie op de hoogte van zijn recht op beroep.

c) Een opgeschorte erkenning als productieorganisatie wordt pas hersteld nadat opnieuw voldaan wordt aan sectie A, subdeel G.

21B.260 Administratie

a) De bevoegde instantie moet een administratiesysteem instellen dat het mogelijk maakt om vlot het proces van afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van elke afzonderlijke erkenning als productieorganisatie op te sporen.

b) Het administratiesysteem moet ten minste bevatten:

1. de door de aanvrager of houder van een erkenning als productieorganisatie verstrekte documenten,

2. tijdens onderzoek en inspectie opgestelde documenten waarin de werkzaamheden en de eindresultaten van de in 21B.220 bepaalde elementen vermeld staan, met inbegrip van de overeenkomstig 21B.225 gedane vaststellingen,

3. het programma van permanent toezicht, met inbegrip van verslagen van de uitgevoerde onderzoeken

4. de erkenning als productieorganisatie, met inbegrip van eventuele wijzigingen,

5. de notulen van de vergaderingen met de houder van de erkenning als productieorganisatie.

c) De documenten van het administratiesysteem moeten in een archief worden bewaard gedurende tenminste zes jaar.

SUBDEEL H - BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID

21B.320 Onderzoek

a) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie moet voldoende onderzoeksactiviteiten uitvoeren voor een aanvrager of houder van een bewijs van luchtwaardigheid om de afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van het certificaat of de vergunning te verantwoorden.

b) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie moet evaluatieprocedures opstellen die op zijn minst de volgende elementen bevatten:

1. evaluatie van de aanvaardbaarheid van de aanvrager;

2. evaluatie van de aanvaardbaarheid van de aanvraag;

3. classificatie van de bewijzen van luchtwaardigheid;

4. evaluatie van de samen met de aanvraag ontvangen documentatie;

5. inspectie van het luchtvaartuig;

6. vastlegging van de noodzakelijke voorwaarden of beperkingen voor de bewijzen van luchtwaardigheid.

21B.325 Afgifte van bewijzen van luchtwaardigheid

a) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie zal, naargelang van toepassing, zonder onnodig uitstel een bewijs van luchtwaardigheid (EASA-formulier 25, zie bijlage), een beperkt bewijs van luchtwaardigheid (EASA-formulier 24, zie bijlage) of een vliegvergunning (EASA-formulier 20, zie bijlage) afgeven of wijzigen als zij ervan overtuigd is dat wordt voldaan aan de toepasselijke eisen van sectie A, subdeel H.

b) Naast een bewijs van luchtwaardigheid voor een nieuw luchtvaartuig of een gebruikt luchtvaartuig afkomstig uit een niet-lidstaat, geeft de competente autoriteit van de lidstaat van registratie een certificaat af na herbeoordeling van de initiële luchtwaardigheid (EASA-formulier 15a, zie aanhangsel) af.

21B.330 Opschorting en intrekking van bewijzen van luchtwaardigheid

a) Als er aanwijzingen zijn dat de in 21A.181(a) gespecificeerde voorwaarden niet worden vervuld, kan de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie een bewijs van luchtwaardigheid opschorten of intrekken.

b) Bij het afgeven van de kennisgeving van opschorting of intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid specificeert de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie de redenen voor de opschorting of intrekking en brengt ze de houder van het certificaat of de vergunning op de hoogte van zijn recht op beroep.

21B.345 Administratie

a) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie moet een administratiesysteem instellen dat het mogelijk maakt om vlot het proces van afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van elk afzonderlijk bewijs van luchtwaardigheid op te sporen.

b) Het administratiesysteem moet ten minste bevatten:

1. de door de aanvrager verstrekte documenten,

2. tijdens het onderzoek opgestelde documenten waarin de werkzaamheden en de eindresultaten van de in 21B.320(b) bepaalde elementen vermeld staan, en

3. een kopie van het certificaat of de vergunning, met inbegrip van eventuele amendementen.

c) De documenten van de administratie moeten in een archief worden bewaard gedurende ten minste zes jaar na het verlaten van het nationaal register.

SUBDEEL I - GELUIDSCERTIFICATEN

21B.420 Onderzoek

a) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie moet voldoende onderzoeksactiviteiten uitvoeren voor een aanvrager of houder van een geluidscertificaat om de afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van het certificaat te verantwoorden.

b) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie moet evaluatieprocedures als onderdeel van de gedocumenteerde procedures opstellen die op zijn minst de volgende elementen bevatten:

1. evaluatie van de aanvaardbaarheid,

2. evaluatie van de samen met de aanvraag ontvangen documentatie,

3. inspectie van het luchtvaartuig.

21B.425 Afgifte van geluidscertificaten

De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie zal, naargelang van toepassing, zonder onnodig uitstel een geluidscertificaat (EASA-formulier 45, zie bijlage) afgeven of wijzigen als zij ervan overtuigd is dat wordt voldaan aan de toepasselijke eisen van sectie A, subdeel I.

21B.430 Opschorting en intrekking van een geluidscertificaat

a) Als er aanwijzingen zijn dat een aantal van de in 21A.211(a) gespecificeerde voorwaarden niet wordt vervuld, kan de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie een geluidscertificaat opschorten of intrekken.

b) Bij het afgeven van de kennisgeving van opschorting of intrekking van een geluidscertificaat specificeert de bevoegde instantie van de lidstaat van registratie de redenen voor de opschorting of intrekking en brengt ze de houder van het certificaat op de hoogte van zijn recht op beroep.

21B.445 Administratie

a) De bevoegde instantie van de lidstaat van registratie moet een administratiesysteem instellen dat het mogelijk maakt om vlot het proces van afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van elk afzonderlijk geluidscertificaat op te sporen.

b) Het administratiesysteem moet ten minste bevatten:

1. de door de aanvrager verstrekte documenten,

2. tijdens het onderzoek opgestelde documenten waarin de werkzaamheden en de eindresultaten van de in 21B.420(b) bepaalde elementen vermeld staan,

3. een kopie van het certificaat, met inbegrip van eventuele amendementen.

c) De administratieve documenten moeten in een archief worden bewaard gedurende ten minste zes jaar na het verlaten van het nationaal register.

SUBDEEL J - ERKENNING ALS ONTWERPORGANISATIE

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

SUBDEEL K - ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

(SUBDEEL L - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL M - REPARATIES

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

(SUBDEEL N - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL O - ETSO-AUTHORISATIES

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

(SUBDEEL P - NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL Q - IDENTIFICATIE VAN PRODUCTEN, ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

De door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures zijn van toepassing.

Aanhangsels

>PIC FILE= "L_2003243NL.005902.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006001.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006101.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006201.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006301.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006401.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006501.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006601.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006701.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006801.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.006901.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007001.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007101.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007201.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007301.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007401.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007501.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007601.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007701.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007801.TIF">

>PIC FILE= "L_2003243NL.007901.TIF">