32003R1139

Verordening (EG) nr. 1139/2003 van de Commissie van 27 juni 2003 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft toezichtprogramma's en gespecificeerd risicomateriaal

Publicatieblad Nr. L 160 van 28/06/2003 blz. 0022 - 0032


Verordening (EG) nr. 1139/2003 van de Commissie

van 27 juni 2003

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft toezichtprogramma's en gespecificeerd risicomateriaal

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1053/2003 van de Commissie(2), en met name op artikel 23,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn voorschriften vastgelegd voor het toezicht op overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij schapen en geiten, onder meer ten aanzien van een steekproef van niet voor menselijke consumptie geslachte dieren. Deze groep dieren moet nader worden omschreven om te vermijden dat de verkeerde dieren worden bemonsterd.

(2) Bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn voorschriften ingevoerd voor uitroeiingsmaatregelen ingeval bij schapen en geiten een TSE is bevestigd. De krachtens die maatregelen vernietigde dieren moeten gericht worden getest om epizoötologische informatie te verkrijgen.

(3) Het is theoretisch mogelijk dat BSE onder schapen en geiten voorkomt. Routinemethoden kunnen niet worden gebruikt om infectie met BSE bij deze dieren te onderscheiden van infectie met scrapie. Bij beide ziekten vertoont het ileum al in een vroeg stadium van besmetting een hoge besmettelijkheid. Uit voorzorg moet het ileum van schapen en geiten van alle leeftijden in de lijst van gespecificeerd risicomateriaal worden opgenomen.

(4) In zijn advies van 7 en 8 november 2002 betreffende de verdeling van TSE-infectiviteit over weefsels van herkauwers heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep (WS) aanbevolen om ervan uit te gaan dat de amandelen van runderen van alle leeftijden een risico op boviene spongiforme encefalopathie (BSE) inhouden.

(5) De WS heeft verklaard dat bij het verzamelen van kopvlees en tongen van runderen voor menselijke consumptie verontreiniging met weefsel van het centrale zenuwstelsel en de amandelen moet worden vermeden.

(6) Aangezien voor de toestand van de koppen hoofdzakelijk bepalend is of zij zorgvuldig gehanteerd zijn en de inschotopening in het voorhoofd en het achterhoofdsgat veilig afgesloten zijn, moeten slachthuizen en speciaal erkende uitsnijderijen controlesystemen toepassen.

(7) In verband met de feitelijke handel tussen de lidstaten moeten de voorschriften voor het verzenden van karkassen, halve karkassen en voor- en achtervoeten, die afgezien van de wervelkolom geen gespecificeerd risicomateriaal bevatten, naar een andere lidstaat zonder voorafgaande toestemming, worden uitgebreid tot halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld.

(8) Bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad(3), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 808/2003 van de Commissie(4), zijn veterinairrechtelijke en gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor het verzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken of verwijderen van alle niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, alsmede voor het in de handel brengen en, in bepaalde specifieke gevallen, het uitvoeren en het doorvoeren van die producten. De speciale voorschriften voor het verwijderen en vernietigen van dergelijke producten in bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten daarom worden geschrapt.

(9) Verordening (EG) nr. 999/2001 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen III en XI bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2003.

De nieuwe bepaling van deel A, punt 1, onder a), ii), van bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 999/2001, zoals aangegeven in punt 2 van de bijlage bij deze verordening, is van toepassing op dieren die vanaf 1 oktober 2003 worden geslacht.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2003.

Voor de Commissie

David Byrne

Lid van de Commissie

(1) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2) PB L 152 van 20.6.2003, blz. 8.

(3) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

(4) PB L 117 van 13.5.2003, blz. 1.

BIJLAGE

De bijlagen III en XI worden als volgt gewijzigd:

1. Bijlage III wordt vervangen door:

"BIJLAGE III

SYSTEEM VAN TOEZICHT

HOOFDSTUK A

I. TOEZICHT OP RUNDEREN

1. Algemeen

Het toezicht op runderen wordt uitgevoerd met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.1, onder b).

2. Toezicht op dieren die voor menselijke consumptie worden geslacht

2.1. Alle runderen die ouder zijn dan 24 maanden:

- waarbij een "speciale noodslachting" zoals omschreven in artikel 2, onder n), van Richtlijn 64/433/EEG van de Raad(1) is toegepast, of

- die overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, punt 28, onder c), van Richtlijn 64/433/EEG zijn geslacht, met uitzondering van dieren zonder klinische ziekteverschijnselen die in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn geslacht,

worden op BSE getest.

2.2. Alle runderen die ouder zijn dan 30 maanden:

- en die normaal geslacht zijn met het oog op menselijke consumptie, of

- overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, punt 28, onder c), van Richtlijn 64/433/EEG in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn geslacht, maar geen klinische ziekteverschijnselen vertonen,

worden op BSE getest.

2.3. In afwijking van punt 2.2 kan Zweden besluiten van de dieren die op zijn grondgebied zijn geboren, gehouden en geslacht slechts een steekproef te onderzoeken. Deze steekproef omvat ten minste 10000 dieren per jaar.

3. Toezicht op dieren die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

3.1. Alle runderen die ouder zijn dan 24 maanden en gestorven of gedood zijn, maar niet

- met het oog op vernietiging krachtens Verordening (EG) nr. 716/96 van de Commissie(2) zijn gedood,

- in verband met een epidemie, zoals mond- en klauwzeer, zijn gedood,

- voor menselijke consumptie zijn geslacht,

worden op BSE getest.

3.2. De lidstaten kunnen besluiten van het bepaalde in punt 3.1 af te wijken in afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is en dode dieren niet worden opgehaald. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie daarvan in kennis en verstrekken haar een lijst van de desbetreffende gebieden. De afwijking mag niet meer dan 10 % van de runderpopulatie in de lidstaat betreffen.

4. Toezicht op dieren die met het oog op vernietiging zijn opgekocht krachtens Verordening (EG) nr. 716/96

4.1. Alle dieren die een noodslachting ondergaan of bij de ante-mortemkeuring ziek blijken te zijn, worden op BSE getest.

4.2. Alle dieren die ouder zijn dan 42 maanden en na 1 augustus 1996 zijn geboren, worden op BSE getest.

4.3. Een steekproef van ten minste 10000 dieren per jaar die niet onder de punten 4.1 en 4.2 vallen, wordt op BSE getest.

5. Toezicht op andere dieren

Naast de in de punten 2 tot en met 4 bedoelde tests kunnen de lidstaten op vrijwillige basis besluiten andere runderen op hun grondgebied te testen, in het bijzonder als die dieren van oorsprong zijn uit landen met inheemse BSE, zijn gevoederd met mogelijk besmet diervoeder of geboren zijn uit of afstammen van met BSE besmette moederdieren.

6. Maatregelen op grond van het testen

6.1. Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier geselecteerd is om op BSE te worden getest, wordt het in bijlage I, hoofdstuk XI, van Richtlijn 64/433/EEG bedoelde keurmerk pas op het karkas van dat dier aangebracht wanneer de snelle test een negatief resultaat heeft opgeleverd.

6.2. De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.1 afwijken indien er in het slachthuis een officieel systeem bestaat dat garandeert dat geen delen van onderzochte dieren die van een keurmerk zijn voorzien, het slachthuis verlaten voordat met de snelle test een negatief resultaat verkregen is.

6.3. Alle delen van het kadaver van een op BSE getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, worden vernietigd.

6.4. Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, vernietigd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, bedoelde registers.

6.5. Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier bij de snelle test positief blijkt, worden, afgezien van het positieve karkas, ten minste het karkas dat op dezelfde slachtlijn onmiddellijk aan het positieve karkas voorafging en de twee karkassen die onmiddellijk na het positieve dier kwamen, overeenkomstig punt 6.4 vernietigd.

6.6. De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.5 afwijken als er in het slachthuis een systeem bestaat waardoor besmetting tussen karkassen wordt voorkomen.

II. TOEZICHT OP SCHAPEN EN GEITEN

1. Algemeen

Het toezicht op schapen en geiten wordt uitgevoerd met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b).

2. Toezicht op dieren die voor menselijke consumptie worden geslacht

Dieren die ouder zijn dan 18 maanden of waarbij meer dan twee van de blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken, die voor menselijke consumptie worden geslacht, worden getest overeenkomstig de in de tabel aangegeven steekproefgrootte. De bemonstering moet representatief voor elk gebied en elk seizoen zijn. De steekproef moet zodanig worden opgezet dat oververtegenwoordiging van een bepaalde groep ten aanzien van de oorsprong, de soort, de leeftijd, het ras, het productietype of enig ander kenmerk wordt vermeden. De leeftijd van de dieren wordt geschat aan de hand van het gebit, duidelijke tekenen van volgroeidheid of andere betrouwbare informatie. Meervoudige bemonstering van hetzelfde koppel dient zo mogelijk te worden vermeden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Een lidstaat mag een kleiner aantal dieren testen dan in de tabel is aangegeven indien uit de meest recente officiële slachtstatistieken blijkt dat dit aantal overeenkomt met 25 % van het aantal voor de slacht bestemde ooien dat elk jaar in de lidstaat wordt geslacht.

3. Toezicht op dieren die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

Dieren die ouder zijn dan 18 maanden of waarbij meer dan twee van de blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken, en die gestorven of gedood zijn, maar niet

- in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn geslacht,

- voor menselijke consumptie zijn geslacht,

worden getest overeenkomstig de in de tabel aangegeven steekproefgrootte. De bemonstering moet representatief voor elk gebied en elk seizoen zijn. De steekproef moet zodanig worden opgezet dat oververtegenwoordiging van een bepaalde groep ten aanzien van de oorsprong, de soort, de leeftijd, het ras, het productietype of enig ander kenmerk wordt vermeden. De leeftijd van de dieren wordt geschat aan de hand van het gebit, duidelijke tekenen van volgroeidheid of andere betrouwbare informatie. Meervoudige bemonstering van hetzelfde koppel dient zo mogelijk te worden vermeden.

De lidstaten kunnen besluiten afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is en dode dieren niet worden opgehaald, niet te bemonsteren. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie daarvan in kennis en verstrekken haar een lijst van de desbetreffende gebieden. De afwijking mag niet meer dan 10 % van de schapen- en geitenpopulatie in de lidstaat betreffen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Toezicht op besmette koppels

Vanaf 1 oktober 2003 wordt een enkelvoudige aselecte steekproef getest van dieren die ouder zijn dan 12 maanden of waarbij een van de blijvende snijtanden door het tandvlees is gebroken, en die overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII, punt 2, onder b), i) of ii), of onder c), zijn gedood, overeenkomstig de in de tabel aangegeven steekproefgrootte.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5. Toezicht op andere dieren

De lidstaten kunnen naast de in de punten 2, 3 en 4 bedoelde toezichtprogramma's op vrijwillige basis toezicht houden op andere dieren, in het bijzonder:

- dieren die voor de zuivelproductie worden gebruikt,

- dieren van oorsprong uit landen met inheemse TSE's,

- dieren die zijn gevoederd met mogelijk besmet diervoeder,

- dieren die zijn geboren uit of afstammen van met TSE besmette moederdieren,

- dieren uit met een TSE besmette koppels.

6. Maatregelen op grond van het testen van schapen en geiten

6.1. Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier geselecteerd is om op TSE te worden getest, wordt het in bijlage I, hoofdstuk XI, van Richtlijn 64/433/EEG bedoelde keurmerk pas op het karkas van dat dier aangebracht wanneer de snelle test een negatief resultaat heeft opgeleverd.

6.2. De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.1 afwijken indien er in het slachthuis een officieel systeem bestaat dat garandeert dat geen delen van onderzochte dieren die van een keurmerk zijn voorzien, het slachthuis verlaten voordat met de snelle test een negatief resultaat verkregen is.

6.3. Alle delen van het kadaver van een getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, worden vernietigd.

6.4. Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, vernietigd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, punt III, bedoelde registers.

7. Genotypering

7.1. Voor elk positief TSE-geval bij schapen wordt het prioneiwitgenotype bepaald. TSE-gevallen bij resistente genotypes (schapen met genotypes die op beide allelen van codon 136 voor alanine coderen, op beide allelen van codon 154 voor arginine en op beide allelen van codon 171 voor arginine) worden onmiddellijk aan de Commissie gemeld. Indien mogelijk wordt bij die gevallen een stamtypering uitgevoerd. Ingeval stamtypering van dergelijke gevallen niet mogelijk is, wordt op het beslag van oorsprong en alle andere beslagen waarin het dier zich heeft bevonden, intensief toezicht gehouden teneinde andere TSE-gevallen voor stamtypering te vinden.

7.2. Naast de uit hoofde van punt 7.1 gegenotypeerde dieren wordt het prioneiwitgenotype bepaald bij een aselecte deelsteekproef van de schapen die krachtens hoofdstuk A, deel II, punt 2, zijn getest. Deze deelsteekproef maakt ten minste 1 % van de totale steekproef voor elke lidstaat uit en omvat minimaal 100 dieren per lidstaat. In plaats hiervan mogen de lidstaten ook een overeenkomstig aantal levende dieren van vergelijkbare leeftijd genotyperen.

III. TOEZICHT OP ANDERE DIERSOORTEN

De lidstaten kunnen op vrijwillige basis toezicht houden op TSE's bij andere diersoorten dan runderen, schapen en geiten.

HOOFDSTUK B

I. GEGEVENS DIE IN HET VERSLAG VAN DE LIDSTATEN MOETEN STAAN

1. Het aantal verdachte gevallen per diersoort dat overeenkomstig artikel 12, lid 1, aan een verplaatsingsbeperking onderworpen is.

2. Het aantal verdachte gevallen per diersoort dat overeenkomstig artikel 12, lid 2, aan een laboratoriumonderzoek onderworpen is, alsmede het resultaat van het onderzoek.

3. Het aantal koppels waarin verdachte gevallen bij schapen en geiten zijn gemeld en onderzocht overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2.

4. De geschatte omvang van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel I, punten 3 en 4.

5. Het aantal onderzochte runderen van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel I, punten 2 tot en met 5, de methode van de selectie van de bemonstering en het resultaat van de onderzoeken.

6. De geschatte omvang van de subpopulaties, bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 2 en 3, die voor bemonstering geselecteerd zijn.

7. Het aantal onderzochte schapen en geiten en koppels van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 2 tot en met 5, de methode van de selectie van de bemonstering en het resultaat van de onderzoeken.

8. Aantal, leeftijdsverdeling en geografische spreiding van de positieve gevallen van BSE en scrapie. Het land van oorsprong, indien verschillend van het rapporterende land, van positieve gevallen van BSE en scrapie. Aantal en geografische spreiding van koppels waarbij scrapie is geconstateerd. Voor elk BSE-geval moet het geboortejaar en zo mogelijk de geboortemaand worden vermeld.

9. De positieve TSE-gevallen bij andere dieren dan runderen, schapen en geiten.

10. Genotype en zo mogelijk ras van elk dier dat in elke deelsteekproef zoals bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 7.1 en 7.2, is bemonsterd.

II. GEGEVENS DIE IN DE SAMENVATTING VAN DE COMMISSIE MOETEN STAAN

De samenvatting moet tabellen bevatten met ten minste de in deel I bedoelde gegevens van elke lidstaat.

III. REGISTERS

1. De bevoegde autoriteit houdt registers bij, die zeven jaar bewaard worden, van:

- het aantal en de soorten dieren die overeenkomstig artikel 12, lid 1, aan een verplaatsingsbeperking onderworpen zijn;

- het aantal klinische en epizoötiologische onderzoeken zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, en het resultaat daarvan;

- het aantal laboratoriumonderzoeken zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, en het resultaat daarvan;

- aantal, identiteit en oorsprong van de dieren die bemonsterd zijn in het kader van de in hoofdstuk A bedoelde toezichtprogramma's, alsmede zo mogelijk leeftijd, ras en anamnestische informatie;

- het prioneiwitgenotype van positieve TSE-gevallen bij schapen.

2. Het laboratorium waar het onderzoek heeft plaatsgevonden moet alle testgegevens bewaren, met name de werkboeken, paraffineblokken en, indien van toepassing, foto's van Western blots. De registers moeten zeven jaar bewaard worden.

(1) PB 121 van 29.7.1964, blz. 2012/64.

(2) PB L 99 van 20.4.1996, blz. 14."

2. Deel A van bijlage XI wordt vervangen door:

"BIJLAGE XI

IN DE ARTIKELEN 22 EN 23 BEDOELDE OVERGANGSMAATREGELEN

A. Betreffende gespecificeerd risicomateriaal, separatorvlees en slachtmethoden

1. a) a) De onderstaande weefsels worden aangewezen als gespecificeerd risicomateriaal:

i) de schedel, exclusief de onderkaak maar inclusief de hersenen en de ogen, de wervelkolom, exclusief de staartwervels, de dwarsuitsteeksels van de lenden- en borstwervels en de alae sacrales, maar inclusief de achterwortelganglia en het ruggenmerg van runderen van meer dan twaalf maanden, alsmede de amandelen, de darmen vanaf de twaalfvingerige darm tot en met het rectum, en het mesenterium van runderen ongeacht de leeftijd;

ii) de schedel, inclusief de hersenen en de ogen, de amandelen en het ruggenmerg van schapen en geiten van meer dan twaalf maanden of waarbij een van de blijvende snijtanden door het tandvlees is gebroken, en de milt en het ileum van schapen en geiten ongeacht de leeftijd.

De hierboven voor de verwijdering van de wervelkolom van runderen vastgestelde leeftijd kan door wijziging van deze verordening worden aangepast in het licht van de statistische kans dat zich in de betrokken leeftijdsgroepen van de communautaire runderpopulatie een geval van BSE voordoet, op basis van de resultaten van het toezicht op BSE overeenkomstig hoofdstuk A, deel I, van bijlage III.

b) Behalve het onder a) vermelde gespecificeerde risicomateriaal moeten in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, alsmede in Portugal, met uitzondering van de Autonome Regio van de Azoren, de onderstaande weefsels als gespecificeerd risicomateriaal worden aangewezen: de gehele kop, exclusief de tong, maar inclusief de hersenen, de ogen en de ganglia semilunaria; de zwezerik, de milt en het ruggenmerg van runderen van meer dan zes maanden.

2. In afwijking van de bepalingen van punt 1, onder a) i), kan overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 2, het gebruik worden toegestaan van de wervelkolom en achterwortelganglia van runderen:

a) die geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in lidstaten waarvoor blijkens wetenschappelijk onderzoek vaststaat dat het uitbreken van BSE er bij inheemse runderen hoogst onwaarschijnlijk, of onwaarschijnlijk hoewel niet uitgesloten is, of

b) die geboren zijn na het daadwerkelijk van kracht worden van het verbod op het vervoederen van van zoogdieren afkomstige eiwitten aan herkauwers, afkomstig uit lidstaten waar BSE bij inheemse dieren is vastgesteld of waarvoor blijkens wetenschappelijk onderzoek vaststaat dat het uitbreken van BSE er bij inheemse runderen waarschijnlijk is.

Het Verenigd Koninkrijk, Portugal en Zweden kunnen van deze uitzondering gebruikmaken op grond van eerder ingediende en geëvalueerde bewijsstukken. Andere lidstaten kunnen een aanvraag tot deze uitzondering indienen door de Commissie terzake overtuigende bewijsstukken betreffende punt a) of b), als toepasselijk, voor te leggen.

De lidstaten die van deze uitzondering gebruikmaken, moeten naast de in bijlage III, hoofdstuk A, deel I, vastgestelde vereisten tevens garanderen dat alle runderen van meer dan 30 maanden onderzocht worden met een van de goedgekeurde snelle tests zoals opgesomd in bijlage X, hoofdstuk C, punt 4, voorzover deze runderen:

i) op het landbouwbedrijf of tijdens het transport zijn gestorven, doch niet voor menselijke consumptie zijn geslacht, met uitzondering van dode dieren in afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is, en in lidstaten waar het uitbreken van BSE onwaarschijnlijk is;

ii) normaal geslacht zijn met het oog op menselijke consumptie.

Deze uitzondering mag niet worden verleend om het gebruik toe te staan van de wervelkolom en achterwortelganglia van runderen boven 30 maanden uit het Verenigd Koninkrijk en Portugal, met uitzondering van de Autonome Regio van de Azoren.

Deskundigen van de Commissie kunnen overeenkomstig artikel 21 controles ter plaatse uitvoeren om de ingediende bewijsstukken verder te verifiëren.

3. De beenderen van runderen, schapen en geiten mogen niet gebruikt worden voor de productie van separatorvlees.

4. Het na bedwelming beschadigen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, mag niet worden toegepast bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is.

5. Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd in:

a) slachthuizen, of, indien van toepassing, andere slachtplaatsen;

b) uitsnijderijen, in geval van wervelkolommen van runderen;

c) in voorkomend geval, intermediaire bedrijven als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad(1) of krachtens artikel 23, lid 2, onder c), iv), vi) en vii), van die verordening gemachtigde en geregistreerde gebruikers en verzamelcentra.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op categorie 1-materiaal voor het voederen van aasetende vogels overeenkomstig artikel 23, lid 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 1774/2002.

6. Tongen van runderen van alle leeftijden, bestemd voor menselijke of dierlijke consumptie, worden in het slachthuis verzameld door middel van een dwarse snede rostraal van de processus lingualis van het basihyoid.

7. Kopvlees van runderen ouder dan 12 maanden wordt verzameld in slachthuizen, onder toepassing van een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem om eventuele verontreiniging van het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel te voorkomen. Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

- het verzamelen vindt plaats in een speciale ruimte die fysiek van de overige delen van de slachtlijn gescheiden is;

- wanneer de koppen vóór het verzamelen van kopvlees van de transportband of de haken worden genomen, worden de inschotopening en het voorhoofd en het achterhoofdsgat afgesloten met een ondoordringbare, duurzame stop. Wanneer de hersenstam voor laboratoriumtests op BSE wordt bemonsterd, wordt het achterhoofdsgat onmiddellijk na de bemonstering afgesloten;

- kopvlees mag niet worden verzameld van koppen waarvan de ogen onmiddellijk vóór het slachten of daarna beschadigd of verloren gegaan zijn, of die anderszins zodanig beschadigd zijn dat de kop met weefsel van het centrale zenuwstelsel verontreinigd kan zijn;

- kopvlees mag niet worden verzameld van koppen die niet deugdelijk overeenkomstig het tweede streepje zijn afgesloten;

- onverminderd de algemene hygiënevoorschriften zijn er specifieke werkvoorschriften om verontreiniging van het kopvlees tijdens het verzamelen te voorkomen, met name wanneer de in het tweede streepje bedoelde afsluiting ontbreekt of de ogen bij de bewerking worden beschadigd;

- er is een bemonsteringsplan voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd.

8. In afwijking van de voorschriften van punt 7 kunnen de lidstaten besluiten in het slachthuis een alternatief controlesysteem voor het verzamelen van kopvlees van runderen toe te passen waarmee verontreiniging van kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel op gelijkwaardige wijze wordt beperkt. Er is een bemonsteringsplan voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, informeren de Commissie en de overige lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid over hun controlesysteem en de resultaten van de bemonstering.

9. Het bepaalde in de punten 7 en 8 is niet van toepassing op het verzamelen van de tong overeenkomstig punt 6, noch op het verzamelen van wangvlees in het slachthuis indien dat gebeurt zonder de runderkop van de transportband of de haken te nemen.

10. In afwijking van de punten 5 en 7 kunnen de lidstaten het volgende toestaan:

a) het verwijderen van het ruggenmerg van schapen en geiten in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen;

b) het verwijderen van de wervelkolom van karkassen of delen van karkassen in speciaal daarvoor erkende, gecontroleerde en geregistreerde slagerijen;

c) het verzamelen van kopvlees van runderen in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen overeenkomstig de volgende bepalingen:

runderkoppen bestemd om te worden vervoerd naar uitsnijderijen die speciaal erkend zijn voor het verzamelen van kopvlees, voldoen aan de volgende voorschriften:

- de koppen worden tijdens de opslag en het vervoer naar de speciaal erkende uitsnijderij aan een rek gehangen;

- voordat de koppen van de transportband of de haken aan de rekken worden gehangen, worden de inschotopening in het voorhoofd en het achterhoofdsgat deugdelijk afgesloten met een ondoordringbare, duurzame stop. Wanneer de hersenstam voor laboratoriumtests op BSE wordt bemonsterd, wordt het achterhoofdsgat onmiddellijk na de bemonstering afgesloten;

- koppen die niet deugdelijk overeenkomstig het tweede streepje zijn afgesloten, waarvan de ogen onmiddellijk vóór het slachten of daarna beschadigd of verloren gegaan zijn of die anderszins zodanig beschadigd zijn dat de kop met weefsel van het centrale zenuwstelsel verontreinigd kan zijn, mogen niet naar de speciaal erkende uitsnijderijen worden vervoerd;

- er is een bemonsteringsplan voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd.

Kopvlees van runderen wordt verzameld in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen onder toepassing van een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem om eventuele verontreiniging van het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel te voorkomen. Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

- alle koppen worden visueel gecontroleerd op tekenen van verontreiniging of beschadiging, alsmede op deugdelijke afsluiting, voordat met het verzamelen van het kopvlees wordt begonnen;

- kopvlees mag niet worden verzameld van koppen die niet deugdelijk zijn afgesloten, waarvan de ogen beschadigd zijn, of die anderszins zodanig beschadigd zijn dat de kop met weefsel van het centrale zenuwstelsel verontreinigd kan zijn. Evenmin mag kopvlees worden verzameld van koppen waarvan vermoed wordt dat ze door bovenbedoelde koppen zijn verontreinigd;

- onverminderd de algemene hygiënevoorschriften zijn er specifieke werkvoorschriften om verontreiniging van het kopvlees tijdens het vervoer en het verzamelen te voorkomen, met name wanneer de afsluiting ontbreekt of de ogen tijdens het vervoer of het verzamelen worden beschadigd;

- er is een bemonsteringsplan voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd.

11. Al het gespecificeerde risicomateriaal wordt bij verwijdering onmiddellijk met een kleurstof of, in voorkomend geval, met een merkstof, gemerkt en wordt verwijderd overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1774/2002, en met name artikel 4, lid 2, daarvan.

12. De lidstaten verrichten frequent officiële controles om na te gaan of dit deel correct wordt uitgevoerd en zien erop toe dat er maatregelen worden getroffen om verontreiniging te vermijden, met name in slachthuizen, uitsnijderijen en andere locaties waar gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd, zoals slagerijen en inrichtingen als bedoeld in punt 5, onder c).

De lidstaten voeren met name een regeling in om te waarborgen en te controleren dat:

a) gespecificeerd risicomateriaal dat wordt gebruikt voor doeleinden die krachtens artikel 1, lid 2, en Verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn toegestaan, uitsluitend voor die toegestane doeleinden wordt gebruikt;

b) gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

13. De lidstaten kunnen toestaan dat er koppen of karkassen met gespecificeerd risicomateriaal naar een andere lidstaat worden vervoerd als deze daarmee en met de specifieke voorwaarden waaronder dit vervoer moet plaatsvinden, heeft ingestemd.

Karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, kunnen evenwel in een lidstaat worden ingevoerd of zonder voorafgaande toestemming van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verzonden.

14. Er wordt een controlesysteem ingevoerd voor de verwijdering van de wervelkolom, als omschreven in punt 1, onder a), i). Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

a) wanneer de wervelkolom niet hoeft te worden verwijderd, worden karkassen van runderen, die de wervelkolom bevatten, of delen daarvan gekenmerkt door middel van een blauwe streep op het in Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket;

b) in het in artikel 3, lid 1, punt A, onder f) ii), van Richtlijn 64/433/EEG bedoelde handelsdocument of het in artikel 1, lid 2, van Beschikking 93/13/EEG van de Commissie(2) bedoelde document, al naar het geval, wordt specifiek het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waarvan de wervelkolom moet worden verwijderd en het aantal runderkarkassen of delen daarvan waarbij dit niet hoeft te gebeuren;

c) de slagerijen bewaren de in onder b) genoemde handelsdocumenten gedurende ten minste één jaar.

15. a) Op de onderstaande producten van dierlijke oorsprong zijn bij invoer in de Gemeenschap de onder b) vermelde voorwaarden van toepassing:

- het in punt 1, onder a), bedoelde gespecificeerd risicomateriaal;

- "vers vlees": vlees zoals omschreven in Richtlijn 64/433/EEG;

- "gehakt vlees en vleesbereidingen": gehakt vlees en vleesbereidingen zoals omschreven in Richtlijn 94/65/EG(3);

- "vleesproducten": vleesproducten zoals omschreven in Richtlijn 77/99/EEG(4);

- "andere producten van dierlijke oorsprong": andere producten van dierlijke oorsprong zoals omschreven in Richtlijn 77/99/EEG;

- "gesmolten vet" zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002;

- "gelatine" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG en Verordening (EG) nr. 1774/2002;

- "voeder voor gezelschapsdieren" zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002;

- "bloedproducten" zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002;

- "verwerkte dierlijke eiwitten" zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002;

- "beenderen en producten uit beenderen" zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002;

- "categorie 3-materiaal" zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002.

De verwijzingen naar "producten van dierlijke oorsprong" gelden alleen voor de in dit punt opgesomde producten van dierlijke oorsprong, en hebben geen betrekking op andere producten van dierlijke oorsprong die dergelijke producten van dierlijke oorsprong bevatten of daarvan afkomstig zijn.

b) Wanneer bovenstaande producten van dierlijke oorsprong die van runderen, schapen of geiten afkomstig materiaal bevatten uit derde landen of gebieden daarvan in de Gemeenschap worden ingevoerd, dient het voorgeschreven gezondheidscertificaat vergezeld te gaan van de onderstaande, door de bevoegde autoriteit van het land van productie ondertekende verklaring:

"Dit product bevat geen materiaal zoals hieronder omschreven en is daar niet van afkomstig:

hetzij(5)

na 31 maart 2001 geproduceerd gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage XI, deel A, van Verordening (EG) nr. 999/2001, of na 31 maart 2001 geproduceerd separatorvlees van beenderen van runderen, schapen of geiten. Dit product is niet afgeleid van runderen, schapen of geiten die na 31 maart 2001 zijn geslacht met gebruikmaking van de methode waarbij de dieren worden bedwelmd of onmiddellijk gedood door middel van een gasinjectie in de schedelholte, of waarbij, na bedwelming van het dier, het weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang en staafvormig, in de schedelholte ingebracht instrument wordt beschadigd.

Karkassen, halve karkassen en voor- en achtervoeten kunnen bij de invoer (delen van) de wervelkolom bevatten;

hetzij(6)

materiaal afkomstig van runderen, schapen en geiten, die niet geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in de volgende landen:

- Argentinië

- Australië

- Botswana

- Brazilië

- Chili

- Costa Rica

- El Salvador

- IJsland

- Namibië

- Nieuw-Zeeland

- Nicaragua

- Panama

- Paraguay

- Singapore

- Swaziland

- Uruguay

- Vanuatu."

(1) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

(2) PB L 9 van 15.1.1993, blz. 3.

(3) Richtlijn 94/65/EG van de Raad van 14 december 1994 tot vaststelling van voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van gehakt vlees en vleesbereidingen (PB L 368 van 31.12.1994, blz. 10).

(4) Richtlijn 77/99/EEG van de Raad van 21 december 1976 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesproducten (PB L 26 van 31.1.1977, blz. 85). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/76/EG van de Raad (PB L 10 van 16.1.1998, blz. 25).

(5) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(6) Doorhalen wat niet van toepassing is."