32003E0468

Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad van 23 juni 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens

Publicatieblad Nr. L 156 van 25/06/2003 blz. 0079 - 0080


Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad

van 23 juni 2003

over het toezicht op de tussenhandel in wapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij de uitvoering van de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer zijn de lidstaten overeengekomen het probleem van het toezicht op de tussenhandel in wapens aan te pakken.

(2) De lidstaten hebben hun besprekingen over wapenhandel en tussenhandel voortgezet en geïntensiveerd en overeenstemming bereikt over een aantal bepalingen om via nationale wetgeving toezicht te houden op deze activiteiten, zoals hierna uiteengezet.

(3) De meeste lidstaten hebben reeds nationale wetgeving ter zake of zijn bezig die aan te nemen.

(4) In het vierde jaarverslag zijn de lidstaten, overeenkomstig uitvoeringsbepaling nr. 8 van de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer, overeengekomen de besprekingen op het gebied van de tussenhandel in wapens voort te zetten op basis van de bepalingen die reeds zijn aangenomen, met het oog op de aanneming van een gemeenschappelijk standpunt over dit onderwerp.

(5) In het Wassenaar Arrangement hebben de deelnemende staten een akkoord bereikt over een verklaring van overeenstemming om de aanneming van nationale maatregelen ter regulering van de tussenhandel in wapens te overwegen.

(6) Het Programma van de Verenigde Naties inzake handvuurwapens en lichte wapens draagt de staten op adequate nationale wet- en regelgeving tot stand te brengen om de tussenhandel in handvuurwapens en lichte wapens te reguleren, en verdere stappen te nemen om de internationale samenwerking te verbeteren bij het voorkomen, bestrijden en uitroeien van illegale tussenhandel in handvuurwapens en lichte wapens.

(7) Het VN-Protocol tot bestrijding van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, eist dat de staten die partij zijn bij dat protocol een systeem instellen tot regulering van de activiteiten van degenen die zich bezighouden met de tussenhandel in wapens,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Het doel van dit gemeenschappelijk standpunt is toezicht te houden op de tussenhandel in wapens, teneinde te voorkomen dat de wapenembargo's van de VN, de EU of de OVSE, alsmede de criteria van de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer, worden omzeild.

2. Teneinde dat doel te bereiken zorgen de lidstaten ervoor dat hun bestaande of toekomstige nationale wetgeving met betrekking tot de tussenhandel in wapens in overeenstemming is met de bepalingen die hieronder zijn uiteengezet.

Artikel 2

1. De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om toezicht te houden op de tussenhandel in wapens die op hun grondgebied plaatsvindt. De lidstaten worden ook aangespoord om toezicht te houden op de tussenhandel in wapens die buiten hun grondgebied wordt gedreven door op hun grondgebied verblijvende of gevestigde tussenhandelaren met hun nationaliteit.

2. De lidstaten scheppen ook een duidelijk rechtskader voor de legale tussenhandel.

3. Voor de toepassing van lid 1, wordt onder tussenhandel verstaan de activiteiten van personen en entiteiten:

- die onderhandelen over transacties of transacties tot stand brengen die betrekking kunnen hebben op de overdracht van goederen die voorkomen op de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, van een derde land naar een ander derde land;

of

- die dergelijke goederen, welke zij in hun bezit hebben, kopen, verkopen of overdragen, van een derde land naar een ander derde land.

Dit lid laat onverlet dat een lidstaat in zijn nationale wetgeving onder tussenhandel ook kan verstaan de gevallen waarin dergelijke goederen worden uitgevoerd vanaf zijn eigen grondgebied of vanaf het grondgebied van een andere lidstaat.

Artikel 3

1. Voor tussenhandel moet een vergunning of schriftelijke machtiging worden verkregen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de tussenhandel plaatsvindt en, indien vereist door de nationale wetgeving, waar de tussenhandelaar verblijft of gevestigd is. De lidstaten beoordelen de aanvragen voor een vergunning of schriftelijke machtiging voor specifieke tussenhandel op grond van de bepalingen van de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer.

2. De lidstaten houden gedurende minimaal tien jaar een register bij van alle personen en entiteiten die een vergunning hebben gekregen onder de voorwaarden van lid 1.

Artikel 4

1. De lidstaten kunnen ook eisen dat tussenhandelaren een schriftelijke machtiging verkrijgen om op te treden als tussenhandelaar, en zij kunnen een register van tussenhandelaren invoeren. Registratie of machtiging om als tussenhandelaar op te treden betekent in geen geval dat de eis vervalt om voor elke transactie de noodzakelijke vergunning of schriftelijke machtiging te verkrijgen.

2. Bij de beoordeling van aanvragen voor schriftelijke vergunningen om als tussenhandelaar op te treden, of aanvragen voor registratie, kunnen de lidstaten onder andere rekening houden met alle gegevens over de betrokkenheid van de verzoeker bij illegale activiteiten in het verleden.

Artikel 5

1. De lidstaten zetten een systeem op voor de uitwisseling van informatie over de tussenhandel, onderling en in voorkomend geval met derde staten. Er wordt een specifieke regeling voor deze informatie-uitwisseling getroffen. Deze regeling houdt met name rekening met gevallen waarin verscheidene lidstaten betrokken zijn bij het toezicht op dezelfde tussenhandeltransacties.

2. Er wordt informatie uitgewisseld op, onder andere, de volgende gebieden:

- wetgeving

- geregistreerde tussenhandelaren (indien van toepassing)

- gegevens over tussenhandelaren

- weigeringen van verzoeken om registratie (indien van toepassing) en verzoeken om vergunningen.

Artikel 6

Elke lidstaat stelt passende sancties vast, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, om ervoor te zorgen dat het toezicht op de tussenhandel daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

Artikel 7

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 8

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2003.

Voor de Raad

De voorzitter

G. Papandreou