32003C0929(01)

Verklaringen waarin wordt voorzien bij artikel 31, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

Publicatieblad Nr. L 246 van 29/09/2003 blz. 0001 - 0001


Verklaringen waarin wordt voorzien bij artikel 31, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(1)

Verklaring van Denemarken

De tussen de Noordse staten vigerende eenvormige wetgeving maakt het mogelijk de voorschriften van het kaderbesluit in de meeste gevallen te verlengen en te verruimen en helpt de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, verder te vereenvoudigen en te vergemakkelijken. Denemarken, Finland en Zweden zullen derhalve de tussen hen vigerende wetgeving blijven toepassen (in Denemarken: de Noordse uitleveringswet (Wet nr. 27 van 3 februari 1960, als gewijzigd bij Wet nr. 251 van 12 juni 1975, Wet nr. 433 van 31 mei 2000 en Wet nr. 378 van 6 juni 2002)), voorzover bij die wetgeving de voorschriften van het kaderbesluit kunnen worden verlengd of verruimd en die wetgeving de procedures voor de uitlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, helpt te vereenvoudigen of verder te vergemakkelijken.

Verklaring van Finland

De tussen de Noordse staten vigerende eenvormige wetgeving maakt het mogelijk de voorschriften van het kaderbesluit in de meeste gevallen te verlengen en te verruimen en helpt de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, verder te vereenvoudigen en te vergemakkelijken. Denemarken, Finland en Zweden zullen derhalve de tussen hen vigerende wetgeving blijven toepassen (in Finland: de Noordse uitleveringswet (nr. 270 van 1960)), voorzover bij die wetgeving de voorschriften van het kaderbesluit kunnen worden verlengd of verruimd en die wetgeving de procedures voor de uitlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, helpt te vereenvoudigen of verder te vergemakkelijken.

Verklaring van Zweden

De tussen de Noordse staten vigerende eenvormige wetgeving maakt het mogelijk de voorschriften van het kaderbesluit in de meeste gevallen te verlengen en te verruimen en helpt de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, verder te vereenvoudigen en te vergemakkelijken. Denemarken, Finland en Zweden zullen derhalve de tussen hen vigerende wetgeving blijven toepassen (in Zweden: de Wet (nr. 254 van 1959) met betrekking tot de uitlevering van personen aan Denemarken, Finland, IJsland en Noorwegen wegens strafbare feiten), voorzover bij die wetgeving de voorschriften van het kaderbesluit kunnen worden verlengd of verruimd en die wetgeving de procedures voor de uitlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, helpt te vereenvoudigen of verder te vergemakkelijken.

(1) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.