31999R0307

Verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 met het oog op de uitbreiding ervan tot studenten

Publicatieblad Nr. L 038 van 12/02/1999 blz. 0001 - 0005


VERORDENING (EG) Nr. 307/1999 VAN DE RAAD van 8 februari 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 met het oog op de uitbreiding ervan tot studenten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 51 en 235,

Gezien het voorstel van de Commissie (1), ingediend na raadpleging van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers,

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(1) Overwegende dat in artikel 3, onder c), van het Verdrag bepaald is dat de activiteit van de Gemeenschap, onder de in het Verdrag vastgestelde voorwaarden, de verwijdering tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen omvat;

(2) Overwegende dat in artikel 7 A van het Verdrag bepaald is dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal gewaarborgd is volgens de bepalingen van het Verdrag;

(3) Overwegende dat de Raad, om het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen tot stand te brengen en de hinderpalen te verwijderen die zouden ontstaan indien op het gebied van de sociale zekerheid alleen maar nationale wettelijke regelingen werden toegepast, op grond van de artikelen 51 en 235 van het Verdrag zijn goedkeuring gehecht heeft aan Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (4) en aan Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (5);

(4) Overwegende dat de materiële werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 daarenboven zodanig moet worden uitgebreid dat in principe de bijzondere stelsels voor studenten daarin worden opgenomen;

(5) Overwegende dat de toepassing van uitsluitend nationale wetgevingen op het gebied van sociale zekerheid onvoldoende bescherming biedt aan studenten die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; dat het, teneinde het vrije verkeer van personen volledig te verwezenlijken, noodzakelijk is de voor hen geldende socialezekerheidsstelsels op elkaar af te stemmen;

(6) Overwegende dat het billijkheidshalve nodig is op studenten de specifieke regels toe te passen die gelden voor werknemers en zelfstandigen; dat deze regels, omwille van de eenvoud en de duidelijkheid, moeten worden toegevoegd aan de vigerende bepalingen voor werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden;

(7) Overwegende dat het noodzakelijk is een aantal wijzigingen aan te brengen in Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72, teneinde de bepalingen van deze verordeningen toe te passen op studenten die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokkenen en met de bijzondere kenmerken van de stelsels waarbij zij zijn aangesloten en de prestaties waarop zij recht hebben;

(8) Overwegende dat, hoewel het gezien de specifieke positie van studenten niet mogelijk is gebleken regels betreffende de toepasselijke wetgeving op te stellen, toch zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat er een dubbele bijdrage wordt betaald of dat er een dubbel recht op prestaties ontstaat;

(9) Overwegende dat in verband met de wijzigingen in het dispositief van Verordening (EEG) nr. 1408/71 bijlage VI van de verordening aangepast moeten worden;

(10) Overwegende dat de specifieke situatie van Luxemburg, waar alle studenten die in het buitenland studeren recht op gezondheidszorg hebben, rechtvaardigt dat deze studenten automatisch worden vrijgesteld van de aansluiting bij een ziektekostenverzekering in het land waar ze studeren;

(11) Overwegende dat het vanwege de specifieke situatie van studenten niet mogelijk is geweest een alomvattend stelsel voor de coördinatie van de rechten van studenten op het gebied van sociale zekerheid op communautair niveau op te zetten, met name wat betreft de invaliditeitsuitkeringen voor studenten; dat de socialezekerheidsuitkeringen waarvoor studenten in aanmerking komen, van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk uiteenlopen, met name wat betreft de speciale niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die bedoeld zijn als bijdrage in de bijkomende kosten die voortvloeien uit de behoeften aan verzorging en mobiliteit van gehandicapten; dat het Hof van Justitie heeft erkend dat gedetailleerde voorschriften voor het toekennen van bepaalde uitkeringen nauw verbonden zijn met een specifieke economische en sociale context; dat een beperkte afwijking van de voorschriften inzake de coördinatie van tijdvakken zoals bedoeld in artikel 10 bis, lid 2, derhalve gerechtvaardigd is;

(12) Overwegende dat het Verdrag niet voorziet in specifieke bevoegdheden om passende maatregelen te nemen op het gebied van de sociale zekerheid van studenten en dat derhalve een beroep op artikel 235, naast artikel 51, verantwoord is;

(13) Overwegende dat deze verordening geen afbreuk doet aan de voorwaarden die in Richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 (6) zijn gesteld inzake het verblijfsrecht van studenten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a) het volgende punt worden ingevoegd na punt c):

"c bis) wordt onder "student" verstaan iedere andere persoon dan een werknemer of een zelfstandige of een lid van diens gezin of een nagelaten betrekking in de zin van deze verordening, die een studie of een beroepsopleiding volgt welke leidt tot een door de instanties van een lidstaat officieel erkende kwalificatie, en die verzekerd is in een algemeen stelsel van sociale zekerheid of in een bijzonder stelsel van sociale zekerheid dat op studenten van toepassing is;";b) in punt f), i) en ii), worden de woorden "werknemer of zelfstandige" vervangen door de woorden "werknemer, zelfstandige of student";

2. artikel 2 wordt vervangen door:

"Artikel 2

Personele werkingssfeer

1. Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.

2. Deze verordening is van toepassing op de nagelaten betrekkingen van werknemers of zelfstandigen en van studenten, op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is geweest, ongeacht de nationaliteit van deze personen, wanneer hun nagelaten betrekkingen onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn.";3. in artikel 9 bis worden in de Duitse tekst de woorden "der Arbeitnehmer oder Selbständige" vervangen door de woorden "die Person";

4. in artikel 10, lid 2, worden de woorden "als werknemer of zelfstandige" geschrapt;

5. artikel 22 quater wordt geschrapt;

6. in hoofdstuk 1 van titel III wordt tussen afdeling 5 en afdeling 6 de volgende tekst ingevoegd:

"Afdeling 5 bis

Personen die een studie of een beroepsopleiding volgen en hun gezinsleden

Artikel 34 bis

Bijzondere regels voor studenten en hun gezinsleden

Artikel 18, artikel 19, artikel 22, lid 1, onder a) en c), de tweede alinea van artikel 22, lid 2, artikel 22, lid 3, artikel 23, artikel 24, en de afdelingen 6 en 7, zijn van overeenkomstige toepassing op studenten en hun gezinsleden.

Artikel 34 ter

Gemeenschappelijke bepalingen

Een persoon, zoals bedoeld in artikel 22, leden 1 en 3, en in artikel 34 bis, die in een andere dan de bevoegde lidstaat verblijft om daar een studie of een beroepsopleiding te volgen die tot een door de nationale overheid van een lidstaat erkend officieel attest leidt, alsmede de gezinsleden die hem tijdens de duur van zijn verblijf vergezellen, kunnen de bepalingen van artikel 22, lid 1, onder a), doen gelden wanneer gedurende het verblijf op het grondgebied van de lidstaat waar deze persoon zijn studie of opleiding volgt, prestaties moeten worden verleend.";7. in artikel 35, lid 3, worden de woorden "niet gesteld worden aan de werknemers of zelfstandigen of hun gezinsleden" vervangen door de woorden "niet gesteld worden aan de personen";

8. aan hoofdstuk 4 van titel III wordt de volgende afdeling 5 toegevoegd:

"Afdeling 5

Studenten

Artikel 63 bis

De afdelingen 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op studenten.";9. het volgende artikel wordt toegevoegd:

"Artikel 66 bis

Studenten

De artikelen 64, 65 en 66 zijn van overeenkomstige toepassing op studenten en hun gezinsleden.";10. het volgende artikel 76 bis wordt toegevoegd:

"Artikel 76 bis

Studenten

Artikel 72 is van overeenkomstige toepassing op studenten.";11. het volgende artikel 95 quinquies wordt toegevoegd:

"Artikel 95 quinquies

Overgangsbepalingen voor studenten

1. Studenten, hun gezinsleden en hun nabestaanden kunnen aan deze verordening geen enkel recht ontlenen voor een tijdvak vóór 1 mei 1999.

2. Voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering alsmede, eventueel, met elk tijdvak van arbeid, van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden of van wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór 1 mei 1999 is vervuld.

3. Onverminderd lid 1 kunnen aan deze verordening ook rechten worden ontleend die verband houden met een gebeurtenis van vóór 1 mei 1999.

4. Elke uitkering die niet is vastgesteld of die geschorst is in verband met de nationaliteit van de betrokkene of met diens woonplaats, wordt op verzoek van de betrokkene vastgesteld of hervat met ingang van 1 mei 1999, mits de vroeger vastgestelde rechten niet in de vorm van een afkoopsom vereffend zijn.

5. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek binnen twee jaar na 1 mei 1999 wordt ingediend, worden de rechten die studenten, hun gezinsleden en hun nabestaanden aan deze verordening ontlenen met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige lidstaat met betrekking tot het verval of de verjaring van de rechten op de betrokkenen toegepast kunnen worden.

6. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek na afloop van een termijn van twee jaar na 1 mei 1999 wordt ingediend, worden de niet vervallen of verjaarde rechten verkregen met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, tenzij gunstiger wettelijke bepalingen van enige lidstaat van toepassing zijn.";12. bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a) aan afdeling "D. SPANJE" wordt het volgende punt toegevoegd:

"9. Het Spaanse bijzondere stelsel voor studenten ("Seguro Escolar") is, wat de erkenning van het recht op uitkering betreft, niet gebaseerd op de vervulling van tijdvakken van verzekering, arbeid en wonen zoals omschreven in artikel 1, onder r), s), en s bis), van de verordening. De Spaanse instellingen kunnen de betrokken getuigschriften voor het samentellen van tijdvakken dus niet afgeven.

Een en ander neemt niet weg dat het Spaanse bijzondere stelsel voor studenten onder dezelfde voorwaarden als voor studenten van Spaanse nationaliteit van toepassing is op onderdanen van andere lidstaten die in Spanje studeren.";b) aan afdeling "I. LUXEMBURG", wordt het volgende punt toegevoegd:

"8. Personen die in het Groothertogdom Luxemburg in het genot zijn van een ziektekostenverzekering en die in een andere lidstaat studeren zijn vrijgesteld van de aansluiting als student uit hoofde van de wetgeving van het land van studie.";c) aan afdeling "O. VERENIGD KONINKRIJK" wordt het volgende punt toegevoegd:

"21. Wat betreft studenten of de leden van het gezin of nagelaten betrekkingen van een student is artikel 10 bis, lid 2, van de verordening niet van toepassing op uitkeringen die uitsluitend bedoeld zijn voor de specifieke bescherming van gehandicapten.".

Artikel 2

Artikel 120 van Verordening (EEG) nr. 574/72 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Artikel 120

Personen die een studie of een beroepsopleiding volgen

De bepalingen van deze verordening zijn, met uitzondering van de artikelen 10 en 10 bis, naar gelang van het geval van overeenkomstige toepassing op studenten.".

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 februari 1999.

Voor de Raad

De Voorzitter

O. LAFONTAINE

(1) PB C 46 van 20. 2. 1992, blz. 1.

(2) PB C 94 van 13. 4. 1992, blz. 326.

(3) PB C 98 van 21. 4. 1992, blz. 4.

(4) PB L 149 van 5. 7. 1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1606/98 (PB L 209 van 25. 7. 1998, blz. 1).

(5) PB L 74 van 27. 3. 1972, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1606/98 (PB L 209 van 25. 7. 1998, blz. 1).

(6) PB L 317 van 18. 12. 1993, blz. 59.