31999L0062

Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

Publicatieblad Nr. L 187 van 20/07/1999 blz. 0042 - 0050


RICHTLIJN 1999/62/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 juni 1999

betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1, en artikel 93,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

(1) Overwegende dat de opheffing van concurrentieverstoringen tussen de vervoersondernemingen van de lidstaten zowel harmonisatie van de heffingsstelsels als invoering van rechtvaardige mechanismen voor de toerekening aan vervoersondernemers van de infrastructuurkosten vooropstelt;

(2) Overwegende dat deze doelstellingen slechts in fasen kunnen worden bereikt;

(3) Overwegende dat met de vaststelling van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën(5) en van Richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën(6) reeds een bepaalde mate van harmonisatie op het gebied van de brandstofaccijnzen is verwezenlijkt;

(4) Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 5 juli 1995 in zaak C-21/94, Parlement/Raad(7) Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten(8) nietig heeft verklaard, terwijl het de gevolgen van die richtlijn heeft gehandhaafd tot de Raad een nieuwe richtlijn zal hebben vastgesteld; dat Richtlijn 93/89/EEG derhalve door de onderhavige richtlijn wordt vervangen;

(5) Overwegende dat de aanpassing van de nationale heffingsstelsels onder de huidige omstandigheden moet worden beperkt tot bedrijfsvoertuigen die een bepaald totaalgewicht overschrijden;

(6) Overwegende dat het dienstig is daartoe voor de thans in de lidstaten toegepaste belastingen op voertuigen of voor de belastingen die voor deze belastingen in de plaats mochten komen, minimumtarieven vast te stellen;

(7) Overwegende dat het gebruik van milieu- en wegvriendelijker voertuigen moet worden aangemoedigd door de gehanteerde economische instrumenten meer te differentiëren, voorzover de werking van de interne markt hiervan geen hinder ondervindt;

(8) Overwegende dat aan bepaalde lidstaten een periode moet worden toegekend waarin zij van de minimumtarieven mogen afwijken, teneinde de aanpassing aan de vereisten van deze richtlijn te vergemakkelijken;

(9) Overwegende dat voor bepaalde vormen van plaatselijk binnenlands vervoer die van geringe betekenis zijn voor de communautaire vervoersmarkt, thans verlaagde tarieven van de belasting op voertuigen gelden; dat, teneinde een harmonieuze overgang mogelijk te maken, de lidstaten moeten worden gemachtigd tijdelijk van de minimumtarieven af te wijken;

(10) Overwegende dat de lidstaten moeten worden gemachtigd voor voertuigen waarvan het gebruik waarschijnlijk geen weerslag op de vervoersmarkt van de Gemeenschap zal hebben, lagere tarieven of vrijstellingen van belasting op voertuigen toe te passen;

(11) Overwegende dat met het oog op een aantal bijzondere situaties een procedure moet worden vastgesteld om de lidstaten te machtigen vrijstellingen of lagere tarieven langer te handhaven;

(12) Overwegende dat de bestaande concurrentievervalsingen niet louter door harmonisatie van belastingen of brandstofaccijnzen kunnen worden opgeheven, maar in afwachting van in technisch en economisch opzicht geschiktere heffingsvormen wel kunnen worden afgezwakt door de mogelijkheid tolgelden en/of gebruiksrechten voor het gebruik van autosnelwegen te handhaven of in te voeren; dat de lidstaten bovendien gemachtigd moeten worden heffingen op te leggen voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpassen;

(13) Overwegende dat het, gezien de specifieke omstandigheden op bepaalde alpenroutes, voor een lidstaat nuttig kan zijn op een welbepaald traject van zijn autosnelwegennet af te zien van toepassing van het gebruiksrecht en in plaats daarvan een recht voor het gebruik van de infrastructuur te kunnen heffen;

(14) Overwegende dat tolgelden en gebruiksrechten noch discriminerend mogen zijn, noch buitensporige formaliteiten mogen meebrengen en evenmin tot belemmeringen aan de binnengrenzen mogen leiden; dat er derhalve toereikende maatregelen moeten worden getroffen om betaling van tolgelden en gebruiksrechten te allen tijde en met verschillende betaalmiddelen mogelijk te maken;

(15) Overwegende dat de gebruiksrechtentarieven gerelateerd moeten zijn aan de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuren en moeten worden gedifferentieerd naar gelang de door de wegvoertuigen veroorzaakte werkelijke kosten;

(16) Overwegende dat op in Griekenland geregistreerde voertuigen tijdelijk lagere gebruiksrechtentarieven moeten worden toegepast om rekening te houden met problemen die voortvloeien uit de geopolitieke situatie van Griekenland;

(17) Overwegende dat, teneinde een eenvormige toepassing van de gebruiksrechten en de tolgelden te waarborgen, bepaalde regels dienen te worden vastgesteld om de voorwaarden voor toepassing ervan te bepalen, zoals de kenmerken van de infrastructuurvoorzieningen waarop de gebruiksrechten en tolgelden worden toegepast, de maxima van bepaalde tarieven en andere algemene voorwaarden waaraan moet worden voldaan; dat de gewogen gemiddelde toltarieven gerelateerd moeten zijn aan de kosten voor de aanleg, de exploitatie en de uitbreiding van het betrokken infrastructuurnet;

(18) Overwegende dat de lidstaten een gebruiks- of toltarief mogen aanwenden voor de bescherming van het milieu en voor een evenwichtige uitbreiding van de vervoersnetten, mits dat percentage wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn;

(19) Overwegende dat de in deze richtlijn genoemde bedragen die zijn uitgedrukt in de nationale munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen, op 1 januari 1999 zullen worden vastgesteld als de waarde van de euro wordt bepaald volgens Verordening (EG) nr. 2866/98 van de Raad van 31 december 1998 over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen(9); dat de lidstaten die de euro niet aannemen de in deze richtlijn genoemde bedragen jaarlijks in hun nationale munteenheden moeten omrekenen en deze, in voorkomend geval, moeten aanpassen om rekening te houden met veranderingen in de wisselkoersen; dat de jaarlijkse aanpassing van de nationale munteenheden niet verplicht is indien de uit de toepassing van de nieuwe wisselkoersen voortvloeiende verandering lager is dan een bepaald percentage;

(20) Overwegende dat het territorialiteitsbeginsel moet worden toegepast; dat twee of meer lidstaten met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten kunnen samenwerken, mits aan bepaalde bijkomende voorwaarden wordt voldaan;

(21) Overwegende dat in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel de onderhavige richtlijn overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van het Verdrag niet verder gaat dan wat nodig is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken;

(22) Overwegende dat, met het oog op de herziening van de bepalingen van deze richtlijn en een eventuele aanpassing daarvan teneinde een meer territoriaal gericht heffingssysteem te ontwikkelen, een strak tijdschema dient te worden vastgesteld,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Deze richtlijn is van toepassing op de belastingen op voertuigen, tolgelden en gebruiksrechten die worden geheven op voertuigen zoals omschreven in artikel 2.

Deze richtlijn geldt niet voor voertuigen die uitsluitend vervoer verrichten binnen de niet-Europese grondgebieden van de lidstaten.

Zij geldt evenmin voor voertuigen die geregistreerd zijn op de Canarische Eilanden, in Ceuta en Melilla en op de Azoren en Madeira, en uitsluitend vervoer verrichten binnen die grondgebieden of tussen die grondgebieden en het vasteland van Spanje, respectievelijk Portugal.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "autosnelweg": een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder zijwegen naar aanliggende percelen, en die

i) behalve op bepaalde plaatsen of bepaalde tijden, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer bestemd is, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;

ii) geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad gelijkvloers kruist; en

iii) door specifieke verkeerstekens als autosnelweg aangeduid is;

b) "tolgeld": een bedrag dat wordt betaald voor een met een voertuig tussen twee punten van een van de in artikel 7, lid 2, bedoelde infrastructuurvoorzieningen afgelegd traject en dat is gebaseerd op de afgelegde afstand en op de categorie van het voertuig;

c) "gebruiksrecht": een bedrag dat recht geeft om met een voertuig gedurende een bepaalde tijd gebruik te maken van de in artikel 7, lid 2, bedoelde infrastructuurvoorzieningen;

d) "voertuig": een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht ten minste 12 ton bedraagt;

e) "Euro I-voertuig": een voertuig met de kenmerken vastgelegd in regel A van de tabel in punt 8.3.1.1 van bijlage I bij Richtlijn 88/77/EEG van de Raad van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van gasvormige verontreinigingen door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen(10);

f) "Euro II-voertuig": een voertuig met de kenmerken, vastgelegd in regel B van de tabel in punt 8.3.1.1 van bijlage I bij Richtlijn 88/77/EEG.

HOOFDSTUK II

Belastingen op voertuigen

Artikel 3

1. De in artikel 1 bedoelde belastingen op voertuigen zijn:

- België:

verkeersbelasting op de autovoertuigen/taxe de circulation sur les véhicules automobiles;

- Denemarken:

vægtafgift af motorkøretøjer m.v.;

- Duitsland:

Kraftfahrzeugsteuer;

- Griekenland:

Τέλη κυκλοφορίας;

- Spanje:

a) impuesto sobre vehículos de tracción mecánica,

b) impuesto sobre actividades económicas (uitsluitend wat betreft het gedeelte van de belasting dat voor motorvoertuigen wordt geheven);

- Frankrijk:

a) taxe spéciale sur certains véhicules routiers,

b) taxe différentielle sur les véhicules à moteur;

- Ierland:

vehicle excise duty;

- Italië:

a) tassa automobilistica,

b) addizionale del 5 % sulla tassa automobilistica;

- Luxemburg:

taxe sur les véhicules automoteurs;

- Nederland:

motorrijtuigenbelasting;

- Oostenrijk:

Kraftfahrzeugsteuer;

- Portugal:

a) imposto de camionagem,

b) imposto de circulação;

- Finland:

varsinainen ajoneuvovero /egentlig fordonsskatt;

- Zweden:

fordonsskatt;

- Verenigd Koninkrijk:

a) vehicle excise duty,

b) motor vehicles licence.

2. Een lidstaat die een van de in lid 1 genoemde belastingen door een andere, soortgelijke belasting vervangt, stelt de Commissie daarvan in kennis opdat zij de nodige wijzigingen kan aanbrengen.

Artikel 4

Elke lidstaat stelt de procedures voor heffing en inning van de in artikel 3 genoemde belastingen vast.

Artikel 5

De in artikel 3 genoemde belastingen worden ten aanzien van in een lidstaat geregistreerde voertuigen uitsluitend door de lidstaat van registratie geheven.

Artikel 6

1. Ongeacht de structuur van de in artikel 3 genoemde belastingen stellen de lidstaten de tarieven van deze belastingen zodanig vast, dat zij voor elke in bijlage I omschreven categorie of subcategorie voertuigen niet lager liggen dan de in die bijlage genoemde minimumtarieven.

Tot twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn mogen Griekenland, Italië, Portugal en Spanje lagere tarieven toepassen, die evenwel ten minste 65 % van de in bijlage I vermelde minimumtarieven moeten bedragen.

2. De lidstaten kunnen verlaagde tarieven of vrijstellingen toepassen voor:

a) militaire voertuigen, voertuigen van de burgerbescherming, de brandweer en andere diensten voor eerstehulpverlening, alsook politievoertuigen en voertuigen voor wegonderhoud;

b) voertuigen die slechts af en toe deelnemen aan het verkeer op de openbare weg in de lidstaat van registratie en die door natuurlijke of rechtspersonen worden gebruikt die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, mits het vervoer door deze voertuigen niet leidt tot vervalsing van de mededinging, en behoudens toestemming van de Commissie.

3. a) Op voorstel van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen, om specifieke redenen van sociaal-economische aard of in verband met de infrastructuurvoorzieningen, aan een lidstaat toestemming verlenen voor het handhaven van verdere vrijstellingen of verlagingen van de belastingen op voertuigen. Deze vrijstellingen of verlagingen mogen alleen betrekking hebben op in de betrokken lidstaat geregistreerde voertuigen die uitsluitend binnen een nauwkeurig afgebakend gedeelte van het grondgebied van die lidstaat vervoer verrichten.

b) Elke lidstaat die een dergelijke vrijstelling of verlaging wil handhaven, stelt de Commissie hiervan in kennis en doet haar voorts alle noodzakelijke informatie toekomen. De Commissie stelt de overige lidstaten binnen een maand in kennis van de voorgestelde vrijstelling of verlaging.

De Raad wordt geacht toestemming te hebben verleend voor het handhaven van de voorgestelde vrijstelling of verlaging wanneer binnen twee maanden na de datum waarop de overige lidstaten overeenkomstig de eerste alinea geïnformeerd zijn, noch door de Commissie noch door een lidstaat verzocht is dat de kwestie door de Raad wordt besproken.

4. Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea van lid 1 en de leden 2 en 3 van dit artikel, en in artikel 6 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer tussen de lidstaten(11); mogen de lidstaten geen enkele vrijstelling of verlaging van de in artikel 3 genoemde belastingen toekennen, wanneer hierdoor het bedrag van de verschuldigde belasting onder de in lid 1 van dit artikel bedoelde minimumtarieven zou komen te liggen.

HOOFDSTUK III

Tolgelden en gebruiksrechten

Artikel 7

1. De lidstaten mogen tolgelden en/of gebruiksrechten handhaven of invoeren, mits aan de in de leden 2 tot en met 10 gestelde voorwaarden is voldaan.

2. a) Tolgelden en gebruiksrechten worden slechts geheven voor het gebruik van autosnelwegen of andere met autosnelwegen vergelijkbare meerbaanswegen, en voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpaswegen.

In lidstaten zonder algemeen net van autosnelwegen of tweebaanswegen (met gescheiden rijbanen) met soortgelijke kenmerken mogen tolgelden en gebruiksrechten worden geheven voor het gebruik van de vanuit technisch oogpunt hoogste wegencategorie in die lidstaat.

b) Na raadpleging van de Commissie en volgens de procedure van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaande onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de lidstaten op het gebied van vervoer worden overwogen(12),

i) mogen tolgelden en gebruiksrechten eveneens worden geheven voor het gebruik van andere delen van het hoofdwegennet, met name

- op grond van veiligheidsoverwegingen;

- in een lidstaat waar in het grootste deel van het land geen aaneensluitend net van autosnelwegen of tweebaanswegen (met gescheiden rijbanen) met soortgelijke kenmerken bestaat, in dat deel van het land waar dit ontbreekt, maar slechts op wegen die gebruikt worden voor internationaal en interregionaal vrachtvervoer, mits de aanleg van autosnelwegen of tweebaanswegen (gescheiden rijbanen) met soortgelijke kenmerken vanuit economisch oogpunt niet gerechtvaardigd is gezien het verkeersaanbod en de bevolkingsdichtheid;

ii) kunnen door de betrokken lidstaten speciale regelingen voor grensgebieden worden getroffen;

iii) mag Oostenrijk het autosnelwegtraject tussen Kufstein en Brenner vrijstellen van het Oostenrijkse gebruiksrecht.

3. Tolgelden en gebruiksrechten mogen niet beide tegelijkertijd voor het gebruik van hetzelfde traject worden geheven; de lidstaten mogen evenwel ook tolgelden heffen voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpassen die deel uitmaken van wegennetten waarover gebruiksrechten worden geheven.

4. De gebruiksrechten en tolgelden worden geheven zonder directe of indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit van de vervoersonderneming of van de herkomst of de bestemming van het voertuig.

5. Tolgelden en gebruiksrechten worden zodanig geheven en geïnd en de betaling ervan zodanig gecontroleerd dat de doorstroming van het verkeer zo min mogelijk wordt gehinderd en iedere verplichte verificatie of controle aan de binnengrenzen van de Gemeenschap wordt voorkomen. Hiertoe werken de lidstaten samen methodes uit om vervoersondernemingen in staat te stellen ten minste op de belangrijkste handelsknooppunten 24 uur per etmaal, met gebruikmaking van alle gangbare betaalmiddelen, binnen en buiten de lidstaten waar deze worden toegepast, hun gebruiksrechten te voldoen. De lidstaten zullen op de punten waar de tolgelden en gebruiksrechten worden geïnd toereikende faciliteiten verschaffen, opdat het normale veiligheidsniveau op de weg gehandhaafd blijft.

6. Een lidstaat kan bepalen dat voor de op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen gebruiksrechten gelden voor zijn gehele wegennet.

7. De betrokken lidstaten stellen voor alle voertuigcategorieën de gebruiksrechten met inbegrip van administratieve kosten vast, op een tarief dat de in bijlage II vastgestelde maximumtarieven niet overschrijdt.

Deze maxima worden om de twee jaar opnieuw bezien, de eerste maal op 1 juli 2002. Voor zover nodig zal de Commissie voorstellen voor dienstige aanpassingen doen, die vervolgens door het Europees Parlement en de Raad, onder de in het Verdrag aangegeven voorwaarden, worden vastgesteld.

Lidstaten die gebruiksrechten heffen, passen tot twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn een verlaging van 50 % van het tarief van de gebruiksrechten toe voor voertuigen die geregistreerd zijn in Griekenland, dit wegens de geopolitieke situatie van dat land. De Commissie kan deze lidstaten toestemming verlenen deze verlaging van jaar tot jaar te verlengen.

8. Het tarief van de gebruiksrechten is evenredig met de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuurvoorzieningen.

Voor op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen mag een lidstaat uitsluitend jaartarieven hanteren.

9. De gewogen gemiddelde toltarieven moeten gerelateerd zijn aan de kosten voor de aanleg, de exploitatie en de uitbreiding van het betrokken infrastructuurnet.

10. Onverminderd de gewogen gemiddelde toltarieven, bedoeld in lid 9, kunnen de lidstaten de toltarieven afhankelijk stellen van:

a) de categorieën voertuigenemissies, mits geen toltarief meer dan 50 % hoger is dan het tarief voor gelijkwaardige voertuigen die aan de strengste emissienormen voldoen;

b) het tijdstip, mits geen toltarief meer dan 100 % hoger is dan het tarief dat tijdens de goedkoopste periode overdag wordt toegepast.

Variaties in de toltarieven met betrekking tot de categorieën voertuigenemissies of het tijdstip moeten in verhouding staan tot het nagestreefde doel.

Artikel 8

1. Twee of meer lidstaten kunnen samenwerken bij de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten op hun grondgebied. De lidstaten zorgen ervoor dat de Commissie nauw betrokken wordt bij deze werkzaamheden, alsmede bij de latere werking en de eventuele wijziging van dit stelsel.

2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 7 gelden voor een dergelijk gemeenschappelijk stelsel de volgende bepalingen:

a) de deelnemende lidstaten stellen de gemeenschappelijke gebruiksrechten vast op niveaus die niet hoger liggen dan de in artikel 7, lid 7, genoemde maximumtarieven;

b) de betaling van het gemeenschappelijke gebruiksrecht geeft toegang tot het door elke deelnemende lidstaat in overeenstemming met artikel 7, lid 2, vastgestelde wegennet;

c) andere lidstaten kunnen zich bij het gemeenschappelijke stelsel aansluiten;

d) de deelnemende lidstaten werken een verdeelsleutel uit, die elk van hen een billijk aandeel in de inkomsten uit het gebruiksrecht biedt.

HOOFDSTUK IV

Slotbepalingen

Artikel 9

1. Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing door de lidstaten van:

a) specifieke belastingen of specifieke rechten

- die worden geïnd bij de registratie van het voertuig;

- die worden geheven op voertuigen of ladingen waarvan het gewicht of de afmetingen buiten de norm vallen;

b) parkeergelden en specifieke heffingen op stadsverkeer;

c) regulerende heffingen die specifiek bedoeld zijn om tijd- en plaatsgebonden verkeersopstoppingen tegen te gaan.

2. Deze richtlijn belet de lidstaten evenmin een percentage van het gebruiks- of toltarief aan te wenden voor de bescherming van het milieu en de evenwichtige uitbreiding van de vervoersnetten, mits dat percentage wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, leden 7 en 9.

Artikel 10

1. Voor de toepassing van deze richtlijn gelden als de wisselkoersen van de euro en de nationale munteenheden van de lidstaten die de euro niet hebben aangenomen, de koersen die op de eerste werkdag van oktober van kracht zijn en die worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen; zij worden toegepast met ingang van 1 januari van het volgend kalenderjaar.

2. Lidstaten die de euro niet hebben aangenomen, mogen de bedragen handhaven die gelden ten tijde van de jaarlijkse aanpassing op grond van lid 1, mits de omrekening van de in euro's uitgedrukte bedragen in de nationale munteenheid een verandering van minder dan 5 % zou opleveren.

Artikel 11

1. Op de in artikel 7, lid 7, tweede alinea, bedoelde data brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van de onderhavige richtlijn en de gevolgen van Richtlijn 93/89/EEG, waarbij zij rekening zal houden met de technologische ontwikkelingen en de verkeerscongestie.

2. De lidstaten sturen uiterlijk zes maanden voor de hierboven vermelde data de nodige informatie naar de Commissie om haar in staat te stellen de bovengenoemde verslagen op te stellen.

3. De lidstaten die elektronische systemen voor de inning van tolgelden en/of gebruiksrechten invoeren, werken met elkaar samen met het oog op de nodige interoperabiliteit.

Artikel 12

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 13

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 14

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 17 juni 1999.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De voorzitter

F. MÜNTEFERING

(1) PB C 59 van 26.2.1997, blz. 9.

(2) PB C 206 van 7.7.1997, blz. 17.

(3) Advies uitgebracht op 3 juni 1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) Advies van het Europees Parlement van 17 juli 1997 (PB C 286 van 22.9.1997, blz. 217), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 18 januari 1999 (PB C 58 van 1.3.1999, blz. 1) en besluit van het Europees Parlement van 7 mei 1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(5) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/74/EG (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 46).

(6) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/74/EG.

(7) Jurispr. 1995, blz. I-1827.

(8) PB L 279 van 12.11.1993, blz. 32.

(9) PB L 359 van 31.12.1998, blz. 1.

(10) PB L 36 van 9.2.1988, blz. 33. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 40 van 17.2.1996, blz. 1).

(11) PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38.

(12) PB 23 van 3.4.1962, blz. 720/62. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 73/402/EEG (PB L 347 van 17.12.1973, blz. 48).

BIJLAGE I

MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP VOERTUIGEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

MAXIMUMBEDRAGEN VAN GEBRUIKSRECHTEN IN EURO, INCLUSIEF ADMINISTRATIEVE KOSTEN, BEDOELD IN ARTIKEL 7, LID 7

Jaartarief

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Maand- en weektarief

Het maximale maand- en weektarief staat in verhouding tot de duur van het gebruik van de infrastructuur.

Dagtarief

Het dagtarief is voor alle voertuigcategorieën gelijk en bedraagt 8 EUR.