Richtlijn 98/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 tot wijziging van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen
Publicatieblad Nr. L 204 van 21/07/1998 blz. 0013 - 0025
RICHTLIJN 98/31/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 22 juni 1998 tot wijziging van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, eerste en derde zin, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2), Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (3), Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (4), (1) Overwegende dat op de risico's van de grondstoffenhandel en van grondstoffen afgeleide instrumenten thans Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen (5) van toepassing is; dat echter in Richtlijn 89/647/EEG het marktrisico van dergelijke posities niet accuraat is verwerkt; dat het nodig is het begrip "handelsportefeuille" uit te breiden tot posities in grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten die voor handelsdoeleinden worden gehouden en voornamelijk aan marktrisico's zijn onderworpen; dat de instellingen met betrekking tot de dekking van grondstoffenrisico's voor hun gehele bedrijf aan de onderhavige richtlijn moeten voldoen; dat het plegen van ernstige fraude door bepaalde handelaren in grondstoffenfutures de Gemeenschap in toenemende mate zorgen baart en een bedreiging vormt voor het imago en de integriteit van de handel in termijncontracten; dat het wenselijk is dat de Commissie zich beraadt op de vaststelling van een passend prudentieel raamwerk waarmee dergelijke frauduleuze praktijken in de toekomst kunnen worden voorkomen; (2) Overwegende dat in Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (6) een standaardmethode is vervat voor de berekening van kapitaalvereisten voor het marktrisico dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen lopen; dat instellingen hun eigen modellen voor risicobeheer ("interne modellen") hebben ontwikkeld, die zijn ontworpen om het marktrisico dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen lopen, accurater te meten dan in de standaardmethode het geval is; dat het gebruik van accurater methoden voor risicometing dient te worden aangemoedigd; (3) Overwegende dat voor het gebruik van dergelijke interne modellen voor het berekenen van de kapitaalvereisten strikte interne controlemechanismen vereist zijn, alsmede erkenning van en toezicht op dit gebruik door de bevoegde autoriteiten; dat de permanente betrouwbaarheid van de uitkomsten van de berekeningen van interne modellen door middel van een procedure van achteraf uitgevoerde controletests ("back-testing") dient te worden geverifieerd; (4) Overwegende dat de bevoegde autoriteiten dienen te kunnen toestaan dat margevereisten voor op de beurs verhandelde futures en opties en, gedurende een overgangsperiode, voor soortgelijke geclearde OTC-derivaten gebruikt worden in plaats van de kapitaalvereisten die voor dergelijke instrumenten overeenkomstig deze richtlijn zijn berekend, op voorwaarde dat dit niet leidt tot een kapitaalvereiste dat lager is dan het kapitaalvereiste dat is berekend volgens de andere in deze richtlijn voorgeschreven methodes; dat het voor de toepassing van dit beginsel niet noodzakelijk is dat de gelijkwaardigheid van deze margevereisten met de kapitaalvereisten die volgens de andere in deze richtlijn voorgeschreven methodes zijn berekend, voortdurend wordt geverifieerd door de instellingen die dit beginsel toepassen; (5) Overwegende dat krachtens de regels die in breder internationaal verband zijn vastgesteld, de kapitaalvereisten voor kredietinstellingen uit derde landen kunnen worden verlaagd, teneinde verfijnder risicobeheermethoden op basis van interne modellen aan te moedigen; dat deze kredietinstellingen concurreren met beleggingsondernemingen en met kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de lidstaten hebben; dat alleen een wijziging van Richtlijn 93/6/EEG aan beleggingsondernemingen en kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de lidstaten hebben, een vergelijkbare stimulans kan geven om interne modellen te ontwikkelen en te gebruiken; (6) Overwegende dat voor de berekening van de kapitaalvereisten voor het marktrisico posities in goud en van goud afgeleide instrumenten op een vergelijkbare wijze dienen te worden behandeld als valutaposities; (7) Overwegende dat het uitgeven van achtergestelde schuld niet automatisch uitsluit dat de aandelen van de emittent worden opgenomen in de portefeuille die overeenkomstig bijlage I, punt 33, van Richtlijn 93/6/EEG voor een wegingsfactor van 2 % voor het specifieke risico in aanmerking komt; (8) Overwegende dat deze richtlijn overeenstemt met de werkzaamheden van een internationaal forum van banktoezichthouders op het gebied van de behandeling voor toezichtdoeleinden van het marktrisico en van posities in grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten; (9) Overwegende dat er voor beleggingsondernemingen en kredietinstellingen die in aanzienlijke mate in grondstoffen handelen, een gediversifieerde grondstoffenhandelsportefeuille hebben en nog niet in staat zijn voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het grondstoffenrisico van modellen gebruik te maken, dient te worden voorzien in overgangskapitaalvoorschriften op facultatieve basis zodat de toepassing van deze richtlijn harmonieus verloopt; (10) Overwegende dat deze richtlijn het geschiktste middel vormt om de nagestreefde doelstellingen te bereiken en niet verder gaat dan hiervoor nodig is, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 93/6/EEG wordt als volgt gewijzigd: 1. artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: a) punt 6, onder a) en b), punten i) en ii), komen te luiden: "a) de eigen posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten, die door de instelling voor wederverkoop worden aangehouden en/of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande en/of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening verrichte compenserende aan- en verkopen ("matched principal broking") of posities die worden ingenomen teneinde andere elementen van de handelsportefeuille af te dekken; b) de risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties, leveringen zonder tegenprestatie ("free deliveries") en afgeleide "over-the-counter" (OTC)-instrumenten als bedoeld in de punten 1, 2, 3 en 5 van bijlage II; de risicoposities in verband met retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen, als bedoeld in punt 4 van bijlage II, welke berusten op overeenkomstig punt a) hierboven in de handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen, en mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, beschreven in punt 4 van bijlage II, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder i), ii), iii) en v), dan wel aan de voorwaarden vermeld onder iv) en v); i) de risicoposities worden dagelijks tegen de marktwaarde gewaardeerd volgens de procedure van bijlage II; ii) de zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis in de waarde van de effecten of grondstoffen waarop de betrokken overeenkomst of transactie berust, overeenkomstig een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare regel;"; b) de punten 15 en 16 komen te luiden: "15. "warrant": een waardepapier dat de houder het recht geeft tot of op het einde van de looptijd van de "warrant" tegen een vastgestelde prijs een onderliggende waarde te kopen. De warrant kan worden afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf of door afwikkeling in contanten; 16. "voorraadfinanciering": posities waarbij fysieke voorraden op termijn verkocht worden en de financieringskosten tot de datum van de termijnverkoop zijn vastgelegd;"; c) punt 17, eerste alinea, komt te luiden: "17. "retrocessieovereenkomst" en "omgekeerde retrocessieovereenkomst": een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen overdraagt, mits die garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen, en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen, onder de verbintenis deze effecten of grondstoffen (of vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken) tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, wordt aangemerkt als een "retrocessieovereenkomst" voor de instelling die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een "omgekeerde retrocessieovereenkomst" voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt."; d) punt 18 komt te luiden: "18. "verstrekte effecten- of grondstoffenlening" en "opgenomen effecten- of grondstoffenlening": een transactie waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen overdraagt tegen een passende zekerheid, onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instelling daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten of grondstoffen teruglevert, wordt aangemerkt als een "verstrekte effecten- of grondstoffenlening" voor de instelling die de effecten of grondstoffen overdraagt, en een "opgenomen effecten- of grondstoffenlening" voor de instelling waaraan de effecten of grondstoffen worden overgedragen. Een opgenomen effecten- of grondstoffenlening wordt beschouwd als een transactie tussen professionele partijen wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is in de zin van Richtlijn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land of wanneer de transactie is verricht met een erkende clearinginstelling of beurs."; 2. artikel 4, lid 1, eerste alinea, punten i) en ii), komen te luiden: "i) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de bijlagen I, II en VI en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun handelsportefeuille; ii) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de bijlagen III en VII en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun gehele bedrijf;"; 3. artikel 5, lid 2, komt te luiden: "2. Niettegenstaande lid 1 dienen instellingen die de kapitaalvereisten met betrekking tot hun handelsportefeuille overeenkomstig de bijlagen I en II en, in voorkomend geval, bijlage VIII berekenen, hun grote risico's te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG, behoudens de in bijlage VI van de onderhavige richtlijn neergelegde wijzigingen."; 4. artikel 7, lid 10, en lid 11, inleidend zinsdeel, komen te luiden: "10. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in de leden 7 en 9 bedoelde ontheffing, kunnen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de kapitaalvereisten (bijlagen I en VIII) en de risico's met betrekking tot cliënten (bijlage VI) op geconsolideerde basis, toestaan dat posities in de handelsportefeuille van één instelling worden gecompenseerd met posities in de handelsportefeuille van een andere instelling overeenkomstig de voorschriften van de bijlagen I, VI en VIII. Zij kunnen ook toestaan dat valutaposities bij één instelling worden gecompenseerd met valutaposities bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III en/of bijlage VIII. Voorts kunnen zij toestaan dat posities in grondstoffen bij één instelling worden gecompenseerd met posities in grondstoffen bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII en/of bijlage VIII. 11. De bevoegde autoriteiten kunnen ook compensatie toestaan met betrekking tot de handelsportefeuille-, alsmede de valuta- en grondstoffenposities van in derde landen gevestigde ondernemingen, mits tegelijkertijd wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden:"; 5. artikel 8, lid 5, komt te luiden: "5. De bevoegde autoriteiten verplichten instellingen ertoe om hen onmiddellijk in kennis te stellen van gevallen waarin hun tegenpartijen bij retrocessieovereenkomsten en omgekeerde retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen in gebreke blijven. De Commissie brengt uiterlijk drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum bij de Raad verslag uit over die gevallen en over de gevolgen daarvan voor de behandeling van dergelijke overeenkomsten en transacties in deze richtlijn. In dat verslag wordt ook uiteengezet op welke wijze instellingen voldoen aan de voorwaarden i) tot en met v) van artikel 2, punt 6, onder b), welke op die instellingen van toepassing zijn, inzonderheid voorwaarde v). Voorts worden in dat verslag nadere gegevens verstrekt over eventuele veranderingen in de relatieve omvang van de door de instellingen verstrekte traditionele leningen en de leningen die zij verstrekken via omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen. Indien de Commissie op grond van dit verslag en van andere informatie concludeert dat verdere waarborgen nodig zijn om misbruiken te voorkomen, dient zij passende voorstellen in."; 6. het volgende artikel wordt ingevoegd: "Artikel 11 bis Tot en met 31 december 2006 kunnen de lidstaten hun instellingen toestaan de minimale "spread"-, overdrachts- en "outright"-coëfficiënten van onderstaande tabel te gebruiken in plaats van de in de punten 13, 14, 17 en 18 van bijlage VII genoemde, op voorwaarde dat de instellingen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten: i) in aanzienlijke mate in grondstoffen handelen ii) een gediversifieerde grondstoffenportefeuille hebben, en iii) nog niet in een positie verkeren om voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het grondstoffenrisico van interne modellen gebruik te maken overeenkomstig bijlage VIII. >RUIMTE VOOR DE TABEL> De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het gebruik dat zij maken van dit artikel."; 7. de bijlagen I, II, III en V worden gewijzigd en de bijlagen VII en VIII worden toegevoegd overeenkomstig het bepaalde in de bijlage bij de onderhavige richtlijn. Artikel 2 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied vaststellen. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Luxemburg, 22 juni 1998. Voor het Europees Parlement De Voorzitter J. M. GIL-ROBLES Voor de Raad De Voorzitter J. CUNNINGHAM (1) PB C 240 van 6.8.1997, blz. 24 en PB C 118 van 17.4.1998, blz. 16. (2) PB C 19 van 21.1.1998, blz. 9. (3) Advies van 7 oktober 1997. (4) Advies van het Europees Parlement van 18 december 1997 (PB C 14 van 19.1.1998), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 9 maart 1998 (PB C 135 van 30.4.1998, blz. 7) en besluit van het Europees Parlement van 30 april 1998 (PB C 152 van 18.5.1998). Besluit van de Raad van 19 mei 1998. (5) PB L 386 van 30.12.1989, blz. 14. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/32/EG van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad). (6) PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 29 van dit Publicatieblad). BIJLAGE 1. Bijlage I wordt als volgt gewijzigd: a) in punt 4 wordt de laatste zin geschrapt en wordt de volgende alinea toegevoegd: "De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan de kapitaalvereiste voor een future dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-derivatencontract van het type als bedoeld in dit punt en dat door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan het derivatencontract verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor het contract in kwestie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen."; b) punt 5, derde alinea, komt te luiden: "De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat voor de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven ter beurze verhandelde optie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt, en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste ter dekking van een optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-optie die door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijk is aan het kapitaalvereiste voor een OTC-optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte ter beurze verhandelde of OTC-optie gelijk is aan dat voor het onderliggende instrument, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van het onderliggende instrument."; c) punt 6 komt te luiden: "6. Warrants die betrekking hebben op schuldinstrumenten en aandelen, worden op dezelfde wijze behandeld als opties in punt 5."; d) punt 33, onder i), komt te luiden: "i) de aandelen mogen niet afkomstig zijn van emittenten die uitsluitend verhandelbare schuldinstrumenten hebben uitgegeven waarvoor momenteel in tabel 1 van punt 14 een vereiste van 8 % geldt, of waarvoor, uitsluitend omdat zij zijn gegarandeerd of door zekerheid zijn gedekt, een lager kapitaalvereiste geldt;". 2. Bijlage II wordt als volgt gewijzigd: a) punt 1 komt te luiden: "1. In geval van transacties waarbij schuldinstrumenten, aandelen en grondstoffen (exclusief retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten en verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen) na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, moet een instelling het prijsverschil berekenen waarvoor zij een risico loopt. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel of de grondstof in kwestie, en de dagkoers daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren. Zij moet dit verschil vermenigvuldigen met de passende factor in kolom A van de tabel in punt 2 om haar kapitaalvereiste te berekenen."; b) de punten 3.1 en 3.2 worden vervangen door de volgende tekst: "3.1. Een instelling moet kapitaal tot dekking van het tegenpartijrisico aanhouden indien: i) zij voor waardepapieren of grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen, of waardepapieren of grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te hebben ontvangen, en ii) in het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken sedert deze betaling of levering. 3.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van de waarde van de aan de instelling verschuldigde waardepapieren, grondstoffen of contanten, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke risicowegingsfactor."; c) de titel van punt 4.1 en de eerste alinea van punt 4.1 komen te luiden: "Retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten, verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen 4.1. In het geval van retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen op basis van tot de handelsportefeuille behorende effecten of grondstoffen, berekent de instelling het verschil tussen de marktwaarde van de effecten of grondstoffen en het bedrag van de lening die is opgenomen door de instelling of de marktwaarde van de zekerheid, indien dit verschil positief is. In het geval van omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen berekent de instelling het verschil tussen het bedrag van de door de instelling verstrekte lening of de marktwaarde van de zekerheid en de marktwaarde van de waardepapieren of grondstoffen die zij heeft ontvangen, indien dit verschil positief is.". 3. Bijlage III wordt als volgt gewijzigd: a) punt 1 komt te luiden: "1. Indien de som van de totale netto positie in vreemde valuta's en de netto positie in goud van een instelling, berekend volgens de hieronder omschreven procedure, meer dan 2 % van het totale eigen vermogen van de instelling bedraagt, moet de instelling de som van haar netto positie in vreemde valuta's en haar netto positie in goud met 8 % vermenigvuldigen om het kapitaalvereiste ter dekking van het valutarisico te berekenen. Tot en met 31 december 2004 kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan hun kapitaalvereiste te berekenen door het bedrag waarmee de som van de totale netto positie in vreemde valuta's en de netto positie in goud van een instelling 2 % van het totale eigen vermogen overschrijdt met 8 % te vermenigvuldigen."; b) de punten 3.1 en 3.2 komen te luiden: "3.1. Eerst wordt de netto open positie van de instelling in elke valuta en in goud (met inbegrip van de rapportagevaluta) berekend. Deze positie bestaat uit de som van de volgende elementen (positief of negatief): - de netto contante positie (dat wil zeggen alle activa min alle passiva, met inbegrip van de opgelopen en nog niet vervallen rente, in de betrokken valuta of, in het geval van goud, de netto contante positie in goud); - de netto termijnpositie (dat wil zeggen alle te ontvangen bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van termijntransacties in valuta's en goud, met inbegrip van valuta- en goudfutures en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn verwerkt in de contante positie); - onherroepelijke garanties (en soortgelijke instrumenten) die zeker zullen worden opgevraagd en waarschijnlijk niet kunnen worden teruggevorderd; - netto toekomstige inkomsten/uitgaven, nog niet vervallen maar reeds volledig afgedekt (naar keuze van de rapporterende instelling en met voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten mogen hier de netto toekomstige inkomsten/uitgaven worden opgenomen die nog niet in de rekeningen zijn geboekt maar reeds volledig zijn afgedekt door valutatermijntransacties. Deze keuze moet consequent worden aangehouden); - het netto delta- (of op delta gebaseerde) equivalent van de totale portefeuille van valuta- en goudopties; - de marktwaarde van andere (dan valuta- en goud-) opties; - posities die een instelling doelbewust heeft ingenomen om valutarisico's voor haar kapitaalratio af te dekken, kunnen bij de berekening van de netto open valutaposities buiten beschouwing worden gelaten. Deze posities mogen geen handelskarakter dragen of moeten van structurele aard zijn, en voor het buiten beschouwing laten ervan, alsook voor wijzigingen in de daarvoor geldende voorwaarden, is de toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist. Op dezelfde wijze kan, onder dezelfde voorwaarden als hierboven, te werk worden gegaan voor posities van een instelling die betrekking hebben op posten die reeds bij de berekening van het eigen vermogen zijn afgetrokken. 3.2. Het staat de bevoegde autoriteiten vrij om de instellingen toe te staan bij de berekening van de netto open positie in elke valuta en in goud gebruik te maken van de netto actuele waarde."; c) punt 4, eerste zin, komt te luiden: "4. Vervolgens worden de netto korte en lange posities in elke valuta (behalve de rapportagevaluta) en de netto korte of lange positie in goud tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend."; d) punt 7 komt te luiden: "7. Ten tweede kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen tot en met 31 december 2004 toestaan om voor de toepassing van deze bijlage een andere dan de in de punten 1 tot en met 6 uiteengezette methode toe te passen. Het uit deze methode resulterende kaptitaalvereiste moet meer bedragen dan 2 % van de netto open positie zoals berekend in punt 4 en moet uitgaande van een analyse van de wisselkoersfluctuaties gedurende alle voortschrijdende periodes van tien werkdagen in de voorgaande drie jaar in ten minste 99 % van de gevallen meer bedragen dan het waarschijnlijke verlies. De in dit punt beschreven alternatieve methode mag uitsluitend worden gebruikt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: i) de formule voor de berekening en de correlatiecoëfficiënten zijn door de bevoegde autoriteiten vastgesteld op basis van hun analyse van de wisselkoersfluctuaties; ii) de correlatiecoëfficiënten worden door de bevoegde autoriteiten regelmatig getoetst aan de ontwikkelingen op de valutamarkten.". 4. Bijlage V wordt als volgt gewijzigd: a) punt 2, eerste zin, komt te luiden: "Niettegenstaande punt 1 kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen die moeten voldoen aan de in de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII gestelde eigenvermogensvereisten, toestaan een alternatieve definitie van het eigen vermogen te hanteren ter voldoening aan uitsluitend deze verplichtingen."; b) punt 4 komt te luiden: "4. De in punt 2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen mogen niet meer belopen dan maximaal 150 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om te voldoen aan de vereisten van de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII en mogen dit maximum uitsluitend benaderen in voor de betrokken autoriteiten aanvaardbare bijzondere omstandigheden."; c) de punten 6 en 7 komen te luiden: "6. De bevoegde autoriteiten kunnen beleggingsondernemingen toestaan de in punt 4 gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 200 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII gestelde vereisten te voldoen, dan wel 250 % van hetzelfde bedrag indien de beleggingsonderneming bij de berekening van het eigen vermogen het in punt 2, onder d), bedoelde bestanddeel in mindering brengt. 7. De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestaan de in punt 4 gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 250 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in de bijlagen I, II, III, VI, VII en VIII gestelde vereisten te voldoen.". 5. De volgende bijlagen worden toegevoegd: "BIJLAGE VII GRONDSTOFFENRISICO'S 1. Elke positie in grondstoffen of van grondstoffen afgeleide instrumenten moet worden uitgedrukt in de vaste rekeneenheid. De contante koers van elke grondstof wordt uitgedrukt in de rapportagevaluta. 2. Voor posities in goud en in van goud afgeleide instrumenten wordt geacht een valutarisico te bestaan en zij worden voor de berekening van het marktrisico al naargelang het geval behandeld overeenkomstig bijlage III of bijlage VIII. 3. Voor de toepassing van deze bijlage mogen posities waarmee enkel voorraden worden gefinancierd, buiten de berekening van alleen het grondstoffenrisico worden gelaten. 4. De rente- en valutarisico's waarop geen andere bepalingen van deze bijlage van toepassing zijn, moeten worden opgenomen in de berekening van het algemene risico van verhandelbare schuldinstrumenten en in de berekening van het valutarisico. 5. Als de korte positie eerder vervalt dan de lange positie, moeten de instellingen ook rekening houden met het risico van een te geringe liquiditeit waarvan op bepaalde markten sprake kan zijn. 6. Voor de toepassing van punt 19 is het saldo van de lange (korte) posities van de instelling tegenover haar korte (lange) posities in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants op grondstoffen, de nettopositie van de instelling in elke grondstof. Bij de berekening van de nettopositie staan de bevoegde autoriteiten toe dat posities in afgeleide instrumenten op de in de punten 8, 9 en 10 beschreven wijze behandeld worden als posities in de onderliggende grondstof. 7. De bevoegde autoriteiten kunnen de volgende posities beschouwen als posities in dezelfde grondstof: - posities in verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze subcategorieën in elkaars plaats leverbaar zijn, en - posities in vergelijkbare grondstoffen, indien deze verregaand voor elkaar substitueerbaar zijn en er gedurende minimaal één jaar tussen koersbewegingen duidelijk een correlatie van 90 % kan worden vastgesteld. Specifieke instrumenten 8. Grondstoffenfutures en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden in het waardemetingssysteem verwerkt als theoretische bedragen op basis van de vaste rekeneenheid; er wordt op basis van de afloopdatum een looptijd aan toegekend. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor een future dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten tevens toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-derivatencontract van het in dit lid bedoelde type, dat door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan het derivatencontract verbonden risico vormt en ten minste gelijk is aan het kapitaalvereiste voor het contract in kwestie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. 9. Grondstoffenswaps waarbij het ene onderdeel van de transactie een vastgestelde prijs is en het andere de dagkoers, worden in de looptijdklassen verwerkt als een reeks posities die gelijk zijn aan het theoretische bedrag van het contract, waarbij een positie overeenkomt met elke betaling op de swap en dienovereenkomstig wordt ondergebracht in de looptijdklassen (tabel 1). De posities zijn lang als de instelling de vastgestelde prijs betaalt en de variabele prijs ontvangt; de posities zijn kort als de instelling de vastgestelde prijs ontvangt en de variabele prijs betaalt. Grondstoffenswaps waarbij de twee onderdelen van de transactie op verschillende grondstoffen betrekking hebben, moeten voor de benadering op grond van de looptijd in de desbetreffende categorieën worden ondergebracht. 10. Opties op grondstoffen of op van grondstoffen afgeleide instrumenten worden voor de toepassing van deze bijlage behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van de onderliggende waarde waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met compenserende posities in dezelfde onderliggende grondstof respectievelijk hetzelfde onderliggende van grondstoffen afgeleide instrument. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten berekende delta dan wel, indien geen van deze twee beschikbaar is of in het geval van OTC-opties, de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits de bevoegde autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de instelling gebruikte model. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel ook voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de bevoegde autoriteiten aangegeven methode. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat voor de andere aan grondstoffenopties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven op de beurs verhandelde grondstoffenoptie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste ter dekking van een optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-grondstoffenoptie die door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijk is aan het kapitaalvereiste voor een OTC-optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methoden dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte ter beurze verhandelde of OTC-grondstoffenoptie gelijk is aan dat voor de onderliggende grondstof, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van de onderliggende grondstof. 11. Warrants die op grondstoffen betrekking hebben, worden op dezelfde wijze behandeld als grondstoffenopties in punt 10. 12. De partij die grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die grondstoffen in lening geeft bij een grondstoffenleningsovereenkomst, dient deze grondstoffen op te nemen in de berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze bijlage. a) Benadering op grond van looptijdklassen 13. De instelling maakt voor elke grondstof gebruik van afzonderlijke looptijdklassen overeenkomstig onderstaande tabel. Alle posities in een bepaalde grondstof en alle posities die overeenkomstig punt 7 beschouwd worden als posities in dezelfde grondstof worden ondergebracht in de desbetreffende looptijdklassen. Fysiek aanwezige voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse. >RUIMTE VOOR DE TABEL> 14. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat posities in dezelfde grondstof of posities die overeenkomstig punt 7 beschouwd worden als posities in dezelfde grondstof, op nettobasis worden gecompenseerd en ondergebracht in de desbetreffende looptijdklassen voor - posities in contracten die op dezelfde datum aflopen en - posities in contracten die binnen tien dagen na elkaar aflopen indien de contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden. 15. Vervolgens berekent de instelling de som van de lange posities en de som van de korte posities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde (laatstgenoemde) som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde (eerstgenoemde) som, vormt de gecompenseerde positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende lange of korte positie de niet-gecompenseerde positie in deze zelfde looptijdklasse is. 16. Het deel van de niet-gecompenseerde lange (korte) positie in een bepaalde looptijdklasse dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde korte (lange) positie in een volgende looptijdklasse, is de tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie. Het deel van de niet-gecompenseerde lange positie of de niet-gecompenseerde korte positie dat niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de niet-gecompenseerde positie. 17. De kapitaalvereisten van de instelling worden voor iedere grondstof op basis van de desbetreffende looptijdklassen berekend als de som van: i) de gecompenseerde lange en korte posities, vermenigvuldigd met de toepasselijke "spread"-coëfficiënt die in kolom 2 van de tabel in punt 13 voor elke looptijdklasse wordt gegeven, en met de contante koers van de grondstof; ii) voor elke looptijdklasse waarnaar een niet-gecompenseerde positie uit een voorgaande looptijdklasse wordt overgedragen, de tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie, vermenigvuldigd met 0,6 % (de overdrachtscoëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof; iii) de resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15 % (de "outright"-coëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof. 18. Het totale kapitaalvereiste van de instelling met betrekking tot het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig punt 17 berekende kapitaalvereisten voor elke grondstof. b) Vereenvoudigde benadering 19. Het kapitaalvereiste van de instelling voor elke grondstof wordt berekend als de som van: i) 15 % van de lange of korte nettopositie, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof; ii) 3 % van de lange plus de korte brutopositie, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof. 20. Het totale kapitaalvereiste van de instelling met betrekking tot het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig punt 19 berekende kapitaalvereisten voor elke grondstof. BIJLAGE VIII INTERNE MODELLEN 1. Onder de voorwaarden die in deze bijlage worden bepaald, kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan bij de berekening van hun kapitaalvereisten voor het positierisico, het valutarisico en/of het grondstoffenrisico hun eigen interne risicobeheermodellen te gebruiken, in plaats van of in combinatie met de methoden die in de bijlagen I, III en VII beschreven worden. Voor elk geval moet door de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk erkenning worden verleend voor het gebruik van modellen met het oog op het prudentiële toezicht op de kapitaalvereisten. 2. Deze erkenning wordt uitsluitend gegeven, indien de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat het risicobeheersysteem van de instelling qua concept solide is en zorgvuldig wordt toegepast, en dat met name aan de navolgende kwaliteitsnormen voldaan wordt: i) het interne model voor risicometing is in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse proces van risicobeheer van de instelling en dient als basis voor het rapporteren van risicoposities aan de hoogste leiding van de instelling; ii) de instelling heeft een afdeling risicobewaking, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks rapporteert aan de hoogste leiding. De betrokken afdeling moet belast zijn met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van de instelling. Tevens moet deze afdeling dagelijks rapporten opstellen en analyseren over de uitkomsten van het risicometingsmodel en over de maatregelen die op het stuk van transactielimieten moeten worden genomen; iii) de raad van bestuur en de directie van de instelling zijn actief bij het proces van risicobewaking betrokken; de dagelijkse rapporten die de afdeling risicobewaking opstelt, worden beoordeeld door een directie-echelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben, of van de totale risicopositie van de instelling op te leggen; iv) de instelling beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is in het gebruik van verfijnde modellen voor handel, risicobewaking, controle en administratieve verwerking; v) de instelling heeft procedures vastgesteld voor de bewaking van en het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne richtsnoeren en controles, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als geheel; vi) de modellen van de instelling hebben in het verleden bewezen redelijk accuraat te zijn als het gaat om het meten van risico's; vii) de instelling voert frequent een stringent programma van stresstests uit; de uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de hoogste leiding en worden verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar bepaald worden; viii) Als onderdeel van de periodieke interne controle moet de instelling een onafhankelijke evaluatie van het risicometingssysteem laten uitvoeren. Deze evaluatie moet betrekking hebben op de activiteiten van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling risicobewaking. Ten minste eenmaal per jaar moet de instelling een evaluatie uitvoeren van het algehele risicobeheerproces. In deze evaluatie moeten worden betrokken: - het adequaat zijn van de documentatie over het risicobeheersysteem en -proces en van de organisatie van de afdeling risicobewaking; - de integratie van metingen van het marktrisico in het dagelijkse risicobeheer en de deugdelijkheid van het systeem voor informatie van de directie; - het proces dat de instelling toepast voor het fiatteren van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de afdeling administratieve verwerking gebruikt worden; - aard en omvang van de marktrisico's die in het risicometingsmodel verwerkt zijn en de validering van significante wijzigingen in het risicometingsproces; - het accuraat en volledig zijn van gegevens over posities, het accuraat en correct zijn van aannames over volatiliteit en correlaties, en het accuraat zijn van de waarderings- en risicogevoeligheidsberekeningen; - het verificatieproces dat de instelling hanteert ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen gebruikt worden, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen; en - het verificatieproces waarvan de instelling gebruik maakt voor de evaluatie van tests die achteraf worden uitgevoerd ("back-testing") om te beoordelen of het model accuraat is. 3. De financiële instelling bewaakt de accuratesse en de goede werking van haar model door een programma van achteraf uitgevoerde tests ("back-testing") toe te passen. "Back-testing" behelst dat, voor iedere werkdag, de uit het model van de instelling resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies ("value-at-risk") voor de eindedagsposities van de portefeuille wordt vergeleken met de eendagsverandering in de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag. De bevoegde autoriteiten onderzoeken of de instelling in staat is tot het uitvoeren van tests achteraf op zowel feitelijke als hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille. "Back-testing" op de hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille berust op een vergelijking van de eindedagswaarde van de portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde posities, de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag. De bevoegde autoriteiten verlangen van de instellingen dat zij passende maatregelen treffen om hun "back-testing"-programma te verbeteren wanneer dat ontoereikend wordt geacht. 4. Voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen, kunnen de bevoegde autoriteiten het gebruik van een intern model van een instelling erkennen wanneer dit model voldoet aan de voorwaarden in het vervolg van deze bijlage en bovendien: - de historische prijsschommeling in de portefeuille verklaart; - concentratie qua omvang en veranderingen in de samenstelling van de portefeuille weergeeft; - solide blijkt in een ongunstige omgeving; - gevalideerd wordt door back-testing ter beoordeling van de vraag of het specifieke risico accuraat wordt weergegeven. Als de bevoegde autoriteiten toestaan dat deze vorm van back-testing op basis van relevante subportefeuilles geschiedt, moeten deze laatste consequent worden gekozen. 5. Voor instellingen die interne modellen gebruiken die niet overeenkomstig punt 4 zijn erkend, geldt een afzonderlijk kapitaalvereiste voor het specifieke risico, dat berekend wordt overeenkomstig bijlage I. 6. Voor de toepassing van punt 10, onder ii), worden de uitkomsten van de door de instelling zelf uitgevoerde berekening vermenigvuldigd met ten minste een factor 3. 7. De vermenigvuldigingsfactor wordt verhoogd met een plus-factor tussen 0 en 1, overeenkomstig de volgende tabel, afhankelijk van het aantal overschrijdingen ("overshootings") dat de instelling gedurende de laatste 250 werkdagen bij het uitvoeren van de tests achteraf heeft geconstateerd. De bevoegde autoriteiten verlangen dat de instelling overschrijdingen consistent berekent door middel van tests achteraf op de feitelijke dan wel op de hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille. Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de portefeuille welke meer bedraagt dan de gerelateerde, uit het model van de instelling resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies. Ter bepaling van de plus-factor wordt het aantal overschrijdingen minstens per kwartaal geëvalueerd. >RUIMTE VOOR DE TABEL> In afzonderlijke gevallen en ingevolge uitzonderlijke omstandigheden kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting de vermenigvuldigingsfactor met een plus-factor overeenkomstig de bovenstaande tabel te verhogen indien de instelling tot voldoening van de bevoegde autoriteiten aantoont dat een dergelijke verhoging onterecht is en dat het model in wezen solide is. Indien een groot aantal overschrijdingen erop wijst dat het model onvoldoende accuraat is, moeten de bevoegde autoriteiten de erkenning van het model intrekken of passende maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat het model terstond wordt verbeterd. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de juistheid van de plus-factor voortdurend in het oog te houden, moet de instelling de bij de toepassing van het back-testing-programma geconstateerde overschrijdingen die overeenkomstig de voorgaande tabel een verhoging van de plus-factor met zich zouden brengen, terstond en in ieder geval binnen vijf dagen ter kennis brengen van de bevoegde autoriteiten. 8. Als het model van de instelling door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig punt 4 is erkend voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico, verhoogt de instelling haar overeenkomstig de punten 6, 7 en 10 berekende kapitaalvereiste met een toeslag ten belope van ofwel: i) het aandeel "specifiek risico" in het gemeten potentieel verlies (value-at-risk) dat moet worden afgezonderd overeenkomstig de richtsnoeren voor het toezicht; of, wanneer de instelling dit wenst, ii) de metingen van het potentieel verlies van subportefeuilles van schuld- en aandelenposities die een specifiek risico inhouden. De instellingen die gebruik maken van keuze ii) moeten vooraf de structuur van hun subportefeuilles omschrijven en mogen deze niet wijzigen zonder de instemming van de bevoegde autoriteiten. 9. De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de in punt 8 vereiste toeslag wanneer de instelling aantoont dat haar model overeenkomstig internationaal overeengekomen normen ook het "event"-risico en het debiteurenrisico weergeeft voor haar verhandelbare schuldinstrumenten en aandelenposities. 10. Elke instelling moet voldoen aan een kapitaalvereiste dat is uitgedrukt als het hoogste van de volgende waarden: i) het potentiële verlies van de voorgaande dag, gemeten volgens de in deze bijlage bepaalde parameters, of ii) het gemiddelde van het dagelijkse potentiële verlies op elk van de 60 eraan voorafgaande werkdagen, vermenigvuldigd met de in punt 6 genoemde factoren en gecorrigeerd met de in punt 7 genoemde factor. 11. Voor de berekening van het potentiële verlies gelden de volgende minimale normen: i) het potentiële verlies moet ten minste eenmaal per dag berekend worden; ii) een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %; iii) een equivalent voor de periode gedurende welke de positie wordt aangehouden, van tien dagen; iv) een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een aanmerkelijke toeneming van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is; v) driemaandelijkse bijwerking van het gegevensbestand. 12. De bevoegde autoriteiten verlangen dat het model accuraat alle wezenlijke koersrisico's van opties en op opties gelijkende posities bestrijkt en dat de overige niet door het model bestreken risico's afdoende met eigen vermogen afgedekt zijn. 13. De bevoegde autoriteiten verlangen dat, afhankelijk van de mate waarin de instelling op de betrokken markten actief is, in het risicometingsmodel een voldoende aantal risicofactoren bestreken wordt. Minimaal moet aan de navolgende voorwaarden zijn voldaan: i) Met betrekking tot het renterisico moet het interne model risicofactoren hanteren welke corresponderen met de rentevoeten voor elk van de valuta's waarin de instelling renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt. De instelling geeft de rendementscurves weer door middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen. Voor wezenlijke renterisico's in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve in ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld, om de variaties van de rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven. Het risicometingssysteem moet ook het risico van minder perfect gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves bestrijken. ii) Met betrekking tot het valutarisico moeten in het risicometingssysteem risicofactoren worden gebruikt die overeenkomen met goud en met de afzonderlijke buitenlandse valuta's waarin de posities van de instelling luiden. iii) Met betrekking tot het aandelenrisico moet in het risicometingssysteem een afzonderlijke risicofactor gebruikt worden voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling significante posities inneemt. iv) Met betrekking tot het grondstoffenrisico moet in het risicometingssysteem een afzonderlijke risicofactor gebruikt worden voor ten minste elke grondstof waarin de instelling significante posities inneemt. In het risicometingssysteem moeten voorts het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen dat uit niet op elkaar passende looptijden voortvloeit, zijn verwerkt. Voorts moet in het systeem rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af te dekken. 14. De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen toestaan binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen empirische correlaties te hanteren, indien zij ervan overtuigd zijn dat het systeem waarmee de instelling de correlaties meet, solide is en op integere wijze wordt toegepast.".