31996R1113

Verordening (EG) nr. 1113/96 van de Commissie van 20 juni 1996 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen voor de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997

Publicatieblad Nr. L 148 van 21/06/1996 blz. 0026 - 0031


VERORDENING (EG) Nr. 1113/96 VAN DE COMMISSIE van 20 juni 1996 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen voor de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1095/96 van de Raad van 18 juni 1996 betreffende de tenuitvoerlegging van de concessies in de lijst CXL die is opgesteld naar aanleiding van de voltooiing van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT (1), en met name op artikel 1, lid 1,

Overwegende dat de Gemeenschap in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de verplichting op zich heeft genomen om voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van het bonte Simmentalerras, het Schwytzerras en het Freiburgerras, alsmede voor koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van het grijze, het bruine, het gele en het bonte Simmentalerras en van het Pinzgauerras, jaarlijks twee tariefcontingenten te openen van elk 5 000 stuks tegen een recht van respectievelijk 6 en 4 %; dat deze contingenten derhalve voor de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 moeten worden geopend en de uitvoeringsbepalingen moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle handelaren in de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van de contingenten en dat de voor deze contingenten vastgestelde douanerechten zonder onderbreking worden toegepast op alle invoer van de betrokken dieren totdat de contingenten geheel zijn benut;

Overwegende dat de beschikbare hoeveelheden in het kader van deze regeling worden toegewezen aan de traditionele handelaren enerzijds (eerste deel) en de handelaren met belangstelling voor de handel in rundvlees anderzijds (tweede deel); dat het eerste deel moet worden toegewezen enerzijds aan de traditionele importeurs naar gelang van het aantal dieren dat zij in het kader van een soortgelijk contingent van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1996 hebben ingevoerd en anderzijds aan de traditionele importeurs van de nieuwe Lid-Staten; dat voor de toewijzing van het tweede deel, om speculatie te voorkomen en rekening houdend met de bestemming van de dieren, slechts de hoeveelheden van een zekere omvang die representatief zijn voor de handel met derde landen, als referentiehoeveelheden in aanmerking mogen worden genomen; dat, wat de handelaren van de nieuwe Lid-Staten betreft, de ingevoerde dieren afkomstig moeten zijn uit landen die, volgens het jaar van invoer, voor hen als derde land moeten worden aangemerkt;

Overwegende dat, onverminderd de bepalingen van deze verordening, het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2137/95 (3), en in Verordening (EG) nr. 1445/95 van de Commissie van 26 juni 1995 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer- en uitvoercertificatenregeling in de sector rundvlees en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/80 (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2856/95 (5), van toepassing is;

Overwegende dat in artikel 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (6), gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, is bepaald dat goederen die uit hoofde van hun bijzondere bestemming onder toepassing van een verlaagd recht in het vrije verkeer worden gebracht, onder douanetoezicht blijven; dat bij ingevoerde dieren moet worden gecontroleerd of zij niet binnen een bepaalde termijn worden geslacht; dat, om te garanderen dat deze dieren niet worden geslacht, een zekerheid moet worden verlangd;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Voor de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 worden de volgende tariefcontingenten geopend:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Voor de toepassing van deze verordening worden beschouwd als niet bestemd voor de slacht, de in lid 1 bedoelde dieren die niet worden geslacht binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer.

In naar behoren gestaafde gevallen van overmacht kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan.

3. Teneinde te worden toegelaten tot het tariefcontingent met volgnummer 09.0003, dienen te worden overgelegd:

- voor stieren: een afstammingsbewijs;

- voor koeien en vaarzen: een afstammingsbewijs of een bewijs van inschrijving in het rundveestamboek, waaruit blijkt dat de dieren raszuiver zijn.

Artikel 2

1. De in artikel 1, lid 1, bedoelde contingenten worden in twee gedeelten gesplitst van telkens 80 % of 4 000 stuks en 20 % of 1 000 stuks:

a) het eerste gedeelte, gelijk aan 80 %, wordt verdeeld over:

- de importeurs uit de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 1994 die kunnen aantonen dat zij van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1996 dieren die onder de hier bedoelde contingenten vallen, hebben ingevoerd, en

- de importeurs uit de nieuwe Lid-Staten die kunnen aantonen dat zij

- van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1995 dieren van de in bijlage I vermelde GN-codes in de Lid-Staat waar zij zijn gevestigd, hebben ingevoerd uit landen die, volgens het jaar van invoer, voor hen als derde landen moeten worden beschouwd;

- van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 dieren die onder de hier bedoelde contingenten vallen, hebben ingevoerd;

b) het tweede gedeelte, gelijk aan 20 %, is bestemd voor handelaren die kunnen bewijzen van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 ten minste 15 levende runderen van GN-code 0102 te hebben ingevoerd uit derde landen.

De importeurs moeten in een nationaal BTW-register zijn ingeschreven.

2. Wanneer aanvragen worden ingediend om te mogen importeren, wordt het eerste gedeelte over de verschillende importeurs als bedoeld in lid 1, onder a), verdeeld naar verhouding van de hoeveelheden dieren in de zin van lid 1, onder a), die zij van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1996 hebben ingevoerd.

3. Wanneer aanvragen worden ingediend om te mogen importeren, wordt het tweede gedeelte verdeeld naar verhouding van de door de in lid 1, onder b), bedoelde importeurs aangevraagde hoeveelheden. De aanvraag tot invoer moet betrekking hebben op ten minste 15 stuks.

Aanvragen die betrekking hebben op meer dan 50 stuks, worden automatisch tot dat aantal beperkt.

4. Hoeveelheden die niet zijn aangevraagd in het kader van een van de twee in lid 1 vermelde gedeelten van hetzelfde tariefcontingent, worden automatisch overgedragen naar het andere gedeelte van het betrokken contingent.

5. Het bewijs van invoer wordt uitsluitend geleverd aan de hand van het behoorlijk door de douaneautoriteiten geviseerde document waarmee de dieren in het vrije verkeer zijn gebracht.

Artikel 3

1. De certicaataanvraag mag slechts worden ingediend in de Lid-Staat waar de aanvrager in een nationaal BTW-register is ingeschreven.

2. Elke belanghebbende mag slechts één enkele aanvraag indienen, die slechts betrekking mag hebben op een van de gedeelten van hetzelfde contingent. Wanneer een belanghebbende voor hetzelfde contingent meer dan één aanvraag indient, worden al zijn aanvragen afgewezen.

3. Voor de toepassing van artikel 2, leden 2 en 3, worden de aanvragen, samen met het in artikel 2, lid 5, bedoelde bewijsstuk, uiterlijk op 16 juli 1996 bij de bevoegde instantie ingediend.

Na verificatie van de overgelegde documenten, delen de Lid-Staten de Commissie uiterlijk op 2 augustus 1996 de volgende gegevens mede:

- met betrekking tot de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde importeurs, hun naam en adres en het aantal dieren dat zij in de in artikel 2, lid 2, bedoelde periode hebben ingevoerd;

- met betrekking tot de in artikel 2, lid 1, onder b), bedoelde importeurs, hun naam en adres en de gevraagde hoeveelheden.

4. Alle mededelingen, ook die met de vermelding "nihil", worden naar het in bijlage II opgenomen adres gezonden.

Artikel 4

1. De Commissie besluit in hoeverre aan de aanvragen gevolg kan worden gegeven.

2. Voor de in artikel 3, lid 3, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde aanvragen wordt, indien de hoeveelheden waarvoor aanvragen zijn ingediend, de beschikbare hoeveelheden overschrijden, door de Commissie een uniform percentage vastgesteld waarmee de gevraagde hoeveelheden worden verminderd.

Indien de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde vermindering leidt tot een hoeveelheid van minder dan 15 dieren per aanvraag, worden bij loting partijen van telkens 15 stuks toegewezen. Wanneer minder dan 15 dieren overblijven, wordt hiervoor één enkel certificaat afgegeven.

Artikel 5

1. De toegewezen hoeveelheden mogen slechts tegen overlegging van een invoercertificaat worden ingevoerd.

2. De invoercertificaataanvraag kan slechts worden ingediend bij de bevoegde instantie van de Lid-Staat waar de aanvrager in een nationaal BTW-register is ingeschreven.

3. Nadat de Commissie de toe te wijzen hoeveelheden heeft meegedeeld, worden de op naam van de betrokken marktdeelnemers gestelde invoercertificaten op hun verzoek zo spoedig mogelijk afgegeven. De certificaten worden pas afgegeven, nadat de aanvrager een zekerheid van 25 ecu/dier heeft gesteld.

De zekerheid wordt vrijgegeven zodra het certificaat, voorzien van de notities van de douaneautoriteiten die de invoer van de dieren hebben geconstateerd, aan de instantie van afgifte wordt terugbezorgd.

4. Na de afgifte in de zin van artikel 21 lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn de certificaten 90 dagen geldig. De geldigheidsduur loopt echter in ieder geval af op 30 juni 1997.

5. Onverminderd de bepalingen van deze verordening, is het bepaalde in de Verordeningen (EEG) nr. 3719/88 en (EG) nr. 1445/95 van toepassing.

In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn de op grond van de onderhavige verordening afgegeven invoercertificaten echter niet overdraagbaar en geven zij slechts recht op gebruikmaking van de tariefcontingenten wanneer zij op dezelfde naam zijn gesteld als de aangiften voor het vrije verkeer waarvan zij vergezeld gaan.

Artikel 8, lid 4, en artikel 14, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn niet van toepassing.

Artikel 6

1. De controle op het niet slachten van de ingevoerde dieren in de vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht, wordt verricht overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

2. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 2913/92, moet de importeur bij de bevoegde douaneautoriteiten een zekerheid van 1 280 ecu/ton stellen om de nakoming van de verplichting tot het aanhouden van de dieren te garanderen.

De zekerheid wordt onmiddellijk vrijgegeven, wanneer de betrokken douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd dat de dieren:

a) niet zijn geslacht binnen vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht, of

b) binnen die periode wegens overmacht of om gezondheidsredenen zijn geslacht dan wel als gevolg van een ziekte of een ongeval zijn gestorven.

Artikel 7

In de certificaataanvraag en het certificaat

a) wordt in vak 8 het land van oorsprong vermeld;

b) worden in vak 16 de in bijlage I opgenomen GN-codes vermeld;

c) wordt in vak 20 een van de volgende vermeldingen aangebracht:

- Razas alpinas y de montaña [Reglamento (CE) n° 1113/96]

- Alpine racer og bjergracer (forordning (EF) nr. 1113/96)

- Höhenrassen (Verordnung (EG) Nr. 1113/96)

- ÁëðéêÝò êáé ïñåóßâéåò öõëÝò [êáíïíéóìüò (ÅÊ) áñéè. 1113/96]

- Alpine and mountain breeds (Regulation (EC) No 1113/96)

- Races alpines et de montagne [règlement (CE) n° 1113/96]

- Razze alpine e di montagna [regolamento (CE) n. 1113/96]

- Bergrassen (Verordening (EG) nr. 1113/96)

- Raças alpinas e de montanha [Regulamento (CE) nº 1113/96]

- Alppi- ja vuoristorotuja [asetus (EY) N:o 1113/96]

- Alp- och bergraser (förordning (EG) nr 1113/96).

Artikel 8

Na de terugzending van de in artikel 5, lid 3, bedoelde certificaten deelt de bevoegde instantie aan het begin van elke maand het aantal en de oorsprong van de in de vorige maand ingevoerde dieren mee.

Deze gegevens worden per fax naar het in bijlage III vermelde adres gezonden.

Artikel 9

1. De hoeveelheden waarvoor per 31 maart 1997 geen invoercertificaten zijn aangevraagd, worden, ongeacht het bepaalde in artikel 2, lid 1, voor de laatste maal verdeeld over de belangstellende importeurs die invoercertificaten hebben aangevraagd voor alle hoeveelheden waarop zij recht hadden.

2. Daartoe delen de Lid-Staten uiterlijk op 10 april 1997 op het in bijlage II vermelde adres de hoeveelheden mee waarvoor geen invoercertificaten zijn aangevraagd, waarbij zij bovendien die in artikel 3, lid 3, tweede alinea, bedoelde gegevens verstrekken. De Commissie wijst de dieren in partijen van 15 stuks bij loting toe. Wanneer minder dan 15 dieren overblijven, wordt hiervoor één enkel certificaat afgegeven. Zij deelt de resultaten van de loting uiterlijk op 17 april 1997 aan de Lid-Staten mee.

3. Voor de toepassing van dit artikel geldt het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1996.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 20 juni 1996.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 146 van 20. 6. 1996, blz. 1.

(2) PB nr. L 331 van 2. 12. 1988, blz. 1.

(3) PB nr. L 214 van 8. 9. 1995, blz. 21.

(4) PB nr. L 143 van 27. 6. 1995, blz. 35.

(5) PB nr. L 299 van 12. 12. 1995, blz. 10.

(6) PB nr. L 302 van 19. 10. 1992, blz. 1.

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

DG XXI-B-6 - Tariefvraagstukken van economische aard,

Telefax (32-2) 296 33 06.

BIJLAGE III

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

DG VI-D-2 - Rund- en schapevlees,

Telefax (32-2) 295 36 13.