31996L0053

Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten

Publicatieblad Nr. L 235 van 17/09/1996 blz. 0059 - 0075


RICHTLIJN 96/53/EG VAN DE RAAD van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 75,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

(1) Overwegende dat in Richtlijn 85/3/EEG van de Raad van 19 december 1984 betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen (4) in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid gemeenschappelijke normen worden vastgesteld, die een beter gebruik van wegvoertuigen in het verkeer tussen Lid-Staten mogelijk maken;

(2) Overwegende dat Richtlijn 85/3/EEG herhaaldelijk ingrijpend is gewijzigd; dat het, ter gelegenheid van de nieuwe wijziging van deze richtlijn, wenselijk is deze om redenen van duidelijkheid en rationalisatie te herzien en samen te voegen met Richtlijn 86/364/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende het bewijs dat voertuigen voldoen aan Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere kenmerken van bepaalde wegvoertuigen (5);

(3) Overwegende dat de verschillen tussen de in de Lid-Staten geldende normen inzake de gewichten en de afmetingen van bedrijfsvoertuigen een nadelige invloed kunnen hebben op de concurrentievoorwaarden en het verkeer tussen de Lid-Staten kunnen belemmeren;

(4) Overwegende dat op grond van het subsidiariteitsbeginsel op communautair niveau maatregelen moeten worden genomen om een dergelijke belemmering op te heffen;

(5) Overwegende dat bij de vaststelling van bovengenoemde normen een afweging is gemaakt tussen het rationeel en zuinig gebruik van voornoemde bedrijfsvoertuigen en de eisen van onderhoud van de infrastructuur, verkeersveiligheid en bescherming van milieu en leefklimaat;

(6) Overwegende dat de gemeenschappelijke normen voor de afmetingen van voertuigen voor goederenvervoer lange tijd stabiel zouden moeten kunnen blijven;

(7) Overwegende dat voor in een Lid-Staat ingeschreven of in het verkeer gebrachte bedrijfsvoertuigen aanvullende technische voorwaarden in verband met de gewichten en afmetingen van voertuigen kunnen gelden; dat deze voorwaarden geen belemmering voor het verkeer van bedrijfsvoertuigen tussen de Lid-Staten mogen vormen;

(8) Overwegende dat de definitie van "dikwandige koelwagen" in artikel 2 van Richtlijn 85/3/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/338/EEG (6), moet worden verruimd om de Lid-Staten in staat te stellen het verkeer op hun grondgebied van koelwagens die niet langer aan de isolatievoorschriften van dat artikel voldoen, toe te staan;

(9) Overwegende dat het begrip "ondeelbare lading" moet worden gedefinieerd met het oog op de uniforme toepassing van deze richtlijn voor zover zij betrekking heeft op vergunningen voor voertuigen of voertuigcombinaties die dergelijke lading vervoeren;

(10) Overwegende dat de ton algemeen wordt gebruikt en gezien als de maateenheid voor het gewicht van voertuigen en dat daarvan derhalve in deze richtlijn gebruik wordt gemaakt, hoewel wordt erkend dat de formele eenheid van gewicht de newton is;

(11) Overwegende dat in het kader van de totstandbrenging van de interne markt de werkingssfeer van deze richtlijn moet worden uitgebreid tot het nationale vervoer, voor zover er sprake is van kenmerken die de concurrentievoorwaarden in de vervoersector aanmerkelijk beïnvloeden, met name de maximaaltoegestane lengte en breedte van voertuigen en voertuigcombinaties voor goederenvervoer;

(12) Overwegende dat het de Lid-Staten voor de overige voertuigkenmerken is toegestaan om enkel voor in het nationaal verkeer gebruikte voertuigen op hun grondgebied andere waarden te hanteren dan die waarin deze richtlijn voorziet;

(13) Overwegende dat de lengte van samenstellen met uitschuifbare koppelingssystemen in de praktijk maximaal 18,75 m bedraagt; dat dezelfde maximumlengte moet worden toegestaan voor samenstellen met niet-uitschuifbare koppelingssystemen;

(14) Overwegende dat de maximaal toegestane breedte van voertuigen voor goederenvervoer van 2,50 m ertoe kan leiden dat er onvoldoende ruimte in het voertuig overblijft om laadborden op efficiënte wijze in te laden, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot toepassing van uiteenlopende extra toleranties in de wettelijke regelingen van de Lid-Staten voor het binnenlands verkeer; dat derhalve een algemene aanpassing aan de huidige situatie noodzakelijk is om te zorgen voor duidelijkheid inzake de technische voorschriften, met inachtneming van de verkeersveiligheidsaspecten van deze kenmerken;

(15) Overwegende dat, indien de maximumbreedte van voertuigen voor goederenvervoer op 2,55 m wordt gebracht, die norm ook moet gelden voor bussen; dat in het geval van bussen evenwel moet worden voorzien in een overgangsperiode voor de betrokken fabrikanten om hun installaties te kunnen aanpassen;

(16) Overwegende dat bij toelating en gebruik van voertuigen, ter voorkoming van overmatige beschadiging van de weg en waarborging van de manoeuvreerbaarheid, montage van luchtvering of daaraan gelijkwaardige vering de voorkeur verdient boven mechanische vering; dat overschrijding van bepaalde maximale aslasten dient te worden voorkomen en het voertuig in staat moet zijn een hoekverdraaiing van 360° te doorlopen binnen zekere grenswaarden voor de bestreken baan;

(17) Overwegende dat de Lid-Staten op hun grondgebied het verkeer voor nationaal goederenvervoer moeten kunnen toelaten van voertuigen of voertuigcombinaties waarvan de afmetingen afwijken van de in deze richtlijn bepaalde, voor zover die voertuigen vervoer verrichten dat overeenkomstig de definities van deze richtlijn geen noemenswaardige invloed heeft op de internationale concurrentie op vervoergebied, te weten vervoer met speciale voertuigen en vervoer volgens een moduleconcept;

(18) Overwegende dat er in het geval van vervoer volgens een moduleconcept moet worden voorzien in een overgangsperiode voor de Lid-Staten om hun wegeninfrastructuur te kunnen aanpassen;

(19) Overwegende dat de voertuigen of voertuigcombinaties waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn verwerkt volgens normen die afwijken van de in deze richtlijn bepaalde, tijdens een proefperiode plaatselijk vervoer moeten kunnen verrichten om voordeel te trekken uit de vooruitgang van de techniek;

(20) Overwegende dat aan voertuigen die vóór de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, in gebruik worden genomen en die als gevolg van eerdere afwijkende nationale bepalingen of meetmethoden niet aan de in deze richtlijn vastgestelde afmetingskenmerken voldoen, moet worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode in de Lid-Staat waar de voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, vervoer te blijven verzorgen;

(21) Overwegende dat er vooruitgang werd geboekt met de aanneming van goedkeuringsrichtlijnen voor types voertuigcombinaties met vijf of zes assen; dat bijgevolg de eisen inzake conformiteit met andere kenmerken dan gewichten en afmetingen, zoals die bij bijlage II van Richtlijn 85/3/EEG zijn vastgesteld, moeten komen te vervallen;

(22) Overwegende dat een dergelijke wijziging eveneens wenselijk is om regels die in strijd zijn met de internationale overeenkomsten inzake wegvervoer en -verkeer, te voorkomen;

(23) Overwegende dat het, om de controle op de conformiteit met deze richtlijn te vergemakkelijken, noodzakelijk is ervoor te zorgen dat voertuigen zijn voorzien van een conformiteitsbewijs;

(24) Overwegende dat deze richtlijn de verplichtingen van de Lid-Staten inzake de uiterste data voor de omzetting in nationaal recht en de tenuitvoerlegging van de door deze richtlijn vervangen richtlijnen onverlet laat,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing:

a) op de afmetingen van de motorvoertuigen van de categorieën M2, M3 en N2 en N3 en hun aanhangwagens van de categorieën 03 en 04, zoals gedefinieerd in bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (7);

b) op de gewichten en sommige andere kenmerken van de onder a) gedefinieerde voertuigen die in bijlage I, punt 2, van deze richtlijn zijn omschreven.

2. Alle in bijlage I vermelde gewichten gelden als verkeersnormen en betreffen derhalve de laadvoorwaarden en niet de produktienormen, die in een volgende richtlijn zullen worden vastgesteld.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

- "motorvoertuig": een gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht over de weg voortbeweegt;

- "aanhangwagen": een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met uitzondering van opleggers, en dat op grond van constructie en inrichting voor goederenvervoer wordt gebezigd;

- "oplegger": een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld op zodanige wijze dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het gewicht van de oplegger en van zijn lading door het motorvoertuig wordt gedragen, en dat op grond van constructie en inrichting voor goederenvervoer wordt gebezigd;

- "combinatie":

- een samenstel bestaande uit een motorvoertuig en een aanhangwagen, of

- een geleed voertuig bestaande uit een motorvoertuig waaraan een oplegger is gekoppeld;

- "geconditioneerd voertuig": elke voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur, en waarvan elk van de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik is;

- "bus": een voertuig met meer dan negen zitplaatsen, die van de bestuurder inbegrepen, dat op grond van constructie en inrichting is bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage. Het kan een of twee verdiepingen hebben en kan ook een aanhangwagen slepen;

- "gelede bus": een bus die is samengesteld uit twee vaste delen welke met elkaar zijn verbonden door een geleed gedeelte. Bij dit soort voertuig is er een interne verbinding tussen de beide vaste delen. Door het gelede gedeelte kunnen de reizigers vrij van het ene naar het andere vaste deel lopen. De twee vaste delen kunnen alleen in een werkplaats met elkaar worden verbonden of van elkaar worden losgemaakt;

- "maximaal toegestane afmetingen": de maximumafmetingen voor het gebruik van een voertuig zoals bedoeld in bijlage I;

- "maximaal toegestaan gewicht": het maximumgewicht voor het gebruik van een voertuig in beladen toestand in het internationaal verkeer;

- "maximaal toegestane druk per as": het maximumgewicht voor het gebruik van een as of een assenstel in beladen toestand in het internationaal verkeer;

- "ondeelbare lading": lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan worden vervoerd door een motorvoertuig, aanhangwagen, samenstel of geleed voertuig dat in alle opzichten aan het bepaalde in deze richtlijn voldoet;

- de eenheid "ton": het met de massa van een ton corresponderende gewicht overeenkomende met 9,8 kilonewton (kN).

Alle in bijlage I vermelde maximaal toegestane afmetingen worden gemeten overeenkomstig bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG, zonder positieve afwijking.

Artikel 3

1. De Lid-Staten mogen het gebruik op hun grondgebied niet verbieden of weigeren,

- in het internationaal verkeer, van voertuigen die in een Lid-Staat zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, om redenen die verband houden met het gewicht en de afmetingen,

- in het nationaal verkeer, van voertuigen die in een Lid-Staat zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, om redenen die verband houden met de afmetingen,

indien deze voertuigen voldoen aan de in bijlage I aangegeven grenswaarden.

Deze bepaling is van toepassing niettegenstaande het feit dat:

a) deze voertuigen niet voldoen aan de wettelijke voorschriften van deze Lid-Staat betreffende bepaalde kenmerken die verband houden met gewichten en afmetingen en die niet in bijlage I worden vermeld;

b) de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer gebracht, grenswaarden heeft toegestaan die niet in artikel 4, lid 1, vermeld staan en die hoger liggen dan die welke in bijlage I zijn vastgesteld.

2. Het bepaalde in lid 1, tweede alinea, onder a), doet echter geen afbreuk aan het recht van de Lid-Staten om, naar behoren rekening houdend met het Gemeenschapsrecht, te eisen dat voertuigen die op hun grondgebied zijn ingeschreven of in het verkeer gebracht, voldoen aan hun nationale voorschriften inzake niet in bijlage I vermelde kenmerken die verband houden met gewichten en afmetingen.

3. De Lid-Staten kunnen eisen dat geconditioneerde voertuigen voorzien zijn van een ATP-keuringsdocument of -plaat (Overeenkomst van 1 september 1970 inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer).

Artikel 4

1. De Lid-Staten staan op hun grondgebied niet het normale verkeer toe van voertuigen of voertuigcombinaties voor het nationale goederenvervoer, die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde kenmerken.

2. De Lid-Staten kunnen op hun grondgebied echter wel het verkeer toestaan van voertuigen of voertuigcombinaties voor het nationale goederenvervoer die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.3, 2, 3, 4.1 en 4.3 van bijlage I vermelde kenmerken.

3. Voertuigen of voertuigcombinaties die de maximumafmetingen overschrijden, mogen slechts tot het verkeer worden toegelaten op basis van zonder discriminatie door de bevoegde instanties afgegeven speciale vergunningen of op basis van per geval met deze instanties overeengekomen niet discriminerende regelingen, wanneer deze voertuigen of voertuigcombinaties ondeelbare ladingen vervoeren of daarvoor bestemd zijn.

4. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor goederenvervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die bepaald nationaal vervoer verrichten dat niet van noemenswaardige invloed is op de internationale concurrentie in de vervoersector, op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die afwijken van de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde afmetingen.

Vervoer wordt geacht niet van noemenswaardige invloed te zijn op de internationale concurrentie in de vervoersector als een van de onder a) of b) genoemde voorwaarden vervuld is:

a) het vervoer wordt op het grondgebied van een Lid-Staat verricht met speciale voertuigen of voertuigcombinaties in zodanige omstandigheden dat het normaal gesproken niet wordt verricht met voertuigen uit andere Lid-Staten, bij voorbeeld vervoer in de bosbouw en de bosbouwindustrie;

b) de Lid-Staat die het vervoer op zijn grondgebied toestaat door voertuigen of voertuigcombinaties met andere dan de in bijlage I vermelde afmetingen, staat tevens het gebruik toe van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers die aan de in bijlage I voorgeschreven afmetingen voldoen, en wel in zulke combinaties dat ten minste de in die Lid-Staat toegestane laadruimte kan worden bereikt zodat alle vervoerders dezelfde concurrentiemogelijkheden hebben (het moduleconcept).

De betrokken Lid-Staat, die zijn wegeninfrastructuur moet aanpassen om aan de voorwaarde onder b) te voldoen, mag evenwel tot uiterlijk 31 december 2003 verbieden dat in het nationale vrachtvervoer op zijn grondgebied aan het verkeer wordt deelgenomen door voertuigen of voertuigcombinaties die de vigerende nationale normen inzake afmetingen overschrijden, mits de nationale wetgeving op niet-discriminerende wijze van kracht blijft voor communautaire vervoerders.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij uit hoofde van dit lid treffen.

5. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voertuigen of voertuigcombinaties waarin nieuwe technologieën of concepten zijn verwerkt, die het voldoen aan een of meer voorschriften van deze richtlijn onmogelijk maken, tijdens een proefperiode bepaald plaatselijk vervoer verrichten. De Lid-Staten stellen de Commissie daarvan in kennis.

6. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor vrachtvervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die vóór de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, tot en met 31 december 2006 op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde afmetingen overschrijden als gevolg van het bestaan van afwijkende nationale bepalingen of meetmethoden.

Artikel 5

Onverminderd artikel 4, lid 6, worden

a) vóór 1 januari 1991 in het verkeer gebrachte gelede voertuigen die niet voldoen aan de in de punten 1.6 en 4.4 van bijlage I opgenomen voorschriften, voor de toepassing van artikel 3 geacht met die voorschriften in overeenstemming te zijn, indien zij een totale lengte van niet meer dan 15,50 m hebben;

b) samenstellen waarvan het motorvoertuig vóór 31 december 1991 in het verkeer is gebracht en die niet voldoen aan de in de punten 1.7 en 1.8 van bijlage I opgenomen voorschriften, voor de toepassing van artikel 3 tot en met 31 december 1998 geacht met die voorschriften in overeenstemming te zijn, indien zij een totale lengte van niet meer dan 18,00 m hebben.

Artikel 6

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1 bedoelde voertuigen die aan deze richtlijn voldoen, zijn voorzien van een van de onder a), b) en c) genoemde bewijzen:

a) een combinatie van de volgende twee platen:

- de "constructieplaat", uitgevoerd en aangebracht overeenkomstig Richtlijn 76/114/EEG (8),

- de plaat betreffende de afmetingen zoals voorgeschreven in bijlage III, uitgevoerd en aangebracht overeenkomstig Richtlijn 76/114/EEG;

b) één enkele overeenkomstig Richtlijn 76/114/EEG uitgevoerde en aangebrachte plaat waarop de gegevens van de twee onder a) vermelde platen staan;

c) één enkel document dat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar het voertuig is ingeschreven of in het verkeer is gebracht. Dit document dient dezelfde rubrieken en dezelfde gegevens te bevatten als die welke voorkomen op de onder a) vermelde platen. Het moet op een voor controle gemakkelijk toegankelijke en goed beschermde plaats worden bewaard.

2. Wanneer de kenmerken van het voertuig niet meer overeenstemmen met die welke op het conformiteitsbewijs zijn vermeld, neemt de Lid-Staat waarin het voertuig is ingeschreven, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het conformiteitsbewijs wordt gewijzigd.

3. De in lid 1 bedoelde platen en documenten worden door de Lid-Staten erkend als het in deze richtlijn bedoelde conformiteitsbewijs van de voertuigen.

4. Voertuigen waarvoor een conformiteitsbewijs werd afgegeven, kunnen aan de volgende controles worden onderworpen:

- wat de gemeenschappelijke normen inzake gewichten betreft, aan steekproefsgewijze controles;

- wat de gemeenschappelijke normen inzake de afmetingen betreft, aan controles die alleen worden uitgevoerd indien het vermoeden bestaat dat niet aan deze richtlijn wordt voldaan.

5. De middenkolom van het conformiteitsbewijs betreffende de gewichten vermeldt in voorkomend geval de op het betrokken voertuig toepasselijke communautaire waarden inzake gewichten. Voor de in bijlage I, punt 2.2.2, onder c), bedoelde voertuigen wordt de vermelding "44 t" tussen haakjes geplaatst onder het maximaal toegestane gewicht van de combinatie.

6. Elke Lid-Staat kan voor op zijn grondgebied ingeschreven of in het verkeer gebrachte voertuigen besluiten dat de bij zijn nationale wetgeving toegestane maximumgewichten in het conformiteitsbewijs in de linkerkolom en de technisch aanvaardbare gewichten in de rechterkolom worden vermeld.

Artikel 7

Deze richtlijn laat de toepassing onverlet van de in elke Lid-Staat geldende voorschriften inzake het wegverkeer op grond waarvan het gewicht en/of de afmetingen van voertuigen op bepaalde wegen of kunstwerken kunnen worden beperkt, ongeacht de Staat waar deze voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht.

Artikel 8

Het bepaalde in artikel 3 is tot en met 31 december 1998 niet van toepassing in Ierland en het Verenigd Koninkrijk:

a) voor wat betreft de normen bedoeld in bijlage I, punten 2.2, 2.3.1, 2.3.3, 2.4. en 3.3.2:

- met uitzondering van de gelede voertuigen bedoeld in punt 2.2.2, waarvan:

i) het totaalgewicht in beladen toestand niet meer bedraagt dan 38 ton,

ii) de druk op elk drieassenstel, met een afstand tussen de assen zoals vermeld in bijlage I, punt 3.3.2, niet meer bedraagt dan 22,5 ton,

- met uitzondering van de voertuigen bedoeld in de punten 2.2.3, 2.2.4, 2.3 en 2.4 waarvan het totaalgewicht in beladen toestand niet meer bedraagt dan:

i) 35 ton voor de voertuigen bedoeld in de punten 2.2.3 en 2.2.4,

ii) 17 ton voor de voertuigen bedoeld in punt 2.3.1,

iii) 30 ton voor de voertuigen bedoeld in punt 2.3.3, onder het voorbehoud van inachtneming van de voorwaarden vermeld in dit punt en in punt 4.3,

iv) 27 ton voor de voertuigen bedoeld in punt 2.4;

b) voor wat betreft de norm bedoeld in bijlage I, punt 3.4, met uitzondering van de voertuigen bedoeld in de punten 2.2, 2.3 en 2.4, waarvan de druk op de aangedreven as niet meer bedraagt dan 10,5 ton.

Artikel 9

Met betrekking tot de in bijlage I, punt 1.2, onder a), vermelde norm kunnen de Lid-Staten tot en met 31 december 1999 het gebruik op hun grondgebied van bussen die breder zijn dan 2,50 m, weigeren of verbieden.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan in kennis.

Artikel 10

De richtlijnen die in bijlage IV, deel A, zijn opgenomen, worden ingetrokken op de in artikel 11 genoemde datum, onverminderd de verplichtingen van de Lid-Staten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, gememoreerde tijdslimieten voor omzetting.

Verwijzingen naar ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage V opgenomen concordantietabel.

Artikel 11

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 17 september 1997 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen verwezen naar de onderhavige richtlijn of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de essentiële bepalingen van intern recht mede die zij vaststellen op het gebied dat onder deze richtlijn valt.

Artikel 12

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 25 juli 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

H. COVENEY

(1) PB nr. C 38 van 8. 2. 1994, blz. 3, en PB nr. C 247 van 23. 9. 1995, blz. 1.

(2) PB nr. C 295 van 22. 10. 1994, blz. 72.

(3) Advies van het Europees Parlement van 15 november 1994 (PB nr. C 341 van 5. 12. 1994, blz. 39), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 1995 (PB nr. C 356 van 30. 12. 1995, blz. 13) en besluit van het Europees Parlement van 14 maart 1996 (PB nr. C 96 van 1. 4. 1996, blz. 233).

(4) PB nr. L 2 van 3. 1. 1985, blz. 14. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/7/EEG (PB nr. L 57 van 2. 3. 1992, blz. 29).

(5) PB nr. L 221 van 7. 8. 1986, blz. 48.

(6) PB nr. L 142 van 25. 5. 1989, blz. 3.

(7) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(8) PB nr. L 24 van 30. 1. 1976, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 78/507/EEG van de Commissie (PB nr. L 155 van 13. 6. 1978, blz. 31).

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

VOORWAARDEN BETREFFENDE DE GELIJKWAARDIGHEID AAN LUCHTVERING VAN BEPAALDE VERINGSSYSTEMEN VOOR DE AANGEDREVEN AS OF ASSEN VAN HET VOERTUIG

1. DEFINITIE VAN LUCHTVERING

Onder luchtvering dient te worden verstaan een veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt.

2. GELIJKWAARDIGHEID AAN LUCHTVERING

Een veringssysteem wordt erkend als gelijkwaardig aan luchtvering, indien het voldoet aan de hierna omschreven voorwaarden:

2.1. tijdens de vrije laagfrequente verticale uittrilling van de afgeveerde massa boven een aangedreven as of draaistel moeten de gemeten frequentie en de demping met de maximaal toegestane druk op de vering beantwoorden aan de in de punten 2.2 tot en met 2.5 omschreven grenzen;

2.2. iedere as moet zijn uitgerust met hydraulische dempers. Op tandem-asdraaistellen moeten de dempers zodanig zijn geplaatst dat de trilling van het draaistel tot een minimum wordt beperkt;

2.3. de gemiddelde dempingsgraad D moet groter zijn dan 20 % van de kritische demping voor de vering in normale toestand met operationele hydraulische dempers;

2.4. de dempingsgraad van de vering, wanneer alle hydraulische dempers verwijderd of buiten werking zijn, mag niet groter zijn dan 50 % van D;

2.5. de frequentie van de afgeveerde massa boven de aangedreven as of het draaistel mag in een vrije verticale uittrilling niet groter zijn dan 2 Hz;

2.6. voor een definitie van de frequentie en de demping van het veringssysteem: zie punt 3, en voor een omschrijving van de testprocedures voor het meten van de frequentie en de demping: zie punt 4.

3. DEFINITIE VAN FREQUENTIE EN DEMPING

Voor deze definitie wordt een afgeveerde massa M (kg) boven een aangedreven as of asstel in aanmerking genomen. De as of het asstel heeft tussen het wegdek en de afgeveerde massa een totale verticale stijfheid van K newton/meter (N/m) en een totale dempingscoëfficiënt van C newton per meter per seconde (N/ms). De verticale verplaatsing (doorbuiging) van de afgeveerde massa is Z. De bewegingsvergelijking voor de vrije trilling van de afgeveerde massa is:

M >NUM>d² Z>DEN>dt² + C >NUM>d Z>DEN>dt

+ kZ = 0.

De trillingsfrequentie van de afgeveerde massa F >NUM>(rad/>DEN>sec)

is:

F = √

>NUM>K>DEN>M - >NUM>C²>DEN>4M²

.

De demping is kritisch wanneer C = C°, waarbij:

C° = 2√KM.

De dempingsgraad weergegeven als een breuk van de kritische demping is >NUM>C/>DEN>C°

.

Tijdens vrije uittrilling van de afgeveerde massa zal de verticale beweging van de massa een gedempte sinusoïdale baan volgen (figuur 2). De frequentie kan worden geraamd door de tijd te meten voor zoveel trillingscycli als kunnen worden waargenomen. De demping kan worden geraamd door de hoogte te meten van de opeenvolgende pieken van de trilling in dezelfde richting. Indien de piekamplitudes van de eerste en tweede trillingscycli A1 en A2 zijn, is de dempingsgraad D:

D = >NUM>C>DEN>C° = >NUM>1>DEN>2ð . ln >NUM>A1>DEN>A2

P

waarbij "ln" de natuurlijke logaritme van de amplitudeverhouding is.

4. TESTPROCEDURE

Voor de experimentele bepaling van de dempingsgraad D, de dempingsgraad wanneer de hydraulische dempers zijn verwijderd, en de frequentie F van de vering, moet het beladen voertuig:

a) hetzij bij lage snelheid (5 km/h + 1 km/h) over een afstapje van 80 mm met het in figuur 1 aangegeven profiel worden gereden, waarbij de op frequentie en demping te analyseren uittrilling die is, welke optreedt nadat de wielen van de aangedreven as het afstapje zijn gepasseerd;

b) hetzij bij het chassis naar beneden worden getrokken, zodat de druk op de aangedreven as 1,5-maal zo groot als de maximale statistische waarde ervan is, waarbij de trek naar beneden plotseling wordt opgeheven en de daaropvolgende trilling wordt geanalyseerd;

c) hetzij bij het chassis naar omhoog worden getrokken, zodat de afgeveerde massa 80 mm boven de aangedreven as wordt geheven, waarbij de trek naar boven plotseling wordt opgeheven en de daaropvolgende trilling wordt geanalyseerd;

d) hetzij aan andere tests worden onderworpen, voor zover de fabrikant ten genoegen van de technische dienst heeft aangetoond dat die gelijkwaardig zijn.

Op het voertuig moet tussen de aangedreven as en het chassis, onmiddellijk boven de aangedreven as, een doorbuigingstransductor worden aangebracht. Door het meten van het tijdsinterval tussen de eerste en tweede compressiepiek op de aan de hand daarvan verkregen lijn, kunnen de frequentie F en, door het meten van de amplitudeverhouding op die lijn, de demping worden gevonden. Voor aangedreven tandemasstellen moeten de doorbuigingstransductors worden aangebracht tussen iedere aangedreven as en het zich onmiddellijk daarboven bevindende gedeelte van het chassis.

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

BIJLAGE III

PLAAT MET BETREKKING TOT DE AFMETINGEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 6, LID 1, ONDER a)

I. De plaat met betrekking tot de afmetingen, die voor zover mogelijk naast de in Richtlijn 76/114/EEG bedoelde plaat is bevestigd, vermeldt de volgende gegevens:

1. Naam van de constructeur (1).

2. Identificatienummer van het voertuig (2).

3. Lengte (L) van het motorvoertuig, de aanhangwagen of de oplegger.

4. Breedte (W) van het motorvoertuig, de aanhangwagen of de oplegger.

5. Gegevens voor het meten van de lengte van combinaties:

- de afstand (a) tussen de voorkant van het motorvoertuig en het middelpunt van de koppelinrichting ervan (koppelhaak of koppelschotel); in het geval van een koppelschotel met verscheidene koppelpunten moeten de minimum- en de maximumwaarden worden aangegeven (amin en amax);

- de afstand (b) tussen het middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen (koppelring) of van de oplegger (koppelpen) en de achterkant van de aanhangwagen of van de oplegger; in het geval van een inrichting met verscheidene koppelpunten moeten de minimum- en de maximumwaarden worden aangegeven (bmin en bmax).

De lengte van de combinaties is de lengte gemeten wanneer het motorvoertuig, de aanhangwagen of de oplegger op één lijn zijn opgesteld.

II. De waarden die op het conformiteitsbewijs voorkomen, moeten precies de metingen weergeven die rechtstreeks op het voertuig zijn verricht.

(1) Deze vermeldingen behoeven niet te worden herhaald als het voertuig is uitgerust met één enkele plaat waarop de gegevens met betrekking tot de gewichten en afmetingen voorkomen.

BIJLAGE IV

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN (bedoeld in artikel 10)

- Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen, en de wijzigingen daarop:

- Richtlijn 86/360/EEG,

- Richtlijn 88/218/EEG,

- Richtlijn 89/338/EEG,

- Richtlijn 89/460/EEG,

- Richtlijn 89/461/EEG,

- Richtlijn 91/60/EEG,

- Richtlijn 92/7/EEG.

- Richtlijn 86/364/EEG betreffende het bewijs dat voertuigen voldoen aan Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen.

DEEL B

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE V

>RUIMTE VOOR DE TABEL>