31996F0197

96/197/JBZ: Gemeenschappelijk optreden van 4 maart 1996 door de Raad aangenomen op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met betrekking tot de luchthaventransitregeling

Publicatieblad Nr. L 063 van 13/03/1996 blz. 0008 - 0009


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN van 4 maart 1996 door de Raad aangenomen op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met betrekking tot de luchthaventransitregeling (96/197/JBZ)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel K.3, lid 2, onder b),

Gezien het voorstel van de Franse Republiek van 23 februari 1995,

Overwegende dat de vaststelling van de voorwaarden voor onderdanen van derde landen inzake de toegang tot en het verkeer op het grondgebied van de Lid-Staten en de strijd tegen illegale immigratie van onderdanen van derde landen, ingevolge artikel K.1, punt 3, onder a), respectievelijk c) van het Verdrag een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang vormen;

Overwegende dat het luchtverkeer, met name door inreisverzoeken of door feitelijke inreis tijdens luchthaventransit, een belangrijk middel vormt om het grondgebied van de Lid-Staten te betreden met het oog op met name illegale vestiging aldaar en dat ernaar moet worden gestreefd dit verschijnsel beter in de hand te houden;

Overwegende dat in bijlage 9 bij het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart het beginsel van de vrije doorreis door de internationale zones van luchthavens is vastgelegd; dat de Staten evenwel van dit algemene beginsel kunnen afwijken, onder kennisgeving daarvan aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (International Civil Aviation Organization (ICAO)), en een luchthaventransitvisum kunnen voorschrijven; dat die mogelijkheid zoveel mogelijk moet worden beperkt om iedere overbodige belemmering van de ontwikkeling van de luchtvaart te voorkomen;

Overwegende dat de harmonisatie van het beleid van de Lid-Staten op dit gebied in overeenstemming is met de doelstellingen van veiligheid en beheersing van de illegale immigratie, terwijl zij tevens bijdraagt tot de harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden tussen luchtvaartmaatschappijen en luchthavens van de Lid-Staten;

Overwegende dat deze aangelegenheid geen verband houdt met de visa die bij de overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten worden verlangd en dat zij dus niet onder artikel 100 C, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap valt, maar dat zij niettemin van gemeenschappelijk belang is en doeltreffender kan worden geregeld door middel van een gemeenschappelijk optreden;

Overwegende dat de Lid-Staten die niet over regelgeving inzake luchthaventransitvisa beschikken voldoende tijd moeten krijgen om dergelijke regelgeving in te voeren,

NEEMT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN AAN:

Artikel 1

Ten behoeve van dit gemeenschappelijk optreden wordt onder luchthaventransitvisum (LTV) verstaan de vergunning die onderdanen van bepaalde derde landen, in afwijking van het beginsel van vrije doorreis dat is vastgelegd in bijlage 9 bij het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, nodig hebben om door de internationale zone van de luchthavens van de Lid-Staten te mogen doorreizen.

Artikel 2

1. Het luchthaventransitvisum wordt afgegeven door de consulaire diensten van de Lid-Staten.

2. De voorwaarden voor afgifte van luchthaventransitvisa worden bepaald door elke Lid-Staat, onder voorbehoud van de aanneming door de Raad van criteria voor het onderzoek en voor de afgifte van de visa.

De consulaire diensten moeten in ieder geval nagaan of er geen veiligheidsrisico of gevaar voor illegale immigratie bestaat. Zeer in het bijzonder moeten zij zich ervan vergewissen, dat de aanvraag om een luchthaventransitvisum zijn rechtvaardiging vindt in de door de aanvrager overgelegde documenten en dat de binnenkomst in het land van eindbestemming daarmee zoveel mogelijk gewaarborgd is, met name door overlegging van een visum wanneer zulks vereist is.

3. Zodra de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 tot vaststelling van een uniform visummodel (1) van toepassing zijn, gebruiken de Lid-Staten dit uniform visummodel voor de afgifte van luchthaventransitvisa.

Artikel 3

Iedere Lid-Staat verlangt van de onderdanen van de derde landen die op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage zijn vermeld een luchthaventransitvisum bij het passeren door de internationale zones van op zijn grondgebied gelegen luchthavens, indien deze personen niet reeds over een inreis- of transitvisum voor die Lid-Staat beschikken.

Artikel 4

Een Lid-Staat kan een uitzondering maken op de verplichting van een luchthaventransitvisum voor onderdanen van de derde landen die op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage zijn vermeld, en met name voor

- de bemanning van vliegtuigen en schepen;

- de houders van diplomaten-, officiële of dienstpaspoorten;

- de houders van een door een Lid-Staat afgegeven verblijfsvergunning of document van gelijke werking;

- de houders van een door een Lid-Staat, of door een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, afgegeven visum.

Artikel 5

Iedere Lid-Staat bepaalt of er een luchthaventransitvisum moet worden verlangd van onderdanen van landen die niet voorkomen op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage.

Artikel 6

Iedere Lid-Staat stelt de luchthaventransitregeling vast die van toepassing is op personen met de status van staatloze of van vluchteling.

Artikel 7

De Lid-Staten delen binnen tien werkdagen na de inwerkingtreding van dit gemeenschappelijk optreden aan de andere Lid-Staten en aan het Secretariaat-generaal van de Raad mee welke maatregelen zij hebben genomen voor de toepassing van de artikelen 4, 5 en 6. Deze maatregelen worden ter informatie bekendgemaakt in het Publikatieblad.

Artikel 8

Ieder jaar stelt de Voorzitter van de Raad een verslag op over de stand van de harmonisatie van de luchthaventransitregeling in de Europese Unie.

De Raad bespreekt elk voorstel tot aanpassing van de landenlijst in de bijlage.

Artikel 9

Dit gemeenschappelijk optreden belet niet dat sommige Lid-Staten onderling een harmonisatie van de luchthaventransit bewerkstelligen die verder reikt dan de gemeenschappelijke lijst in de bijlage.

Artikel 10

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand volgende op die van zijn bekendmaking in het Publikatieblad.

Voor Denemarken, Finland en Zweden treedt het echter in werking op de eerste dag van de achttiende maand volgende op die van zijn bekendmaking in het Publikatieblad.

Gedaan te Brussel, 4 maart 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. BARATTA

(1) PB nr. L 164 van 14. 7. 1995, blz. 1.

BIJLAGE

Afghanistan

Ethiopië

Erythrea

Ghana

Irak

Iran

Nigeria

Somalië

Sri Lanka

Zaïre