31996D0282

96/282/Euratom: Besluit van de Commissie van 10 april 1996 tot reorganisatie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

Publicatieblad Nr. L 107 van 30/04/1996 blz. 0012 - 0015


BESLUIT VAN DE COMMISSIE van 10 april 1996 tot reorganisatie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (96/282/Euratom)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op de artikelen 8 en 131, tweede alinea,

Gezien het advies van de raad van beheer van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO),

Overwegende dat het GCO bij Besluit 85/593/Euratom van de Commissie van 20 november 1985 tot reorganisatie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (1), laatstelijk gewijzigd bij Besluit 94/809/Euratom (2), een op zijn taken afgestemde structuur heeft gekregen;

Overwegende dat het, teneinde ervoor te zorgen dat de activiteiten van het GCO zo doelmatig mogelijk plaatsvinden en volledig met de prioriteiten van de Commissie in overeenstemming zijn, dienstig is deze structuur te wijzigen telkens wanneer de Commissie dat nodig acht;

Overwegende dat de Commissie op 16 januari 1996 heeft besloten dat het GCO een autonoom directoraat-generaal van de Commissie wordt, zodat het, wat het beheer betreft, de voor een goede uitvoering van zijn taken vereiste autonomie verkrijgt;

Overwegende dat bijgevolg Besluit 85/593/Euratom alsmede de wijzigingen daarop door dit besluit dienen te worden vervangen,

BESLUIT:

Artikel 1

Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, hierna "GCO" genoemd, bestaat uit vestigingen die door de Commissie zijn opgericht om zorg te dragen voor de uitvoering van onderzoekprogramma's van de Gemeenschap en van andere taken waarmee de Commissie het GCO belast.

Artikel 2

De organen van het GCO zijn:

- de directeur-generaal,

- de raad van beheer,

- het wetenschappelijk comité.

Artikel 3

Het GCO staat onder het gezag van een directeur-generaal die door de Commissie wordt benoemd. De directeur-generaal en een deel van de rechtstreeks onder hem ressorterende diensten hebben hun standplaats te Brussel.

De directeur-generaal neemt in het kader van de geldende regelingen en de hem gedelegeerde bevoegdheden alle nodige maatregelen voor de goede werking van het GCO.

Door de directeur-generaal worden, onderscheidenlijk wordt, onder de hierna volgende voorwaarden:

- voor de sectoren waarin het GCO werkzaam is, de ontwerp-programma's met de desbetreffende financiële gegevens opgesteld, die aan de Commissie dienen te worden voorgelegd,

- de strategie van het GCO uitgestippeld, met name voor de activiteiten met een concurrerend karakter, en worden de nodige maatregelen getroffen met het oog op de uitvoering van die activiteiten,

- met derden onderhandelingen gevoerd over contracten en contracten gesloten,

- zorg gedragen voor de uitvoering van de programma's en voor het financieel beheer,

- de interne organisatie van het GCO vastgesteld, waarbij met name rekening wordt gehouden met de eisen van de begroting,

- binnen het kader van de bevoegdheden die hem zijn verleend, de bevoegdheden uitgeoefend die krachtens het statuut van de ambtenaren aan het tot aanstelling bevoegde gezag en krachtens de regeling welke van toepassing is op de overige personeelsleden aan het gezagsorgaan dat bevoegd is aanstellingsovereenkomsten aan te gaan, zijn verleend.

Artikel 4

1. Er wordt een raad van beheer van het GCO ingesteld. Deze bestaat uit de volgende leden:

a) één vertegenwoordiger op hoog niveau van elke Lid-Staat, die op voordracht van de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat door de Commissie wordt benoemd;

b) een voorzitter die door de onder a) bedoelde vertegenwoordigers van de Lid-Staten wordt gekozen.

Alle leden worden benoemd voor een hernieuwbare ambtstermijn van drie jaar.

2. De raad van beheer heeft tot taak de directeur-generaal te assisteren en de Commissie van advies te dienen inzake:

- de rol van het GCO in het kader van de communautaire strategie inzake onderzoek en ontwikkeling;

- het wetenschappelijk/technisch en financieel beheer van het GCO en de uitvoering van de aan het GCO toevertrouwde taken.

De directeur-generaal wint in verband met de aan hem door de Commissie gedelegeerde aangelegenheden en in overeenstemming met het geheel van meer in het bijzonder de raad van beheer betreffende aangelegenheden, over voorstellen, alvorens deze ten uitvoer te brengen, het advies van de raad van beheer in.

Voor elk, voor een besluit van de Commissie aan haar voorgelegd vraagstuk is voorafgaand advies van de raad van beheer vereist.

De raad van beheer behandelt meer in het bijzonder:

i) voorstellen voor specifieke programma's die door het GCO dienen te worden uitgevoerd, alsmede voorstellen voor aan het GCO toe te vertrouwen andere, nieuwe taken;

ii) het opstellen van de strategische meerjarenplanning die alle activiteiten van het GCO omvat, alsmede ieder jaar uiterlijk op 31 december de daarmee overeenstemmende jaarlijkse werkplanning, waarin de doelstellingen van elk werkprogramma voor het komende jaar worden aangegeven en die een beknopte beschrijving van het programma met streefdata, wetenschappelijke mijlpalen en ramingen van de uitgaven behelst;

iii) het volgen van de specifieke programma's voor OTO van het GCO, d.w.z.

- de uitvoering ervan, waarbij er met name op dient te worden toegezien dat zij aan de behoeften van de Gemeenschap beantwoorden;

- de wijze waarop de evolutie van deze programma's aansluit bij de specifieke programma's van werkzaamheden van derden in het kader van de kaderprogramma's; hiertoe organiseert de raad van beheer jaarlijks overleg met de comités van de betrokken programma's;

- de eventuele aanpassingen ervan;

iv) het volgen van de op het opdrachtgever/uitvoerder-beginsel berustende betrekkingen met andere diensten van de Commissie en met derden;

v) de strategie inzake de activiteiten van het GCO met een concurrerend karakter en het volgen daarvan;

vi) het opstellen van voorstellen voor de jaarlijkse begroting van het GCO en het volgen van de uitvoering daarvan;

vii) - de organisatie van het GCO,

- het financieel beheer van het GCO,

- belangrijke investeringen,

- de uitvoering van de onderzoekprogramma's van het GCO,

- de evaluatie van deze programma's door "visitatiecommissies" samengesteld uit onafhankelijke deskundigen, en het opvolgen van hun aanbevelingen;

viii) het personeelsbeleid, met bijzondere nadruk op:

- het opstellen van voorstellen voor het personeelsbeleid van het GCO;

- de aspecten van de mobiliteit van het personeel en de uitwisseling van wetenschappelijk en technisch personeel met openbare en particuliere instellingen in de Lid-Staten;

ix) benoemingen van personeel op hoog niveau bij het GCO alsmede verlenging of beëindiging daarvan.

3. De raad van beheer brengt advies uit op basis van een gekwalificeerde meerderheid overeenkomstig artikel 118, lid 2, van het EGA-Verdrag, waarbij de stemmen op de daar beschreven wijze worden gewogen. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie houdt met de adviezen van de raad van beheer zoveel mogelijk rekening. Indien de raad van beheer niet met een voorstel van de directeur-generaal instemt, wordt de zaak voorgelegd aan de Commissie die ter zake een besluit neemt. De raad van beheer wordt van dit besluit in kennis gesteld. Indien het besluit niet met het advies van de raad van beheer in overeenstemming is, wordt de Raad daarvan onverwijld in kennis gesteld. De Raad wordt tevens van de redenen voor dat besluit in kennis gesteld.

Wanneer de Commissie een advies van de raad van beheer inzake aangelegenheden waarvoor een besluit van de Commissie vereist is, niet aanvaardt, wordt de uitvoering van die aangelegenheden betreffende maatregelen één maand uitgesteld; binnen deze maand wordt de zaak opnieuw aan de raad van beheer voorgelegd en wordt een nieuw advies gevraagd. Zodra dit advies is ontvangen, dan wel na afloop van bovenbedoelde maand, neemt de Commissie een eindbesluit waarvan zij de raad van beheer in kennis stelt. Indien de Commissie het advies van de raad van beheer niet kan aanvaarden, stelt zij de Raad met opgave van redenen onverwijld van haar besluit in kennis. De Commissie houdt de raad van beheer op de hoogte van haar het GCO betreffende besluiten over alle aangelegenheden waarover de raad van beheer advies heeft uitgebracht.

De raad van beheer kan met inschakeling van de Commissie ambtshalve aan de Raad en het Europees Parlement advies uitbrengen over alle tot het GCO-terrein behorende vraagstukken.

4. De raad van beheer maakt zijn opmerkingen op het door de directeur-generaal opgestelde jaarlijkse beheersverslag. Deze opmerkingen worden samen met het door de Commissie goedgekeurde jaarlijkse beheersverslag aan de Raad en het Europees Parlement toegezonden.

De raad van beheer adviseert de directeur-generaal over de organisatie van de evaluatie van de door het GCO uitgevoerde taken, zowel wat de wetenschappelijke en technische resultaten als wat het administratieve en financiële beheer van het GCO betreft; tevens adviseert de raad van beheer over de selectie van de onafhankelijke deskundigen waarop een beroep wordt gedaan om aan deze evaluatie deel te nemen. De raad van beheer maakt zijnerzijds opmerkingen bij het resultaat van deze evaluaties.

5. De raad van beheer vergadert ten minste viermaal per jaar.

De raad van beheer stelt zijn reglement van orde vast waarin onder meer de organisatie van zijn werkzaamheden wordt beschreven.

Het GCO verzorgt het secretariaat van de raad van beheer en verstrekt de raad van beheer alle informatie die hij nodig heeft.

Artikel 5

Aan de directeur-generaal wordt een wetenschappelijk comité van het GCO toegevoegd.

Het wetenschappelijk comité bestaat voor de helft uit door de directeur-generaal benoemde leden die hij uit de voornaamste afdelingshoofden en projectleiders en uit het wetenschappelijk personeel op hoog niveau kiest, en voor de helft uit vertegenwoordigers van het wetenschappelijk en technisch personeel die door dat personeel worden gekozen.

Het wetenschappelijk comité wordt regelmatig door de directeur-generaal geraadpleegd over alle vraagstukken van wetenschappelijke en technische aard die verband houden met de activiteiten van het GCO. In dit verband neemt het met name deel aan het opstellen van ontwerp-programma's.

Artikel 6

1. Uitgaande van het algemene beleid dat door de Raad en het Europees Parlement is vastgesteld en van de algemene richtsnoeren die door de Commissie zijn gegeven, stelt de directeur-generaal de ontwerp-programma's op voor de sectoren waarin het GCO werkzaam is.

2. De raad van beheer wordt over de ontwerp-programma's geraadpleegd.

3. Zodra de Commissie over de ontwerp-programma's beschikt, onderzoekt zij deze in het licht van het algemene beleid en de budgettaire situatie van de Gemeenschap. Zij stelt onder de in het Verdrag bepaalde voorwaarden de voorstellen vast en dient deze in bij de Raad.

Artikel 7

1. De directeur-generaal van het GCO is verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de aan het GCO opgedragen programma's. Hij geeft in zijn besluiten richting aan de werkzaamheden van de instituten en diensten, met name ten aanzien van de keuze tussen de wegen die naar de verwezenlijking van de programmadoelstellingen leiden.

2. Hij verstrekt de Commissie alle gegevens die zij voor de opstelling van de in artikel 11 van het EGA-Verdrag voorgeschreven verslagen nodig heeft.

3. De directeur-generaal van het GCO ziet er, indien nodig, zowel bij de uitvoering als bij de uitwerking van de programma's op toe dat, rekening houdende met de wetenschappelijke en industriële infrastructuur van het GCO, alles wordt gedaan om de samenhang en een rationele inpassing bij de achtereenvolgende programma's te waarborgen. De directeur-generaal treft in het bijzonder voorbereidingen voor een tweejaarlijks plaatsvindend, hernieuwd programmaonderzoek.

Artikel 8

1. De directeur-generaal van het GCO stelt elk jaar, met het oog op de opstelling van het desbetreffende deel van het voorontwerp van begroting van de Gemeenschappen, de voor de uitvoering van de programma's benodigde financiële gegevens vast. Deze gegevens betreffen met name de ramingen van ontvangsten en uitgaven in verband met de uitvoering van concurrerende werkzaamheden door het GCO.

De bepalingen van artikel 6 zijn van overeenkomstige toepassing voor de opstelling van de voorontwerpen van begroting met betrekking tot de onderzoekactiviteiten.

2. De directeur-generaal van het GCO geeft opdracht tot betaling van de uitgaven van het GCO en tekent de betalingsstukken en ontvangstbewijzen. Hij sluit contracten en verleent machtiging tot kredietoverschrijvingen.

3. De directeur-generaal legt aan het einde van elk begrotingsjaar de staat van uitgaven en ontvangsten over dat begrotingsjaar voor aan de Commissie.

4. De Commissie benoemt de ambtenaar die belast is met het toezicht op het aangaan van betalingsverplichtingen en het verstrekken van betalingsopdrachten, alsmede met de controle op de ontvangsten.

5. De Commissie benoemt de rekenplichtige belast met de betaling der uitgaven, de inning van de ontvangsten, alsmede met het beheer over de geldmiddelen en effecten, voor de bewaring waarvan hij verantwoordelijk is.

Artikel 9

1. De directeur-generaal oefent, binnen het kader van de bevoegdheden die hem zijn verleend, met betrekking tot het GCO-personeel de bevoegdheden uit die aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend.

2. Wat de ambtenaren en de personeelsleden in de rangen A1 en A2 betreft worden evenwel de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 29, 49, 50 en 51 alsmede in titel VI van het statuut op voorstel van de directeur-generaal door de Commissie uitgeoefend.

3. De directeur-generaal treft namens de Commissie alle maatregelen die ter verzekering van de veiligheid van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende personen en installaties noodzakelijk zijn.

Artikel 10

De directeur-generaal van het GCO kan aan de adjunct-directeur-generaal en de directeuren de hem verleende bevoegdheden delegeren.

Gedaan te Brussel, 10 april 1996.

Voor de Commissie

Edith CRESSON

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 373 van 31. 12. 1985, blz. 6.

(2) PB nr. L 330 van 21. 12. 1994, blz. 64.