31995R1485

Verordening (EG) nr. 1485/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996

Publicatieblad Nr. L 145 van 29/06/1995 blz. 0052 - 0057


VERORDENING (EG) Nr. 1485/95 VAN DE COMMISSIE van 28 juni 1995 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 424/95 (2), en met name op artikel 12, leden 1 en 4,

Overwegende dat de Gemeenschap krachtens de in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde gesloten Overeenkomst inzake de landbouw de verplichting op zich heeft genomen om voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van het gevlekte Simmentalerras, het Schwytzerras en het Freiburgerras, alsmede voor koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van het grijze ras, het bruine ras en het gele ras, het gevlekte Simmentalerras en het Pinzgauerras, jaarlijks tariefcontingenten te openen van 20 000 stuks tegen een recht van 6 % en van 5 000 stuks tegen een recht van 4 %; dat het contingent van 20 000 stuks bij Besluit 95/136/EG van de Raad van 14 maart 1995 betreffende de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oostenrijk op grond van artikel XXVIII van de GATT (3) ingetrokken is en vervangen is door een tariefcontingent van 5 000 stuks tegen hetzelfde recht; dat deze contingenten derhalve voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 moeten worden geopend en de toepassingsbepalingen moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle handelaren in de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van de contingenten en dat de voor deze contingenten vastgestelde douanerechten zonder onderbreking worden toegepast op alle invoer van de betrokken dieren totdat de contingenten geheel zijn benut;

Overwegende dat de beschikbare hoeveelheden in het kader van deze regeling worden toegewezen aan de traditionele handelaren enerzijds (eerste deel) en de handelaren met belangstelling voor de handel in rundvlees anderzijds (tweede deel); dat het eerste deel moet worden toegewezen enerzijds aan de traditionele importeurs naar gelang van het aantal dieren dat zij in het kader van een soortgelijk contingent van 1 juli 1992 tot en met 30 juni 1995 hebben ingevoerd en anderzijds aan de traditionele importeurs van de nieuwe Lid-Staten; dat voor de toewijzing van het tweede deel, om speculatie te voorkomen en rekening houdend met de bijzondere bestemming van de dieren, slechts de hoeveelheden van een zekere omvang die representatief zijn voor de handel met derde landen, als referentiehoeveelheden in aanmerking mogen worden genomen; dat, wat de handelaren van de nieuwe Lid-Staten betreft, de ingevoerde dieren afkomstig moeten zijn uit landen die, volgens het jaar van invoer, voor hen als derde land moeten worden aangemerkt;

Overwegende dat, onverminderd de bepalingen van deze verordening, het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1199/95 (5), van toepassing is;

Overwegende dat voor de tenuitvoerlegging van de bovengenoemde overeenkomsten de bijzondere bepalingen voor de toepassing van het stelsel van invoercertificaten in de rundvleessector, die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2377/80 van de Commissie (6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1084/94 (7), moeten worden herwerkt; dat het, om moeilijkheden bij de praktische toepassing van deze contingenten te voorkomen, dienstig is om genoemde verordening niet toe te passen en de nodige bijzondere bepalingen voor de invoercertificaten vast te stellen;

Overwegende dat in artikel 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek (8), gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, is bepaald dat goederen die uit hoofde van hun bijzondere bestemming, onder toepassing van een verlaagd recht, in het vrije verkeer worden gebracht, onder douanetoezicht blijven; dat bij ingevoerde dieren moet worden gecontroleerd of zij niet binnen een bepaalde termijn worden geslacht; dat, met het oog op deze verplichting een zekerheid moet worden verlangd;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 worden de volgende tariefcontingenten geopend:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Voor de toepassing van deze verordening worden beschouwd als niet bestemd voor de slacht, de in lid 1 bedoelde dieren die niet worden geslacht binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer.

In naar behoren gestaafde gevallen van overmacht kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan.

3. Teneinde te worden toegelaten tot het tariefcontingent met volgnumemer 09.0003, dienen te worden overgelegd:

- voor stieren: een afstammingsbewijs;

- voor koeien en vaarzen: een afstammingsbewijs of een bewijs van inschrijving in het rundveestamboek.

Artikel 2

1. De in artikel 1, lid 1, bedoelde contingenten worden in twee gedeelten gesplitst van telkens 80 % of 4 000 stuks en 20 % of 1 000 stuks:

a) het eerste gedeelte, gelijk aan 80 %, wordt verdeeld over:

- de importeurs uit de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 1994 die kunnen aantonen dat zij van 1 juli 1992 tot en met 30 juni 1995 dieren die onder dergelijke contingenten vallen, hebben ingevoerd, en - de importeurs uit de nieuwe Lid-Staten die kunnen aantonen dat zij van 1 juli 1992 tot en met 30 juni 1995 dieren van de in bijlage I vermelde GN-codes in de Lid-Staat waar zij zijn gevestigd hebben ingevoerd uit landen die volgens het jaar van invoer voor hen als derde landen moeten worden beschouwd;

b) het tweede gedeelte, gelijk aan 20 %, is bestemd voor handelaren die kunnen bewijzen van 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1995 minstens 15 levende runderen van GN-code 0102 te hebben ingevoerd uit landen die volgens het jaar van invoer voor hen als derde landen moeten worden aangemerkt. De importeurs moeten in een nationaal BTW-register zijn ingeschreven.

2. Het eerste gedeelte wordt over de verschillende importeurs als bedoeld in lid 1, onder a), verdeeld naar verhouding van de invoer van 1 juli 1992 tot en met 30 juni 1995 in het kader van hetzelfde contingent of naar verhouding van de aangevraagde hoeveelheden, indien deze kleiner zijn dan de invoer in de genoemde periode. Het tweede gedeelte wordt verdeeld naar verhouding van de door de in lid 1, onder b), bedoelde importeurs aangevraagde hoeveelheden. In laatstgenoemde geval:

a) worden de aanvragen voor meer dan 50 dieren, automatisch tot dat aantal beperkt;

b) worden aanvragen die leiden tot het recht op invoer van minder dan 15 dieren, niet in aanmerking genomen;

c) worden de hoeveelheden die niet zijn toegekend wegens de beperking tot minimaal 15 dieren, via loting toegewezen in partijen van 15 stuks.

3. Hoeveelheden die niet zijn aangevraagd in het kader van een van de twee in lid 1 vermelde gedeelten van hetzelfde tariefcontingent, worden automatisch overgedragen naar het andere gedeelte van het contingent in kwestie.

4. Het bewijs van invoer wordt uitsluitend geleverd aan de hand van het behoorlijk door de douaneautoriteiten geviseerd document waarmee de dieren in het vrije verkeer zijn gebracht.

Artikel 3

1. De certificaataanvraag mag slechts worden ingediend in de Lid-Staat waar de aanvrager in een nationaal BTW-register is ingeschreven.

2. Elke belanghebbende mag slechts één enkele aanvraag indienen, die slechts betrekking mag hebben op een van de gedeelten van hetzelfde contingent. Wanneer een belanghebbende voor hetzelfde contingent meer dan één aanvraag indient, worden al zijn aanvragen afgewezen.

3. Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, worden de aanvragen, samen met het in artikel 2, lid 4, bedoelde bewijsstuk, uiterlijk op 24 juli 1995 bij de bevoegde instantie ingediend.

Na verificatie van de overgelegde documenten, delen de Lid-Staten de Commisise uiterlijk op 11 august 1995 de volgende gegevens mede:

- het aantal aanvragers en het gevraagde aantal dieren voor elke categorie van importeurs,

- het gemiddelde van de eerdere invoer die door de verschillende aanvragers wordt aangetoond in het kader van de hoeveelheden die bestemd zijn voor de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde importeurs.

4. Alle mededelingen, ook die met de vermelding "nihil", worden naar het in bijlage II opgenomen adres gezonden.

Artikel 4

De Commissie deelt de Lid-Staten onverwijld de aan elk van de aanvragers toe te wijzen hoeveelheden mee, eventueel als percentage van hun oorspronkelijke verzoek of van hun eerdere invoer.

Artikel 5

1. De toegewezen hoeveelheden mogen slechts tegen overlegging van een invoercertificaat worden ingevoerd.

2. De invoercertificaataanvraag kan slechts worden ingediend bij de bevoegde instantie van de Lid-Staat waar de aanvrager in een nationaal BTW-register is ingeschreven.

3. Nadat de Commissie de toe te wijzen hoeveelheden meegedeeld heeft, worden de op naam van de betrokken marktdeelnemers gestelde invoercertificaten op hun verzoek, zo spoedig mogelijk afgegeven. De certificaten worden pas afgegeven, nadat de aanvrager een zekerheid van 25 ecu/dier heeft gesteld.

De zekerheid wordt vrijgegeven zodra het certificaat, voorzien van de notities van de douaneautoriteiten die de invoer van de dieren hebben geconstateerd, aan de instantie van afgifte wordt terugbezorgd.

4. Na de afgifte in de zin van artikel 21, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn de certificaten 90 dagen geldig. De geldigheidsduur loopt echter in ieder geval af op 30 juni 1996.

5. Onverminderd de bepalingen van deze verordening, is het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3719/88 van toepassing.

In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn de op grond van de onderhavige verordening afgegeven invoercertificaten echter niet overdraagbaar en geven zij slechts recht op gebruikmaking van de tariefcontingenten wanneer zij op dezelfde naam zijn gesteld als de aangiften voor het vrije verkeer waarvan zij vergezeld gaan. Artikel 8, lid 4, en artikel 14, lid 3, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn niet van toepassing.

Artikel 6

1. Of de ingevoerde dieren in de vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht, al dan niet worden geslacht, wordt gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

2. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 2913/92, moet de importeur bij de bevoegde douaneautoriteiten een zekerheid van 1 367 ecu/ton stellen om de nakoming van de verplichting tot het aanhouden van de dieren te garanderen.

De zekerheid wordt onmiddellijk vrijgegeven, wanneer de betrokken douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd dat de dieren:

a) niet zijn geslacht binnen vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht, of b) binnen die periode wegens overmacht of om gezondheidsredenen zijn geslacht dan wel als gevolg van een ziekte of een ongeval zijn gestorven.

Artikel 7

In de certificaataanvraag en het certificaat a) wordt in vak 8 het land van oorsprong vermeld;

b) worden in vak 16 de in bijlage I opgevoerde GN-codes vermeld;

c) wordt in vak 20 een van de volgende vermeldingen aangebracht:

- Razas alpinas y de montaña [Reglamento (CE) n° 1485/95],

- Alpine racer og bjergracer (forordning (EF) nr. 1485/95),

- Hoehenrassen (Verordnung (EG) Nr. 1485/95),

- ÁëðéêÝò êáé ïñaaâssóéaaò oeõëÝò [êáíïíéóìueò (AAÊ) áñéè. 1485/95],

- Alpine and mountain breeds (Regulation (EC) No 1485/95),

- Races alpines et de montagne [règlement (CE) n° 1485/95],

- Razze alpine e di montagna [regolamento (CE) n. 1485/95],

- Bergrassen [Verordening (EG) nr. 1485/95],

- Raças alpinas e de montanha [Regulamento (CE) nº 1485/95],

- Alppi- ja vuoristorotuja [asetus (EY) N :o 1485/95],

- Alp- och bergraser (foerordning (EG) nr 1485/95).

Artikel 8

Na de terugzending van de in artikel 5, lid 3, bedoelde certificaten deelt de bevoegde instantie aan het begin van elke maand het aantal en de oorsprong van de in de vorige maand ingevoerde dieren mee.

Deze gegevens worden per telefax naar het in bijlage III vermelde adres gezonden.

Artikel 9

1. De hoeveelheden waarvoor per 31 maart 1996 geen invoercertificaten zijn aangevraagd, worden, ongeacht het bepaalde in artikel 2, lid 1, voor de laatste maal verdeeld over de belangstellende importeurs die invoercertificaten hebben aangevraagd voor de totale hoeveelheden waarop zij recht hadden.

2. Daartoe delen de Lid-Staten uiterlijk op 10 april 1996 op het in bijlage II vermelde adres de hoeveelheden mee waarvoor geen invoercertificaten zijn aangevraagd, waarbij zij bovendien de in artikel 3, lid 3, tweede alinea. bedoelde gegevens verstrekken. De Commissie wijst de dieren in partijen van 15 stuks bij loting toe en deelt de resultaten van de loting uiterlijk op 17 april 1996 aan de Lid-Staten mee.

3. Voor de toepassing van dit artikel geldt het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1995.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 28 juni 1995.

Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

DG XXI-B-6 - Tariefvraagstukken van economische aard,

Telefax (32-2) 296 33 06.

BIJLAGE III

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

DG VI-D-2 - Rund- en schapevlees,

Telefax (32-2) 295 36 13.