31995L0053

Richtlijn 95/53/EG van de Raad van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding

Publicatieblad Nr. L 265 van 08/11/1995 blz. 0017 - 0022


RICHTLIJN 95/53/EG VAN DE RAAD van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat diervoeding binnen de landbouw in de Gemeenschap een zeer voorname plaats is gaan innemen;

Overwegende dat de vaststelling, op Gemeenschapsniveau, van de beginselen voor de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding bijdraagt tot het voorkomen van gevaren voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu, tot het garanderen van de eerlijkheid van de handelstransacties en tot de bescherming van de consumentenbelangen;

Overwegende dat de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding geregeld moet worden, omdat de gebruikte produkten van zeer uiteenlopende aard zijn, de verhandelde hoeveelheden zeer omvangrijk zijn, de sector sterk geïntegreerd is en vooral omdat zowel een gezonde voeding van de dieren als een goede kwaliteit van de daarvan afkomstige levensmiddelen gegarandeerd moeten worden;

Overwegende dat de bij deze richtlijn vastgestelde voorschriften, om het gewenste doel te bereiken, alle in de Gemeenschap in de diervoeding gebruikte produkten en stoffen moeten omvatten; dat de controle zich derhalve uitstrekken tot alle produkten die in de Gemeenschap ingevoerd of in de handel worden gebracht;

Overwegende dat de definitie van de bevoegde instantie niet uitsluit dat de Lid-Staten de bevoegdheid van deze instantie om de officiële controles op het gebied van diervoeding te verrichten, geheel of ten dele kunnen delegeren, op voorwaarde dat de controles onder hun gezag plaatsvinden;

Overwegende dat de controles, om doeltreffend te zijn, op gezette tijden moeten worden uitgevoerd; dat geen beperkingen mogen worden opgelegd ten aanzien van het voorwerp van de controles, noch ten aanzien van het stadium waarin en het tijdstip waarop deze controles moeten plaatsvinden; dat de controles zo doelmatig mogelijk moeten zijn;

Overwegende dat erop moet worden toegezien dat de controleprocedures niet worden omzeild en dat derhalve moet worden bepaald dat de Lid-Staten niet mogen afzien van de passende controle van een produkt omdat het voor uitvoer naar een derde land is bestemd;

Overwegende dat voor produkten uit derde landen, zodra zij op het grondgebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, een controle van de documenten en een steekproefsgewijze overeenstemmingscontrole moeten worden verricht;

Overwegende dat de Lid-Staten de mogelijkheid moeten krijgen plaatsen van binnenkomst aan te wijzen teneinde te garanderen dat de controle van de ingevoerde produkten doeltreffend verloopt, onverminderd de bepalingen in andere communautaire besluiten ter zake, met name in de Richtlijnen 90/675/EEG (4) en 92/118/EEG (5);

Overwegende dat er beginselen moeten worden vastgesteld inzake de organisatie van de door de bevoegde instanties uit te voeren fysieke controles en de op grond van het resultaat daarvan te treffen maatregelen;

Overwegende dat voor het handelsverkeer binnen de Gemeenschap vooral controles bij de oorsprong moeten worden uitgevoerd; dat, wanneer onregelmatigheden worden vermoed, de controle echter bij wijze van uitzondering tijdens het vervoer van de produkten of op de plaats van bestemming mag worden uitgevoerd;

Overwegende dat deze aanpak vereist dat meer vertrouwen wordt gesteld in de door de Lid-Staat van verzending verrichte controles; dat de Lid-Staat van verzending erop moet toezien dat de controles op passende wijze worden verricht;

Overwegende dat moet worden bepaald welke maatregelen moeten worden getroffen wanneer bij een controle wordt vastgesteld dat de zending niet aan de voorschriften voldoet;

Overwegende dat het doelmatigheidshalve aan de Lid-Staat van verzending staat zich ervan te vergewissen dat de produkten aan de communautaire voorschriften voldoen; dat de Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staten, bij overtredingen moet kunnen ingrijpen, met name door afgevaardigden ter plaatse te zenden en aan de situatie aangepaste maatregelen te nemen;

Overwegende dat het dienstig is overeenkomstig Richtlijn 70/373/EEG (1) alle voor de officiële controles op diervoeding noodzakelijke bemonsterings- en analysemethoden op communautair niveau vast te stellen;

Overwegende dat het weliswaar niet wenselijk is de betrokkenen het recht te verlenen zich tegen de controles te verzetten, maar dat hun legitieme rechten, meer in het bijzonder het recht op geheimhouding van produktiegegevens en het recht van beroep, moeten worden beschermd;

Overwegende dat de met de controles belaste instanties naar Lid-Staat kunnen verschillen; dat het bijgevolg dienstig is een lijst te publiceren van de ter zake bevoegde instanties van elke Lid-Staat, met vermelding van hun ressort en van de laboratoria die gemachtigd zijn om analyses in het kader van die controles uit te voeren;

Overwegende dat het weliswaar in de eerste plaats aan de Lid-Staten staat hun controleprogramma's vast te stellen, maar dat het in het kader van de interne markt ook nodig is om op Gemeenschapsniveau over gecooerdineerde programma's te beschikken;

Overwegende dat moet worden bepaald dat de maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn door de Commissie worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

1. In deze richtlijn worden de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding vastgesteld.

2. Deze richtlijn geldt onverminderd meer specifieke communautaire voorschriften, met inbegrip van met name de communautaire douanevoorschriften en veterinaire bepalingen.

Artikel 2

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "officiële controle op het gebied van diervoeding", hierna "controle" te noemen: de controle door de bevoegde instanties waarbij de overeenstemming wordt nagegaan met de communautaire voorschriften in - Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding (2),

- Richtlijn 74/63/EEG van de Raad van 17 december 1973 tot vaststelling van maximumgehalten aan ongewenste stoffen en produkten in diervoeders (3),

- Richtlijn 77/101/EEG van de Raad van 23 november 1976 betreffende de handel in enkelvoudige diervoeders (4),

- Richtlijn 79/373/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende de handel in mengvoeders (5),

- Richtlijn 82/471/EEG van de Raad van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte produkten (6),

- Richtlijn 93/74/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende diervoeders met bijzonder voedingsdoel (7), en - elke andere regeling op het gebied van de diervoeding waarin wordt bepaald dat de officiële controles geschieden volgens de bepalingen van deze richtlijn;

b) "controle van de documenten": de verificatie van de documenten die het produkt vergezellen of van andere informatie over het produkt;

c) "overeenstemmingscontrole": de verificiatie, door een eenvoudige visuele inspectie, van de overeenstemming tussen de documenten, de merktekens en de produkten;

d) "fysieke controle": de controle van het produkt zelf, die eventueel een monsterneming en een onderzoek van de monsters in een laboratorium omvat;

e) "produkt": diervoeder of een in de diervoeding gebruikte stof;

f) "bevoegde instantie": de met het verrichten van de officiële controles op het gebied van diervoeding belaste instantie van de Lid-Staat;

g) "inrichting": elk bedrijf dat een produkt produceert of fabriceert, dat het produkt in zijn bezit heeft in een tussenstadium alvorens het in het verkeer wordt gebracht, met inbegrip van de be- of verwerking en de verpakking, of dat het produkt in het verkeer brengt;

h) "in het verkeer brengen": het in voorraad hebben van produkten met het oog op verkoop of enige andere vorm van overdracht aan derden, al dan niet tegen vergoeding, alsmede de verkoop en de andere vormen van overdracht zelf.

2. De definities in de communautaire regelgeving inzake diervoeding zijn waar nodig van toepassing.

Artikel 3

1. De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de controles overeenkomstig deze richtlijn worden verricht.

2. De Lid-Staten zien niet af van een passende controle van een produkt omdat het voor uitvoer is bestemd.

Artikel 4

1. De controles geschieden:

a) regelmatig;

b) wanneer het vermoeden bestaat dat de voorschriften niet zijn nageleefd;

c) in verhouding tot het beoogde doel en met name in het licht van de risico's en de opgedane ervaring.

2. De controles bestrijken alle stadia van de produktie en de fabricage, de tussenstadia die aan het in het verkeer brengen voorafgaan en het in het verkeer brengen zelf, met inbegrip van de invoer, alsmede het gebruik van de produkten.

De bevoegde instantie kiest het stadium/de stadia dat/die het meest geschikt is/zijn voor het voorgenomen onderzoek.

3. De controles worden in de regel zonder voorafgaande kennisgeving verricht.

4. De controles hebben ook betrekking op het gebruik van verboden produkten in de diervoeding.

HOOFDSTUK II

INVOER UIT DERDE LANDEN

Artikel 5

In afwijking van artikel 4, lid 1, treffen de Lid-Staten alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde instanties bij het binnenbrengen van produkten op het douanegebied van de Gemeenschap voor elke partij een controle van de documenten en een steekproefsgewijze overeenstemmingscontrole uitvoeren om zich te vergewissen van:

- de aard van de produkten,

- de oorsprong van de produkten,

- de geografische bestemming van de produkten,

teneinde vast te stellen welke douaneregeling op die produkten van toepassing is.

Artikel 6

Met het oog op de in artikel 5 bedoelde controles, kunnen de Lid-Staten voor de verschillende soorten produkten bepaalde plaatsen van binnenkomst op hun grondgebied aanwijzen.

Met hetzelfde doel kunnen zij eisen vooraf in kennis te worden gesteld van de aankomst van de produkten op een bepaalde plaats van binnenkomst.

Artikel 7

Voordat de produkten in het vrije verkeer worden gebracht vergewissen de Lid-Staten zich er door steekproefsgewijze fysieke controles van dat zij aan de voorschriften voldoen.

Artikel 8

1. Wanneer de controle aan het licht brengt dat de produkten niet aan de voorschriften voldoen, verbiedt de Lid-Staat het binnenbrengen of het in het vrije verkeer brengen van deze produkten en eist hij de terugzending van de produkten buiten het grondgebied van de Gemeenschap; hij stelt de Commissie en de overige Lid-Staten onverwijld in kennis van de terugzending van de produkten, onder vermelding van de geconstateerde overtredingen.

2. In afwijking van lid 1 kan de Lid-Staat vergunning geven om onder de door de bevoegde instantie bepaalde voorwaarden een van de volgende maatregelen te nemen:

- de produkten worden binnen een nader te bepalen termijn in overeenstemming met de voorschriften gebracht,

- de produkten worden eventueel ontsmet,

- de produkten worden op een andere passende manier behandeld,

- de produkten worden voor andere doeleinden gebruikt,

- de produkten worden vernietigd.

De Lid-Staten zien erop toe dat de in de eerste alinea bedoelde handelingen geen ongunstige gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier of voor het milieu.

3. De kosten van de overeenkomstig de leden 1 en 2 genomen maatregelen zijn voor rekening van de houder van de vergunning of zijn vertegenwoordiger.

Artikel 9

1. Wanneer de produkten niet in het vrije verkeer worden gebracht op het grondgebied van de Lid-Staat die de in artikel 5 bedoelde controles en in voorkomend geval een fysieke controle verricht, verstrekt de Lid-Staat de belanghebbende een document waarin de aard en de uitkomsten van de uitgevoerde controles zijn aangegeven. In de handelsdocumenten wordt naar dit document verwezen.

De Lid-Staat van bestemming mag de produkten echter wel steekproefsgewijze controleren.

2. Een modeldocument en eventueel de uitvoeringsbepalingen van lid 1 worden vóór 30 april 1998 volgens de procedure van artikel 23 vastgesteld.

HOOFDSTUK III

HANDELSVERKEER BINNEN DE GEMEENSCHAP

Artikel 10

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat de voor verzending naar een andere Lid-Staat bestemde produkten met dezelfde zorg worden gecontroleerd als die welke bestemd zijn om op hun eigen grondgebied in het verkeer te worden gebracht.

Afdeling 1

Controle bij de oorsprong

Artikel 11

1. De Lid-Staten zien erop toe dat de bevoegde instantie de inrichtingen controleert om zich ervan te vergewissen dat deze hun verplichtingen uit hoofde van de communautaire voorschriften nakomen en dat de produkten die bestemd zijn om in het verkeer te worden gebracht aan de communautaire eisen voldoen.

2. Wanneer een vermoeden bestaat dat niet aan de eisen is voldaan, verricht de bevoegde instantie de nodige controles en treft zij passende maatregelen wanneer dit vermoeden bevestigd wordt.

Afdeling 2

Controle ter bestemming

Artikel 12

1. De bevoegde instantie van de Lid-Staat van bestemming kan op de plaats van bestemming door middel van niet-discriminerende steekproefcontroles nagaan of de produkten voldoen aan het bepaalde in artikel 2, lid 1, onder a).

2. Wanneer de bevoegde instantie van de Lid-Staat van doorvoer of van de Lid-Staat van bestemming echter over gegevens beschikt die een overtreding doen vermoeden, kunnen bovendien controles tijdens het vervoer van de produkten over het grondgebied van de Lid-Staat worden verricht.

Artikel 13

1. Wanneer een Lid-Staat bij een controle ter bestemming of tijdens het vervoer vaststelt dat de produkten niet voldoen aan het bepaalde in artikel 2, lid 1, onder a), neemt hij passende maatregelen en maant hij de verzender, de geadresseerde of elke andere rechthebbende aan om onder de door de bevoegde instantie vastgestelde voorwaarden een van de volgende maatregelen te nemen:

- de produkten worden binnen een nader te bepalen termijn in overeenstemming met de voorschriften gebracht,

- de produkten worden eventueel ontsmet,

- de produkten worden op een andere passende manier behandeld,

- de produkten worden voor andere doeleinden gebruikt,

- de produkten worden naar het land van oorsprong teruggezonden, na kennisgeving aan de bevoegde instantie van het land waar zich de inrichting bevindt waaruit ze afkomstig zijn,

- de produkten worden vernietigd.

2. De kosten van de overeenkomstig lid 1 getroffen maatregelen zijn voor rekening van de verzender of van elke andere rechthebbende, eventueel met inbegrip van de geadresseerde.

Afdeling 3

Samenwerking bij constatering van overtredingen

Artikel 14

Wanneer de produkten worden vernietigd, voor andere doeleinden worden gebruikt, naar het land van oorsprong worden teruggezonden dan wel worden ontsmet, in de zin van artikel 13, lid 1, treedt de Lid-Staat van bestemming onverwijld in contact met de Lid-Staat van verzending. In de andere gevallen kan de Lid-Staat van bestemming contact opnemen met de Lid-Staat van verzending. De Lid-Staat van verzending neemt alle nodige maatregelen en deelt de Lid-Staat van bestemming de aard van de verrichte controles, de resultaten ervan, de genomen beslissingen en de redenen daarvan mee.

Indien de Lid-Staat van bestemming vreest dat die maatregelen ontoereikend zijn, gaat hij met de betrokken Lid-Staat na hoe de situatie kan worden verholpen, eventueel door een gezamenlijk plaatsbezoek.

Wanneer op grond van de overeenkomstig artikel 12 verrichte controles herhaling van de overtreding geconstateerd wordt, stelt de Lid-Staat van bestemming de Commissie en de andere Lid-Staten daarvan in kennis.

Artikel 15

1. De Commissie kan op verzoek van de Lid-Staat van bestemming of op eigen initiatief en naar gelang van de aard van de geconstateerde overtreding - in samenwerking met de betrokken Lid-Staat vertegenwoordigers ter plaatse zenden;

- de Lid-Staat van verzending verzoeken om de produktie van de betrokken inrichting intensiever te controleren.

2. De Commissie deelt de betrokken Lid-Staten haar bevindingen mee.

In afwachting van de bevindingen van de Commissie verscherpt de Lid-Staat van verzending, op verzoek van de Lid-Staat van bestemming, de controles op de produkten van de betrokken inrichting.

De Lid-Staat van bestemming mag zijnerzijds de produkten van deze inrichting intensiever controleren.

3. De Commissie kan de situatie in het in artikel 23 bedoelde Comité bespreken. Zij kan volgens de procedure van dat artikel de nodige besluiten nemen, waaronder begrepen besluiten inzake het intracommunautaire verkeer van de betrokken produkten.

Afdeling 4

Controle ter plaatse op de landbouwbedrijven

Artikel 16

De Lid-Staten zien erop toe dat de bevoegde instantie toegang krijgt tot de landbouwbedrijven waar de produkten worden vervaardigd of gebruikt, teneinde de voorgeschreven controles te verrichten.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 17

1. De Lid-Staten zorgen ervoor dat de controles zodanig worden uitgevoerd dat zo weinig mogelijk vertraging in het vervoer van de produkten ontstaat en dat de afzet van die produkten door de controles niet onnodig belemmerd wordt.

2. De Lid-Staten bepalen dat de met de controles belaste beambten aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

Artikel 18

1. Ingeval er van de produken monsters worden genomen voor analyse, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om:

- de betrokkenen eventueel een tegenexpertise te laten uitvoeren;

- te garanderen dat er officieel verzegelde referentiemonsters bewaard worden.

2. De Lid-Staten stellen een lijst op van de laboratoria die met de analyses worden belast; zij zien erop toe dat die laboratoria worden aangewezen op grond van hun beroepsbekwaamheid.

3. De Lid-Staten zorgen ervoor dat de bemonsteringen en analyses worden uitgevoerd overeenkomstig de communautaire voorschriften.

Wanneer echter geen communautaire voorschriften en methoden zijn vastgesteld, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de controles worden uitgevoerd - volgens door internationale instellingen erkende normen;

- wanneer dergelijke normen ontbreken, op grond van wetenschappelijk erkende nationale voorschriften die in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Verdrag.

4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden voor zover nodig, vastgesteld volgens de procedure van artikel 23.

Artikel 19

Elke Lid-Staat treft passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alle bepalingen van deze richtlijn ten volle worden toegepast. Er moeten sancties worden vastgesteld voor de inbreuken op de maatregelen die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Deze sancties moeten doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn.

Artikel 20

Deze richtlijn laat de rechtsmiddelen die op grond van de wetgeving van de Lid-Staten tegen beslissingen van de bevoegde instanties kunnen worden aangewend, onverlet.

De beslissingen van de bevoegde instantie bij constatering van een overtreding moeten, met opgave van redenen, aan de betrokken marktdeelnemer of aan diens rechthebbende worden meegedeeld.

Indien de betrokken marktdeelnemer of diens rechthebbende daarom verzoekt, moeten de met redenen omklede beslissingen hem schriftelijk worden meegedeeld, met opgave van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de wetgeving van de controlerende Lid-Staat beschikt alsmede van de vorm waarin en de termijnen waarbinnen hij van deze rechtsmiddelen gebruik dient te maken.

Artikel 21

Elke Lid-Staat deelt de Commissie één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de volgende gegevens mee:

- de naam en het geografisch en het functioneel ressort van de bevoegde instantie(s);

- het laboratium of de laboratoria als bedoeld in artikel 18, lid 2;

- in voorkomend geval de lijst van de in artikel 6 bedoelde plaatsen van binnenkomst.

Deze gegevens, alsmede de latere wijzigingen ervan, worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 22

1. De Lid-Staten stellen uiterlijk op 1 oktober 1998 programma's op waarin is aangegeven welke nationale maatregelen zullen worden genomen om het doel van deze richtlijn te bereiken.

In deze programma's moet rekening worden gehouden met de specifieke situaties van de Lid-Staten en moet met name worden aangegeven welke de aard en de frequentie is van de controles die op gezette tijden dienen te worden uitgevoerd.

2. De Lid-Staten verstrekken de Commissie jaarlijks vóór 1 april en voor de eerste maal vóór 1 april 2000 alle nuttige informatie over de uitvoering van de in lid 1 bedoelde programma's in het voorafgaande jaar, met vermelding van:

- de criteria die bij de opstelling van deze programma's zijn gehanteerd;

- het aantal en de aard van de verrichte controles;

- de resultaten van de controles, inzonderheid het aantal en de aard van de geconstateerde overtredingen;

- de getroffen maatregelen wanneer er overtredingen zijn geconstateerd.

3. De Commissie legt jaarlijks vóór 1 oktober en voor de eerste maal vóór 1 oktober 2000 een algemeen synthetisch verslag voor over de resultaten van de communautaire controles, vergezeld van een voorstel voor een volgens de procedure van artikel 23 vast te stellen aanbeveling voor een gecooerdineerd controleprogramma voor het volgende jaar. Deze aanbeveling kan later worden bijgesteld wanneer dit bij de uitvoering van het gecooerdineerde programma nodig mocht blijken.

In het gecooerdineerde programma moeten meer bepaald de criteria zijn opgenomen die bij de uitvoering ervan bij voorrang dienen te worden gehanteerd.

De in lid 2 bedoelde informatie omvat een afzonderlijk en specifiek hoofdstuk over de uitvoering van het gecooerdineerde programma.

Artikel 23

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 70/372/EEG (1) ingestelde Permanent Comité voor diervoeders, hierna "het Comité" te noemen.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad, na verloop van een termijn van drie maanden na de indiending van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 24

1. De Lid-Staten nemen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om uiterlijk op 30 april 1998 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 25

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 26

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 25 oktober 1995.

Voor de Raad De Voorzitter L. ATIENZA

(1) PB nr. L 170 van 3. 8. 1970, blz. 1.