31995L0007

Richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde - werkingssfeer en praktische regeling voor de toepassing van bepaalde vrijstellingen

Publicatieblad Nr. L 102 van 05/05/1995 blz. 0018 - 0024


RICHTLIJN 95/7/EG VAN DE RAAD van 10 april 1995 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde - werkingssfeer en praktische regeling voor de toepassing van bepaalde vrijstellingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 99,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat de werking van de interne markt kan worden verbeterd door het vaststellen van gemeenschappelijke regels inzake de werkingssfeer en de wijze van toepassing van bepaalde, in artikel 14, lid 1, in artikel 15, punt 2, en in artikel 16, lid 1, van Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1) vermelde vrijstellingen; dat de vaststelling van deze gemeenschappelijke regels is voorgeschreven bij die richtlijn, inzonderheid bij artikel 14, lid 2, en bij artikel 16, lid 3;

Overwegende dat in artikel 3 van Richtlijn 92/111/EEG van de Raad van 14 december 1992 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (2) is bepaald dat de wijze van belastingheffing voor kettingtransacties tussen belastingplichtigen zal worden vastgesteld; dat met deze maatregelen zowel de naleving van het beginsel van neutraliteit van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de oorsprong van de goederen en diensten als de naleving van de keuzen die zijn gemaakt ten aanzien van de beginselen van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarop in de overgangsperiode, moet worden gewaarborgd;

Overwegende dat in de maatstaf van heffing bij invoer alle kosten moeten worden opgenomen die samenhangen met het vervoer van goederen naar elke plaats van bestemming in de Gemeenschap wanneer op het tijdstip dat de invoer geschiedt, deze plaats bekend is; dat bijgevolg voor de betrokken diensten de in artikel 14, lid 1, onder i), van Richtlijn 77/388/EEG bedoelde vrijstellingen gelden;

Overwegende dat in artikel 15, punt 2, van laatstgenoemde richtlijn is bepaald dat de Commissie bij de Raad voorstellen indient om communautaire belastingvoorschriften vast te stellen waarbij de werkingssfeer en de praktische toepassingswijze van de vrijstellingen bij uitvoer voor leveringen van in de persoonlijke bagage van reizigers meegenomen goederen nader worden uitgewerkt;

Overwegende dat de periode die als uitgangspunt dient voor de berekening van de in artikel 20, lid 2, van laatstgenoemde richtlijn bedoelde herzieningen door de Lid-Staten op 20 jaar moet kunnen worden gebracht voor onroerende investeringsgoederen, gezien hun economische levensduur;

Overwegende dat de Lid-Staten de mogelijkheid moeten krijgen hetzelfde tarief te blijven toepassen op het na de uitvoering van het aangenomen werk verkregen goed als hetwelk zij toepasten op 1 januari 1993;

Overwegende dat de territorialiteitsregels en de belastingregels die op het gebied van intracommunautaire goederenvervoerdiensten gelden, zowel voor de bedrijven als voor de overheidsdiensten van de Lid-Staten op eenvoudige en bevredigende wijze werken;

Overwegende dat door vervoer dat binnen een Lid-Staat wordt verricht, wanneer het rechtstreeks verband houdt met tussen Lid-Staten verricht vervoer, gelijk te stellen aan intracommunautair goederenvervoer, niet alleen de belastingbeginselen en -regels voor deze binnenlandse vervoerdiensten maar ook die welke van toepassing zijn op de daarmee samenhangende diensten alsmede op de diensten die worden verricht door tussenpersonen die bij het verrichten van deze verschillende diensten bemiddelen, kunnen worden vereenvoudigd;

Overwegende dat de kwalificatie van bepaalde werken ten aanzien van roerende goederen als aangenomen werk een bron van zorgen is en dient te worden geschrapt;

Overwegende dat het, ter vergemakkelijking van het intracommunautaire verkeer op het terrein van bewerkingen van roerende lichamelijke zaken, dienstig is de wijze van belastingheffing ter zake te wijzigen wanneer die bewerkingen worden verricht voor ontvangers die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd zijn in een andere Lid-Staat dan die waar de dienst feitelijk verricht wordt;

Overwegende dat door het bepaalde in artikel 16, lid 1, delen B tot en met E, van laatstgenoemde richtlijn met name in samenhang met het bepaalde in artikel 22, lid 9, van die richtlijn inzake de ontheffing van verplichtingen de moeilijkheden kunnen worden opgelost die door bedrijven die aan kettingtransacties betreffende onder een entrepotregeling geplaatste en gehandhaafde goederen deelnemen, worden ondervonden;

Overwegende dat in dat verband ervoor zorg dient te worden gedragen dat de belastingbehandeling van de leveringen van goederen en diensten betreffende onder een regeling inzake douane-entrepot geplaatste goederen ook kan worden toegepast op de handelingen die worden verricht met betrekking tot goederen die onder een andere entrepotregeling vallen dan die inzake douane-entrepot;

Overwegende dat deze transacties hoofdzakelijk betrekking hebben op grondstoffen en andere goederen die op internationale termijnmarkten worden verhandeld en dat een lijst moet worden opgesteld van goederen die onder deze bepalingen vallen;

Overwegende dat, behoudende raadpleging van het Comité voor de belasting over de toegevoegde waarde, de omschrijving van deze andere entrepotregelingen dan die inzake douane-entrepot tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort; dat niettemin de goederen die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd, van deze regelingen dienen te worden uitgesloten;

Overwegende dat bepaalde regels dienen te worden vastgesteld voor de toepassing van de belasting bij het onttrekken aan de in genoemd artikel 16, lid 1, delen B tot en met E, bedoelde regelingen, met name ten aanzien van de tot voldoening van de aldus verschuldigde belasting gehouden persoon;

Overwegende dat de strekking van artikel 17, lid 2, onder a), van genoemde richtlijn ten aanzien van de toepassing daarvan in de in artikel 28 terdecies van die richtlijn bedoelde overgangsperiode nader dient te worden bepaald;

Overwegende dat Richtlijn 77/388/EEG bijgevolg dient te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 77/388/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 5, lid 5, wordt vervangen door:

"5. Als een levering in de zin van lid 1 kunnen de Lid-Staten beschouwen de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat.";

2. artikel 11, deel B, punt 3, onder b), derde alinea, wordt vervangen door:

"De bovenbedoelde bijkomende kosten worden eveneens in de maatstaf van heffing opgenomen wanneer zij voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.";

3. in artikel 15, punt 2, worden de tweede en derde alinea vervangen door:

"Ingeval de levering betrekking heeft op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, geldt deze vrijstelling op voorwaarde dat:

- de reiziger niet in de Gemeenschap gevestigd is;

- de goederen uit de Gemeenschap worden vervoerd vóór het einde van de derde maand die volgt op die waarin de levering geschiedde;

- de totale waarde van de levering inclusief de belasting over de toegevoegde waarde de tegenwaarde in nationale munt van 175 ecu overschrijdt, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Richtlijn 69/169/EEG (*) van de Raad; de Lid-Staten mogen evenwel ook een levering waarvan de totale waarde lager dan dit bedrag is, van belasting vrijstellen.

Voor de toepassing van de tweede alinea:

- wordt als een "niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger" beschouwd een reiziger wiens woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats niet in de Gemeenschap is gelegen. In de zin van deze bepaling wordt onder "woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats" verstaan de plaats die als zodanig is vermeld op het paspoort, op de identiteitskaart of op enig ander document dat door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de levering wordt verricht, als identiteitsbewijs wordt erkend;

- wordt het bewijs van de uitvoer geleverd door middel van de factuur, of van een in de plaats daarvan komend bewijsstuk, voorzien van het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

Elke Lid-Staat verstrekt aan de Commissie een specimen van de stempels die hij voor het afgeven van bedoeld visum gebruikt. De Commissie stelt de belastingautoriteiten van de andere Lid-Staten van deze informatie in kennis.

";

4. in artikel 20, lid 2, wordt de laatste alinea vervangen door:

"Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal 20 jaar worden verlengd.";

5. aan artikel 28, lid 2, wordt de volgende letter toegevoegd:

"h) De Lid-Staten die op 1 januari 1993 gebruik maakten van de in artikel 5, lid 5, onder a), geboden mogelijkheid zoals geldend op die datum, kunnen voor de oplevering van een werk in roerende staat het tarief toepassen dat van toepassing is op het na de uitvoering van het aangenomen werk verkregen goed.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt als "oplevering van een werk in roerende staat" beschouwd de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft.";

6. artikel 28 bis, lid 5, wordt als volgt gewijzigd:

- de inleidende zinsnede wordt vervangen door:

"5. Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld:";

- letter a) wordt geschrapt;

- letter b), tweede alinea, vierde streepje, wordt geschrapt;

- letter b), tweede alinea, vijfde streepje, wordt vervangen door:

"- de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover de goederen na bewerking opnieuw verzonden worden naar deze belastingplichtige in de Lid-Staat waarvandaan zij oorspronkelijk verzonden of vervoerd waren";

7. artikel 28 ter wordt als volgt gewijzigd:

- aan deel C, punt 1, eerste streepje, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Met intracommunautair goederenvervoer wordt gelijkgesteld goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en die van aankomst in het binnenland zijn gelegen, wanneer dit vervoer rechtstreeks samenhangt met goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en die van aankomst op het grondgebied van twee verschillende Lid-Staten zijn gelegen;";

- het volgende deel F wordt toegevoegd:

"F. Plaats van de dienstverrichting bij expertises of bewerkingen van roerende lichamelijke zaken Bij expertises of bewerkingen van roerende lichamelijke zaken welke verricht worden voor ontvangers die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd zijn in een andere Lid-Staat dan die waar de dienst feitelijk verricht wordt, wordt in afwijking van artikel 9, lid 2, onder c), de plaats van de dienstverrichting geacht te zijn gelegen in de Lid-Staat waar aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer is toegekend waaronder de dienst voor hem is verricht.

Deze afwijking is niet van toepassing indien de goederen niet verzonden of vervoerd worden buiten de Lid-Staat waar de diensten daadwerkelijk zijn verricht.";

8. in artikel 28 quater, deel A, onder a), eerste alinea, worden de woorden "en in de zin van artikel 28 bis, lid 5, onder a)," geschrapt;

9. artikel 28 quater, deel E, punt 1, wordt vervangen door de volgende tekst:

"1. In artikel 16:

- wordt lid 1 vervangen door de volgende tekst:

"1. Onverminderd de andere communautaire belastingbepalingen kunnen de Lid-Staten, onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging, bijzondere maatregelen nemen teneinde vrijstelling te verlenen voor de volgende handelingen of sommige daarvan, mits zij geen betrekking hebben op eindgebruik en/of eindverbruik en het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde dat verschuldigd is bij het onttrekken van de goederen aan de onder A tot en met E bedoelde regelingen of situaties overeenkomt met het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van deze handelingen in het binnenland was belast:

A. de invoer van goederen die komen te vallen onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots;

B. leveringen van goederen a) die bij de douane worden aangebracht en eventueel tijdelijk worden opgeslagen;

b) die in een vrije zone of een vrij entrepot worden geplaatst;

c) die komen te vallen onder een stelsel van douane-entrepots of onder een stelsel van actieve veredeling;

d) die in de territoriale zee worden toegelaten - en bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van boor- of werkeilanden, dan wel om die boor- of werkeilanden met het vasteland te verbinden;

- voor de bevoorrading van boor- of werkeilanden;

e) die in het binnenland onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots komen te vallen.

In de zin van dit artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd:

- voor accijnsprodukten, de als belastingentrepots in de zin van artikel 4, onder b), van Richtlijn 92/12/EEG aangemerkte plaatsen,

- voor andere goederen dan accijnsprodukten, de als zodanig door de Lid-Staten aangemerkte plaatsen. De Lid-Staten mogen evenwel niet in een ander stelsel van entrepot dan douane-entrepots voorzien wanneer deze goederen bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd.

De Lid-Staten kunnen een dergelijke regeling evenwel invoeren voor goederen die bestemd zijn voor:

- belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht onder de in artikel 28 duodecies vermelde voorwaarden;

- verkooppunten in de zin van artikel 28 duodecies, met het oog op leveringen aan reizigers die zich via een vlucht of zeereis naar een derde land begeven en die overeenkomstig artikel 15 vrijgesteld zin;

- belastingplichtigen, met het oog op leveringen aan reizigers aan boord van een vliegtuig of schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;

- belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van belasting overeenkomstig artikel 15, punt 10.

De onder a), b), c) en d) bedoelde plaatsen zijn de plaatsen die als zodanig zijn omschreven in de geldende communautaire douanevoorschriften;

C. diensten betreffende de in deel B bedoelde leveringen van goederen;

D. leveringen van goederen en dienstverrichtingen:

a) in de in deel B, onder a), b), c) en d), genoemde plaatsen met handhaving van een van de in die punten genoemde situaties;

b) in de in deel B, onder e), genoemde plaatsen met handhaving, in het binnenland, van de in dat punt genoemde situatie.

Wanneer voor handelingen die worden verricht in een douane-entrepot, gebruik wordt gemaakt van de onder a) bepaalde mogelijkheid, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te verzekeren dat zij andere stelsels van entrepots dan douane-entrepots hebben gedefinieerd die de toepassing van het bepaalde onder b) mogelijk maken op dezelfde handelingen met betrekking tot in de lijst van bijlage J opgenomen goederen die worden verricht in die andere entrepots dan douane-entrepots;

E. leveringen:

- van goederen als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a), die nog onderworpen zijn aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of aan een regeling voor extern douanevervoer;

- van goederen zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b), die nog onderworpen zijn aan de in artikel 33 bis bedoelde regeling voor intern communautair douanevervoer,

alsmede de diensten betreffende deze leveringen.

In afwijking van artikel 21, lid 1, onder a), eerste alinea, is de tot voldoening van de overeenkomstig de eerste alinea verschuldigde belasting gehouden persoon die welke de goederen aan de in dit lid genoemde regelingen of situaties onttrekt.

Wanneer het onttrekken van de goederen aan de in dit lid bedoelde regelingen of situaties aanleiding geeft tot invoer in de zin van artikel 7, lid 3, neemt de Lid-Staat van invoer de nodige maatregelen om dubbele belasting in het binnenland te voorkomen.";

- wordt het volgende lid toegevoegd:

"1 bis. Wanneer zij van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid gebruik maken, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te waarborgen dat de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om onder één van de in lid 1, deel B, bedoelde regelingen of situaties te worden geplaatst, onder dezelfde bepalingen vallen als de leveringen van goederen die in het binnenland onder dezelfde voorwaarden worden verricht.".";

10. in artikel 28 septies, lid 1, wordt artikel 17, lid 2, onder a), vervangen door:

"a) de belasting over de toegevoegde waarde welke in het binnenland is verschuldigd of is voldaan voor de door een andere belastingplichtige aan hem geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte of te verrichten diensten;";

11. in artikel 28 octies wordt artikel 21, punt 1, onder b), vervangen door:

"b) door de ontvanger van een dienst als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder e), of door de voor BTW-doeleinden in het binnenland geïdentificeerde ontvanger van een in artikel 28 ter, delen C, D, E en F, bedoelde dienst, wanneer de dienst wordt verricht door een in het buitenland gevestigde belastingplichtige; de Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat de dienstverrichter hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen;";

12. artikel 28 nonies wordt als volgt gewijzigd:

- artikel 22, lid 2, onder b), wordt vervangen door:

"b) Iedere belastingplichtige moet een register bijhouden van de goederen die door hemzelf of voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd buiten het in artikel 3 bedoelde grondgebied, maar binnen de Gemeenschap, ten behoeve van de in artikel 28 bis, lid 5, onder b), vijfde, zesde en zevende streepje, bedoelde handelingen.

Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren die voldoende gegevens bevat om de goederen te kunnen identificeren die vanuit een andere Lid-Staat naar hem verzonden zijn door of voor rekening van een in die andere Lid-Staat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die voorwerp zijn van een in artikel 9, lid 2, onder c), derde of vierde streepje, bedoelde dienstverrichting.";

- artikel 22, lid 3, onder b), tweede alinea, eerste streepje, wordt vervangen door:

"- voor de in artikel 28 ter, delen C, D, E en F, bedoelde handelingen, het nummer waaronder de belastingplichtige in het binnenland is geïdentificeerd alsmede het nummer waaronder de ontvanger is geïdentificeerd en waaronder de dienst aan hem is verleend,";

- artikel 22, lid 6, onder b), eerste linea, wordt vervangen door:

"Iedere voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige moet eveneens een lijst indienen van de voor BTW-doeleinden geïdentificeerde afnemers aan wie hij goederen heeft geleverd onder de in artikel 28 quater, deel A, onder a) en d), gestelde voorwaarden, alsmede van de voor BTW-doeleinden geïdentificeerde personen voor wie de in de vijfde alinea vermelde handelingen zijn bestemd.";

- artikel 22, lid 6, onder b), derde alinea, tweede streepje, wordt vervangen door:

"- het nummer waaronder elke afnemer voor BTW-doeleinden in een andere Lid-Staat is geïdentificeerd en waaronder goederen aan hem geleverd zijn,";

- artikel 22, lid 6, onder b), vijfde alinea, wordt geschrapt;

13. de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd als bijlage J.

Artikel 2

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om op 1 januari 1996 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. In afwijking van lid 1, eerste alinea, kunnen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen treffen om uiterlijk op 1 januari 1996 het bepaalde in artikel 1, punten 3, 4 en 9, in werking te doen treden.

De Bondsrepubliek Duitsland en het Groothertogdom Luxemburg mogen evenwel de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen treffen om de bepalingen van artikel 1, punt 9, uiterlijk op 1 januari 1997 toe te passen.

3. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied treffen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 10 april 1995.

Voor de Raad De Voorzitter A. JUPPÉ

(*) PB nr. L 133 van 4. 6. 1969, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/4/EG (PB nr. L 60 van 3. 3. 1994, blz. 14).

(1) (2) PB nr. L 384 van 30. 12. 1992, blz. 47.

BIJLAGE

"BIJLAGE J >RUIMTE VOOR DE TABEL>