31993L0119

Richtlijn 93/119/EG van de Raad van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden

Publicatieblad Nr. L 340 van 31/12/1993 blz. 0021 - 0034
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 55 blz. 0194
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 55 blz. 0194


RICHTLIJN 93/119/EG VAN DE RAAD

van 22 december 1993

inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat bij Richtlijn 74/577/EEG van de Raad (4) voorschriften zijn vastgesteld betreffende de verdoving van dieren vóór het slachten;

Overwegende dat bij Besluit 88/306/EEG van de Raad (5) het Europees Verdrag inzake de bescherming van slachtdieren namens de Gemeenschap is goedgekeurd; dat het Verdrag een ruimere werkingssfeer heeft dan de huidige communautaire bepalingen op dit gebied;

Overwegende dat de nationale wetgevingen inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden consequenties hebben voor de situatie op het gebied van de mededinging en derhalve ook voor het functioneren van de gemeenschappelijke markt voor landbouwprodukten;

Overwegende dat derhalve gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van dieren bij het slachten of doden moeten worden vastgesteld om een rationele ontwikkeling van de produktie te garanderen en de voltooiing van de interne markt voor dieren en dierlijke produkten te vergemakkelijken;

Overwegende dat dieren tijdens het slachten of doden alle vermijdbare pijn of vermijdbaar lijden moet worden bespaard;

Overwegende dat het echter nodig is technische en wetenschappelijke experimenten toe te laten en rekening te houden met de speciale vereisten ten behoeve van bepaalde religieuze riten;

Overwegende dat de bepalingen ook voldoende bescherming moeten bieden voor dieren die worden geslacht of gedood, maar die niet onder het Europees Verdrag inzake de bescherming van slachtdieren vallen;

Overwegende dat in de aan de slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie gehechte verklaring betreffende de bescherming van dieren, de Conferentie het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Lid-Staten verzoekt bij de opstelling en de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten volle rekening te houden met de vereisten inzake het welzijn van dieren;

Overwegende dat het communautaire optreden ter zake moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit het in artikel 3B van het Verdrag opgenomen subsidiariteitsbeginsel;

Overwegende dat Richtlijn 74/577/EEG dient te worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten en doden van dieren die worden gefokt en gehouden voor het verkrijgen van vlees, huiden, pelzen of andere produkten en op de procedures voor het doden in geval van bestrijding van besmettelijke ziekten.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

- onder de supervisie van de bevoegde autoriteit uitgevoerde technische of wetenschappelijke experimenten met betrekking tot de in lid 1 genoemde procedures,

- dieren die gedood worden tijdens culturele of sportieve evenementen,

- vrij wild dat overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 92/45/EEG wordt gedood.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. slachthuis: elke inrichting of installatie, met inbegrip van voorzieningen voor het verplaatsen of onderbrengen van dieren, die wordt gebruikt voor het commercieel slachten van de in artikel 5, lid 1, genoemde dieren;

2. verplaatsen: het uitladen van dieren of het drijven van dieren van de bij het slachthuis behorende losplaatsen, stallen of hokken naar de lokalen of plaatsen waar zij zullen worden geslacht;

3. onderbrengen: het houden en in voorkomend geval het op passende wijze verzorgen (water, voeder, rust) van dieren in door een slachthuis gebruikte stallen, hokken, overdekte plaatsen of weiden, voordat zij worden geslacht;

4. fixeren: het toepassen op een dier van iedere methode die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken ten einde het doeltreffend bedwelmen of doden te vergemakkelijken;

5. bedwelmen: iedere methode die, bij toepassing op een dier, dit dier onmiddellijk brengt in een staat van bewusteloosheid die aanhoudt totdat de dood is ingetreden;

6. doden: iedere methode die resulteert in de dood van een dier;

7. slachten: het doden van een dier door verbloeding;

8. bevoegde autoriteit: de voor het verrichten van veterinaire controles bevoegde centrale autoriteit van een Lid-Staat of een autoriteit waaraan zij deze bevoegdheid heeft overgedragen.

De religieuze instantie van de Lid-Staat waarvoor slachtingen worden verricht is evenwel bevoegd voor de toepassing van en het toezicht op de specifieke bepalingen die gelden voor het slachten volgens de methoden die vereist zijn voor bepaalde religieuze riten. Voor de toepassing van genoemde bepalingen werkt deze autoriteit onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 64/433/EEG.

Artikel 3

Bij het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten en doden moet ervoor worden gezorgd dat de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn of elk vermijdbaar lijden wordt bespaard.

HOOFDSTUK II Vereisten inzake slachthuizen

Artikel 4

De bouw, de inrichting en de voorzieningen van slachthuizen en het gebruik daarvan moeten zo zijn dat de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn of elk vermijdbaar lijden wordt bespaard.

Artikel 5

1. Eenhoevigen, herkauwers, varkens, konijnen en pluimvee, die in een slachthuis worden binnengebracht om er te worden geslacht, moeten

a) worden verplaatst en zo nodig ondergebracht overeenkomstig het bepaalde in bijlage A;

b) worden gefixeerd overeenkomstig het bepaalde in bijlage B;

c) vóór het slachten worden bedwelmd of onmiddellijk worden gedood overeenkomstig het bepaalde in bijlage C;

d) wat het verbloeden betreft, worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in bijlage D.

2. Het bepaalde in lid 1, onder c), geldt niet voor dieren die worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor bepaalde religieuze riten.

3. Met inachtneming van de algemene regels van het Verdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten voor inrichtingen waarvoor op grond van de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 64/433/EEG, artikel 4 van Richtlijn 91/498/EEG en de artikelen 7 en 18 van Richtlijn 71/118/EEG een afwijkende regeling geldt, met betrekking tot runderen afwijken van het bepaalde in lid 1, onder a), en met betrekking tot pluimvee, konijnen, varkens, schapen en geiten afwijken van het bepaalde in lid 1, onder a), en de in bijlage C bedoelde methoden voor het bedwelmen en slachten voor zover de voorschriften van artikel 3 worden nageleefd.

Artikel 6

1. De instrumenten, installaties en verdere voorzieningen voor het fixeren, bedwelmen of doden van dieren moeten zo zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden en zo worden gebruikt dat de dieren overeenkomstig deze richtlijn snel en doeltreffend worden bedwelmd of gedood. De bevoegde autoriteit gaat na of de instrumenten, installaties en verdere voorzieningen voor het fixeren, bedwelmen of doden aan de bovenstaande beginselen beantwoorden, en controleert regelmatig of zij in goede staat van onderhoud verkeren, en of zij de mogelijkheid bieden het voornoemde doel te bereiken.

2. Voor noodgevallen moeten op de slachtplaats adequate reserveapparatuur en -instrumenten aanwezig zijn. Deze moeten naar behoren worden onderhouden en regelmatig worden geïnspecteerd.

Artikel 7

Het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten of doden van dieren mag alleen worden uitgevoerd door personen die de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren, overeenkomstig de in deze richtlijn neergelegde voorschriften.

De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de personen die zijn aangesteld voor het slachten over de nodige beroepsbekwaamheid, -kennis en vaardigheden beschikken.

Artikel 8

De slachthuizen worden geïnspecteerd en gecontroleerd onder verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit, die te allen tijde vrije toegang moet hebben tot alle delen van het slachthuis ten einde erop toe te kunnen zien dat deze richtlijn in acht wordt genomen. Deze inspecties en controles kunnen evenwel worden uitgevoerd bij controles voor andere doeleinden.

HOOFDSTUK III Het slachten en doden buiten slachthuizen

Artikel 9

1. Voor het slachten van de in artikel 5, lid 1, bedoelde dieren buiten slachthuizen, is artikel 5, lid 1, onder b), c) en d), van toepassing.

2. De Lid-Staten kunnen evenwel toestaan dat van het bepaalde in lid 1 wordt afgeweken voor pluimvee, konijnen, varkens, schapen en geiten die buiten het slachthuis door de eigenaar worden geslacht of gedood voor eigen consumptie, mits aan de eisen van artikel 3 wordt voldaan en de varkens, schapen en geiten van tevoren worden bedwelmd.

Artikel 10

1. Wanneer dieren als bedoeld in artikel 5, lid 1, moeten worden geslacht of gedood in het kader van de bestrijding van dierziekten, moet dat geschieden overeenkomstig het bepaalde in bijlage E.

2. Dieren die voor hun pels worden gehouden, moeten worden gedood overeenkomstig het bepaalde in bijlage F.

3. Eendagskuikens, zoals omschreven in artikel 2, punt 3, van Richtlijn 90/539/EEG, en embryo's die in boerderijen overtollig zijn en die moeten worden verwijderd, moeten zo snel mogelijk worden gedood overeenkomstig het bepaalde in bijlage G.

Artikel 11

De artikelen 9 en 10 zijn niet van toepassing op een dier dat om dringende redenen onmiddellijk moet worden gedood.

Artikel 12

Gewonde of zieke dieren moeten ter plaatse worden geslacht of gedood. De bevoegde autoriteit kan echter toestaan dat gewonde of zieke dieren worden vervoerd om geslacht of gedood te worden, voor zover dit voor de dieren geen extra lijden veroorzaakt.

HOOFDSTUK IV Slotbepalingen

Artikel 13

1. Indien nodig stelt de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voorschriften vast voor de bescherming bij het slachten of doden van andere dan de in deze richtlijn bedoelde dieren.

2. a) De bijlagen bij deze richtlijn worden door de Raad op voorstel van de Commissie volgens de in lid 1 genoemde procedure gewijzigd, met name om ze aan te passen aan de technologische en wetenschappelijke ontwikkeling;

b) Bovendien legt de Commissie uiterlijk op 31 december 1995 aan de Raad een op basis van een advies van het Wetenschappelijk Veterinair Comité opgesteld verslag voor met passende voorstellen betreffende met name het gebruik van

- de kogel met inslag in de hersenen of van andere dan de in bijlage C genoemde gassen, of combinaties daarvan, die worden gebruikt voor de bedwelming, met name kooldioxide voor de bedwelming van pluimvee,

- andere dan de in bijlage C genoemde gassen, of combinaties daarvan, voor het doden,

- elke andere wetenschappelijk erkende methode voor het bedwelmen of doden.

De Raad neemt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over deze voorstellen;

c) In afwijking van punt a) legt de Commissie uiterlijk op 31 december 1995 volgens de procedure van artikel 16, aan het Permanent Veterinair Comité een op basis van een advies van het Wetenschappelijk Veterinair Comité opgesteld verslag voor met passende voorstellen voor de vaststelling van

i) de sterkte en de werkingsduur van de stroom die nodig is om de verschillende betrokken diersoorten te bedwelmen;

ii) De gasconcentratie en de blootstellingsduur die nodig zijn om de verschillende betrokken diersoorten met gas te bedwelmen;

d) In afwachting van de tenuitvoerlegging van het bepaalde in de punten b) en c) blijven de nationale bepalingen ter zake van toepassing, met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag.

Artikel 14

1. Voor zover zulks nodig is om de eenvormige toepassing van de onderhavige richtlijn te verzekeren kunnen deskundigen van de Commissie controles ter plaatse uitvoeren. Daartoe kunnen zij een representatieve steekproef van inrichtingen controleren om zich ervan te vergewissen dat de bevoegde autoriteit controleert dat de inrichtingen de voorschriften van deze richtlijn toepassen.

De Commissie brengt de Lid-Staten op de hoogte van de uitslag van de verrichte controles.

2. De in lid 1 genoemde controles worden in samenwerking met de bevoegde autoriteit uitgevoerd.

3. De Lid-Staat op het grondgebied waarvan een controle wordt verricht, geeft de deskundigen alle steun voor de uitvoering van hun taak.

4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 16.

Artikel 15

Bij de inspectie van slachthuizen of inrichtingen in derde landen die zijn of moeten worden erkend met het oog op de uitvoer naar de Gemeenschap overeenkomstig de communautaire regelgeving, vergewissen de deskundigen van de Commissie zich ervan dat de in artikel 5 bedoelde dieren zijn geslacht onder omstandigheden die ten minste even goede waarborgen voor een humane behandeling bieden als in deze richtlijn zijn voorgeschreven.

Vlees uit derde landen kan alleen worden ingevoerd wanneer het vleeskeuringscertificaat dat dit vlees begeleidt, aangevuld is met een verklaring dat aan bovenstaande eis is voldaan.

Artikel 16

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Permanent Veterinair Comité, deze procedure hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van drie maanden na indiening van het voorstel, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 17

Richtlijn 74/577/EEG wordt met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken.

Artikel 18

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, waaronder eventuele sancties, in werking treden om op 1 januari 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. Vanaf de in lid 1 vastgestelde datum mogen de Lid-Staten echter, met inachtneming van de algemene regels van het Verdrag, op hun grondgebied bepalingen handhaven of toepassen die strenger zijn dan die van deze richtlijn. Zij stellen de Commissie van elke maatregel in die zin in kennis.

3. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mee van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 22 december 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

J.-M. DEHOUSSE

(1) PB nr. C 314 van 5. 12. 1991, blz. 14.

(2) PB nr. C 241 van 21. 9. 1992, blz. 75.

(3) PB nr. C 106 van 27. 4. 1992, blz. 15.

(4) PB nr. L 316 van 26. 11. 1974, blz. 10.

(5) PB nr. L 137 van 2. 6. 1988, blz. 25.

BIJLAGE A

VOORSCHRIFTEN VOOR HET VERPLAATSEN EN ONDERBRENGEN VAN DIEREN IN SLACHTHUIZEN

I. Algemene voorschriften

1. Elk slachthuis dat na 30 juni 1994 in bedrijf wordt genomen, moet beschikken over passende voorzieningen en installaties voor het uitladen van de dieren uit de vervoermiddelen. Alle bestaande slachthuizen moeten vóór 1 januari 1996 aan deze bepaling voldoen.

2. De dieren moeten zo spoedig mogelijk na aankomst worden uitgeladen. Als dit niet mogelijk is, moeten de dieren worden beschermd tegen extreme weersomstandigheden en moet voor voldoende ventilatie worden gezorgd.

3. Dieren die elkaar vanwege hun soort, geslacht, leeftijd of oorsprong kunnen verwonden, moeten gescheiden worden gehouden en gescheiden worden ondergebracht.

4. De dieren moeten worden beschermd tegen slecht weer. Als de dieren zijn blootgesteld aan hoge temperaturen bij vochtig weer, moet op adequate wijze voor afkoeling worden gezorgd.

5. De algemene toestand en de gezondheidstoestand van de dieren moeten ten minste iedere ochtend en iedere avond worden gecontroleerd.

6. Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 64/433/EEG, bijlage I, hoofdstuk VI, moeten dieren die tijdens het vervoer of bij aankomst in het slachthuis pijn of ander lijden te verduren hebben gehad alsmede niet-gespeende dieren onmiddellijk worden geslacht. Als dit niet mogelijk is, moeten zij worden afgezonderd en zo snel mogelijk, en uiterlijk twee uur nadien, worden geslacht. Dieren die niet kunnen lopen, mogen niet naar de slachtplaats worden gesleept, maar moeten ter plaatse worden gedood, of, indien dat mogelijk is en geen onnodig lijden veroorzaakt, op een wagentje of een rijdend plateau naar het lokaal voor noodslachtingen worden vervoerd.

II. Voorschriften voor niet in containers aangevoerde dieren

1. Wanneer het slachthuis beschikt over voorzieningen voor het uitladen van de dieren, moeten die een stroef loopvlak hebben en zo nodig een bescherming aan de zijkanten. De bruggen, vlonders en loopplanken moeten voorzien zijn van zijwanden, relingen of andere inrichtingen die moeten verhinderen dat de dieren eraf vallen. De vlonders voor het in- en uitladen moeten zo weinig mogelijk hellen.

2. Bij het uitladen mogen de dieren niet bang gemaakt, opgejaagd of mishandeld worden en dient ervoor te worden gezorgd dat de dieren niet omver worden gelopen. De dieren mogen niet zodanig worden opgetild aan de kop, de horens, de oren, de poten, de staart of de vacht dat zij onnodige pijn of lijden ondervinden. Indien nodig moeten de dieren afzonderlijk worden geleid.

3. Bij het verplaatsen van de dieren dient behoedzaam te werk worden gegaan. Drijfgangen moeten zo zijn geconstrueerd dat het gevaar voor verwonding van de dieren zo klein mogeljik wordt en moeten zo zijn aangelegd dat gebruik kan worden gemaakt van het kudde-instinct. Instrumenten om de dieren in een bepaalde richting te drijven mogen alleen maar daartoe worden gebruikt en slechts gedurende korte tijd. Apparaten waarmee elektrische schokken worden toegediend, mogen uitsluitend worden gebruikt bij volwassen runderen en bij varkens die weigeren zich te verplaatsen, op voorwaarde dat de schokken niet langer duren dan twee seconden, dat zij voldoende worden gespreid en dat de dieren ruimte hebben om zich voort te bewegen; dergelijke schokken mogen uitsluitend worden toegepast op de spieren van de achtervoeten.

4. Het is verboden dieren te slaan op delen van het lichaam die bijzonder gevoelig zijn of op die delen druk uit te oefenen. Het is met name verboden de staart van de dieren te verbrijzelen, om te draaien of te breken en de dieren in de ogen te grijpen. Het is ook verboden te slaan en te schoppen.

5. De dieren mogen alleen naar de slachtplaats worden gebracht, wanneer zij onmiddellijk na hun aankomst worden geslacht. Als de dieren niet onmiddellijk na hun aankomst worden geslacht, moeten zij worden ondergebracht.

6. Onverminderd de afwijkingen toegestaan uit hoofde van de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 64/433/EEG moeten de slachthuizen voor het naar behoren onderbrengen van de dieren beschikken over voldoende hokken die bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden.

7. Onverminderd de elders in de communautaire wetgeving vastgestelde eisen, moeten de stallen beschikken over:

- vloeren die zo weinig mogelijk gevaar van uitglijden opleveren en die geen verwondingen veroorzaken wanneer de dieren ermee in contact komen;

- adequate ventilatie, ook bij voorzienbare extreme omstandigheden qua temperatuur en vochtigheidsgraad. Wanneer ventilatieapparatuur noodzakelijk is, moet worden gezorgd voor noodvoorzieningen die bij eventuele storingen onmiddellijk kunnen worden ingezet;

- kunstlicht dat voldoende intens is om de dieren te allen tijde te kunnen keuren; tevens moet er, zo nodig, een adequate noodverlichting voorhanden zijn;

- in voorkomend geval, voorzieningen om de dieren vast te binden;

- indien nodig, voldoende geschikt strooisel voor alle dieren die in de stallen overnachten.

8. Wanneer de slachthuizen niet alleen stallen hebben als hierboven bedoeld, maar ook weiden zonder natuurlijke bescherming of schaduw, moet worden gezorgd voor een adequate vorm van bescherming tegen slechte weersomstandigheden. De weiden moeten in zodanige toestand worden gehouden dat de gezondheid van de dieren niet wordt bedreigd door factoren van fysische, chemische of andere aard.

9. Dieren die niet onmiddellijk na hun aankomst naar de slachtplaats worden gebracht, moeten steeds via adequate voorzieningen over drinkwater kunnen beschikken. Dieren die twaalf uur na aankomst niet zijn geslacht, moeten op dat moment, en vervolgens matig en met passende tussenpozen, worden gevoederd.

10. Dieren die twaalf uur of langer in een slachthuis moeten verblijven, moeten worden gehuisvest en, indien nodig, zo worden vastgebonden dat zij zonder problemen kunnen gaan liggen. Als de dieren niet worden vastgebonden, moeten zij op zodanige wijze over voeder kunnen beschikken dat zij ongestoord kunnen eten.

III. Voorschriften voor in containers aangevoerde dieren

1. De containers waarin de dieren worden vervoerd, moeten behoedzaam worden behandeld; het is niet toegestaan ermee te gooien, ze op de grond te laten vallen of ze te kantelen. Zij moeten zo mogelijk horizontaal en mechanisch worden in- en uitgeladen.

2. Dieren die worden afgeleverd in containers met een geperforeerde of buigzame bodem moeten zeer voorzichtig worden uitgeladen om te voorkomen dat de dieren verwondingen oplopen. Desnoods moeten de dieren afzonderlijk worden uitgeladen uit de containers.

3. Dieren die in containers zijn vervoerd, moeten zo snel mogelijk worden geslacht; als dit niet gebeurt, moeten zij indien nodig worden gedrenkt en gevoerderd overeenkomstig het bepaalde in punt II.9.

BIJLAGE B

HET FIXEREN VÓÓR HET BEDWELMEN, SLACHTEN OF DODEN

1. De dieren moeten op een passende wijze worden gefixeerd en wel op zo'n manier dat hun vermijdbare pijn, vermijdbaar lijden, vermijdbare opwinding of vermijdbare verwondingen of kneuzingen worden bespaard.

Bij het rituele slachten moeten de runderen voordat zij worden geslacht, evenwel worden gefixeerd volgens een mechanisch procédé teneinde alle pijn, lijden en opwinding, alsmede alle verwondingen of kneuzingen te voorkomen.

2. Ook is het verboden de poten van de dieren vast te binden en de dieren op te hangen voordat zij worden bedwelmd of gedood. Pluimvee en konijnen mogen evenwel worden opgehangen om te worden geslacht, voor zover passende maatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat het pluimvee en de konijnen vlak voor het bedwelmen zo ontspannen zijn dat de bedwelming doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan worden uitgevoerd.

Het blokkeren van een dier door middel van een systeem waarmee het in bedwang wordt gehouden kan in geen geval worden beschouwd als ophanging.

3. Dieren die worden bedwelmd of gedood met mechanische of elektrische middelen die worden toegepast op de kop van de dieren, moeten op zodanige wijze worden gepresenteerd dat de desbetreffende apparaten gemakkelijk, nauwkeurig en zolang als dat noodzakelijk is, kunnen worden aangebracht en gebruikt. De bevoegde autoriteit kan voor eenhoevigen en runderen evenwel toestaan dat passende middelen worden gebruikt om de hoofdbewegingen te beperken.

4. Elektrische bedwelmingsapparatuur mag niet worden gebruikt om de dieren in bedwang te houden, te fixeren of in beweging te brengen.

BIJLAGE C

HET BEDWELMEN EN DODEN VAN ANDERE DAN PELSDIEREN

I. TOEGESTANE METHODEN

A. Bedwelmen

1. Penschiettoestel

2. Kopslag

3. Elektrische bedwelming

4. Gasbedwelming met behulp van kooldioxide

B. Doden

1. Kogel

2. Elektrokutie

3. Gasbedwelming met behulp van kooldioxide

C. De bevoegde autoriteit mag evenwel voor sommige welbepaalde soorten als methode voor het doden onthoofding, het breken van de nek of het gebruik van een vacuuemcel toestaan, voor zover aan het bepaalde in artikel 3 en aan de specifieke eisen van punt III van deze bijlage wordt voldaan.

II. SPECIFIEKE EISEN VOOR HET BEDWELMEN

De dieren mogen niet worden bedwelmd als het niet mogelijk is ze onmiddellijk daarna te laten verbloeden.

1. Penschiettoestel

a) De instrumenten moeten zo worden geplaatst dat het projectiel in de hersenschors binnendringt. Het is met name verboden rundvee met een nekschot te doden.

Bij schapen en geiten is dit wel toegestaan als een schot in het voorhoofd in verband met de aanwezigheid van horens niet mogelijk is. In dat geval moet het instrument onmiddellijk achter de aanzet van de horens worden geplaatst, waarbij moet worden gericht op de bek; het verbloeden moet binnen 15 seconden na het schot beginnen.

b) Wanneer gebruik wordt gemaakt van een penschiettoestel, moet de bedwelmer zich er na elk schot van vergewissen dat de pen volledig in de loop terugschuift. Als dit niet het geval is, mag het penschiettoestel niet meer worden gebruikt totdat het is gerepareerd.

c) De dieren mogen niet in een bedwelmingsbox worden geplaatst indien de bedwelmer niet klaar is om het dier te bedwelmen zodra het zich in de box bevindt. De kop van een dier mag pas worden gefixeerd wanneer de bedwelmer klaar is om het dier te bedwelmen.

2. Kopslag

a) Kopslagbedwelming is alleen toegestaan wanneer daarbij gebruik wordt gemaakt van een mechanisch instrument waarmee een slag wordt toegebracht op de schedel. De bedwelmer moet ervoor zorgen dat het instrument op de juiste plaats wordt aangebracht en dat een volgens de instructies van de fabrikant qua slagkracht geschikte patroon wordt gebruikt, zodat een voldoende harde slag wordt toegebracht zonder dat echter een schedelfractuur wordt veroorzaakt.

b) Wanneer bij kleine partijen konijnen op niet mechanische wijze een slag op de schedel wordt toegebracht, moet deze handeling echter zodanig worden uitgevoerd dat de dieren onmiddellijk in een staat van bewusteloosheid worden gebracht die aanhoudt totdat zij gedood worden; hierbij moeten de algemene bepalingen van artikel 3 in acht worden genomen.

3. Elektrische bedwelming

A. Elektroden

1. De elektroden moeten aan weerszijden van de hersenen worden geplaatst zodat de stroom door de hersenen heen geleid wordt. Voorts moet gezorgd worden voor een goed contact van de stroom met de huid, met name door overtollige wol te verwijderen of de huid te bevochtigen.

2. Wanneer de dieren afzonderlijk worden bedwelmd, moet de appartuur

a) een systeem bevatten waarmee de impedantie van de belasting wordt gemeten en dat de apparatuur blokkeert wanneer de minimaal vereiste stroomsterkte niet kan worden bereikt;

b) voorzien zijn van een systeem waarmee op zichtbare of hoorbare wijze wordt aangegeven hoelang het apparaat contact maakt met het dier;

c) in verbinding staan met een toestel waarmee voltage en stroom bij belasting worden aangegeven. Dit toestel moet zo worden geplaatst dat deze gegevens voor de bedwelmer duidelijk zichtbaar zijn.

B. Waterbaden

1. Wanneer er waterbaden worden gebruikt om pluimvee te bedwelmen moet het waterpeil kunnen worden geregeld ten einde een goed contact met de kop van het dier mogelijk te maken.

De sterkte en de duur van de hiervoor gebruikte stroom worden door de bevoegde autoriteit vastgesteld op een zodanig niveau dat de dieren onmiddellijk in een staat van bewusteloosheid worden gebracht die aanhoudt totdat zij worden gedood.

2. Wanneer pluimvee groepsgewijs in waterbaden wordt bedwelmd, moet een voltage worden aangehouden die voldoende is om stroom op te wekken die sterk genoeg is om ieder stuk pluimvee te bedwelmen.

3. Er moeten passende maatregelen worden genomen voor een goede geleiding van de stroom en met name een goed contact van de stroom met het dier; door bevochtiging moet het contact tussen de poten en de haken waaraan het pluimvee opgehangen is, worden vergroot.

4. De afmetingen en de diepte van de waterbaden voor de bedwelming van pluimvee moeten zijn afgestemd op de te slachten soorten pluimvee. Het waterbad mag bij het inbrengen van de dieren niet overlopen. De elektrode onder water moet over de volle lengte van het waterbad zijn aangebracht.

5. Indien nodig moet manueel ingegrepen kunnen worden.

4. Bedwelming met behulp van kooldioxide

1. De concentratie kooldioxide voor de bedwelming van varkens moet ten minste 70 volumeprocenten bedragen.

2. De ruimte waarin varkens aan het gas worden blootgesteld, en de apparatuur om de varkens door deze ruimte te transporteren, moeten zo zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat wordt voorkomen dat de varkens verwondingen oplopen en dat de borstkas van de dieren wordt ingedrukt; voorts moeten de varkens overeind kunnen blijven staan tot zij het bewustzijn verliezen. De aanvoervoorzieningen en de bedwelmingsruimte moeten adequaat zijn verlicht, zodat de varkens elkaar of hun omgeving kunnen zien.

3. De bedwelmingsruimte moet voorzien zijn van apparaten waarmee de concentratie kooldioxide kan worden gemeten op de plaats van maximale expositie aan het gas. Deze apparaten moeten een duidelijk zichtbaar en hoorbaar waarschuwingssignaal geven wanneer de concentratie kooldioxide onder het vereiste niveau daalt.

4. Varkens moeten in kooien of in containers worden geplaatst en wel zodanig dat zij elkaar kunnen zien, en binnen 30 seconden na binnenkomst in de bedwelmingsruimte aan het gas worden blootgesteld. De dieren moeten zo snel mogelijk na het binnenkomen worden getransporteerd naar de plaats waar de gasconcentratie het hoogst is, en moeten zo lang aan het gas worden blootgesteld dat zeker is dat zij buiten bewustzijn blijven totdat zij worden gedood.

III. SPECIFIEKE EISEN VOOR HET DODEN

1. Kogel

Voor deze methode die mag worden gebruikt voor het doden van verschillende diersoorten en met name gekweekt grof wild en hertachtigen, is toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, die er met name op moet toezien dat de methode door bevoegd personeel en met inachtneming van de algemene bepalingen van artikel 3 van de onderhavige richtlijn wordt toegepast.

2. Onthoofding of breken van de nek

Voor deze methoden, die alleen mogen worden gebruikt voor het doden van pluimvee, is toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, die erop moet toezien dat zij door bevoegd personeel en met inachtneming van de algemene bepalingen van artikel 3 van de onderhavige richtlijn worden toegepast.

3. Elektrokutie en kooldioxide

De bevoegde autoriteit kan toestaan dat verschillende diersoorten met behulp van deze methoden worden gedood, mits behalve aan de algemene bepalingen van artikel 3 ook wordt voldaan aan de specifieke bepalingen in de punten 3 en 4 van punt II van deze bijlage; bovendien stelt zij hiervoor de sterkte en de duur van de gebruikte stroom alsmede de concentratie en de blootstellingsduur voor kooldioxide vast.

4. Vacuuemcel

Voor deze methode, die alleen gebruikt mag worden voor het doden zonder verbloeden van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren behorend tot soorten gekweekt wild (kwartels, patrijzen en fazanten), is toestemming van de bevoegde autoriteit nodig die erop moet toezien dat wordt voldaan aan de eisen van artikel 3 en dat:

- de dieren in een luchtdichte cel worden geplaatst waar door een sterke elektrische pomp snel een vaccuuem wordt gecreëerd;

- de onderdruk wordt gehandhaafd tot de dieren dood zijn;

- de dieren in groepen in bedwang worden gehouden, in vervoerscontainers die kunnen worden ingebracht in de vaccuuemcel, waarvan de afmetingen daarop afgestemd zijn.

BIJLAGE D

HET VERBLOEDEN VAN DE DIEREN

1. Het verbloeden van bedwelmde dieren moet zo spoedig mogelijk na het voltooien van de bedwelming beginnen, en zodanig worden verricht dat de verbloeding snel, overvloedig en volledig is. Het verbloeden moet in elk geval gebeuren voor het dier terug bij bewustzijn komt.

2. Bij alle bedwelmde dieren moet de verbloeding gebeuren door ten minste één van de halsslagaderen of de bloedvaten waaruit die voortkomen, in te snijden.

Na het insnijden mogen geen verdere slachthandelingen worden verricht of elektrische prikkels worden gegeven tot het verbloeden is beëindigd.

3. Wanneer het bedwelmen, het aanhaken, het ophangen en het laten verbloeden van de dieren door dezelfde persoon worden uitgevoerd, moet die persoon al deze handelingen achtereenvolgens bij één bepaald dier hebben uitgevoerd voordat hij met de uitvoering daarvan bij een ander dier begint.

4. Wanneer voor het verbloeden van pluimvee gebruik wordt gemaakt van automatische halsafsnijders, moet ervoor worden gezorgd dat zo nodig manueel kan worden ingegrepen, zodat, bij een defect van het apparaat, de dieren onmiddellijk kunnen worden geslacht.

BIJLAGE E

HET DODEN VAN DIEREN IN HET KADER VAN DE BESTRIJDING VAN DIERZIEKTEN

Toegestane methoden

Elke methode voor het doden van dieren die is toegestaan overeenkomstig bijlage C en die een stellige dood waarborgt.

Bovendien kan de bevoegde autoriteit, met inachtneming van de algemene bepalingen van artikel 3 van de onderhavige richtlijn, het gebruik van andere methoden toestaan voor het doden van voor de betreffende ziekte vatbare dieren, waarbij zij zich met name van het volgende vergewist:

- indien methoden worden toegepast die niet onmiddellijk de dood veroorzaken (bij voorbeeld een penschiettoestel), moeten passende maatregelen worden getroffen om de dieren zo snel mogelijk te doden en in ieder geval voordat zij weer bij bewustzijn komen,

- er mogen geen verdere handelingen worden verricht voordat de dood van de dieren is geconstateerd.

BIJLAGE F

HET DODEN VAN PELSDIEREN

1. Toegestane methoden

1. Mechanische instrumenten die in de hersenen binnendringen

2. Injectie met een overdosis van een verdovingsmiddel

3. Elektrokutie met hartstilstand

4. Gasbedwelming met behulp van koolmonoxide

5. Bedwelming met chloroform

6. Bedwelming door kooldioxide

De bevoegde autoriteit besluit, met inachtneming van de algemene bepalingen van artikel 3 van de onderhavige richtlijn, welke methode het meest geschikt is voor het doden van de diverse betrokken diersoorten.

II. Specifieke bepalingen

1. Mechanische instrumenten die in de hersenen binnendringen

a) De instrumenten moeten zo worden geplaatst dat het projectiel in de hersenschors binnendringt.

b) Deze methode is alleen toegestaan als het verbloeden onmiddellijk na het schot begint.

2. Injectie met een overdosis van een verdovingsmiddel

Er mag alleen gebruik worden gemaakt van verdovingsmiddelen, doses en toedieningswijzen die een onmiddellijke bewusteloosheid veroorzaken, gevolgd door de dood.

3. Elektrokutie met hartstilstand

De elektroden moeten aan weerszijden van de hersenen en het hart worden geplaatst, met dien verstande dat de minimale stroomsterkte een onmiddellijke bewusteloosheid en hartstilstand moet veroorzaken. Wanneer echter, bij vossen, elektroden worden geplaatst aan de bek en aan het rectum, moet een minimale effectieve stroomsterkte van 0,3 ampère gedurende ten minste 3 seconden worden gehandhaafd.

4. Gasbedwelming met behulp van koolmonoxide

a) De ruimte waarin de dieren worden blootgesteld aan het gas, moet zo zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat voorkomen wordt dat de dieren verwondingen oplopen en dat controle mogelijk is.

b) De dieren mogen pas in de bedwelmingsruimte worden binnengebracht wanneer de concentratie koolmonoxide afkomstig van een bron van 100 % koolmonoxide, ten minste 1 volumeprocent heeft bereikt.

c) Uitlaatgassen van een speciaal hiervoor aangepaste motor zijn toegestaan voor het doden van marterachtigen en chinchilla's, mits tests hebben uitgewezen dat het gebruikte gas

- naar behoren is afgekoeld,

- voldoende is gefilterd,

- vrij is van irriterende stoffen en gassen, en

- de dieren pas kunnen worden binnengebracht wanneer de concentratie koolmonoxide ten minste 1 volumeprocent bereikt.

d) Bij inhalatie moet het gas eerst een diepe algemene gevoelloosheid veroorzaken, uiteindelijk en onvermijdelijk gevolgd door de dood.

e) De dieren moeten in de bedwelmingsruimte blijven totdat zij dood zijn.

5. Bedwelming met behulp van chloroform

Het gebruik van chloroform voor het doden van chinchilla's is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

a) de ruimte waarin de dieren worden blootgesteld aan het gas, is zo ontworpen, gebouwd en onderhouden dat voorkomen wordt dat de dieren verwondingen oplopen en dat controle mogelijk is,

b) de dieren worden pas in de bedwelmingsruimte gebracht wanneer de lucht verzadigd is met chloroform,

c) bij inhalatie moet het gas eerst een diepe algemene gevoelloosheid veroorzaken, uiteindelijk en onvermijdelijk gevolgd door de dood,

d) de dieren moeten in de bedwelmingsruimte blijven totdat zij dood zijn.

6. Bedwelming met behulp van kooldioxide

Het gebruik van kooldioxide voor het doden van marterachtigen en chinchilla's is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

a) De ruimte waarin de dieren worden blootgesteld aan het gas, moet zo zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat voorkomen wordt dat de dieren verwondingen oplopen en dat controle mogelijk is.

b) De dieren mogen pas in de bedwelmingsruimte worden gebracht wanneer de lucht een zo hoog mogelijke concentratie kooldioxide bevat afkomstig van een bron van 100 % kooldioxide.

c) Bij inhalatie moet het gas eerst een diepe algemene gevoelloosheid veroorzaken, uiteindelijk en onvermijdelijk gevolgd door de dood.

d) De dieren moeten in de bedwelmingsruimte blijven totdat zij dood zijn.

BIJLAGE G

HET DODEN VAN KUIKENS EN EMBRYO'S DIE IN BROEDERIJEN OVERTOLLIG ZIJN EN DIE MOETEN WORDEN VERWIJDERD

I. Toegestane methoden voor het doden van kuikens

1. Gebruik van mechanische apparatuur die een snelle dood veroorzaakt.

2. Blootstelling aan kooldioxide.

3. De bevoegde autoriteit kan echter het gebruik toestaan van andere, wetenschappelijk erkende methoden voor het doden van kuikens voor zover daarbij de algemene bepalingen van artikel 3 van deze richtlijn in acht worden genomen.

II. Specifieke bepalingen

1. Gebruik van mechanische apparatuur die een snelle dood veroorzaakt

a) De dieren moeten worden gedood door een apparaat met sneldraaiende, mechanisch aangedreven snijplaten, of met uitstulpingen in schuim.

b) De capaciteit van het apparaat moet voldoende zijn om alle dieren direct te doden, zelfs wanneer het om grote aantallen gaat.

2. Blootstelling aan kooldioxide

a) De dieren moeten in een ruimte worden gebracht met een zo hoog mogelijke concentratie kooldioxide, afkomstig van een bron van 100 % kooldioxide.

b) De dieren moeten in de bovengenoemde ruimte blijven totdat zij dood zijn.

III. Toegestane methode voor het doden van embryo's

1. Om levende embryo's onmiddellijk te doden, moet voor de destructie van al het afval van de broederijen gebruik worden gemaakt van de onder punt II.1 genoemde mechanische apparatuur.

2. De bevoegde autoriteit kan echter het gebruik toestaan van andere, wetenschappelijk erkende methoden voor het doden van embryo's voor zover daarbij de algemene bepalingen van artikel 3 van deze richtlijn in acht worden genomen.