31989L0459

Richtlijn 89/459/EEG van de Raad van 18 juli 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de diepte van de groeven in luchtbanden van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

Publicatieblad Nr. L 226 van 03/08/1989 blz. 0004 - 0004
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 3 blz. 0181
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 3 blz. 0181


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 18 juli 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de diepte van de groeven in luchtbanden van bepaalde categorieen motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 89/459/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 75,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal

Comité ( 3 ),

Overwegende dat de Raad en de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, op 19 december 1984 een resolutie betreffende de verkeersveiligheid ( 4 ) hebben aangenomen, waarin de Commissie wordt verzocht voorstellen op dit gebied bij de Raad in te dienen;

Overwegende dat het geven van voorschriften voor de minimale diepte van de groeven in luchtbanden, howel het een bijzonder en specifiek probleem is, toch past in het kader van de doelstellingen en werkzaamheden van 1986, het Jaar van de Verkeersveiligheid in de Gemeenschap;

Overwegende dat het Europese Parlement op 18 februari 1986 een resolutie heeft aangenomen betreffende een programma van de Gemeenschap voor het Jaar van de Verkeersveiligheid - 1986 - ( 5 ), waarin de diepte van de groeven in luchtbanden wordt genoemd als één van de punten ten aanzien waarvan zo spoedig mogelijk communautaire bepalingen dienen te worden vastgesteld;

Overwegende dat dergelijke bepalingen voor een grotere mate van veiligheid dienen te zorgen;

Overwegende dat de nationale voorschriften met betrekking tot de minimale groefdiepte van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen en dat als gevolg hiervan de automobilist problemen ondervindt met betrekking tot de naleving van de verkeersregels wanneer hij met zijn voertuig op het grondgebied van de verschillende Lid-Staten rijdt;

Overwegende dat harmonisatie van deze voorschriften het vrije verkeer van voertuigen en het personenverkeer tussen de Lid-Staten kan vergemakkelijken en kan bijdragen tot de opheffing van handelsbelemmeringen en van concurrentievervalsingen .

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1 De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de luchtbanden van voertuigen van de categorieën M1, N1, O1 en O2 als gedefinieerd in bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 6 ), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 87/403/EEG ( 7 ), gedurende de volledige gebruiksduur op de weg in de hoofdgroeven van het loopvlak een diepte van ten minste 1,6 mm hebben .

Onder "hoofdgroeven'' worden verstaan de brede groeven in het middelste deel van het loopvlak dat ongeveer drie vierde van de breedte daarvan inneemt .

Artikel 2 De Lid-Staten kunnen na raadpleging van de Commissie voertuigen die van historisch belang zijn verklaard en die oorspronkelijk uitgerust waren met luchtbanden of andere banden die in nieuwe staat een groefdiepte van minder dan 1,6 mm hadden, van de werkingsfeer van deze richtlijn uitsluiten of onderwerpen aan speciale bepalingen, mits deze voertuigen met dergelijke banden zijn uitgerust, onder bijzondere voorwaarden worden gebruikt en weinig of niet op de openbare weg komen .

Artikel 3 Na raadpleging van de Commissie gaan de Lid-Staten vóór 1 juni 1991 over tot vaststelling en bekendmaking van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om vóór 1 januari 1992 aan deze richtlijn te voldoen . De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen mede die zij ter toepassing van deze richtlijn vaststellen .

Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel, 18 juli 1989 .

Voor de Raad

De Voorzitter

R . DUMAS

( 1 ) PB nr . C 279 van 17 . 10 . 1987, blz . 5 .

( 2 ) PB nr . C 47 van 27 . 2 . 1989, blz . 185 .

( 3 ) PB nr . C 80 van 28 . 3 . 1988, blz . 22 .

( 4 ) PB nr . C 341 van 21 . 12 . 1984, blz . 1 .

( 5 ) PB nr . C 68 van 24 . 3 . 1986, blz . 35 .

( 6 ) PB nr . L 42 van 23 . 2 . 1970, blz . 1 .

( 7 ) PB nr . L 220 van 8 . 8 . 1987, blz . 44 .