31989L0369

Richtlijn 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging

Publicatieblad Nr. L 163 van 14/06/1989 blz. 0032 - 0036
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0061
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0061


*****

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 8 juni 1989

ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging

(89/369/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat in de actieprogramma's van de Europese Gemeenschappen inzake het milieu van 1973 (4), 1977 (5), 1983 (6) en 1987 (7) wordt gewezen op het belang van het voorkomen en verminderen van de luchtverontreiniging;

Overwegende dat in de resolutie van de Raad van 19 oktober 1987 (8) betreffende het actieprogramma inzake het milieu (1987-1992) wordt verklaard dat het van belang is het communautaire optreden onder meer te concentreren op de tenuitvoerlegging van passende normen die borg moeten staan voor een doeltreffende bescherming van de volksgezondheid en het milieu;

Overwegende dat in Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (9) is bepaald dat afvalstoffen moeten worden verwijderd zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu; dat met het oog daarop in die richtlijn is bepaald dat elke inrichting of onderneming voor afvalverwerking over een door de bevoegde autoriteiten afgegeven vergunning moet beschikken waarin onder meer is vastgelegd welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen;

Overwegende dat in Richtlijn 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging (10) is bepaald dat voor de exploitatie van nieuwe industriële inrichtingen en met name voor afvalverbrandingsinstallaties een voorafgaande vergunning is vereist; dat deze vergunning pas kan worden verleend als alle passende maatregelen ter voorkoming van luchtverontreiniging zijn genomen, met inbegrip van het gebruik van de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten meebrengt;

Overwegende dat in Richtlijn 84/360/EEG is bepaald dat de Raad, indien nodig, op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen grenswaarden voor emissies vaststelt die gebaseerd zijn op de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten meebrengt, en op adequate meettechnieken en -methoden;

Overwegende dat bij de verbranding van stedelijk afval stoffen vrijkomen die luchtverontreiniging kunnen veroorzaken en daardoor het milieu en de gezondheid van de mens kunnen aantasten; dat deze verontreiniging in bepaalde gevallen grensoverschrijdend kan zijn;

Overwegende dat de technieken ter vermindering van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen door installaties voor de verbranding van stedelijk afval reeds goed ontwikkeld zijn; dat deze technieken bij nieuwe verbrandingsinstallaties onder redelijke economische voorwaarden kunnen worden ingevoerd; dat door toepassing van deze technieken zodanige concentraties verontreinigende stoffen in de verbrandingsgassen kunnen worden verkregen dat bepaalde grenswaarden niet worden overschreden;

Overwegende dat er zo spoedig mogelijk communautaire grenswaarden voor dioxines en furanen moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat er in alle Lid-Staten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bestaan ter bestrijding van door vaste installaties veroorzaakte luchtverontreiniging en dat in een aantal Lid-Staten specifieke bepalingen gelden voor installaties voor de verbranding van stedelijk afval;

Overwegende dat de Gemeenschap door het vaststellen van grenswaarden en andere voorschriften ter voorkoming van verontreiniging een bijdrage levert tot een grotere doeltreffendheid van het door de Lid-Staten gevoerde beleid ter bestrijding van de luchtverontreiniging die door installaties voor de verbranding van stedelijk afval wordt veroorzaakt;

Overwegende dat er met het oog op een doeltreffende milieubescherming bepaalde eisen en voorwaarden moeten worden gesteld aan de vergunning waarover elk nieuwe installatie voor de verbranding van stedelijk afval moet beschikken; dat deze eisen de verplichting moeten inhouden om voor de emissie van bepaalde verontreinigende stoffen grenswaarden in acht te nemen en te voldoen aan passende voorwaarden voor de verbranding en dat daarbij rekening dient te worden gehouden met de technische kenmerken van de installatie en met de bedrijfsomstandigheden;

Overwegende dat er passende metingen en controles bij verbrandingsinstallaties dienen te worden uitgevoerd en dat het publiek op de hoogte moet worden gebracht van de gestelde voorwaarden en de verkregen resultaten;

Overwegende dat het, naast de vaststelling van emissiegrenswaarden, belangrijk is de ontwikkeling en verspreiding van kennis en het gebruik van schone technologie te stimuleren in het kader van de preventieve bestrijding van de milieuverontreiniging in de Gemeenschap, vooral voor wat de afvalverwerking betreft;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 130 T van het Verdrag de vaststelling van deze communautaire bepalingen niet belet dat een Lid-Staat maatregelen voor een verdergaande bescherming van het milieu handhaaft en treft, welke verenigbaar zijn met het Verdrag,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. luchtverontreiniging: het direct of indirect door de mens in de atmosfeer invoeren van stoffen of energie waarvan de werking zodanig schadelijk is dat de gezondheid van de mens wordt bedreigd, schade wordt berokkend aan de biologische hulpbronnen en de ecosystemen, materiële goederen worden aangetast en afbreuk wordt gedaan aan recreatie en ander rechtmatig gebruik van het milieu;

2. emissiegrenswaarde: concentratie en/of massa van verontreinigende stoffen die niet mag worden overschreden in emissies afkomstig van inrichtingen gedurende een bepaalde periode;

3. stedelijk afval: huishoudelijk afval, afval van commerciële bedrijven, kantoren, ondernemingen en andere afvalstoffen die gezien hun aard of hun samenstelling met huishoudelijk afval kunnen worden gelijkgesteld;

4. installatie voor verbranding van stedelijk afval: elke technische installatie voor behandeling van stedelijk afval door verbranding, al dan niet met terugwinning van de bij de verbranding ontstane warmte, met uitzondering van installaties die speciaal zijn bedoeld voor de verbranding, te land en ter zee, van zuiveringsslib, chemische, toxische en gevaarlijke afvalstoffen, medisch afval uit ziekenhuizen en andere speciale afvalstoffen, zelfs wanneer in deze installaties ook stedelijk afval kan worden verbrand.

Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie, namelijk de verbrandingsoven en de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, alsook de apparatuur en voorzieningen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor het continu registreren en controleren van de omstandigheden waaronder de verbranding plaatsvindt;

5. nieuwe installatie voor de verbranding van stedelijk afval: een installatie voor de verbranding van stedelijk afval waarvoor vanaf de in artikel 12, lid 1, genoemde datum een exploitatievergunning wordt verleend;

6. nominale capaciteit van de verbrandingsinstallatie: de gezamenlijke capaciteit van de ovens waaruit de installatie bestaat, zoals berekend door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van in het bijzonder de verbrandingswaarde van het afval, uitgedrukt als de hoeveelheid afval die per uur kan worden verbrand.

Artikel 2

Onverminderd het bepaalde in artikel 4 van Richtlijn 84/360/EEG treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in de vooraf te verlenen exploitatievergunning voor iedere nieuwe verbrandingsinstallatie voor stedelijk afval, zoals vereist op grond van artikel 3 van Richtlijn 84/360/EEG en van artikel 8 van Richtlijn 75/442/EEG, de in de artikelen 3 tot en met 10 van deze richtlijn vastgestelde voorwaarden worden opgelegd.

Artikel 3

1. De hieronder genoemde emissiegrenswaarden, die betrekking hebben op de volgende omstandigheden: temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, 11 % zuurstof of 9 % CO2, droog gas, zijn van toepassing op nieuwe verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval:

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3 afhankelijk van de nominale capaciteit van de

verbrandingsinstallatie

1.2.3.4 // // // // // Verontreinigende stof // minder dan 1 ton/h // van 1 ton/h tot 3 ton/h // 3 ton/h en meer // // // // // Stofdeeltjes totaal // 200 // 100 // 30 // // // // // Zware metalen // // // // - Pb+Cr+Cu+Mn // - // 5 // 5 // - Ni+As // - // 1 // 1 // - Cd en Hg // - // 0,2 // 0,2 // // // // // Zoutzuur (HCl) // 250 // 100 // 50 // // // // // Waterstoffluoride (HF) // gedeeld - // 4 // 2 // // // // // Zwaveldioxide (SO2) // - // 300 // 300 // // // //

2. Bij installaties met een capaciteit van minder dan 1 ton/h kunnen de emissiegrenswaarden betrekking hebben op een zuurstofgehalte van 17 %. In dit geval mogen de concentratiewaarden niet hoger zijn dan die van lid 1, gedeeld door 2,5.

3. In afwijking van lid 1 kunnen, wanneer bijzondere plaatselijke omstandigheden zulks vergen, de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat installaties met een nominale capaciteit van minder dan 1 ton/h toestaan, op voorwaarde dat de grenswaarde van 500 mg/Nm3 stofdeeltjes totaal niet wordt overschreden en dat aan alle bepalingen van Richtlijn 84/360/EEG wordt voldaan. De betrokken Lid-Staat brengt de Commissie op de hoogte van deze gevallen en pleegt daarover met haar overleg. De Commissie brengt de overige Lid-Staten hiervan op de hoogte.

4. De bevoegde autoriteiten stellen emissiegrenswaarden vast voor verontreinigende stoffen die niet in lid 1 zijn vermeld, indien zij dit nodig oordelen in verband met de samenstelling van het te verbranden afval en de kenmerken van de verbrandingsinstallatie. Bij het vaststellen van deze emissiegrenswaarden houden de autoriteiten rekening met de potentiële schadelijke gevolgen van deze stoffen voor de volksgezondheid en het milieu en met de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten veroorzaakt. Met name mogen de bevoegde autoriteiten grenswaarden voor dioxinen en furanen vaststellen, totdat een communautaire richtlijn betreffende deze specifieke kwestie is vastgesteld.

Artikel 4

1. Elke nieuwe verbrandingsinstallatie voor stedelijk afval moet zodanig worden ontworpen, uitgerust en geëxploiteerd dat de bij de afvalverbranding vrijkomende gassen, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, op een beheerste en homogene manier zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden voor de duur van ten minste twee seconden bij een zuurstofgehalte van ten minste 6 % op een temperatuur van ten minste 850 °C worden gebracht.

2. Elke nieuwe verbrandingsinstallatie voor stedelijk afval moet, wanneer zij in bedrijf is, aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) de concentratie van koolmonoxide (CO) in de verbrandingsgassen mag niet hoger zijn dan 100 mg/Nm3;

b) de concentratie van organische verbindingen (uitgedrukt als koolstof totaal) in de verbrandingsgassen mag niet meer bedragen dan 20 mg/Nm3.

De onder a) en b) genoemde grenswaarden hebben betrekking op de volgende omstandigheden: temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, 11 % zuurstof of 9 % CO2, droog gas.

3. Van de in lid 1 gestelde voorwaarden kan worden afgeweken als in verbrandingsovens of apparatuur voor de behandeling van verbrandingsgassen adequate technieken worden toegepast, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat bij toepassing van deze technieken de emissieniveaus van polychloordibenzodioxinen (PCDD's) en polychloordibenzofuranen (PCDF's) overeenkomen met of lager zijn dan de niveaus die onder de in lid 1 gestelde technische voorwaarden worden bereikt.

De in het kader van dit lid genomen besluiten en de resultaten van de controles worden aan de Commissie meegedeeld door de bevoegde autoriteiten die hiertoe door de Lid-Staten zijn aangewezen.

4. Elke nieuwe verbrandingsinstallatie voor stedelijk afval moet zodanig worden ontworpen, uitgerust en geëxploiteerd dat er geen emissies in de lucht plaatsvinden die aan de grond significante luchtverontreiniging veroorzaken; in het bijzonder de lozing van afvalgassen moet op gecontroleerde wijze plaatsvinden via een schoorsteen.

De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de hoogte van de schoorsteen zo wordt berekend dat de volksgezondheid en het milieu worden beschermd.

Artikel 5

1. Het in artikel 4 vastgestelde temperatuurniveau en zuurstofgehalte zijn minimumwaarden waaraan permanent moet worden voldaan wanneer de installatie in bedrijf is.

2. De in artikel 4, lid 2, onder a), vastgestelde concentratie van koolmonoxide (CO) geldt als grenswaarde voor het uurgemiddelde voor alle installaties. Daarnaast moet voor installaties met een nominale capaciteit van 1 ton/h of meer ten minste 90 % van alle metingen over een periode van 24 uur lager dan 150 mg/Nm3 zijn. Deze gemiddelden worden alleen berekend op basis van de tijd waarin de installatie effectief in bedrijf is, opstarten en stilleggen meegerekend.

3. Bij continumetingen van de concentraties van andere stoffen, die op grond van het bepaalde in artikel 6 moeten worden uitgevoerd:

a) mag het voortschrijdend zevendaagse gemiddelde van de gemeten concentraties van deze stoffen in geen geval de overeenkomstige grenswaarde overschrijden:

b) mag het daggemiddelde van de gemeten concentraties van deze stoffen in geen geval meer dan 30 % hoger zijn dan de overeenkomstige grenswaarde.

Om de hierboven genoemde gemiddelde waarden te kunnen berekenen wordt slechts de tijd in aanmerking genomen waarin de installatie effectief in bedrijf is, opstarten en stilleggen meegerekend.

4. Indien uitsluitend discontinue metingen zijn vereist, wordt geacht aan de emissiegrenswaarden te zijn voldaan indien de resultaten van elke reeks metingen die conform de door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 6, leden 3, 4 en 5, opgestelde voorschriften zijn bepaald en vastgelegd, de emissiegrenswaarden niet overschrijden. Artikel 6

1. Bij nieuwe verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval worden de volgende metingen verricht:

a) concentraties van bepaalde stoffen in verbrandingsgassen:

i) continu worden gemeten en geregistreerd: de concentraties van stofdeeltjes totaal, CO, zuurstof en HCl bij installaties met een nominale capaciteit van ten minste 1 ton/h;

ii) periodiek worden gemeten:

- de concentraties van de zware metalen genoemd in artikel 3, lid 1, HF en SO2 bij installaties met een nominale capaciteit van ten minste 1 ton/h;

- de concentraties van stofdeeltjes totaal, HCl, CO en zuurstof bij installaties met een nominale capaciteit van minder dan 1 ton/h;

- de concentraties van alle organische verbindingen samen (uitgedrukt als koolstof totaal);

b) bedrijfsparameters:

i) continu worden gemeten en geregistreerd de temperatuur van de vrijkomende gassen in de zone waar aan de in artikel 4, lid 1, gestelde voorwaarden wordt voldaan, alsmede het gehalte aan waterdamp van de verbrandingsgassen. De continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig, op voorwaarde dat het verbrandingsgas voor de analyse van de emissies wordt gedroogd;

ii) de tijd die de verbrandingsgassen op de in artikel 4, lid 1, aangegeven minimumtemperatuur van 850 °C blijven, moet onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden op passende wijze worden gecontroleerd en ten minste eenmaal bij de eerste ingebruikneming van de verbrandingsinstallatie.

2. De resultaten van de in lid 1 bedoelde metingen zijn betrokken op de volgende omstandigheden: temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, 11 % zuurstof of 9 % CO2, droog gas.

Indien artikel 3, lid 2, wordt toegepast kunnen zij echter betrokken zijn op de volgende omstandigheden: temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, 17 % zuurstof, droog gas.

3. Alle meetresultaten worden op passende wijze geregistreerd, uitgewerkt en gepresenteerd, zodat de bevoegde autoriteiten volgens de door hen vastgestelde modaliteiten kunnen nagaan of aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

4. De procedures voor monsterneming en metingen, die worden gebruikt om aan de in lid 1 gestelde verplichtingen te voldoen, moeten vooraf door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd. Hetzelfde geldt voor de plaats van monsterneming of het meetpunt.

5. De bevoegde autoriteiten stellen passende meetprogramma's voor periodieke metingen vast om ervoor te zorgen dat de meetresultaten een representatief beeld geven van het normale emissieniveau van de betrokken stoffen.

De verkregen resultaten moeten het mogelijk maken na te gaan of de voor die stoffen geldende grenswaarden in acht zijn genomen.

Artikel 7

Elke nieuwe verbrandingsinstallatie voor stedelijk afval wordt met steunbranders uitgerust. Deze branders moeten automatisch in werking treden zodra de temperatuur van de verbrandingsgassen onder 850 °C komt. Deze steunbranders worden ook gebruikt bij het opstarten en stilleggen van de installatie om er zeker van te zijn dat gedurende deze verrichtingen en zolang het afval zich in de verbrandingskamer bevindt, de temperatuur permanent boven de minimumwaarde blijft.

Artikel 8

1. Indien uit de verrichte metingen blijkt dat de in deze richtlijn vastgestelde grenswaarden zijn overschreden, moeten de bevoegde autoriteiten daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gebracht. De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de exploitant de betrokken installatie niet in werking houdt zonder dat de emissienormen in acht worden genomen en dat hij de nodige maatregelen treft om de installatie te wijzigen, dan wel buiten werking te stellen.

2. De bevoegde autoriteiten stellen een maximumperiode vast voor de technisch onvermijdelijke stopzetting van de zuiveringsinrichtingen tijdens welke de concentraties van de in de atmosfeer geloosde stoffen waarvoor deze inrichtingen bedoeld zijn, de vastgestelde grenswaarden overschrijden. In geval van storing beperkt het personeel de werking van de installatie of legt deze stil, zodra dit mogelijk is, totdat de normale werking kan worden hersteld. In geen enkel geval mag de installatie onder dergelijke omstandigheden langer dan 8 uur ononderbroken werken en de gecumuleerde bedrijfstijd onder deze omstandigheden moet per jaar minder dan 96 uur bedragen.

Gedurende de in de eerste alinea bedoelde perioden mag het stofgehalte in de lozingen in geen enkel geval meer bedragen dan 600 mg/Nm3 en moet aan alle andere gestelde voorwaarden, met name met betrekking tot de verbranding, worden voldaan.

Artikel 9

De bij artikel 9 van Richtlijn 84/360/EEG voorgeschreven informatie alsmede de - volgens passende procedures verkregen en in de door de bevoegde autoriteiten voorgeschreven vorm gepresenteerde - resultaten van de in de artikelen 5 en 6 bedoelde controles worden ter beschikking van het publiek gesteld met inachtneming van de bepalingen die van toepassing zijn op het vlak van het bedrijfsgeheim.

Artikel 10

De Lid-Staten kunnen bij wijze van uitzondering van sommige bepalingen van deze richtlijn afwijken voor installaties die specifiek zijn ontworpen voor het stoken van uit afvalstoffen afkomstige brandstoffen, dat wil zeggen brandstoffen die van het brandbare gedeelte van stedelijke afval zijn vervaardigd door middel van geavanceerde mechanische procédés, ontworpen om het recyclingpotentieel van de afvalstoffen maximaal te benutten en die niet meer dan 15 % as bevatten alvorens stoffen worden toegevoegd om de verbrandingseigenschappen te verbeteren, in gevallen waarin inachtneming van die bepalingen overmatige kosten met zich zou brengen of indien deze bepalingen, gezien de technische eigenschappen van de betreffende installatie, technisch gezien niet voldoen, op voorwaarde dat:

- in die installaties geen ander afval dan als hierboven omschreven wordt verbrand (afgezien van hulpbrandstoffen gebruikt voor het opstarten);

- de bepalingen van Richtlijn 84/360/EEG in acht worden genomen.

Artikel 11

1. In het kader van de in artikel 11 van Richtlijn 84/360/EEG bedoelde controle en uit hoofde van de in artikel 4 van die richtlijn neergelegde verplichtingen nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de bevoegde autoriteiten controle wordt uitgeoefend op de naleving van de op grond van deze richtlijn voor nieuwe verbrandingsinstallaties gestelde voorwaarden.

2. De bepalingen van deze richtlijn laten onverlet de verplichting van de Lid-Staten uit hoofde van artikel 12 van Richtlijn 84/360/EEG om, indien nodig, de voorwaarden die zijn opgelegd in de voor een verbrandingsinstallatie verleende vergunning, te herzien.

Artikel 12

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 december 1990 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 8 juni 1989.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. L. SAENZ COSCULLUELA

(1) PB nr. C 75 van 23. 3. 1988, blz. 4.

(2) PB nr. C 69 van 20. 3. 1989, blz. 219.

(3) PB nr. C 318 van 12. 12. 1988, blz. 3.

(4) PB nr. C 112 van 20. 12. 1973, blz. 1.

(5) PB nr. C 139 van 13. 6. 1977, blz. 1.

(6) PB nr. C 46 van 17. 2. 1983, blz. 1.

(7) PB nr. C 328 van 7. 12. 1987, blz. 1.

(8) PB nr. C 328 van 7. 12. 1987, blz. 1.

(9) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 39.

(10) PB nr. L 188 van 16. 7. 1984, blz. 20.