31986L0469

Richtlijn 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen

Publicatieblad Nr. L 275 van 26/09/1986 blz. 0036 - 0045
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 21 blz. 0280
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 21 blz. 0280


*****

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 16 september 1986

inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen

(86/469/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gelet op Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3768/85 (2), inzonderheid op artikel 4,

Gelet op Richtlijn 81/602/EEG van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking (3),

Gezien de voorstellen van de Commissie (4),

Gezien de adviezen van het Europese Parlement (5),

Gezien de adviezen van het Economisch en Sociaal Comité (6),

Overwegende dat, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 64/433/EEG met betrekking tot het onderzoek van dieren of vlees op residuen, door de Raad worden vastgesteld:

- de bepalingen betreffende de controle,

- de toleranties voor de in lid 1, onder b), tweede alinea, van genoemd artikel bedoelde stoffen, en

- de frequentie van de monsternemingen;

Overwegende dat de Raad op 16 juli 1985 bij Richtlijn 85/358/EEG ter aanvulling van Richtlijn 81/602/EEG betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking (7) bepaalde regels heeft vastgesteld met betrekking tot de controle met het oog op het waarborgen van de uniforme toepassing van Richtlijn 81/602/EEG; dat aanvullende maatregelen nodig blijken;

Overwegende dat de gedetailleerde voorschriften betreffende de regeling voor controle van dieren en vers vlees op residuen, voor de frequentie van het nemen van monsters van dieren of vlees, voor het onderzoek op residuen en voor de vaststelling van de maximaal toelaatbare gehalten aan residuen van stoffen met een farmacologische werking en van de omzettingsprodukten daarvan alsmede van andere stoffen die terecht kunnen komen in vlees en gevaar kunnen opleveren voor de menselijke gezondheid, op verschillende wijzen zijn geregeld in de Lid-Staten; dat de gevolgen van dergelijke residuen voor de menselijke gezondheid in deze regelingen op verschillende manier zijn ingeschat; dat deze verschillen leiden tot grote belemmeringen in het intracommunautaire handelsverkeer en tot vervalsing van de concurrentievoorwaarden tussen produkten die onder de gemeenschappelijke marktordeningen vallen;

Overwegende dat met betrekking tot de controle in de Gemeenschap van landbouwdieren en vlees en van daarvan of daarmee vervaardigde vleesprodukten op de aanwezigheid van residuen derhalve een algemene oplossing dient te worden gevonden, of deze produkten nu bestemd zijn voor de nationale markt van de Lid-Staten of voor het intracommunautaire handelsverkeer;

Overwegende dat de Lid-Staten een plan dienen uit te werken, rekening houdende met hun situatie; dat deze plannen dienen te worden goedgekeurd en, indien nodig, gewijzigd of aangevuld volgens een communautaire procedure;

Overwegende dat dient te worden bepaald dat monsterneming officieel in de Lid-Staten plaatsvindt in overeenstemming met gemeenschappelijke normen voor de verschillende betrokken groepen van stoffen; dat de monsters in officieel erkende laboratoria dienen te worden onderzocht;

Overwegende dat de in het kader van artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 64/433/EEG aangewezen nationale referentielaboratoria de op hun respectieve grondgebied toegepaste normen en analysemethoden zouden moeten cooerdineren, dat voor ieder betrokken residu of groep van residuen een communautair laboratorium zou moeten worden aangewezen dat als verbindingsschakel tussen de nationale referentielaboratoria optreedt;

Overwegende dat later nadere criteria voor de werking van de laboratoria moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat, wanneer uit een onderzoek de aanwezigheid van residuen blijkt, gemeenschappelijke controlemaatregelen moeten worden genomen om de oorzaak van het residu te bepalen en weg te nemen, waardoor wordt gewaarborgd dat het vlees waarin residuen worden gevonden die het maximaal toelaatbaar gehalte overschrijden, van consumptie wordt uitgesloten;

Overwegende dat om de tenuitvoerlegging van de overwogen bepalingen te vergemakkelijken, er dient te worden voorzien in een procedure waarbij een nauwe samenwerking tot stand komt tussen de Lid-Staten en de Commissie in het Permanent Veterinair Comité, opgericht bij Besluit 68/361/EEG (1);

Overwegende dat in het bijzonder naar gelang van de verkregen resultaten de uitgevoerde controles voortdurend tot in de bijzonderheden dienen te worden gevolgd;

Overwegende dat dient te worden voorzien in de wijziging en zo nodig aanvulling van de technische voorschriften betreffende de controles en de frequentie van de monsterneming, om rekening te houden met nieuwe kennis en met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen;

Overwegende dat communautaire controlemaatregelen dienen te worden vastgesteld om de uniforme toepassing van de onderhavige richtlijn in alle Lid-Staten te waarborgen;

Overwegende dat dient te worden voorzien in een procedure om de geschillen te regelen aangaande de doelmatigheid van de bij de onderhavige richtlijn voorziene controles, die tussen de Lid-Staten kunnen rijzen;

Overwegende dat het vaststellen van een geharmoniseerde regeling in de Gemeenschap leidt tot het instellen van een invoerstelsel ten opzichte van derde landen, dat gelijkwaardige waarborgen biedt; dat te dien einde Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen (2) dient te worden gewijzigd;

Overwegende dat de besluiten die nodig zijn voor het instellen van het invoerstelsel ten opzichte van derde landen zowel in het kader van Richtlijn 72/462/EEG als in het kader van de onderhavige richtlijn dienen te worden genomen;

Overwegende dat aan de Commissie de zorg voor het nemen van bepaalde toepassingsmaatregelen van de onderhavige richtlijn dient te worden toevertrouwd; dat te dien einde dient te worden voorzien in een procedure die een nauwe en doeltreffende samenwerking instelt tussen de Commissie en de Lid-Staten in het kader van het Permanent Veterinair Comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De Lid-Staten dragen er zorg voor dat het onderzoek van dieren, hun excreta en biologische vloeistoffen, van weefsel en van vers vlees op de aanwezigheid van residuen wordt verricht overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn of overeenkomstig de voorschriften die later zullen worden toegevoegd, en met name die welke overeenkomstig artikel 16 zullen worden vastgesteld.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de in artikel 2 van Richtlijn 64/433/EEG opgenomen definities alsmede, indien nodig, die welke zijn opgenomen in Richtlijn 85/649/EEG (3). Bovendien wordt verstaan onder:

a) officieel monster: een monster dat zonder voorafgaande kennisgeving door de bevoegde autoriteit is genomen en dat voor het onderzoek op het betrokken residu een opgave behelst van de diersoort, de aard, de hoeveelheid en de wijze van monsterneming enerzijds en de aanduiding van de oorsprong van het dier en het vlees anderzijds;

b) erkend laboratorium: een laboratorium dat door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat is erkend voor het onderzoek van officiële monsters op de aanwezigheid van residuen;

c) residu: residu van stoffen met farmacologische werking, van omzettingsprodukten daarvan alsmede van andere in vlees terechtgekomen stoffen, en die voor de gezondheid van de mens schadelijk kunnen zijn.

Artikel 3

De Lid-Staten belasten een centrale dienst of organisatie met de cooerdinatie van de uitvoering van de in deze richtlijn voorgeschreven controles. Deze dienst of organisatie krijgt met name de volgende taken:

- het opstellen van de in artikel 4 genoemde plannen aan de hand waarvan de bevoegde diensten de voorgeschreven controles kunnen uitoefenen,

- het cooerdineren van de werkzaamheden van de regionale diensten die belast zijn met de uitvoering van de controles op de verschillende residuen,

- het verzamelen van de resultaten van de controles en van de informatie die moet worden doorgegeven aan de Commissie.

Artikel 4

1. De Lid-Staten leggen aan de Commissie voor:

- vóór 31 mei 1987 een plan waarin de te treffen nationale maatregelen worden aangegeven om de doelstelling van deze richtlijn met betrekking tot de in bijlage I, groep A I en A II, vermelde stoffen te verwezenlijken,

- vóór 31 mei 1988 een plan waarin de maatregelen worden aangegeven voor de opsporing van residuen van stoffen uit de andere groepen.

In elk dezer plannen moet rekening worden gehouden met de bijzondere situatie in elke Lid-Staat en met name nadere informatie worden verstrekt over:

- de wetgeving op het gebied van het gebruik van stoffen, in het bijzonder de wetgeving inzake verbod of toelating, verspreiding, het op de markt brengen en toediening daarvan,

- de infrastructuur van de diensten (in het bijzonder de vermelding van de autoriteiten die bij de uitvoering van de plannen betrokken zijn, alsmede de aard en het belang van de organisaties die aan deze uitvoering deelnemen),

- de lijst van de erkende laboratoria met vermelding van hun capaciteit, voor het onderzoek van de monsters;

- het eventueel volledig of gedeeltelijk verbod op het gebruik van stoffen van bijlage I, groep A, in het bijzonder bij ontbreken van communautaire voorschriften;

- de lijst van onderzochte stoffen, de analysemethoden alsmede de normen voor de interpretatie van de uitkomsten;

- het aantal te nemen officiële monsters in samenhang met het aantal geslachte dieren voor de betrokken soorten tijdens de voorgaande jaren;

- de lijst van stoffen van bijlage I, groep B, met vermelding van het aantal monsternemingen en motivering van dat aantal;

- de nadere bijzonderheden betreffende de regels die worden gevolgd bij de officiële monsterneming, in het bijzonder voor de opgave van de in artikel 2, tweede alinea, onder a), bedoelde gegevens;

- de aard van de maatregelen waarin de bevoegde autoriteiten voorzien ten aanzien van produkten waarin de aanwezigheid van residuen is geconstateerd.

2. De Commissie onderzoekt of de overeenkomstig lid 1 door de Lid-Staten medegedeelde plannen in overeenstemming zijn met deze richtlijn.

3. De Commissie keurt de in lid 1 bedoelde plannen goed volgens de procedure van artikel 15. De Commissie kan volgens dezelfde procedure besluiten dat de betrokken Lid-Staat het door hem voorgelegde plan moet wijzigen of aanvullen. Bovengenoemde besluiten moeten voor wat betreft de plannen inzake de controle op de in bijlage I, groep A I en A II, bedoelde stoffen vóór 30 september 1987, en voor wat betreft de plannen inzake de controle op de andere residuen vóór 30 september 1988 worden genomen.

4. Op verzoek van de betrokken Lid-Staat en om rekening te houden met de ontwikkeling van de situatie in deze Lid-Staat of in een van de regio's daarvan, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 14 besluiten een wijziging of aanvulling van een tevoren overeenkomstig lid 3 goedgekeurd plan goed te keuren.

5. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 14 besluiten dat een Lid-Staat een tevoren overeenkomstig lid 3 goedgekeurd plan moet wijzigen of aanvullen om rekening te houden met de ontwikkelingen van de situatie in deze Lid-Staat dan wel met de in het kader van de artikelen 5, 11 en 12 verrichte vaststellingen.

Artikel 5

1. Veterinaire deskundigen van de Commissie kunnen, voor zover de uniforme toepassing van de richtlijn dit vereist, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten controles ter plaatse uitvoeren.

De Lid-Staat op wiens grondgebied een controle wordt verricht, geeft de deskundigen alle nodige steun voor de uitvoering van hun taak. De Commissie brengt de betrokken Lid-Staat op de hoogte van de uitslag van de verrichte controles.

De betrokken Lid-Staat treft de maatregelen die eventueel noodzakelijk kunnen blijken om met de uitkomst van deze controle rekening te houden. Indien de Lid-Staat bovengenoemde maatregelen niet neemt, kan de Commissie - na bestudering, in het Permanent Veterinair Comité, van de situatie - artikel 4, lid 5, toepassen.

2. De algemene uitvoeringsbepalingen van dit artikel, met name inzake de frequentie en de wijze van uitvoering van de in lid 1, eerste alinea, bedoelde controles, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 15.

Artikel 6

De Lid-Staten zien er bij het onderzoek op residuen op toe:

- dat de in de bijlage II vastgestelde minimale frequentie van de controles in acht wordt genomen.

Evenwel:

i) mag Luxemburg 0,01 %, respectievelijk 0,02 %, van de dieren controleren, in plaats van een aselecte statistische frequentie van 300, respectievelijk 700 officiële monsters toe te passen;

ii) mag, voor de in bijlage I, groep A I en A II, bedoelde stoffen:

- Denemarken de controle in de aanloopfase uitvoeren op basis van 750 officiële monsternemingen; - het Verenigd Koninkrijk, zolang het volledige verbod op het gebruik van anabole stoffen nog niet geldt voor de voor de binnenlandse markt bestemde produktie, zich beperken tot een controle op 0,15 % van de dieren die in de erkende slachthuizen zijn geslacht en die overeenkomstig artikel 8, lid 1, en artikel 9 van Richtlijn 64/433/EEG zijn gecontroleerd, terwijl uit de rest van de populatie van runderen jaarlijks officiële monsters worden genomen met een frequentie die een zekerheid van ten minste 99,9 % geeft dat, indien er geen positieve uitslagen voorkomen, minder dan 1 % van de mestrunderen residuen bevat;

- dat de controles worden uitgevoerd overeenkomstig de controlevoorschriften die moeten worden aangegeven in het overeenkomstig artikel 4 goedgekeurde, gewijzigde of aangevulde plan.

Artikel 7

1. Aan artikel 3, lid 2, van Richtlijn 72/462/EEG wordt het volgende punt toegevoegd:

»f) de wetgeving van dit land met betrekking tot het gebruik van stoffen, in het bijzonder de wetgeving inzake verbod of toelating, verspreiding, het op de markt brengen en toediening daarvan alsmede controle daarop;".

2. Toelating of handhaving op de lijst bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG hangt af van het indienen door het betrokken derde land van een plan dat duidelijk de waarborgen omschrijft die door dit land ter zake van controle op residuen wordt geboden.

Deze waarborgen moeten op zijn minst een uitwerking hebben die gelijk is aan die welke voortvloeit uit de in de onderhavige richtlijn neergelegde waarborgen.

De Commissie keurt de betrokken plannen goed volgens de procedure van artikel 14. Volgens dezelfde procedure kunnen waarborgen worden toegelaten, die een alternatief vormen voor die welke uit de toepassing van de onderhavige richtlijnen voortvloeien.

De hiertoe te nemen besluiten moeten:

i) uiterlijk op 31 december 1987 worden genomen voor wat betreft de in bijlage I, groep A I en A II, bedoelde stoffen;

ii) uiterlijk op 31 december 1988 worden genomen voor wat betreft de in bijlage I, groep A III, B I en B II, bedoelde stoffen.

3. Bij ontstentenis van besluiten in de zin van lid 2 ten opzichte van een bepaald derde land op genoemde data, wordt de opname van dit land in de in artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG bedoelde lijst volgens de procedure van artikel 14 geschorst.

4. Het in acht nemen van de uitvoering van de plannen door de bevoegde autoriteiten van derde landen wordt geverifieerd tijdens de in artikel 5 van Richtlijn 72/462/EEG bedoelde controles.

Artikel 8

1. De Lid-Staten zien er bij de toepassing van deze richtlijn op toe dat de volgende regels in acht worden genomen:

a) overeenkomstig bijlage II worden officiële monsters van dieren, hun excreta en biologische vloeistoffen, alsmede van weefsels en van vers vlees genomen om in erkende laboratoria te worden onderzocht op residuen;

b) de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 64/433/EEG aangewezen nationale referentielaboratoria cooerdineren voor elk van de betrokken residuen of groepen van residuen, normen en analysemethoden, met inbegrip van de organisatie van periodieke vergelijkende tests met duplomonsters door erkende laboratoria, alsmede ten aanzien van de inachtneming van de vastgestelde grenswaarden.

2. Op voorstel van de Commissie wijst de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor elk van de residuen of groepen van residuen een uit de verschillende nationale referentielaboratoria te kiezen communautair referentielaboratorium aan dat met de cooerdinatie van de controle wordt belast en bepaalt hij, met het oog op de toepassing van deze richtlijn, de bevoegdheden en de voorwaarden voor de vervulling van de taak van deze referentielaboratoria.

3. De in lid 1 bedoelde analyse van de monsters moet worden uitgevoerd volgens methoden die door de Lid-Staten worden toegepast en aan de Commissie worden voorgelegd in het kader van hun controleplannen.

Elke positieve uitslag die in twijfel wordt getrokken, moet door een hiertoe door de bevoegde autoriteiten officieel erkend laboratorium worden bevestigd aan de hand van de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 64/433/EEG vastgestelde referentiemethoden.

Artikel 9

1. Wanneer uit een onderzoek van een officieel monster dat overeenkomstig de bijlage II is genomen, de aanwezigheid blijkt van residuen van verboden stoffen of van toegestane stoffen in een concentratie die het door de communautaire wetgeving vastgestelde maximum, dan wel, bij ontbreken daarvan, het op 16 september 1986 nationaal toegestane maximum overschrijdt, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat zij onverwijld in het bezit worden gesteld van:

a) alle nodige gegevens om het dier en het bedrijf van oorsprong te kunnen identificeren; deze gegevens worden volgens de procedure van artikel 15 vastgesteld;

b) de uitslag van het onderzoek.

Indien op grond van de resultaten van de controles in een Lid-Staat onderzoek of een actie in een of meer andere Lid-Staten of in een of meer derde landen noodzakelijk wordt geacht, stelt de betrokken Lid-Staat de overige Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis.

De Lid-Staten waarin een onderzoek of actie nodig blijkt, treffen passende maatregelen. 2. De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat vervolgens:

a) op het bedrijf van oorsprong een onderzoek wordt ingesteld om de oorzaak van de aanwezigheid van residuen vast te stellen;

b) in de stadia van produktie, behandeling, opslag, vervoer, toediening, distributie of verkoop, naar gelang van het geval, een onderzoek naar de plaats of de plaatsen van herkomst van de betrokken stof wordt ingesteld.

3. De bevoegde autoriteiten zien er tevens op toe dat:

a) het beslag of de dieren op het bedrijf van oorsprong en de beslagen die op grond van de in lid 2 bedoelde onderzoeken kunnen worden beschouwd als dragers van het betrokken residu, officieel worden gemerkt en aan passende analyse worden onderworpen;

b) indien uit dat onderzoek de aanwezigheid van verboden stoffen blijkt, de dieren niet voor consumptie door mens of dier op de markt kunnen worden gebracht;

c) wanneer de voorschriften voor het gebruik van een toegestane stof niet in acht zijn genomen, en in het bijzonder wanneer uit het onderzoek blijkt dat residuen van toegestane stoffen aanwezig zijn in een concentratie die de in lid 1 bedoelde toegestane niveaus overschrijdt, slachting van de dieren voor menselijke consumptie wordt verboden, totdat vaststaat dat de hoeveelheid residu de toegestane niveaus niet meer overschrijdt. Deze periode mag in geen geval korter zijn dan de voor de betrokken stof vastgestelde wachttijd;

d) de dieren tijdens de duur van het onderzoek niet aan derden worden afgestaan, tenzij onder toezicht van de officiële dierenarts.

4. In afwijking van lid 3, onder c), mogen dieren waarvoor een slachtverbod geldt, toch voor de afloop van dit verbod worden geslacht wanneer de bevoegde autoriteit daarvan vóór de voorgenomen datum van slachting in kennis is gesteld en tevens is ingelicht over de slachtplaats. Officieel gemerkte dieren moeten, wanneer zij naar de slachtplaats worden gebracht, vergezeld gaan van een officieel veterinair certificaat dat de in lid 1, onder a), bedoelde gegevens bevat.

Van het vlees van een dier waarvan de slachting overeenkomstig de bovenstaande alinea is gemeld, moet een officieel monster op het betrokken residu worden onderzocht; het vlees wordt geconsigneerd totdat het resultaat van dat onderzoek bekend is.

Het vlees van dieren waarin de aanwezigheid van residuen is bevestigd, moet worden uitgesloten van menselijke consumptie.

5. De bevoegde autoriteiten zien er tevens op toe dat in het vleesverwerkend bedrijf of op de veehouderijen in hetzelfde gebied of plaats, die aan dat bedrijf leveren, extra controle wordt verricht voor onderzoek op de betrokken stof.

6. Om de doelmatige toepassing van de onderhavige richtlijn te verzekeren, kan een Lid-Staat op zijn grondgebied eisen dat met name op de veehouderij, in het slachthuis of op de markt een register wordt bijgehouden.

Artikel 10

De bevoegde autoriteit kan, onverminderd artikel 4, bij vermoedelijke aanwezigheid van residuen, de dieren van de betrokken soort of het betrokken verse vlees laten onderzoeken op de aanwezigheid van die residuen in de nationale produktie.

Artikel 11

1. Wanneer een Lid-Staat van mening is dat in een andere Lid-Staat de in de onderhavige richtlijn voorgeschreven controles niet of niet meer in acht genomen worden, stelt hij de bevoegde centrale autoriteit van die Lid-Staat daarvan in kennis. Deze autoriteit neemt, na een onderzoek overeenkomstig artikel 9, lid 2, alle vereiste maatregelen en deelt zo snel mogelijk aan de bevoegde centrale autoriteit van de eerste Lid-Staat de genomen besluiten en de redenen daarvan mede.

Indien deze vreest dat die maatregelen niet zijn getroffen of ontoereikend zijn, zoekt hij met de in het geding zijnde Lid-Staat naar wegen en middelen om de situatie te verhelpen, eventueel door een bezoek ter plaatse.

De Lid-Staten stellen de Commissie op de hoogte van de geschillen en de bereikte oplossingen.

Als deze Lid-Staten geen overeenstemming kunnen bereiken, maakt een van hen de zaak binnen een redelijke termijn aanhangig bij de Commissie, die een of meer deskundigen belast met het uitbrengen van een advies.

In afwachting van de conclusies van de deskundigen kan de Lid-Staat van ontvangst de produkten afkomstig van het bedrijf (de bedrijven) of de veehouderij(en), waarop het geschil betrekking heeft, controleren en in geval van een positieve uitslag soortgelijke maatregelen als bedoeld in artikel 10, lid 4, van Richtlijn 64/433/EEG nemen.

Rekening houdend met het advies van de deskundigen kunnen volgens de procedure van artikel 14 gepaste maatregelen worden genomen.

De maatregelen kunnen volgens dezelfde procedure worden herzien, rekening houdend met een nieuw advies dat door de deskundigen binnen twee weken wordt vastgesteld.

2. De algemene uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden volgens de procedure van artikel 15 vastgesteld.

Artikel 12

De Lid-Staten stellen de Commissie en de andere Lid-Staten jaarlijks in kennis van de uitvoering van de overeenkomstig artikel 4 goedgekeurde plannen. Op basis van deze gegevens kan artikel 4, lid 5, worden toegepast.

De Commissie stelt de Lid-Staten in het Permanent Veterinair Comité op gezette tijden en in ieder geval telkens wanneer zij dat om redenen van volksgezondheid noodzakelijk acht, in kennis van de ontwikkeling van de situatie in de verschillende gebieden van de Gemeenschap. Artikel 13

De bijlagen kunnen door de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd of aangevuld.

Artikel 14

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het bij besluit van de Raad van 15 oktober 1968 ingestelde Permanent Veterinair Comité, hierna het »Comité" genoemd, deze procedure, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt geen deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn van twee dagen. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van vierenvijftig stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen vijftien dagen na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 15

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze procedure, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt geen deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn die door de voorzitter kan worden vastgesteld naar gelang van de urgentie der te behandelen kwesties. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van vierenvijftig stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen drie maanden na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 16

De Raad zal in eerste stadium, op voorstel van de Commissie, dat vóór 1 januari 1989 moet worden ingediend, de maatregelen vaststellen die moeten worden genomen voor het onderzoek op residuen van gevogelte en vlees van gevogelte, alsmede, in een later stadium, van produkten van de aquicultuur.

Artikel 17

Volgens de procedure van artikel 14 kunnen voor een tijdvak van ten hoogste één jaar eventueel overgangsmaatregelen worden vastgesteld.

Artikel 18

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om te voldoen aan:

a) de artikelen 3 en 4 uiterlijk op 1 april 1987;

b) de artikelen 5, 11 en 12 uiterlijk op 31 december 1987;

c) de overige bepalingen

i) uiterlijk op 31 december 1987 voor wat betreft de in bijlage I, groep A I en A II, bedoelde stoffen;

ii) uiterlijk op 31 december 1988 voor wat betreft de in bijlage I, groep A III en groep B I en B II, bedoelde stoffen.

Artikel 19

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 16 september 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. JOPLING

(1) PB nr. 121 van 29. 7. 1964, blz. 2012/64.

(2) PB nr. L 362 van 31. 12. 1985, blz. 8.

(3) PB nr. L 222 van 7. 8. 1981, blz. 32.

(4) PB nr. C 251 van 1. 10. 1981, blz. 7, en

PB nr. C 132 van 31. 5. 1985, blz. 5.

(5) PB nr. C 267 van 11. 10. 1982, blz. 59, en

PB nr. C 120 van 20. 5. 1986, blz. 176.

(6) PB nr. C 112 van 3. 5. 1982, blz. 5, en

PB nr. C 75 van 3. 4. 1986, blz. 1.

(7) PB nr. L 191 van 23. 7. 1985, blz. 46.

(1) PB nr. L 255 van 18. 10. 1968, blz. 23.

(2) PB nr. L 302 van 31. 12. 1972, blz. 28.

(3) PB nr. L 382 van 31. 12. 1985, blz. 228.

BIJLAGE I

GROEP EN RESIDUEN

A. GROEPEN DIE VOOR ALLE LID-STATEN GELIJK ZIJN

Groep I

a) Stilbenen, stilbeenderivaten, zouten en esters daarvan

b) Thyreostatica

c) Andere stoffen met oestrogene, androgene of gestagene werking, met uitzondering van die van groep II

Groep II

Krachtens artikel 4 van Richtlijn 81/602/EEG en artikel 2 van Richtlijn 85/649/EEG toegestane stoffen

Groep III

a) Remstoffen

Antibiotica, sulfonamiden en andere antimicrobiële stoffen

b) Chlooramfenicol

B. SPECIFIEKE GROEPEN

Groep I - Andere geneesmiddelen

a) Stoffen ter bestrijding van endo- en ectoparasieten

b) Tranquillizers en beta-blokkeerders

c) Andere diergeneesmiddelen

Groep II - Andere residuen

a) In diervoeders aanwezige contaminanten

b) In het milieu aanwezige contaminanten

c) Andere stoffen

BIJLAGE II

HOOFDSTUK I

MONSTERNEMING VOOR OPSPORING VAN RESIDUEN

A. EISEN INZAKE MONSTERNEMING EN ASELECTIVITEIT

a) De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de officiële monsters volgens het passende systeem van monsterneming en met inachtneming van de onderstaande variabele criteria worden genomen.

b) Variabele criteria

Rekening dient te worden gehouden met:

i) de geldende voorschriften met betrekking tot het gebruik van de stoffen die tot de groepen residuen behoren (in het bijzonder het verbod op, dan wel de toestemming tot het gebruik);

ii) de factoren die bedrog of misbruik kunnen bevorderen;

iii) de betrokken dierpopulatie ten aanzien van:

- de totale omvang van de populatie,

- de homogeniteit van groepen in de populatie,

- de leeftijd van de dieren, vooral voor de stoffen van groep B I en B II,

- de sekse van de dieren, vooral voor de stoffen van groep A I an A II;

iv) de omgeving van de landbouwbedrijven voor wat betreft:

- regionale verschillen,

- de relatie tot industriële activiteiten, vooral voor de stoffen van groep B I en B II,

- de relatie tot akkerbouw, vooral voor de stoffen van groep B II a) en B II b);

v) de agrarische produktiesystemen, met inbegrip van:

- intensieve produktie-eenheden,

- mesterijsystemen, vooral voor de stoffen van groep A,

- houderijsystemen, in het bijzonder de voeding van en de gezondheidszorg voor de dieren;

vi) de verwachtingen ten aanzien van problemen op grond van gebeurtenissen in het verleden en andere aanwijzingen voor het bestaan van problemen;

vii) de mate waarin de consument moet worden beschermd, gezien aard en toxiciteit van de betrokken stof.

B. SYSTEEM VAN MONSTERNEMING

Voor elke groep stoffen passen de Lid-Staten overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II een systeem van monsterneming en -onderzoek toe met inachtneming van het hygiënisch niveau en de variabele criteria die op hun grondgebied zijn afgestemd.

HOOFDSTUK II

NIVEAU EN FREQUENTIE VAN MONSTERNEMING

I. VOOR DE IN BIJLAGE I, GROEP A I EN II, BEDOELDE RESIDUEN

Gedurende het eerste jaar na de tenuitvoerlegging van deze richtlijn nemen de Lid-Staten ten minste de volgende frequenties in acht:

A. Groep A I

1. Voor jonge mestrunderen (jonger dan twee jaar)

a) Aanloopcontrole van ten minste 0,15 % van de runderen van deze categorie, waaronder ten minste 0,10 % geslachte dieren en de rest (ten minste 0,05 %) op de veehouderij. b) Indien bij de bovenbedoelde monsterneming over een periode van zes maanden één positieve uitslag op duizend monsters (1) officieel wordt bevestigd, meten de Lid-Staten in hoeverre er mogelijkerwijs residuen aanwezig zijn door een hogere frequentie van monsterneming toe te passen van ten minste 0,25 % van de dieren van deze categorie, waaronder ten minste 0,10 % op de veehouderij.

Deze verhoogde controle kan worden beperkt tot de categorie dieren en de stof die de positieve uitslag te zien hebben gegeven.

Verder kan deze controle betrekking hebben op de produktiegebieden waar de positieve uitslag is bevestigd.

De gebieden worden vastgesteld bij de goedkeuring van de in artikel 4 bedoelde plannen.

c) Indien bij toepassing van de onder a) bedoelde frequentie van monsterneming gedurende één jaar geen positieve uitslag officieel wordt bevestigd, kunnen de Lid-Staten de frequentie van de routinefase toepassen, dat wil zeggen 300 monsternemingen per jaar.

Deze monsternemingen moeten een zekerheid van ten minste 95 % geven dat, indien er geen positieve uitslagen voorkomen, minder dan 1 % van de mestrunderen residuen bevat.

Indien bij de bovenbedoelde monsterneming een positieve uitslag officieel wordt bevestigd, meten de Lid-Staten in hoeverre er mogelijkerwijs residuen aanwezig zijn door de frequentie van monsterneming voor de onder a) bedoelde aanloopfase toe te passen.

2. Voor afgemolken koeien

- aanloopfase: 700 monsters,

- intensieve fase: 0,25 % van de geslachte koeien,

- routinefase: 300 monsters.

3. Voor varkens, schapen, geiten en eenhoevigen

- aanloopfase: 700 monsters,

- routinefase: 300 monsters,

- intensieve fase: voor de betrokken soort de in de routinefase verrichte controles verdubbelen, met een minimum van 0,1 % van de geslachte dieren.

De in punt 1 genoemde criteria voor de overgang van de ene naar de andere controlefase zijn voor de groepen 2 en 3 van overeenkomstige toepassing.

B. Groep A II

- aanloopfase: 700 monsters,

- intensieve fase: 0,25 % van de geslachte koeien,

- routinefase: 300 monsters.

De in punt A 1 genoemde algemene criteria voor de overgang van de ene naar de andere controlefase zijn op deze groep van overeenkomstige toepassing.

De monsternemingen moeten tijdens de aanloopfase een garantie van ten minste 99,9 % geven dat, indien er geen positieve uitslagen voorkomen, minder dan 1 % van de dieren residuen bevat.

II. VOOR GROEP A III a)

1. De Lid-Staten controleren 0,10 % van de geslachte dieren. Zij mogen in dit verband:

- hun controle zo inrichten dat rekening wordt gehouden met de vergunning en met de voorwaarden voor het op de markt brengen,

- controleren op een groep (geheel) van stoffen,

- de controle beperken tot de gebieden waar soorten worden voortgebracht waarop deze stoffen betrekking kunnen hebben.

2. In geval van een positieve uitslag in het slachthuis wordt artikel 9 van de richtlijn toegepast.

III. VOOR GROEP A III b) (Chlooramfenicol)

1. De Lid-Staten die het gebruik van deze stof - ook voor therapeutische behandeling - bij voor menselijke consumptie bestemde dieren verbieden, nemen ten minste 300 monsters per jaar.

2. De andere Lid-Staten controleren ten minste 0,01 % van de geslachte dieren van de betrokken soorten, tot een maximum van 300 monsters van iedere soort.

Als een positieve uitslag in het slachthuis wordt bevestigd, is artikel 9 van de richtlijn van toepassing.

Als er gedurende een periode van één jaar geen positieve gevallen zijn bevestigd, worden ten minste 300 monsters per jaar genomen.

Deze monsternemingen moeten een zekerheid van ten minste 95 % geven dat, indien er geen positieve uitslagen voorkomen, minder dan 1 % van de dieren residuen bevat.

3. In geval van elke positieve uitslag in een Lid-Staat is artikel 9 van de richtlijn van toepassing, onder verscherping van de controle tot 0,05 % van de geslachte dieren van de betrokken soort in het administratieve gebied waar de positieve uitslag is geconstateerd.

IV. VOOR DE STOFFEN VAN GROEP B

Minimumaantal jaarlijks te nemen monsters: 700.

De wijzen van uitvoering van de controle worden nader bepaald in de door de Lid-Staten overeenkomstig artikel 4 in te dienen plannen.

Bij de vaststelling van de frequentie van de controles moeten de volgende criteria in acht worden genomen:

- de controles mogen op regionale basis (de omvang van de regio moet van dien aard zijn dat het nationale resultaat niet wordt vervalst) en beperkt tot bepaalde soorten die representatief zijn voor de produktie van deze regio's, worden uitgevoerd;

- de controle van de stoffen kan geschieden door het verifiëren van een geheel van stoffen, met dien verstande dat elke stof of groep van stoffen aan een minimale controle wordt onderworpen, met de mogelijkheid van een alternerende controle.

(1) Voor Luxemburg en Griekenland: één enkele positieve uitslag per zes maanden.