31986L0457

Richtlijn 86/457/EEG van de Raad van 15 september 1986 inzake een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde

Publicatieblad Nr. L 267 van 19/09/1986 blz. 0026


*****

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 15 september 1986

inzake een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde

(86/457/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 49, 57 en 66,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat Richtlijn 75/362/EEG (4), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1985, en Richtlijn 75/363/EEG (5), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 82/76/EEG (6), met betrekking tot het vrije verkeer van artsen geen enkele bepaling bevatten betreffende de wederzijdse erkenning van de diploma's waarmee een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde wordt afgesloten, noch betreffende de criteria waaraan deze opleiding zou moeten voldoen;

Overwegende dat, hoewel de Raad geen aanleiding heeft gezien passende maatregelen ter zake op communautair niveau te nemen, hij wel heeft geconstateerd dat er zich in een aantal Lid-Staten een ontwikkeling aftekende waarbij op de rol van de huisarts en op het belang van diens opleiding meer nadruk werd gelegd; dat hij de Commissie derhalve heeft verzocht de uit deze ontwikkeling voortvloeiende vraagstukken in studie te nemen;

Overwegende dat deze ontwikkeling zich sedertdien in versterkte mate heeft voortgezet zodat op dit ogenblik nagenoeg algemeen wordt erkend dat er behoefte bestaat aan een specifieke opleiding voor de huisarts waardoor hij wordt voorbereid op een betere vervulling van zijn taak; dat deze taak, die voor een belangrijk deel berust op zijn persoonlijke kennis van het milieu van zijn partiënten, bestaat uit het verstrekken van adviezen betreffende de preventie van ziekten en de bescherming van alle aspecten van de gezondheid van de individuele persoon, alsmede uit het verstrekken van de passende behandelingen;

Overwegende dat deze behoefte aan een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde met name voortvloeit uit het feit dat de ontwikkeling die zich in de medische wetenschap heeft voorgedaan, tot een steeds grotere discrepantie heeft geleid tussen het medisch onderwijs en het medisch onderzoek enerzijds en de praktijk van de huisartsgeneeskunde anderzijds, zodat belangrijke aspecten van de huisartsgeneeskunde niet meer op bevredigende wijze kunnen worden onderwezen in het kader van de in de Lid-Staten bestaande medische basisopleiding;

Overwegende dat, afgezien van het voordeel voor de patiënten, eveneens wordt erkend dat een betere aanpassing van de huisarts aan zijn specifieke functie zal bijdragen tot een verbetering van het stelsel van medische verzorging, met name doordat de verwijzing naar specialisten en naar laboratoria en andere hooggespecialiseerde inrichtingen en apparatuur op selectievere wijze zal geschieden;

Overwegende dat de verbetering van de opleiding in de huisartsgeneeskunde zal bijdragen tot de herwaardering van het beroep van huisarts;

Overwegende dat deze ontwikkeling weliswaar onomkeerbaar lijkt, maar in de Lid-Staten in een verschillend tempo plaatsvindt en dat, zonder de huidige ontwikkelingen op ongepaste wijze te overhaasten, voor de convergentie daarvan in opeenvolgende etappen dient te worden gezorgd, ten einde ervoor te zorgen dat elke huisarts een passende opleiding ontvangt die voldoet aan de specifieke eisen van de uitoefening van de huisartsgeneeskunde;

Overwegende dat het, met het oog op de geleidelijke tenuitvoerlegging van deze hervorming, noodzakelijk blijkt te zijn om in een eerste fase in iedere Lid-Staat een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde in te voeren, die zowel kwalitatief als kwantitatief aan bepaalde minimumeisen voldoet en de krachtens Richtlijn 75/363/EEG vereiste minimale basisopleiding van de arts aanvult; dat het van weinig belang is of deze opleiding in de huisartsgeneeskunde plaatsvindt in het kader van de basisopleiding van artsen naar nationaal recht of daarbuiten; dat in een tweede fase daarenboven dient te worden bepaald dat de uitoefening van de werkzaamheden van arts als huisarts in het kader van een stelsel van sociale zekerheid afhankelijk zal moeten worden gesteld van de voltooiing van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde; dat er tenslotte in een later stadium nieuwe voorstellen zullen moeten worden gedaan om deze hervorming af te ronden;

Overwegende dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om hun nationale stelsel van sociale zekerheid op te zetten en te bepalen welke werkzaamheden in het kader van dit stelsel moeten worden uitgeoefend;

Overwegende dat de door deze richtlijn bewerkstelligde cooerdinatie van de minimumvoorwaarden voor het afgeven van de diploma's, certificaten en andere bewijsstukken waarmee de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde wordt afgesloten, de Lid-Staten de gelegenheid biedt om over te gaan tot de wederzijdse erkenning van deze diploma's, certificaten en andere bewijsstukken;

Overwegende dat ingevolge Richtlijn 75/362/EEG een ontvangende Lid-Staat niet gerechtigd is om van artsen die houder zijn van in een andere Lid-Staat behaalde en uit hoofde van die richtlijn erkende diploma's, enigerlei aanvullende opleiding te eisen voor het uitoefenen van de werkzaamheden van arts in het kader van een stelsel van sociale zekerheid, zelfs indien hij een dergelijke opleiding wel verlangt van houders van op zijn grondgebied behaalde artsdiploma's; dat Richtlijn 75/362/EEG, wat de uitoefening van de huisartsgeneeskunde in het kader van de sociale zekerheid betreft, dit effect niet mag verliezen vóór 1 januari 1995, op welke datum alle Lid-Staten krachtens deze richtlijn verplicht zijn om de uitoefening van de werkzaamheden van arts als huisarts in het kader van hun stelsel van sociale zekerheid afhankelijk te stellen van de voltooiing van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde; dat artsen die vóór die datum krachtens Richtlijn 75/362/EEG met een praktijk begonnen zijn, een verworven recht dienen te hebben om de werkzaamheden van arts als huisarts in het kader van het stelsel van sociale zekerheid van de ontvangende Lid-Staat uit te oefenen, ook zal hebben zij geen specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde genoten,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Iedere Lid-Staat op wiens grondgebied de volledige, in artikel 1 van Richtlijn 75/363/EEG bedoelde opleidingscyclus wordt gegeven, voert een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde in, welke ten minste aan de in de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn gestelde voorwaarden voldoet, en wel zodanig dat de eerste diploma's, certificaten of andere bewijsstukken waarmee deze opleiding wordt afgesloten, uiterlijk op 1 januari 1990 worden afgegeven.

Artikel 2

1. De in artikel 1 bedoelde specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde moet ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij is alleen toegankelijk nadat ten minste zes studiejaren in het kader van de in artikel 1 van Richtlijn 75/363/EEG bedoelde opleidingscyclus met goed gevolg zijn voltooid;

b) zij moet bij volledig dagonderwijs ten minste twee jaar duren en plaatsvinden onder toezicht van de bevoegde autoriteiten of instellingen;

c) zij moet meer van praktische dan van theoretische aard zijn; de praktische opleiding wordt enerzijds gegeven gedurende ten minste zes maanden in een erkend ziekenhuis dat over de nodige uitrusting en diensten beschikt, en anderzijds gedurende ten minste zes maanden in een erkende huisartsenpraktijk of een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken; in het kader van deze specifieke opleiding moeten contacten worden onderhouden met andere instellingen of organisaties voor gezondheidszorg die zich bezighouden met de huisartsgeneeskunde; onverminderd deze minimumperioden mag de praktische opleiding evenwel gedurende ten hoogste zes maanden worden vervangen door een opleiding in andere instellingen of organisaties die zich met de huisartsgeneeskunde bezighouden;

d) zij moet inhouden dat de kandidaat persoonlijk deelneemt aan de beroepsactiviteiten en deelt in de verantwoordelijkheden van degenen met wie hij werkt.

2. De Lid-Staten kunnen de toepassing van het bepaalde in artikel 1, onder c), betreffende de minimale opleidingsduur tot uiterlijk 1 januari 1995 uitstellen.

3. De Lid-Staten stellen het afgeven van de diploma's, certificaten en andere bewijsstukken waarmee de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde wordt afgesloten, afhankelijk van het bezit van een van de diploma's, certificaten of andere bewijsstukken als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 75/362/EEG.

4. De Lid-Staten wijzen de autoriteiten of instellingen aan die bevoegd zijn voor het afgeven van de diploma's, certificaten en andere bewijsstukken waarmee de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde wordt afgesloten. Artikel 3

Indien een Lid-Staat op het moment van de kennisgeving van deze richtlijn een opleiding in de huisartsgeneeskunde verstrekt door middel van een ervaring in de huisartsgeneeskunde die door de arts is opgedaan in zijn eigen praktijk onder toezicht van een erkend stagebegeleider, kan die Lid-Staat deze opleiding bij wijze van proef handhaven op voorwaarde dat:

- deze voldoet aan artikel 2, lid 1, onder a) en b), alsmede aan lid 3 van dat artikel;

- de duur ervan overeenkomt met het dubbele van het verschil tussen de periode als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), en het totaal van de perioden bedoeld in het derde streepje;

- deze ten minste een periode omvat in een erkend ziekenhuis dat over de nodige uitrusting en diensten beschikt, alsmede een periode in een erkende huisartsenpraktijk of een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken; vanaf 1 januari 1995 bedraagt de duur van elke van deze perioden ten minste zes maanden.

Artikel 4

Aan de hand van de opgedane ervaring en gelet op de ontwikkeling van de opleidingen op het gebied van de huisartsgeneeskunde, dient de Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 bij de Raad een verslag in over de toepassing van de artikelen 2 en 3, vergezeld van de nodige voorstellen met het oog op de verdere harmonisatie van de huisartsenopleiding.

De Raad neemt vóór 1 januari 1997 volgens de in het Verdrag vastgestelde procedures een besluit over deze voorstellen.

Artikel 5

1. Onverminderd het beginsel van de volledige dagopleiding, vervat in artikel 2, lid 1, onder b), kunnen de Lid-Staten, naast een volledige dagopleiding, een deeltijdse specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde toestaan wanneer aan de onderstaande bijzondere voorwaarden is voldaan:

- de totale duur van de opleiding mag niet worden verkort vanwege het feit dat het om een deeltijdse opleiding gaat;

- het weekrooster van de deeltijdse opleiding mag niet minder zijn dan 60 % van het weekrooster van de voltijdse opleiding;

- de deeltijdse opleiding dient een aantal voltijdse opleidingsperioden te omvatten, zowel voor het opleidingsonderdeel dat in een ziekenhuis wordt gegeven als voor het onderdeel in een erkende huisartsenpraktijk of in een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken. Het aantal voltijdse opleidingsperioden en de duur ervan zijn zodanig, dat zij een passende voorbereiding op de daadwerkelijke uitoefening van de huisartsgeneeskunde vormen.

2. De deeltijdse opleiding dient van een kwalitatief gelijkwaardig niveau te zijn als de voltijdse opleiding. Zij wordt afgesloten met het in artikel 1 bedoelde diploma, certificaat of ander bewijsstuk.

Artikel 6

1. De Lid-Staten kunnen, ongeacht de door hen vastgestelde bepalingen inzake verworven rechten, het in artikel 1 bedoelde diploma, certificaat of ander bewijsstuk afgeven aan artsen die niet de in de artikelen 2 en 3 bedoelde opleiding hebben genoten, maar wel een andere aanvullende opleiding die met een door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat afgegeven diploma, certificaat of ander bewijsstuk is afgesloten; de Lid-Staten mogen dit diploma, certificaat of ander bewijsstuk evenwel slechts afgeven indien het de bekrachtiging vormt van kennis die kwalitatief gelijkwaardig is aan die welke wordt verworven tijdens de in de artikelen 2 en 3 bedoelde opleiding.

2. In de regels die de Lid-Staten overeenkomstig lid 1 vaststellen, bepalen zij met name in hoeverre de door de aanvrager reeds genoten aanvullende opleiding en diens beroepservaring in aanmerking kunnen worden genomen ter vervanging van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde opleiding.

Zij mogen het in artikel 1 bedoelde diploma, certificaat of ander bewijsstuk slechts afgeven indien de aanvrager gedurende ten minste zes maanden in een huisartsenpraktijk of een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken, als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), ervaring in de huisartsgeneeskunde heeft opgedaan.

Artikel 7

1. Met ingang van 1 januari 1995 stellen alle Lid-Staten, behoudens de bepalingen inzake verworven rechten, het in het kader van hun nationale stelsel van sociale zekerheid als huisarts verrichten van de werkzaamheden van arts afhankelijk van het bezit van een diploma, certificaat of ander bewijsstuk als bedoeld in artikel 1.

De Lid-Staten kunnen evenwel personen die de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde volgen, van deze voorwaarde vrijstellen.

2. Elke Lid-Staat bepaalt welke verworven rechten hij erkent. Het recht om de werkzaamheden van arts als huisarts uit te oefenen in het kader van het nationale stelsel van sociale zekerheid van die Lid-Staat zonder het in artikel 1 bedoelde diploma, certificaat of ander bewijsstuk te bezitten, moet hij evenwel als verworven recht toekennen aan alle artsen die dit recht op 31 december 1994 krachtens Richtlijn 75/362/EEG bezitten en op die datum op zijn grondgebied praktizeren, omdat zij in aanmerking kwamen voor het bepaalde in artikel 2 of artikel 9, lid 1, van die richtlijn.

3. Elke Lid-Staat mag lid 1 vóór 1 januari 1995 toepassen, op voorwaarde dat alle artsen die de in artikel 1 van Richtlijn 75/363/EEG bedoelde opleiding in een andere Lid-Staat hebben genoten, zich tot en met 31 december 1994 op zijn grondgebied kunnen vestigen en daar in het kader van zijn nationale stelsel van sociale zekerheid kunnen praktizeren, met een beroep op artikel 2 of artikel 9, lid 1, van Richtlijn 75/362/EEG. 4. De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat geven aan artsen die op grond van lid 2 verworven rechten hebben, op hun verzoek een certificaat af waaruit blijkt dat zij het recht hebben om in het kader van hun stelsel van sociale zekerheid de werkzaamheden van arts als huisarts uit te oefenen zonder het in artikel 1 bedoelde diploma, certificaat of ander bewijsstuk te bezitten.

5. Lid 1 doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de Lid-Staten om op hun grondgebied volgens hun eigen regeling de uitoefening van de werkzaamheden van arts als huisarts in het kader van een stelsel van sociale zekerheid toe te staan aan personen die niet in het bezit zijn van diploma's, certificaten of andere bewijsstukken die de afsluiting vormen van een artsenopleiding en van een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde die beide in een Lid-Staat werden genoten, maar die wel in het bezit zijn van in een derde land verkregen diploma's, certificaten of andere bewijsstukken waarmee de hier bedoelde opleidingen, of één daarvan, worden afgesloten.

Artikel 8

1. Iedere Lid-Staat erkent, voor de uitoefening van de werkzaamheden van arts als huisarts in het kader van zijn nationale stelsel van sociale zekerheid, de in artikel 1 bedoelde en aan onderdanen van de Lid-Staten door andere Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 2, 3, 5 en 6 verstrekte diploma's, certificaten en andere bewijsstukken.

Ook moeten worden erkend de verklaringen van de bevoegde instanties van de Bondsrepubliek Duitsland waarbij de gelijkwaardigheid van de door de bevoegde instanties van de Duitse Democratische Republiek verstrekte opleidingstitels met de in de eerste alinea bedoelde diploma's, certificaten en andere bewijsstukken wordt bekrachtigd.

2. Iedere Lid-Staat erkent de in artikel 7, lid 4, bedoelde en aan onderdanen van de Lid-Staten door andere Lid-Staten verstrekte certificaten, door daaraan op zijn grondgebied dezelfde rechtsgevolgen te verbinden als aan de diploma's, certificaten en andere bewijsstukken die hijzelf afgeeft en die het mogelijk maken de werkzaamheden van arts als huisarts in het kader van zijn nationale stelsel van sociale zekerheid uit de oefenen.

Artikel 9

De onderdanen van een Lid-Staat aan wie een Lid-Staat de in artikel 1 of artikel 7, lid 4, bedoelde diploma's, certificaten of andere bewijsstukken heeft afgegeven, hebben het recht om in de ontvangende Lid-Staat de in deze Lid-Staat bestaande beroepstitel te voeren en van de afkorting daarvan gebruik te maken.

Artikel 10

1. Onverminderd artikel 9 zien de ontvangende Lid-Staten erop toe dat personen op wie artikel 8 van toepassing is, het recht genieten om gebruik te maken van hun wettelijke, in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst gevoerde opleidingstitel, en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van die Staat. De ontvangende Lid-Staten kunnen voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die de titel heeft afgegeven.

2. Wanneer de opleidingstitel van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst in de ontvangende Lid-Staat kan worden verward met een titel waarvoor in deze Lid-Staat een door de betrokkene niet genoten aanvullende opleiding is vereist, kan de ontvangende Lid-Staat voorschrijven dat de betrokkene zijn opleidingstitel van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst in een passende vorm gebruikt, welke door deze ontvangende Lid-Staat zal worden aangegeven.

Artikel 11

Op basis van de opgedane ervaring en in het licht van de ontwikkeling van de opleidingen in de huisartsgeneeskunde, legt de Commissie aan de Raad uiterlijk op 1 januari 1997 een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn, alsmede in voorkomend geval passende voorstellen, ten einde ervoor te zorgen dat elke huisarts een passende opleiding ontvangt, die voldoet aan de specifieke eisen van de uitoefening van de huisartsgeneeskunde. De Raad neemt volgens de in het Verdrag neergelegde procedures een besluit over deze voorstellen.

Artikel 12

1. De Lid-Staten treffen de maatregelen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij stellen de Commissie eveneens in kennis van de datum van inwerkingtreding van die maatregelen.

2. Zodra een Lid-Staat de Commissie in kennis heeft gesteld van de datum van inwerkingtreding van de door hem overeenkomstig artikel 1 getroffen maatregelen, doet deze daarvan mededeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen onder vermelding van de benamingen die door deze Lid-Staat voor het diploma, certificaat en ander bewijsstuk en in voorkomend geval voor de beroepstitel werden vastgesteld.

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 15 september 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. HOWE

(1) PB nr. C 13 van 15. 1. 1985, blz. 3 en

PB nr. C 125 van 24. 5. 1986, blz. 8.

(2) PB nr. C 36 van 17. 2. 1986, blz. 149.

(3) PB nr. C 218 van 29. 8. 1985, blz. 9.

(4) PB nr. L 167 van 30. 6. 1975, blz. 1.

(5) PB nr. L 167 van 30. 6. 1975, blz. 14.

(6) PB nr. L 43 van 15. 2. 1982, blz. 21.