31984L0005

Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven

Publicatieblad Nr. L 008 van 11/01/1984 blz. 0017 - 0020
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 6 Deel 2 blz. 0090
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 15 blz. 0244
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 6 Deel 2 blz. 0090
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 15 blz. 0244


*****

TWEEDE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 30 december 1983

inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven

(84/5/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de Raad, bij Richtlijn 72/166/EEG (4), gewijzigd bij Richtlijn 72/430/EEG (5), is overgegaan tot onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid;

Overwegende dat Richtlijn 72/166/EEG in artikel 3 iedere Lid-Staat de verplichting oplegt de nodige maatregelen te treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt; dat de dekking van de schade en de voorwaarden van deze verzekering in deze maatregelen worden vastgesteld;

Overwegende evenwel dat er tussen de wetgevingen van de onderscheiden Lid-Staten nog aanzienlijke verschillen bestaan betreffende de omvang van deze verzekeringsplicht; dat deze verschillen rechtstreeks van invloed zijn op de instelling en de werking van de gemeenschappelijke markt;

Overwegende dat het met name gerechtvaardigd is de verzekeringsplicht uit te breiden tot de aansprakelijkheid in geval van materiële schade;

Overwegende dat de bedragen ten belope waarvan de verzekering verplicht is, in ieder geval de slachtoffers een toereikende schadevergoeding moeten kunnen waarborgen, ongeacht de Lid-Staat waar het ongeval zich heeft voorgedaan;

Overwegende dat moet worden bepaald dat een orgaan waarborgt dat het slachtoffer schadevergoeding ontvangt ingeval het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is verzekerd of niet is geïdentificeerd; dat het van belang is, zonder wijzigingen aan te brengen in de bepalingen die de Lid-Staten toepassen inzake het al of niet subsidiaire karakter van de tussenkomst van dit orgaan en de regels inzake subrogatie, voor te schrijven dat het slachtoffer van een dergelijk ongeval zich rechtstreeks kan wenden tot dit orgaan als eerste contactpunt; dat de Lid-Staten evenwel de mogelijkheid moet worden gegeven om bepaalde beperkte uitsluitingen toe te passen met betrekking tot de tussenkomst van dit orgaan en te bepalen dat de vergoeding van materiële schade, veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, gezien het gevaar van bedrog, mag worden beperkt of uitgesloten;

Overwegende dat het in het belang van de slachtoffers is dat de gevolgen van bepaalde uitsluitingsclausules worden beperkt tot de betrekkingen tussen de verzekeraar en de voor het ongeval aansprakelijke persoon;

dat de Lid-Staten evenwel in geval van door diefstal of geweldpleging verkregen voertuigen mogen bepalen dat het slachtoffer door bovengenoemd orgaan wordt vergoed;

Overwegende dat de Lid-Staten, ter verlichting van de financiële lasten van dit orgaan mogen voorzien in de toepassing van bepaalde franchises voor de vergoeding door dit orgaan van materiële schade veroorzaakt door niet-verzekerde of, in voorkomend geval, door diefstal of geweldpleging verkregen voertuigen;

Overwegende dat aan de familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of van iedere andere aansprakelijke persoon, tenminste wat hun lichamelijk letsel betreft, een bescherming moet worden verleend die gelijkwaardig is aan die welke wordt toegekend aan andere derden die het slachtoffer van een ongeval zijn;

Overwegende dat de opheffing van de verzekeringscontrole afhankelijk is van de verlening door het nationale bureau van verzekeraars van het land van ontvangst van een waarborg voor de vergoeding van de schade welke is veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in een andere Lid-Staat; dat het meest geschikte criterium om te bepalen of een voertuig gewoonlijk is gestald in een bepaalde Lid-Staat het dragen van een kentekenplaat van deze Staat is; dat dientengevolge artikel 1, lid 4, eerste streepje, van Richtlijn 72/166/EEG in deze zin dient te worden gewijzigd;

Overwegende dat, wegens de uitgangssituatie van sommige Lid-Staten ten aanzien van de minimumbedragen en de door bovengenoemd orgaan toe te passen dekking en franchises voor materiële schade, dient te worden voorzien in overgangsmaatregelen voor de geleidelijke toepassing in deze Lid-Staten van de bepalingen van de richtlijn betreffende de minimumbedragen en de vergoeding van materiële schade door dit orgaan,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN

VASTGESTELD:

Artikel 1

1. De verzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG dient zowel materiële schade als lichamelijk letsel te dekken.

2. Onverminderd eventueel door de Lid-Staten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere Lid-Staat dat de bedragen waarvoor deze verzekering verplicht is, niet lager zijn dan:

- voor lichamelijk letsel, 350 000 Ecu, ingeval er slechts één slachtoffer is; ingeval er verschillende slachtoffers bij één ongeval zijn betrokken, wordt dit bedrag vermenigvuldigd met hun aantal;

- voor materiële schade, 100 000 Ecu per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers.

In plaats van de bovengenoemde minimumbedragen kunnen de Lid-Staten een minimumbedrag vaststellen van 500 000 Ecu voor lichamelijk letsel ingeval er verschillende slachtoffers zijn bij een zelfde ongeval of een minimumbedrag van 600 000 Ecu per ongeval voor lichamelijk letsel en materiële schade te zamen, ongeacht het aantal slachtoffers of de aard van de schade.

3. In deze richtlijn wordt verstaan onder Ecu de rekeneenheid zoals omschreven in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3180/78 (1). Als tegenwaarde van de Ecu in nationale valuta's moet voor opeenvolgende perioden van vier jaar vanaf 1 januari van het eerste jaar van elke periode die in aanmerking worden genomen welke gold op de laatste dag van de voorgaande maand september waarvoor de tegenwaarden van de Ecu in alle valuta's van de Gemeenschap beschikbaar zijn. De eerste periode begint op 1 januari 1984.

4. Elke Lid-Staat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel, die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in lid 1 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de Lid-Staten aan de tussenkomst van dit orgaan al dan niet een subsidiair karakter te geven, noch aan het recht van de Lid-Staten om het verhaal te regelen tussen dit orgaan en degene of degenen die aansprakelijk is of zijn voor het ongeval en andere verzekeraars of sociale zekerheidsorganen die gehouden zijn het slachtoffer ter zake van het zelfde ongeval te vergoeden.

Het slachtoffer kan zich in ieder geval rechtstreeks tot dit orgaan wenden; het orgaan is verplicht aan de hand van de inlichtingen die het op zijn verzoek van het slachtoffer heeft gekregen, een met redenen omkleed antwoord met betrekking tot zijn tussenkomst te geven.

De Lid-Staten kunnen evenwel van de tussenkomst door dit orgaan uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig niet verzekerd was.

De Lid-Staten kunnen in geval van materiële schade die door een niet-geïdentificeerd voertuig veroorzaakt werd, de tussenkomst door dit orgaan beperken of uitsluiten.

Ook kunnen zij voor materiële schade die is veroorzaakt door een niet-verzekerd voertuig een franchise toestaan van ten hoogste 500 Ecu, die tegenover het slachtoffer geldend kan worden gemaakt.

Iedere Lid-Staat past voorts op de tussenkomst van het orgaan zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe, onverminderd elke andere regeling die voor de slachtoffers voordeliger is.

Artikel 2

1. Iedere Lid-Staat neemt de nodige maatregelen, opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis, afgegeven overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG, op grond waarvan van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen:

- door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn, of

- door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen, of

- door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen,

voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG geacht worden niet te gelden inzake aanspraken van derden die slachtoffer zijn van een ongeval.

De in het eerste streepje bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.

De Lid-Staten hebben de mogelijkheid om voor ongevallen op hun grondgebied het bepaalde in de eerste alinea niet toe te passen indien en voor zover het slachtoffer schadevergoeding kan krijgen van een orgaan van de sociale zekerheid.

2. In het geval van voertuigen die door diefstal of geweldpleging zijn verkregen, kunnen de Lid-Staten bepalen dat het in artikel 1, lid 4, bedoelde orgaan in plaats van de verzekeraar zal optreden onder de in lid 1 van het onderhavige artikel gestelde voorwaarden; wanneer het voertuig gewoonlijk in een andere Lid-Staat is gestald, heeft genoemd orgaan geen mogelijkheid van verhaal tegen enig orgaan in die Lid-Staat.

De Lid-Staten die voor voertuigen die door diefstal of geweldpleging zijn verkregen, voorzien in tussenkomst van het in artikel 1, lid 4, bedoelde orgaan, kunnen voor materiële schade een franchise vaststellen van ten hoogste 250 Ecu, die tegenover het slachtoffer geldend kan worden gemaakt.

Artikel 3

De familieleden van de verzekeringsnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 1, lid 1, bedoelde verzekering is gedekt, kunnen voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap worden uitgesloten van het recht op een uitkering.

Artikel 4

Artikel 1, lid 4, eerste streepje, van Richtlijn 72/166/EEG wordt als volgt gelezen:

»- het grondgebied van de Staat waarvan het voertuig een kentekenplaat draagt, of".

Artikel 5

1. Uiterlijk 31 december 1987 wijzigen de Lid-Staten hun nationale bepalingen overeenkomstig deze richtlijn. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. De aldus gewijzigde bepalingen worden uiterlijk 31 december 1988 toegepast.

3. In afwijking van lid 2:

a) heeft de Helleense Republiek tot en met 31 december 1995 de tijd om de dekkingen te verhogen tot de in artikel 1, lid 2, bedoelde bedragen. Indien zij van deze mogelijkheid gebruik maakt, moeten de dekkingen

- uiterlijk 31 december 1988 meer dan 16 %, en

- uiterlijk 31 december 1992 31 %

bereiken van de in dat artikel vastgestelde bedragen.

b) hebben de andere Lid-Staten tot en met 31 december 1990 de tijd om de dekkingen tot de in artikel 1, lid 2, bedoelde bedragen te verhogen. De Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik maken, moeten binnen de in lid 1 bedoelde termijn de dekkingen verhogen met ten minste de helft van het verschil tussen de op 1 januari 1984 geldende dekkingen en de in artikel 1, lid 2, voorgeschreven bedragen.

4. In afwijking van lid 2:

a) kan de Italiaanse Republiek bepalen dat de in artikel 1, lid 4, vijfde alinea, bedoelde franchise tot en met 31 december 1990 1 000 Ecu bedraagt,

b) kunnen de Helleense Republiek en Ierland bepalen dat:

- de tussenkomst van het in artikel 1, lid 4, bedoelde orgaan voor de vergoeding van de materiële schade wordt uitgesloten tot en met 31 december 1992,

- de in artikel 1, lid 4, vijfde alinea, bedoelde franchise en de in artikel 2, lid 2, tweede alinea, bedoelde franchise 1 500 Ecu bedragen tot en met 31 december 1995.

Artikel 6

1. Uiterlijk op 31 december 1989 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de stand van zaken in de Lid-Staten waar de in artikel 5, lid 3, sub a), en lid 4, sub b), bedoelde overgangsmaatregelen gelden, en doet zij hem in voorkomend geval voorstellen ter herziening van deze maatregelen in het licht van de ontwikkeling van de situatie.

2. Uiterlijk op 31 december 1993 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de stand van de toepassing van deze richtlijn en doet zij hem in voorkomend geval voorstellen inzake de aanpassing van de in artikel 1, leden 2 en 4, bedoelde bedragen.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 30 december 1983.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. VARFIS

(1) PB nr. C 214 van 21. 8. 1980, blz. 9 en PB nr. C 78 van 30. 3. 1982, blz. 17.

(2) PB nr. C 287 van 9. 11. 1981, blz. 44.

(3) PB nr. C 138 van 9. 6. 1981, blz. 15.

(4) PB nr. L 103 van 2. 5. 1972, blz. 2.

(5) PB nr. L 291 van 28. 12. 1972, blz. 162.

(1) PB nr. L 379 van 30. 12. 1978, blz. 1.