31980L1107

Richtlijn 80/1107/EEG van de Raad van 27 november 1980 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk

Publicatieblad Nr. L 327 van 03/12/1980 blz. 0008 - 0013
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 5 Deel 2 blz. 0126
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 05 Deel 4 blz. 0042
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 5 Deel 2 blz. 0126
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 05 Deel 2 blz. 0224
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 05 Deel 2 blz. 0224


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 27 november 1980 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (80/1107/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie (1), opgesteld na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de resolutie van de Raad van 29 juni 1978 betreffende een actieprogramma van de Europese Gemeenschappen inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk (4) voorziet in de harmonisatie van de bepalingen en maatregelen ter bescherming van werknemers tegen bepaalde chemische, fysische en biologische agentia ; dat derhalve moet worden getracht om, overeenkomstig artikel 117 van het Verdrag, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten nader tot elkaar te brengen op de weg van de vooruitgang;

Overwegende dat een onderzoek van de in de Lid-Staten getroffen maatregelen ter bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk, uitwijst dat er bepaalde verschillen bestaan ; dat daarom deze maatregelen die rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de gemeenschappelijke markt, in het belang van een evenwichtige ontwikkeling nader tot elkaar gebracht en verbeterd dienen te worden ; dat deze toenadering en verbetering op gemeenschappelijke beginselen gebaseerd dienen te zijn;

Overwegende dat bedoelde bescherming in de mate van het mogelijke geboden moet worden door maatregelen die erop gericht zijn de blootstelling te voorkomen of zo gering te houden als redelijkerwijs uitvoerbaar is;

Overwegende dat de Lid-Staten zich te dien einde, als zij bepalingen op dit gebied vaststellen, dienen te houden aan een aantal voorschriften, waaronder met name de vaststelling van grenswaarden ; dat een eerste lijst van agentia in deze richtlijn kan worden gekozen voor de toepassing van meer specifieke aanvullende voorschriften ; dat de Lid-Staten bepalen of en in welke mate elk van deze voorschriften op het betrokken agens van toepassing is;

Overwegende dat bepaald moet worden dat voor een beperkt aantal agentia binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijn bepalingen moeten worden ingevoerd die strekken tot een passend toezicht op de gezondheidstoestand gedurende de blootstelling en tot een passende voorlichting van de betrokken werknemers;

Overwegende dat de Raad in bijzondere richtlijnen de grenswaarden en andere specifieke voorschriften voor een aantal agentia zal vaststellen;

Overwegende dat bepaalde technische aspecten van de in de bijzondere richtlijnen vast te stellen specifieke voorschriften kunnen worden herzien in het licht van de opgedane ervaring en de vooruitgang op technisch en wetenschappelijk gebied; (1)PB nr. C 89 van 5.4.1979, blz. 6. (2)PB nr. C 59 van 10.3.1980, blz. 73. (3)PB nr. C 297 van 28.11.1979, blz. 5. (4)PB nr. C 165 van 11.7.1978, blz. 1.

Overwegende dat de sociale partners op het gebied van de bescherming van werknemers een rol hebben te spelen;

Overwegende dat, aangezien de Helleense Republiek op 1 januari 1981 lid wordt van de Europese Economische Gemeenschap overeenkomstig de Toetredingsakte van 1979, er ten behoeve van dit land dient te worden voorzien in een extra termijn voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige richtlijn ten einde het in staat te stellen de noodzakelijke wetgevende, sociale en technische structuren op te richten, en met name die welke betrekking hebben op de raadpleging van de sociale partners, de invoering van het toezicht op de gezondheidstoestand van de werknemers en de controle op deze tenuitvoerlegging,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn strekt tot bescherming tegen de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid, met inbegrip van de voorkoming daarvan, die de werknemers op hun werk bedreigen of kunnen bedreigen als gevolg van als schadelijk beschouwde chemische, fysische en biologische agentia.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op - werknemers die blootstaan aan stralingen waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is;

- de zeescheepvaart;

- de luchtvaart.

Artikel 2

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder: a) agens : het chemische, fysische of biologische agens dat op het werk aanwezig is en dat de gezondheid kan schaden;

b) werknemer : iedere persoon in loondienst die op het werk wordt of kan worden blootgesteld aan een agens;

c) grenswaarde : de blootstellingslimiet of de limiet voor een biologische indicator in het passende milieu, afhankelijk van het agens.

Artikel 3

1. Om de blootstelling van de werknemers te voorkomen of zo gering te houden als redelijkerwijs uitvoerbaar is, nemen de Lid-Staten, wanneer zij ter bescherming van de werknemers bepalingen inzake een agens vaststellen, - de maatregelen bedoeld in artikel 4,

- de aanvullende maatregelen bedoeld in artikel 5, wanneer het gaat om een der agentia waarvan een eerste lijst in bijlage I is opgenomen.

2. Voor de toepassing van lid 1 bepalen de Lid-Staten in hoeverre elke van de in de artikelen 4 en 5 bedoelde maatregelen zo nodig van toepassing is, gelet op de aard van het agens, de mate en de duur van blootstelling, de ernst van het gevaar en de daaromtrent beschikbare kennis, alsmede de urgentie van de te nemen maatregelen.

3. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om - wat de in bijlage II, deel A, bedoelde agentia betreft een passend toezicht te garanderen op de gezondheidstoestand van de werknemers gedurende de periode van blootstelling;

- wat de in bijlage II, deel B, bedoelde agentia betreft te garanderen dat de werknemers en/of hun vertegenwoordigers op het werk toegang hebben tot een passende voorlichting over de gevaren die genoemde agentia inhouden.

4. Het aannemen van de in lid 3 bedoelde maatregelen door de Lid-Staten houdt niet de verplichting in het bepaalde in de leden 1 en 2 toe te passen.

Artikel 4

De maatregelen bedoeld in artikel 3, lid 1, eerste streepje, zijn: 1. beperking van het gebruik van het agens op het werk,

2. beperking van het aantal werknemers dat aan het agens wordt of kan worden blootgesteld,

3. preventieve technische maatregelen,

4. vaststelling van grenswaarden alsmede van bemonsteringsprocedures en regels voor meting en evaluatie van de resultaten,

5. beschermingsmaatregelen, onder meer toepassing van passende arbeidsprocédés en -methoden,

6. maatregelen voor collectieve bescherming,

7. maatregelen voor individuele bescherming, wanneer de blootstelling aan het agens redelijkerwijze niet door andere voorzieningen kan worden vermeden,

8. hygiënische maatregelen,

9. voorlichting van de werknemers over de potentiële gevaren die verbonden zijn aan hun blootstelling, de door de werknemers in acht te nemen preventieve technische maatregelen en de door de werkgever genomen en door de werknemers te nemen voorzorgsmaatregelen,

10. gebruik van waarschuwings- en veiligheidssignalen,

11. toezicht op de gezondheid van de werknemers,

12. houden en bijhouden van registers met de blootstellingsniveaus, van lijsten met werknemers die aan het agens zijn blootgesteld en van medische dossiers,

13. noodmaatregelen bij abnormale blootstelling,

14. zo nodig, beperkt of algemeen verbod van het agens, wanneer het gebruik van de andere beschikbare middelen geen voldoende bescherming garandeert.

Artikel 5

De aanvullende maatregelen, bedoeld in artikel 3, lid 1, tweede streepje, zijn: 1. het uitoefenen van medisch toezicht op de werknemers voordat zij worden blootgesteld, en daarna met vaste tussenpozen. In bijzondere gevallen moeten de werknemers die aan het agens zijn blootgesteld, in een passende vorm toezicht op hun gezondheidstoestand kunnen genieten na beëindiging van hun blootstelling;

2. het verlenen van toegang aan de werknemers en/of hun vertegenwoordigers op het werk, tot de resultaten van de metingen aangaande de blootstelling en, ten aanzien van het agens waarvoor dergelijke tests zijn voorgeschreven, van de anonieme groepsresultaten van de biologische tests die de mate van blootstelling aangeven;

3. het verlenen van toegang aan elke betrokken werknemer tot de resultaten van zijn eigen biologische tests die de mate van blootstelling aangeven;

4. voorlichting van de werknemers en/of hun vertegenwoordigers op het werk, in geval van overschrijding van de grenswaarden bedoeld in artikel 4 over de oorzaken van de overschrijding en over de genomen of te nemen maatregelen ter opheffing van de overschrijding;

5. het verlenen van toegang aan de werknemers en/of hun vertegenwoordigers op het werk, tot passende informatie ter vermeerdering van hun kennis over de gevaren waaraan zij worden blootgesteld.

Artikel 6

De Lid-Staten zorgen ervoor dat: - de werknemers- en werkgeversorganisaties worden geraadpleegd voordat de bepalingen ter uitvoering van de in artikel 3 bedoelde maatregelen worden aangenomen en dat de vertegenwoordigers van de werknemers in de ondernemingen en bedrijven waar dergelijke vertegenwoordigers bestaan, zich van de toepassing van deze bepalingen kunnen vergewissen of erbij kunnen worden betrokken;

- elke werknemer die op medische gronden, overeenkomstig de nationale wetgeving of praktijk, tijdelijk wordt onttrokken aan blootstelling aan de werking van een agens, voor zover mogelijk ander werk krijgt;

- de uit hoofde van deze richtlijn genomen maatregelen zich verdragen met de bescherming van de gezondheid van de bevolking en het milieu.

Artikel 7

Deze richtlijn en de in artikel 8 bedoelde bijzondere richtlijnen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die een verdergaande bescherming van de werknemers waarborgen.

Artikel 8

1. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad in de bijzondere richtlijnen die hij vaststelt met betrekking tot de in bijlage I genoemde agentia, de grenswaarde(n) alsmede de andere specifieke voorschriften vast.

2. De bijzondere richtlijnen krijgen in de titel een volgnummer.

3. De aanpassing aan de technische vooruitgang volgens de procedure van artikel 10 blijft beperkt tot de technische aspecten die zijn opgesomd in bijlage III en wel onder de voorwaarden bepaald in de bijzondere richtlijnen.

Artikel 9

1. Met het oog op de in artikel 8, lid 3, bedoelde aanpassing aan de technische vooruitgang wordt er een comité opgericht, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 10

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, wordt deze bij het comité ingeleid door de voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van de aangelegenheid. Het spreekt zich uit met een meerderheid van eenenveertig stemmen, waarbij de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet deel aan die stemming.

3. a) De Commissie stelt de overwogen maatregelen vast, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

b) Wanneer de overwogen maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of bij gebreke van een advies, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

c) Indien de Raad na een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel geen besluit heeft genomen, worden de overwogen maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 11

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen drie jaar na de kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wat echter artikel 3, lid 3, eerste streepje, betreft bedraagt deze termijn vier jaar.

In afwijking van de voorgaande bepalingen zijn de in de eerste en tweede alinea bedoelde termijnen voor wat betreft de Helleense Republiek respectievelijk vier en vijf jaar.

2. De Lid-Staten delen de Commissie alle bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 27 november 1980.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. SANTER

BIJLAGE I Lijst van agentia bedoeld in de artikelen 3, lid 1, tweede streepje, en 8, lid 1

Acrylonitriel

Asbest

Arsenicum en verbindingen daarvan

Benzeen

Cadmium en verbindingen daarvan

Kwik en verbindingen daarvan

Nikkel en verbindingen daarvan

Lood en verbindingen daarvan

Gechloreerde koolwaterstoffen : - Chloroform

- Paradichloorbenzeen

- Tetrachloorkoolstof.

BIJLAGE II

A. Lijst van agentia bedoeld in artikel 3, lid 3, eerste streepje

1. Asbest

2. Lood en verbindingen daarvan.

B. Lijst van agentia bedoeld in artikel 3, lid 3, tweede streepje

1. Asbest

2. Arsenicum en verbindingen daarvan

3. Cadmium en verbindingen daarvan

4. Kwik en verbindingen daarvan

5. Lood en verbindingen daarvan.

BIJLAGE III Technische aspecten als bedoeld in artikel 8, lid 3

1. Bemonsteringsprocedures en meetmethoden (inclusief kwaliteitscontrole) met betrekking tot de grenswaarden voor zover deze geen gevolgen hebben voor de kwantitatieve betekenis van deze grenswaarden.

2. Praktische aanbevelingen inzake het medische toezicht voor, tijdens en na beëindiging van de blootstelling en betreffende het bijhouden van dossiers over de resultaten van dit medische toezicht.

3. Praktische regelingen voor het opstellen en bijhouden van dossiers betreffende de resultaten van de metingen in het milieu en de lijsten met blootgestelde werknemers.

4. Praktische aanbevelingen betreffende de alarmvoorzieningen die moeten worden aangebracht op arbeidsplaatsen waar gevaar dreigt voor een abnormale blootstelling.

5. Praktische aanbevelingen betreffende de noodmaatregelen die moeten worden genomen in geval van abnormale blootstelling.

6. Collectieve en individuele beschermende maatregelen voor bepaalde werkzaamheden (bij voorbeeld onderhoud en reparatie) tijdens welke niet kan worden gegarandeerd dat de concentraties of de intensiteit van de agentia beneden de grenswaarden kunnen worden gehouden.

7. Procedures ten aanzien van de algemene hygiënische vereisten, en middelen voor de individuele hygiëne.

8. Borden die moeten worden geplaatst om de zones aan te geven waar een sterke blootstelling waarschijnlijk is en om duidelijk te maken welke voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen.