31980L0215

Richtlijn 80/215/EEG van de Raad van 22 januari 1980 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten

Publicatieblad Nr. L 047 van 21/02/1980 blz. 0004 - 0007
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 11 blz. 0206
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 03 Deel 27 blz. 0240
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 11 blz. 0206
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 17 blz. 0116
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 17 blz. 0116


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 22 januari 1980 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten (80/215/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 43 en 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Overwegende dat Richtlijn 77/99/EEG van de Raad van 21 december 1976 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten (2) vanaf 1 juli 1979 van toepassing is;

Overwegende dat de toepassing van bovengenoemde richtlijn niet de verwachte uitwerking zal hebben, zolang het intracommunautaire handelsverkeer wordt belemmerd door de in de Lid-Staten bestaande ongelijkheid op het gebied van de veterinairrechtelijke voorschriften inzake vleesprodukten ; dat het, ten einde met name deze ongelijkheid op te heffen, dienstig is op dit gebied gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen;

Overwegende dat, ten einde de verbreiding van epidemische veeziekten via vleesprodukten te voorkomen, dient te worden voorgeschreven dat het vlees waaruit bepaalde van deze produkten worden vervaardigd moet beantwoorden aan de veterinairrechtelijke voorschriften die voor vers vlees gelden;

Overwegende dat erop moet worden toegezien dat vleesprodukten die niet voldoen aan de communautaire voorschriften, niet worden voorzien van het in genoemde voorschriften bedoelde keurmerk;

Overwegende dat, wanneer de vleesprodukten een behandeling hebben ondergaan die geëigend is alle kiemen van ziekten die op dieren kunnen worden overgebracht te vernietigen, deze behandeling op het gezondheidscertificaat dat de betrokken produkten vergezelt, dient te worden vermeld;

Overwegende dat de Lid-Staten het recht moeten hebben het in het verkeer brengen op hun grondgebied te weigeren van vleesprodukten waarin kiemen van een besmettelijke ziekte zijn ontdekt of die niet voldoen aan de communautaire voorschriften op veterinairrechtelijk gebied;

Overwegende dat de afzender of zijn lasthebber op verzoek de mogelijkheid dient te worden geboden om deze vleesprodukten terug te zenden voor zover daartegen uit veterinairrechtelijk oogpunt geen bezwaren bestaan;

Overwegende dat de afzender of zijn lasthebber en, in bepaalde gevallen, de bevoegde autoriteiten van het land van verzending, in kennis dienen te worden gesteld van de gronden waarop een verbod of beperking berust, ten einde de betrokkenen in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de redenen daarvan;

Overwegende dat de afzender, in geval van een geschil tussen hem en de autoriteiten van het land van bestemming over de juistheid van een verbod of beperking, in staat dient te worden gesteld het advies in te winnen van een veterinair deskundige;

Overwegende dat de Lid-Staten het recht moeten hebben de overbrenging naar hun grondgebied te verbieden van bepaalde vleesprodukten afkomstig uit een Lid-Staat waar zich een epidemische veeziekte heeft voorgedaan ; dat, naar gelang van de aard en het karakter van deze epidemische veeziekte, een dergelijk verbod of wel moet worden beperkt tot de vleesprodukten afkomstig uit een deel van het grondgebied van het land van verzending, of wel zich kan uitstrekken tot dit gehele grondgebied ; dat het, ingeval zich op het grondgebied van een Lid-Staat een besmettelijke ziekte voordoet, noodzakelijk is dat snel passende bestrijdingsmaatregelen worden getroffen ; dat het dienstig is dat de aan dergelijke ziekten verbonden gevaren en de erdoor noodzakelijk gemaakte beschermingsmaatregelen in de gehele Gemeenschap op gelijke wijze worden beoordeeld;

Overwegende dat het, ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging van de overwogen bepalingen, dienstig is te voorzien in een procedure waarbij een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie tot stand wordt gebracht in het kader van het bij besluit van de Raad van 15 oktober 1968 (3) ingestelde Permanent Veterinair Comité, (1)PB nr. C 114 van 11.11.1971, blz. 40. (2)PB nr. L 26 van 31.1.1977, blz. 85. (3)PB nr. L 255 van 28.10.1968, blz. 23.

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze richtlijn worden veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld ten aanzien van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden voor zover nodig de definities van artikel 2 van Richtlijn 72/461/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in vers vlees (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 78/54/EEG (2), en van artikel 2 van Richtlijn 77/99/EEG.

De produkten die een natuurlijke gisting en een lang rijpingsproces hebben ondergaan, worden beschouwd als produkten die een volledige behandeling hebben ondergaan, totdat de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, de parameters van bijlage A, hoofdstuk V, punt 27, sub b), van Richtlijn 77/99/EEG heeft aangepast.

Artikel 3

Iedere Lid-Staat draagt er zorg voor dat de vleesprodukten die bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer zijn bereid uit of met: - vers vlees als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 75/379/EEG (4), en dat voldoet aan de veterinairrechtelijke eisen van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 72/461/EEG,

- vers vlees als omschreven in artikel 2, sub o), van Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen (5), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 77/98/EEG (6), dat voldoet aan de veterinairrechtelijke eisen van Richtlijn 72/462/EEG.

Artikel 4

1. In afwijking van artikel 3, eerste streepje, en onverminderd de toepassing van lid 2, kunnen voor het intracommunautaire handelsverkeer worden bestemd vleesprodukten die geheel of gedeeltelijk zijn bereid uit of met vers vlees als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 64/433/EEG, dat voldoet aan de eisen van artikel 5 bis van Richtlijn 72/461/EEG en dat een van de volgende behandelingen heeft ondergaan: a) een warmtebehandeling in een hermetisch gesloten recipiënt met een Fc-waarde van 3,00 of meer;

b) mits het verse vlees afkomstig is van dieren die niet uit een besmet bedrijf komen waarvoor op grond van artikel 3, lid 2, sub b), van Richtlijn 64/432/EEG verbodsmaatregelen gelden: i) hetzij een andere warmtebehandeling dan die bedoeld sub a), waarbij echter de kerntemperatuur op ten minste 70 ºC is gebracht;

ii) hetzij een behandeling die bestaat uit natuurlijke gisting en een rijpingsproces van ten minste negen maanden, voor ontbeende hammen van 5,5 kg of meer, met de volgende kenmerken: - aW van 0,93 of minder,

- pH van 6 of minder.

2. Iedere Lid-Staat ziet erop toe dat: a) het in lid 1 bedoelde verse vlees: i) afzonderlijk of op een ander tijdstip wordt vervoerd of opgeslagen dan het in artikel 3 bedoelde verse vlees;

ii) zodanig wordt gebruikt dat voorkomen wordt dat het wordt verwerkt in andere dan de in lid 1 genoemde vleesprodukten die bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer;

b) op het in bijlage A, hoofdstuk VIII, van Richtlijn 77/99/EEG bedoelde gezondheidscertificaat, onverminderd voetnoot (3) van genoemd certificaat, onder de rubriek "Aard van de produkten" de volgende vermelding voorkomt : "behandeld overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 80/215/EEG".

Artikel 5

1. De Lid-Staten zien erop toe dat vleesprodukten die niet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 3 en 4, niet worden voorzien van het in hoofdstuk VII van bijlage A van Richtlijn 77/99/EEG bedoelde keurmerk.

2. Het land van bestemming kan op zijn grondgebied het in het verkeer brengen van vleesprodukten (1)PB nr. L 302 van 31.12.1972, blz. 24. (2)PB nr. L 16 van 20.1.1978, blz. 22. (3)PB nr. 121 van 29.7.1964, blz. 2012/64. (4)PB nr. L 172 van 3.7.1975, blz. 17. (5)PB nr. L 302 van 31.12.1972, blz. 28. (6)PB nr. L 26 van 31.1.1977, blz. 81. verbieden indien geconstateerd is dat het bepaalde in de artikelen 3 en 4 niet is nageleefd.

3. In dat geval moet het land van bestemming toestaan dat de gehele partij vleesprodukten op verzoek van de verzender of zijn gemachtigde wordt teruggezonden, voor zover daar uit veterinairrechtelijk oogpunt geen bezwaren tegen bestaan.

4. De bevoegde instantie van het land van bestemming kan bevelen deze partij voor rekening van de verzender, de geadresseerde of hun gemachtigde te vernietigen, zonder schadeloosstelling door de Staat, wanneer het in het verkeer brengen ervan krachtens lid 2 verboden is en wanneer het land van verzending of, in voorkomend geval, het land van doorvoer geen toestemming tot terugzending verleent.

5. Krachtens de leden 2, 3 en 4 door de bevoegde autoriteit genomen besluiten moeten met opgave van redenen ter kennis worden gebracht van de verzender of diens gemachtigde. Wanneer daarom wordt verzocht door de verzender of diens gemachtigde, moeten deze met redenen omklede besluiten hem onverwijld schriftelijk worden medegedeeld met vermelding van de beroepsmogelijkheden die het geldende recht biedt, alsook van de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze moeten worden aangewend. Deze besluiten moeten eveneens ter kennis worden gebracht van de bevoegde centrale autoriteit van het land van verzending.

Artikel 6

1. Deze richtlijn laat onverlet de beroepsmogelijkheden van het in de Lid-Staten geldende recht tegen de in deze richtlijn bedoelde besluiten van de bevoegde autoriteiten.

2. Elke Lid-Staat kent aan de verzenders van vleesprodukten die overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 en 4 niet in de handel mogen worden gebracht, het recht toe het advies van een veterinaire deskundige in te winnen.

Elke Lid-Staat draagt er zorg voor dat de veterinaire deskundigen, voordat de bevoegde autoriteit overgaat tot andere maatregelen zoals vernietiging van de vleesprodukten, kunnen uitmaken of aan de voorwaarden van de artikelen 3 en 4 is voldaan.

De veterinaire deskundige dient de nationaliteit van een van de Lid-Staten te bezitten, doch niet die van het land van verzending, noch die van het land van bestemming.

De Commissie stelt, op voorstel van de Lid-Staten, de lijst op van de veterinaire deskundigen die met het uitbrengen van dergelijke adviezen kunnen worden belast. Na raadpleging van de Lid-Staten stelt zij de algemene uitvoeringsvoorschriften vast, in het bijzonder wat betreft de bij het uitbrengen van deze adviezen te volgen procedure.

Artikel 7

1. Een Lid-Staat kan, indien er gevaar bestaat voor verbreiding van diereziekten door de overbrenging van vleesprodukten uit een andere Lid-Staat naar zijn grondgebied, onderstaande maatregelen treffen: a) indien er zich in deze andere Lid-Staat mond- en klauwzeer (klassieke type), klassieke varkenspest of de ziekte van Teschen voordoet, kan hij de overbrenging van andere vleesprodukten bereid uit vlees van dieren die voor deze ziekten vatbaar zijn dan de produkten die een van de in artikel 4, lid 1, genoemde behandelingen hebben ondergaan, vanuit de gedeelten van het grondgebied van deze Lid-Staat waar deze ziekte zich heeft voorgedaan, tijdelijk verbieden of beperken;

b) indien een epidemische ziekte zich snel uitbreidt of in geval van een nieuwe ernstige en besmettelijke dierziekte, kan hij de overbrenging uit het gehele grondgebied van deze Staat van produkten bereid uit vlees van dieren die vatbaar zijn voor deze ziekten, tijdelijk verbieden of beperken.

2. Iedere Lid-Staat moet onverwijld aan de overige Lid-Staten en aan de Commissie mededeling doen van het optreden van elke in lid 1 bedoelde ziekte op zijn grondgebied en van de door hem getroffen bestrijdingsmaatregelen. Ook moet hij hen onverwijld op de hoogte stellen van de verdwijning van de ziekte.

3. De maatregelen die door de Lid-Staten uit hoofde van lid 1 zijn genomen en de intrekking daarvan moeten onverwijld met opgave van redenen ter kennis van de overige Lid-Staten en de Commissie worden gebracht.

Volgens de procedure van artikel 8 kan worden besloten dat deze maatregelen dienen te worden gewijzigd, inzonderheid met het oog op de coördinatie ervan met de door de andere Lid-Staten getroffen maatregelen, dan wel te worden ingetrokken.

4. Indien de in lid 1 bedoelde toestand zich voordoet en indien het noodzakelijk blijkt dat ook andere Lid-Staten de uit hoofde van genoemd lid getroffen en eventueel overeenkomstig lid 3 gewijzigde maatregelen toepassen, wordt tot de desbetreffende maatregelen besloten volgens de procedure van artikel 8.

5. Bij de vaststelling van de in lid 3, tweede alinea, bedoelde wijzigingen of van de in lid 4 bedoelde bepalingen kan volgens dezelfde procedure worden besloten tot aanpassing daarvan naar gelang van de betrokken ziekte, de behandelingen die de betrokken produkten hebben ondergaan, de datum van verkrijging van het gebruikte vlees en de bereidingsduur.

Artikel 8

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het bij besluit van de Raad van 15 oktober 1968 ingestelde Permanent Veterinair Comité, hierna te noemen het "Comité", deze procedure hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld bij het Comité in.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt geen deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn van twee dagen. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van eenenveertig stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen vijftien dagen na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 9

Artikel 8 is van toepassing tot en met 21 juni 1981.

Artikel 10

De Raad neemt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen voor 1 juli 1980 een besluit over de eventuele bepalingen betreffende varkenspest, die voor bepaalde produkten in deze richtlijn moeten worden opgenomen, zulks in het licht van de oplossingen die voor de intracommunautaire handel in vers varkensvlees worden aanvaard.

Artikel 11

1. De Raad stelt op voorstel van de Commissie de veterinairrechtelijke eisen vast die gelden voor het intracommunautair handelsverkeer in vers vlees van pluimvee en voor de invoer van dit vlees uit derde landen.

2. Tot aan de inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde bepalingen blijven de nationale veterinairrechtelijke voorschriften voor vleesprodukten die geheel of gedeeltelijk zijn bereid uit of met vers vlees van pluimvee van toepassing met eerbiediging van de algemene bepalingen van het Verdrag.

Artikel 12

Totdat de communautaire veterinairrechtelijke richtlijnen betreffende de invoer van andere dan de in artikel 11, lid 2, bedoelde vleesprodukten uit derde landen ten uitvoer worden gelegd, mogen de nationale bepalingen voor de invoer van deze produkten niet gunstiger zijn dan die welke voortvloeien uit deze richtlijn.

Artikel 13

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen ten einde - op de in artikel 32, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 72/462/EEG vastgestelde datum te voldoen aan artikel 3, tweede streepje,

- uiterlijk 31 december 1980 te voldoen aan de andere bepalingen van deze richtlijn

en stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 14

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 22 januari 1980.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. MARCORA