31979R0954

Verordening (EEG) nr. 954/79 van de Raad van 15 mei 1979 betreffende de bekrachtiging door de Lid-Staten van of de toetreding van de Lid-Staten tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences

Publicatieblad Nr. L 121 van 17/05/1979 blz. 0001 - 0004
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 2 blz. 0106
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 11 Deel 13 blz. 0228
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 2 blz. 0106
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 07 Deel 2 blz. 0183
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 07 Deel 2 blz. 0183


++++

VERORDENING ( EEG ) Nr . 954/79 VAN DE RAAD

van 15 mei 1979

betreffende de bekrachtiging door de Lid-Staten van of de toetreding van de Lid-Staten tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 84 , lid 2 ,

Gezien de door de Commissie ingediende ontwerp-verordening ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) ,

Overwegende dat een Verdrag inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences is opgesteld door een Conferentie die is bijeengeroepen onder auspiciën van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling en dat dit Verdrag openstaat voor ratificatie of toetreding ;

Overwegende dat de in de Gedragscode geregelde onderwerpen niet alleen van belang zijn voor de Lid-Staten , maar ook voor de Gemeenschap , in het bijzonder vanuit het oogpunt van het zeevervoer en de handel en dat het derhalve van belang is dat er een gemeenschappelijk standpunt ten aanzien van deze Gedragscode wordt ingenomen ;

Overwegende dat dit gemeenschappelijk standpunt zodanig moet zijn dat de beginselen en doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in acht worden genomen en dat in belangrijke mate ertoe wordt bijgedragen dat aan de verlangens van de ontwikkelingslanden op het gebied van zeevervoer kan worden tegemoet gekomen , waarbij er echter naar moet worden gestreefd om op dit gebied de commerciële benadering van de scheepvaart door de scheepvaartondernemingen van de OESO-landen en in het zeevervoer tussen de OESO-landen te handhaven ;

Overwegende dat het , ten einde de inachtneming van deze beginselen en deze doelstellingen te waarborgen en aangezien de Gedragscode niet voorziet in toetreding van de Gemeenschap als zodanig , van belang is dat de Lid-Staten deze Gedragscode bekrachtigen of daartoe toetreden onder het beding van bepaalde regelingen die in deze verordening worden voorzien ;

Overwegende dat wordt erkend dat conferences een stabiliserende werking hebben welke een waarborg vormt voor betrouwbare dienstverlening aan verladers , maar dat dient te worden voorkomen dat de mededingingsregels van het EEG-Verdrag eventueel door de conference-overeenkomsten worden overtreden ; dat de Commissie bijgevolg bij de Raad een voorstel zal indienen voor een verordening betreffende de toepassing van de mededingingsregels van het EEG-Verdrag op het zeevervoer ,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

1 . Wanneer de Lid-Staten het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences bekrachtigen of tot dit Verdrag toetreden , stellen zij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties er schriftelijk van in kennis dat deze bekrachtiging of toetreding overeenkomstig deze verordening heeft plaatsgevonden .

2 . De akte van bekrachtiging of toetreding gaat vergezeld van de reserves die zijn opgenomen in bijlage I .

Artikel 2

1 . Indien een scheepvaartonderneming lid wil worden van een bestaande conference , beslist de groep van scheepvaartondernemingen van dezelfde nationaliteit die lid is van deze conference , door middel van commerciële onderhandelingen of deze scheepvaartonderneming als nationale scheepvaartonderneming tot deze conference kan toetreden .

Indien een nieuwe conference wordt opgericht , beslissen de scheepvaartondernemingen van een zelfde nationaliteit door middel van commerciële onderhandelingen welke onderneming of ondernemingen van hen als nationale scheepvaartondernemingen aan de toekomstige conference mag of mogen deelnemen .

2 . Indien de in lid 1 bedoelde onderhandelingen niet tot overeenstemming leiden , kan elke Lid-Staat op verzoek van een van de betrokken scheepvaartondernemingen en na alle betrokken scheepvaartondernemingen te hebben gehoord de nodige maatregelen treffen om het geschil te beslechten .

3 . Elke Lid-Staat ziet erop toe dat alle scheepvaartondernemingen die schepen exploiteren en overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap op zijn grondgebied zijn gevestigd , op dezelfde wijze worden behandeld als de ondernemingen die hun hoofdzetel op zijn grondgebied hebben en hun effectieve controle aldaar uitoefenen .

Artikel 3

1 . Wanneer binnen een lijnvaartconference een poolovereenkomst bestaat , dan wel een overeenkomst betreffende aanloophavens , afvaarschema's of verdeling van het vervoer in een andere vorm , overeenkomstig artikel 2 van de Gedragscode , wordt de hoeveelheid lading herverdeeld die volgens de Gedragscode toekomt aan de groep nationale scheepvaartondernemingen van elke Lid-Staat die aan dit vervoer deelneemt , of aan de scheepvaartondernemingen van de Lid-Staten die als scheepvaartondernemingen van een derde land aan dit vervoer deelnemen , tenzij anders wordt beslist door alle ondernemingen die lid zijn van de conference en deelnemen aan de onderhavige herverdelingsregels . Deze herverdeling van het ladingaandeel zal geschieden op basis van een eenparig besluit van de scheepvaartondernemingen die lid zijn van de conference en aan deze herverdeling deelnemen , ten einde te bewerkstelligen dat al die ondernemingen een billijk aandeel in het conferencevervoer verwerven .

2 . Het aandeel dat elke deelnemer uiteindelijk toegewezen krijgt , wordt vastgesteld aan de hand van commerciële beginselen , waarbij meer in het bijzonder rekening wordt gehouden met :

a ) de hoeveelheid van de door de conference vervoerde lading die wordt vervaardigd door de Lid-Staten waarvan het vervoer door de conference verzorgd wordt ;

b ) de vroegere vervoerprestaties van de scheepvaartondernemingen in het onder de pool vallende zeevervoer ;

c ) de door de conference vervoerde en van en naar de havens van de Lid-Staten verscheepte hoeveelheid lading ;

d ) de behoeften van de verladers waarvan de lading door de conference wordt vervoerd .

3 . Indien geen overeenstemming wordt bereikt over de in lid 1 bedoelde herverdeling van de lading , wordt het geschil , op verzoek van een van de partijen , volgens de procedure van bijlage II aan verzoening onderworpen . Indien een geschil niet door middel van de verzoeningsprocedure wordt beslecht , kan het , met instemming van de partijen , aan arbitrage worden onderworpen . In dat geval is de arbitrale uitspraak bindend voor de partijen .

4 . De aandelen die overeenkomstig de leden 1 , 2 en 3 zijn toegewezen , worden regelmatig met vooraf vast te stellen tussenpozen opnieuw bezien met inachtneming van de in lid 2 genoemde criteria en in het bijzonder in verband met een passende en doeltreffende dienstverlening aan de verladers .

Artikel 4

1 . In het conferencevervoer tussen een Lid-Staat van de Gemeenschap en een partij bij de Gedragscode die geen lid is van de OESO , kan een scheepvaartonderneming van een ander OESO-land die wenst deel te nemen aan de in artikel 3 van deze verordening bedoelde herverdeling zulks doen op voorwaarde van een door overheden of de reders vastgestelde wederkerigheid .

2 . Onder voorbehoud van lid 3 van dit artikel , wordt artikel 2 van de Gedragscode niet toegepast in het conferencevervoer tussen de Lid-Staten onderling en , op basis van wederkerigheid , tussen de Lid-Staten en de overige OESO-landen die partij zijn bij de Gedragscode .

3 . Lid 2 van dit artikel belet niet dat scheepvaartondernemingen van een ontwikkelingsland de mogelijkheid hebben als scheepvaartonderneming van een derde land aan dit vervoer deel te nemen overeenkomstig de beginselen van artikel 2 van de Gedragscode , wanneer die ondernemingen op grond van de Gedragscode als nationale scheepvaartonderneming zijn erkend en wanneer zij :

a ) reeds lid zijn van een conference die dit vervoer verzorgt , of

b ) uit hoofde van artikel 1 , lid 3 , van de Gedragscode tot de conference zijn toegelaten .

4 . Artikel 3 en artikel 14 , lid 9 , van de Gedragscode , zijn niet van toepassing op het conferencevervoer tussen de Lid-Staten en , op basis van wederkerigheid , op het conferencevervoer tussen deze Staten en de overige OESO-landen die partij zijn bij de Gedragscode .

5 . In het conferencevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen deze Staten en de overige OESO-landen die partij zijn bij de Gedragscode , dringen de verladers en reders van de Lid-Staten in hun onderlinge betrekkingen of , op basis van wederkerigheid , in hun betrekkingen met verladers en reders van de overige OESO-landen , die partij zijn bij de Gedragscode , niet aan op toepassing van de procedures voor het beslechten van geschillen zoals vastgesteld in hoofdstuk VI van de Gedragscode , voor zover zij onderling andere procedures voor het beslechten van geschillen zijn overeengekomen . Zij zullen in het bijzonder volledig gebruik maken van de mogelijkheden die worden geboden door artikel 25 , leden 1 en 2 , van de Gedragscode voor het beslechten van geschillen door middel van andere procedures dan die welke in hoofdstuk VI van de Gedragscode zijn vastgesteld .

Artikel 5

Voor het nemen van besluiten inzake andere dan de in artikel 3 van deze verordening bedoelde onderwerpen die in de conference-overeenkomst betreffende het vervoer van en naar een Lid-Staat zijn vastgelegd , plegen de nationale scheepvaartondernemingen van die Lid-Staat overleg met alle andere scheepvaartondernemingen van de Gemeenschap die lid zijn van de conference , voordat zij hun instemming geven of weigeren .

Artikel 6

De Lid-Staten stellen te zijner tijd , na raadpleging van de Commissie , de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel , 15 mei 1979 .

Voor de Raad

De Voorzitter

R . BOULIN

( 1 ) PB nr . C 131 van 5 . 6 . 1978 , blz . 34 .

( 2 ) PB nr . C 269 van 13 . 11 . 1978 , blz . 46 .

BIJLAGE I

RESERVES

Wanneer de Lid-Staten het Verdrag bekrachtigen of tot het Verdrag toetreden , maken zij de volgende drie reserves alsmede een interpreterende reserve :

1 . Voor de toepassing van de Gedragscode kan onder het begrip " nationale scheepvaartonderneming " van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap worden verstaan : alle scheepvaartondernemingen die schepen exploiteren en volgens het EEG-Verdrag in deze Lid-Staat zijn gevestigd .

2 . a ) Onder voorbehoud van punt b ) van dit voorbehoud , wordt artikel 2 van de Gedragscode niet toegepast in het conferencevervoer tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap onderling en , op basis van wederkerigheid , tussen de Lid-Staten en de overige OESO-landen die partij zijn bij de Gedragscode .

b ) Punt a ) belet niet dat scheepvaartondernemingen van een ontwikkelingsland de mogelijkheid hebben als scheepvaartondernemingen van een derde land aan dit vervoer deel te nemen overeenkomstig de beginselen van artikel 2 van de Gedragscode , wanneer deze ondernemingen op grond van de Gedragscode als nationale scheepvaartonderneming zijn erkend en wanneer zij :

i ) reeds lid zijn van een conference die dit vervoer verzorgt , of

ii ) uit hoofde van artikel 1 , lid 3 , van de Gedragscode tot de conference zijn toegelaten .

3 . Artikel 3 en artikel 14 , lid 9 , van de Gedragscode zijn niet van toepassing op het conferencevervoer tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap en , op basis van wederkerigheid , op het conferencevervoer tussen die Staten en de overige OESO-landen die partij zijn bij de Gedragscode .

4 . Met betrekking tot het vervoer waarop artikel 3 van de Code wel van toepassing is , wordt de laatste zin van dit artikel als volgt geïnterpreteerd :

a ) de twee groepen nationale scheepvaartondernemingen coordineren hun standpunten voordat wordt gestemd over onderwerpen betreffende het vervoer tussen hun beide landen ;

b ) deze zin is uitsluitend van toepassing op onderwerpen ten aanzien waarvan de beide betrokken groepen nationale scheepvaartondernemingen volgens de conference-overeenkomst hun instemming dienen te geven , en niet op alle onderwerpen die in de conference-overeenkomst worden geregeld .

BIJLAGE II

VERZOENING ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3 , LID 3

De partijen bij het geschil benoemen een of meer bemiddelaars .

Ingeval zij geen overeenstemming kunnen bereiken over die benoeming , wijst elke partij bij het geschil een bemiddelaar aan . De aldus benoemde bemiddelaars wijzen een andere bemiddelaar aan als voorzitter . Indien een der partijen ervan afziet een bemiddelaar te benoemen of indien de door de partijen benoemde bemiddelaars het niet eens kunnen worden over de voorzitter , zal de voorzitter van de Internationale Kamer van Koophandel op verzoek van een van de partijen , overgaan tot de vereiste benoemingen .

De bemiddelaars stellen alles in het werk om het geschil te beslechten . Zij stellen hun werkwijze vast en worden bezoldigd door de partijen bij het geschil .