31977L0093

Richtlijn 77/93/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen op het grondgebied van de Lid-Staten van voor planten of voor plantaardige produkten schadelijke organismen

Publicatieblad Nr. L 026 van 31/01/1977 blz. 0020 - 0054
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 03 Deel 17 blz. 0003
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 11 blz. 0121
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 11 blz. 0121
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 8 blz. 0006
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 8 blz. 0006


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 21 december 1976 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen op het grondgebied van de Lid-Staten van voor planten of voor plantaardige produkten schadelijke organismen

(77/93/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 43 en 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende dat de opbrengst van land- en tuinbouw een zeer belangrijke plaats inneemt in de Europese Economische Gemeenschap;

Overwegende dat deze produktie voortdurend in gevaar wordt gebracht door schadelijke organismen;

Overwegende dat een bescherming van de planten tegen deze schadelijke organismen beslist vereist is om een daling van het produktievermogen te verhinderen en bovendien de produktiviteit in de landbouw te doen toenemen;

Overwegende dat de bestrijding van schadelijke organismen in de Lid-Staten door middel van stelselmatige vernietiging ter plaatse slechts weinig zin heeft indien niet gelijktijdig maatregelen worden getroffen tegen het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Lid-Staten;

Overwegende dat de noodzaak van deze maatregelen reeds vroegtijdig werd ingezien en dat in verband hiermee talrijke nationale voorschriften en internationale verdragen werden opgesteld, waarvan het op 6 december 1951 in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie (Food and Agriculture Organization) van de Verenigde Naties gesloten Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van wereldomvattende betekenis is;

Overwegende dat het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, alsmede de nauwe samenwerking der landen in het kader van de Organisatie van Europa en het Middellandse-Zeegebied voor de bescherming van planten reeds tot op zekere hoogte tot een onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen op planteziektenkundig gebied hebben geleid;

Overwegende dat los van deze internationale samenwerking de bepalingen tegen het binnenbrengen van schadelijke organismen op het grondgebied van de Lid-Staten van de Gemeenschap nog beter op elkaar dienen te worden afgestemd;

Overwegende dat het noodzakelijk is een gemeenschappelijke bescherming tegen het binnenbrengen van schadelijke organismen uit derde landen in het leven te roepen, en gelijktijdig met een geleidelijke afschaffing van de belemmeringen en controles in het intracommunautaire handelsverkeer het planteziektenkundige toezicht te reorganiseren;

Overwegende dat een van de belangrijkste maatregelen in dit verband bestaat in het opstellen van een lijst van bijzonder gevaarlijke schadelijke organismen waarvan het binnenbrengen in de Lid-Staten volledig moet worden verboden, alsmede van een lijst van schadelijke organismen waarvan het via bepaalde planten of plantaardige produkten binnenbrengen moet worden verboden;

Overwegende dat de aanwezigheid van bepaalde van deze schadelijke organismen bij het binnenbrengen van planten en plantaardige produkten uit landen waar deze organismen voorkomen, niet doeltreffend kan worden gecontroleerd, en dat het derhalve noodzakelijk is in zo beperkt mogelijke mate verboden op het binnenbrengen van bepaalde planten en plantaardige produkten in te stellen, of voor te schrijven dat in de producerende landen bijzondere controles worden verricht;

Overwegende dat bepaalde andere schadelijke organismen wegens bijzondere omstandigheden slechts voor sommige Lid-Staten van belang zijn en dat kan worden volstaan met aan deze landen toe te staan de communautaire planteziektenkundige regeling op deze organismen toe te passen;

Overwegende dat er momenteel in het intracommunautaire verkeer niet alleen in de Lid-Staat van verzending, maar ook in de Lid-Staat van bestemming een planteziektenkundige controle wordt verricht op planten, plantaardige produkten en ander materiaal; dat de tweede van deze controles geleidelijk moet worden afgeschaft en dat derhalve de controle in het land van verzending verplicht moet worden gesteld en verscherpt, ten einde bij voorbaat in hoge mate uit te sluiten dat schadelijke organismen op het grondgebied van het land van bestemming worden binnengebracht;

Overwegende dat indien het resultaat van de planteziektenkundige controle in de Lid-Staat van verzending bevredigend is, in het algemeen een gezondheidscertificaat moet worden afgegeven dat overeenkomt met het model dat is ingesteld in het kader van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten;

Overwegende dat ter voorkoming van overbodige nieuwe controles dient te worden bepaald dat onder bepaalde omstandigheden voor uit andere Lid-Staten afkomstige zendingen die reeds vergezeld zijn van een gezondheidscertificaat, een gezondheidscertificaat voor herverzending wordt opgesteld;

Overwegende dat, indien een planteziektenkundige controle in de Lid-Staat van verzending waarborgt dat de produkten vrij zijn van schadelijke organismen, de stelselmatige controle in de Lid-Staat van bestemming kan worden afgeschaft;

Overwegende dat deze afschaffing slechts geleidelijk kan plaatsvinden, omdat de Lid-Staten eerst een zeker vertrouwen in het goed functioneren van de controlestelsels in de Lid-Staten van verzending moeten krijgen;

Overwegende dat in dit verband gegronde redenen lijken te bestaan om gedurende een periode van vier jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn nog stelselmatige controles in de Lid-Staat van bestemming toe te staan; dat daarentegen alle overige bepalingen van deze richtlijn reeds twee jaar na de kennisgeving ervan in de nationale wetgevingen moeten zijn opgenomen;

Overwegende dat het na deze periode van vier jaar nog slechts om bijzondere redenen of in beperkte mate geoorloofd zal zijn om, afgezien van bepaalde routinecontroles, in de Lid-Staat van bestemming planteziektenkundige controles te verrichten op fruit, groenten en aardappelen met uitzondering van pootaardappelen;

Overwegende dat deze planteziektenkundige controles dienen te worden beperkt tot het binnenbrengen van produkten van oorsprong uit derde landen en tot de gevallen waarin duidelijke aanwijzingen bestaan dat een van de planteziektenkundige bepalingen niet is nageleefd, en dat in alle andere gevallen slechts incidentele controles kunnen worden toegestaan;

Overwegende dat het daarentegen noodzakelijk is dat de Lid-Staten wat betreft het binnenbrengen van produkten, afkomstig uit derde landen, controles voorschrijven die ten minste betrekking hebben op de voornaamste dragers van schadelijke organismen;

Overwegende dat anderzijds de Lid-Staten onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid moeten hebben om ontheffing van een aantal voorschriften te verlenen;

Overwegende dat de Lid-Staten eveneens de bevoegdheid moeten hebben om bij dreigend gevaar voor het op hun grondgebied binnenkomen of de verbreiding van schadelijke organismen ook andere dan de in deze richtlijn genoemde beschermende maatregelen te treffen;

Overwegende dat een nauwe samenwerking met name in dit geval is aan te bevelen tussen de Lid-Staten en de Commissie binnen het Permanent Planteziektenkundig Comité, ingesteld bij Besluit 76/894/EEG (3);

Overwegende dat deze richtlijn in beginsel geen afbreuk doet aan de communautaire bepalingen houdende vaststelling van planteziektenkundige maatregelen; dat dit momenteel eveneens geldt voor de eventuele planteziektenkundige bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming tegen schadelijke organismen die in het algemeen opgeslagen planten of plantaardige produkten aantasten, en voor bepaalde andere planteziektenkundige maatregelen van de Lid-Staten waarbij zowel binnenlandse als ingevoerde produkten zijn betrokken;

Overwegende dat de situatie in de Franse Overzeese Departementen anders is dan in de andere delen van de Gemeenschap, gezien het totaal der factoren betreffende het klimaat, de landbouwproduktie, de schadelijke organismen en de handelsstromen; dat het derhalve momenteel niet mogelijk is de voorschriften van deze richtlijn, voordat zij op passende wijze zijn aangepast, op genoemde departementen toe te passen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de bescherming tegen het binnenbrengen op het grondgebied van de Lid-Staten van voor planten of plantaardige produkten schadelijke organismen uit andere Lid-Staten of derde landen.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op de Franse Overzeese Departementen.

Artikel 2

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) planten: levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van verse vruchten en zaden;

b) plantaardige produkten: voortbrengselen van plantaardige oorsprong die niet verwerkt zijn of die een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft;

c) opplant: iedere handeling betreffende het plaatsen van planten ten einde hun verdere groei of vermeerdering te bewerkstelligen;

d) schadelijke organismen: voor planten of plantaardige produkten schadelijke organismen van dierlijke of plantaardige aard, alsmede dergelijke organismen in de vorm van virussen, mycoplasma's of andere ziekteverwekkers;

e) officiële constatering: constatering gedaan door de personeelsleden van de officiële dienst voor plantenbescherming, of, onder hun verantwoordelijkheid, door andere personen in overheidsdienst.

2. Deze richtlijn geldt slechts voor hout voor zover dit, geheel of gedeeltelijk, zijn natuurlijke ronde oppervlak, met of zonder schors, heeft behouden.

Artikel 3

1. De Lid-Staten schrijven voor dat de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht.

2. Lid 1 is niet van toepassing gedurende het tijdvak van 16 oktober tot en met 30 april in geval van lichte aantasting van snijbloemen door de schadelijke organismen, bedoeld in bijlage I, deel A, sub a), punten 1 en 4.

Volgens de procedure van artikel 16 kunnen de Lid-Staten op hun verzoek worden gemachtigd om bovenbedoelde periode te bekorten.

3. Lid 1 is niet van toepassing in geval van lichte aantasting van vruchten door het schadelijk organisme, bedoeld in bijlage I, deel A, sub b), punt 3. Lid 1 is echter wel van toepassing gedurende het tijdvak van 1 mei tot en met 15 september, voor zover dit schadelijk organisme jong en beweeglijk is.

4. De Lid-Staten schrijven voor dat de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige produkten niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, indien zij zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

5. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat de in bijlage II, deel A, genoemde schadelijke organismen niet geïsoleerd of op ander materiaal dan daarbij in dat deel van die bijlage wordt genoemd, op hun grondgebied mogen worden binnengebracht.

6. De in bijlage I, deel B, en bijlage II, deel B, genoemde Lid-Staten kunnen voorschrijven dat

a) de in bijlage I, deel B, genoemde schadelijke organismen, voor zover deze op hen betrekking hebben,

b) de in bijlage II, deel B, genoemde planten of plantaardige produkten, voor zover deze op hen betrekking hebben, indien zij zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd,

niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht.

7. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat andere dan in de bijlagen I en II genoemde organismen, die als schadelijk kunnen worden beschouwd, niet geïsoleerd op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, of dat daarvoor een speciale vergunning is vereist.

Artikel 4

1. De Lid-Staten schrijven voor dat de in bijlage III, deel A, genoemde planten of plantaardige produkten niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, voor zover deze van oorsprong zijn uit de landen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

2. De Lid-Staten kunnen:

a) voorschrijven dat de in bijlage III, deel B, genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal, voor zover deze op hen betrekking hebben, niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht;

b) van andere Lid-Staten waaruit de planten of plantaardige produkten genoemd in bijlage III, deel A, met uitzondering van de punten 9 en 10, op hun grondgebied worden binnengebracht, een officieel certificaat verlangen, waarin het land van oorsprong van deze produkten is vermeld.

Artikel 5

1. De Lid-Staten schrijven voor, dat de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal slechts op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, indien is voldaan aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden vermeld.

2. De Lid-Staten kunnen:

a) voorschrijven dat de in bijlage IV, deel A, punten 1, 2, 3 of 5, gestelde bijzondere eisen eveneens van toepassing zijn op derde landen die niet in die punten zijn vermeld, maar die hunnerzijds geen enkele gelijkwaardige eis stellen betreffende hout dat van oorsprong is uit de landen die in die punten zijn vermeld;

b) voorschrijven dat de in bijlage IV, deel B, genoemde planten, voor zover deze op hen betrekking hebben, slechts dan op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, indien is voldaan aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden vermeld;

c) van andere Lid-Staten waaruit de in bijlage IV, deel A, punten 1, 2, 3 of 5, genoemde plantaardige produkten op hun grondgebied worden binnengebracht, een officieel certificaat verlangen, waarin het land van oorsprong van deze produkten is vermeld.

Artikel 6

1. De Lid-Staten schrijven ten aanzien van het binnenbrengen in een andere Lid-Staat van de in bijlage V genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal ten minste voor dat deze, alsmede hun verpakking, officieel grondig worden onderzocht en wel geheel of aan de hand van een representatief monster en dat zo nodig ook de gebruikte vervoermiddelen officieel worden onderzocht, ten einde na te gaan:

a) of zij niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen;

b) ten aanzien van de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige produkten, of deze niet zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;

c) ten aanzien van de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal, of deze beantwoorden aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

2. De Lid-Staten schrijven de in lid 1 genoemde onderzoekmaatregelen voor, ten einde te waarborgen dat ook de bepalingen van artikel 3, leden 5, 6 of 7, en artikel 5, lid 2, worden nageleefd, voor zover de Lid-Staat van bestemming gebruik maakt van de in genoemde artikelen bedoelde bevoegdheden.

3. De Lid-Staten schrijven voor dat het zaad dat in bijlage IV, deel A, wordt genoemd en bestemd is in een andere Lid-Staat te worden binnengebracht, officieel moet worden onderzocht, ten einde zekerheid te verkrijgen dat het zaad voldoet aan de bijzondere eisen die daarop betrekking hebben en in dat deel van die bijlage worden vermeld.

Artikel 7

1. Wanneer op grond van het in artikel 6 voorgeschreven onderzoek kan worden aangenomen dat aan de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan, wordt een gezondheidscertificaat volgens het in bijlage VIII, deel A, voorkomende model afgegeven, gesteld in ten minste één officiële taal van de Gemeenschap, bij voorkeur die van de Lid-Staat van bestemming. Voor ander materiaal worden de woorden "omschreven planten of plantaardige produkten" in het certificaat vervangen door de woorden "omschreven materiaal".

2. De Lid-Staten schrijven voor dat de in bijlage V genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal slechts op het grondgebied van een andere Lid-Staat mogen worden binnengebracht, indien zij vergezeld gaan van een overeenkomstig lid 1 afgegeven gezondheidscertificaat. Het gezondheidscertificaat mag niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige produkten of ander materiaal de Lid-Staat van verzending verlaten, zijn opgesteld.

3. De door de Lid-Staten uit hoofde van artikel 6, lid 3, te treffen maatregelen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 16, voordat de in artikel 20, lid 1, sub b), bedoelde periode verstrijkt.

Artikel 8

1. Voor zover geen sprake is van een der in lid 2 genoemde gevallen schrijven de Lid-Staten voor dat de in bijlage V genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal, die uit een Lid-Staat op hun grondgebied zijn binnengebracht en bestemd zijn om in een andere Lid-Staat te worden binnengebracht, van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 6 zijn vrijgesteld indien zij vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat van een Lid-Staat, opgesteld volgens het in bijlage VIII, deel A, voorkomende model.

2. Wanneer planten, plantaardige produkten of ander materiaal uit een van de Lid-Staten in een tweede Lid-Staat zijn opgesplitst of opgeslagen of anders zijn verpakt en vervolgens in een derde Lid-Staat worden binnengebracht, is de tweede Lid-Staat vrijgesteld van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 6 indien officieel is vastgesteld dat deze produkten op zijn grondgebied niet hebben blootgestaan aan risico's waardoor deze niet meer zouden voldoen aan de in artikel 6 genoemde voorwaarden. In dat geval wordt een gezondheidscertificaat voor herverzending volgens het in bijlage VIII, deel B, voorkomende model afgegeven, opgesteld in ten minste één officiële taal van de Gemeenschap, bij voorkeur die van het land van bestemming. Dit certificaat moet worden gehecht aan het door de eerste Lid-Staat afgegeven gezondheidscertificaat of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan. Dit certificaat kan "gezondheidscertificaat voor wederuitvoer" worden genoemd.

Het gezondheidscertificaat voor herverzending mag niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige produkten of ander materiaal het land van herverzending verlaten, worden opgesteld.

3. De leden 1 en 2 zijn eveneens van toepassing wanneer planten, plantaardige produkten of ander materiaal achtereenvolgens in verschillende Lid-Staten worden binnengebracht. Indien bij deze gelegenheid meer dan één gezondheidscertificaat voor herverzending zijn afgegeven, dienen de produkten vergezeld te gaan van de volgende documenten:

a) het laatste gezondheidscertificaat of het voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan,

b) het laatste gezondheidscertificaat voor herverzending,

c) de gezondheidscertificaten voor herverzending die werden afgegeven vóór het onder b) bedoelde certificaat, of de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan.

Artikel 9

1. De Lid-Staten schrijven voor dat de planten, plantaardige produkten of ander materiaal genoemd in bijlage IV, deel A, met uitzondering van de punten 1, 2, 3, sub b), 4, sub b), 5, 6, 35 en 36, die van oorsprong uit een andere Lid-Staat of uit een derde land zijn, slechts dan in een andere Lid-Staat mogen worden binnengebracht indien zij, behalve van de in artikel 7 en 8 bepaalde certificaten, vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat, overeenkomstig het model van bijlage VIII, deel A, afgeleverd in het land waaruit zij van oorsprong zijn, of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van dit certificaat.

2. Lid 1 is eveneens van toepassing bij het binnenbrengen van de in bijlage IV, deel B, genoemde planten of plantaardige produkten in de Lid-Staten die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

Artikel 10

1. De Lid-Staten schrijven voor dat de in bijlage VI genoemde planten die op hun grondgebied worden binnengebracht, bij hun aankomst doeltreffend tegen de San-José-schildluis moeten worden gedesinfecteerd. Zij stellen deze desinfectie echter niet verplicht indien is gewaarborgd dat niet voor verbreiding van de San-José-schildluis behoeft te worden gevreesd.

2. Volgens de procedure van artikel 16 kunnen de Lid-Staten op hun verzoek worden gemachtigd om verplicht te stellen dat de in lid 1 bedoelde planten worden gedesinfecteerd, voordat zij hun grondgebied binnenkomen,

Artikel 11

1. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat planten, plantaardige produkten of ander materiaal, alsmede hun verpakking en de vervoermiddelen, bij het uit een andere Lid-Staat op hun grondgebied binnenbrengen ervan worden onderworpen aan een controle op de naleving van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde verbodsbepalingen en beperkingen. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat deze planten, plantaardige produkten of ander materiaal, voor zover het op hun grondgebied binnenbrengen ervan niet is verboden krachtens de artikelen 3, 4 of 5, slechts in de volgende gevallen aan verbodsbepalingen of beperkingen in verband met planteziektenkundige maatregelen worden onderworpen:

a) de in de artikelen 4, 5, 7, 8 en 9 genoemde certificaten worden niet overgelegd;

b) de planten, plantaardige produkten of ander materiaal zijn niet op hun grondgebied binnengebracht via de voorgeschreven punten van binnenkomst;

c) de planten, plantaardige produkten of ander materiaal worden niet in overeenstemming met de voorschriften aangeboden voor een overeenkomstig lid 3 toegestane officiële controle;

d) deze verbodsbepalingen of beperkingen zijn voorgeschreven op grond van artikel 18.

2. Zij kunnen geen enkele aanvullende verklaring op het gezondheidscertificaat eisen.

3. Behalve een officiële controle van de identiteit en van de in lid 1 toegestane eisen mogen de Lid-Staten, wat groenten en fruit alsmede aardappelen, uitgezonderd pootaardappelen, betreft, slechts in de volgende gevallen stelselmatige officiële controles op de naleving van de krachtens de artikelen 3 en 5 uitgevaardigde voorschriften doen verrichten:

a) er bestaat een ernstige aanwijzing dat een van deze bepalingen niet is nageleefd;

b) de bovengenoemde planten zijn van oorsprong uit een derde land en het onderzoek op grond van artikel 12, lid 1, sub a), heeft nog niet in een andere Lid-Staat plaatsgevonden.

In alle andere gevallen blijven de officiële controles op groenten en fruit alsmede aardappelen, uitgezonderd pootaardappelen, beperkt tot incidentele steekproeven. Zij worden als incidenteel beschouwd als zij op niet meer dan één derde van de uit een bepaalde Lid-Staat binnengebrachte partijen worden uitgeoefend en als zij zo gelijkmatig mogelijk zijn verdeeld over de tijd en over alle produkten.

4. Indien wordt geconstateerd dat een deel van een partij binnengebrachte planten, plantaardige produkten of ander materiaal is aangetast door in de bijlagen I en II genoemde schadelijke organismen, is het op het grondgebied binnenbrengen van het andere gedeelte niet verboden indien er geen enkel vermoeden bestaat dat dit gedeelte is aangetast en verbreiding van de schadelijke organismen bij opsplitsing van de partij uitgesloten lijkt.

5. De Lid-Staten schrijven voor dat op gezondheidscertificaten of gezondheidscertificaten voor herverzending die bij het op hun grondgebied binnenbrengen van planten, plantaardige produkten of ander materiaal worden overgelegd, een stempel van binnenkomst van de bevoegde dienst wordt aangebracht, dat ten minste de naam van die dienst alsmede de datum van binnenkomst vermeldt.

Artikel 12

1. De Lid-Staten schrijven ten aanzien van het op hun grondgebied binnenbrengen van de in bijlage V genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal, van herkomst uit derde landen, ten minste voor:

a) dat deze planten, plantaardige produkten of ander materiaal, alsmede hun verpakking, officieel grondig worden onderzocht en wel geheel of aan de hand van een representatief monster en dat zo nodig ook de vervoermiddelen officieel worden onderzocht, ten einde na te gaan:

- of zij niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen,

- ten aanzien van de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige produkten, of deze niet zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd,

- ten aanzien van de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige produkten of ander materiaal, of deze beantwoorden aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;

b) dat deze vergezeld dienen te gaan van de in de artikelen 4, 5, 7, 8 of 9 voorgeschreven certificaten, en dat het gezondheidscertificaat niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige produkten of ander materiaal het land van verzending hebben verlaten, mag zijn opgesteld.

2. Lid 1 is van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3.

3. Lid 1, sub a), is niet van toepassing indien planten, plantaardige produkten of ander materiaal in een Lid-Staat worden binnengebracht via een andere Lid-Staat die het in lid 1, sub a), voorgeschreven onderzoek reeds heeft verricht.

4. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat de in artikel 8 vastgestelde maatregelen van toepassing zijn op de binnengebrachte produkten van herkomst uit derde landen.

Artikel 13

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad de wijzigingen vast die aangebracht moeten worden in de bijlagen.

Artikel 14

1. De Lid-Staten mogen, voor zover geen verbreiding van schadelijke organismen behoeft te worden gevreesd,

a) in het algemeen of in afzonderlijke gevallen afwijken:

i) van artikel 4, lid 1, voor wat de verkorting van de in bijlage III, deel A, punt 8, genoemde periode betreft,

ii) van artikel 4, lid 1, van artikel 10 en van artikel 12, voor de doorvoer over hun grondgebied, alsmede voor het rechtstreeks verkeer tussen twee plaatsen op hun grondgebied via het grondgebied van een ander land,

iii) van artikel 12, wanneer planten, plantaardige produkten of ander materiaal rechtstreeks uit een andere Lid-Staat via het grondgebied van een derde land op het grondgebied van hun land worden binnengebracht,

iv) van de artikelen 5, 10 en 12 wanneer het betreft:

- verhuisgoederen,

- kleine hoeveelheden planten of plantaardige produkten, alsmede levensmiddelen of diervoeder, als deze kleine hoeveelheden bestemd zijn om door de eigenaar of geadresseerde te worden gebruikt voor andere dan industriële en commerciële doeleinden, of als zij bestemd zijn voor verbruik gedurende het vervoer,

- planten die afkomstig zijn van terreinen in het grensgebied van een ander land, die worden geëxploiteerd vanuit nabij gelegen woon- of bedrijfsgebouwen in het grensgebied van hun eigen land,

- voor opplant of vermeerdering bestemde planten op terreinen in hun grensgebied, die worden geëxploiteerd vanuit nabij gelegen woon- of bedrijfsgebouwen in het grensgebied van een ander land;

b) in afzonderlijke gevallen afwijken

i) van artikel 3, lid 1, en van artikel 12, gedurende het tijdvak van 1 mei tot en met 15 oktober, voor wat de in bijlage I, deel A, sub a), punten 1 en 4, genoemde schadelijke organismen betreft, indien het gaat om slechts licht aangetaste snijbloemen,

ii) van artikel 3, lid 1, en van artikel 12, gedurende het tijdvak van 1 november tot en met 31 maart, voor wat de in bijlage I, deel A, sub a), punt 2, genoemde schadelijke organismen betreft, indien het gaat om slechts licht aangetast fruit,

iii) van artikel 3, leden 1 en 3, en van artikel 12, in geval van meer dan lichte aantasting van vruchten door de San-José-schildluis,

iv) van artikel 3, lid 3, tweede zin, en van artikel 12,

v) van artikel 3, lid 4, en van artikel 12, indien de aantasting van bepaalde planten of plantaardige produkten door bepaalde schadelijke organismen, voor zover deze reeds in de Gemeenschap bestaan, gering is;

c) in afzonderlijke gevallen en onverminderd de in lid 2 bedoelde procedure afwijken

i) van artikel 3, van artikel 4, lid 1, voor wat de in bijlage III, deel A, punt 8, vermelde eisen betreft, en van de artikelen 5 en 12 voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectiewerkzaamheden,

ii) van artikel 5, lid 1, en van artikel 12, lid 1, sub a), derde streepje, voor wat de in bijlage IV, deel A, punt 25, genoemde eis voor poottreft,

iii) van artikel 5, lid 1, en van artikel 12, lid 1, sub a), derde streepje, voor wat de in bijlage IV, deel A, punt 25, genoemde eis voor pootaardappelen betreft, mits er een officiële constatering wordt geëist dat dit pootgoed van oorsprong is uit streken waar sinds de aanvang van de laatste volledige vegetatieperiode geen enkel aantastingsverschijnsel is waargenomen wat de in bijlage I, deel A, sub e), punt 2, vermelde virussen betreft.

2. Voor de afwijkingen als bedoeld in lid 1, sub c), stellen de Lid-Staten onverwijld de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis van de ter zake vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. Volgens de procedure van artikel 16 kan uiterlijk zes maanden na vaststelling van bedoelde bepalingen worden beslist of zij moeten worden geschrapt of gewijzigd.

3. Overeenkomstig de procedure van artikel 16 kunnen de Lid-Staten op hun verzoek worden gemachtigd om af te wijken van artikel 4, lid 1, voor zover deze afwijkingen niet al mogelijk zijn uit hoofde van lid 1.

4. Voor de afwijkingen als bedoeld in lid 1, sub b) en c), en in lid 3, wordt voor elk afzonderlijk geval een officiële constatering geëist dat aan de voorwaarden voor het toestaan van de afwijking is voldaan.

5. De Lid-Staten delen de Commissie mede welke afwijkingen zij overeenkomstig lid 1, sub c), of overeenkomstig lid 3 hebben toegestaan. De Commissie stelt de overige Lid-Staten jaarlijks van deze mededelingen in kennis.

Overeenkomstig de procedure van artikel 16 kunnen de Lid-Staten van deze mededelingen worden vrijgesteld.

6. De Lid-Staten kunnen afwijken van de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, ten aanzien van het binnenbrengen van planten, plantaardige produkten of ander materiaal in een andere Lid-Staat, voor zover deze niet eist dat de Lid-Staat van verzending genoemde artikelen toepast.

Artikel 15

1. Indien een Lid-Staat van mening is dat er onmiddellijk gevaar dreigt dat schadelijke organismen, ook niet in de bijlagen genoemde, op zijn grondgebied worden binnengebracht of zich aldaar verbreiden, kan hij voorlopig de aanvullende maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om dit gevaar af te wenden. Hij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen en verstrekt daarbij een toelichting.

2. Volgens de procedure van artikel 17 wordt besloten of de door de Lid-Staat genomen maatregelen moeten worden afgeschaft of gewijzigd. Zolang de Raad of de Commissie geen besluit volgens genoemde procedure hebben vastgesteld, kan de Lid-Staat de door hem getroffen maatregelen handhaven.

Artikel 16

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Permanent Planteziektenkundig Comité, hierna het "Comité" genoemd, deze procedure onverwijld bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt geen deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie der aan een onderzoek onderworpen vraagstukken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van eenenveertig stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, waneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermede niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen drie maanden na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 17

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Permanent Planteziektenkundig Comité, hierna het "Comité" genoemd, deze procedure onverwijld bij het Comité in hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt geen deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn van twee dagen. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van eenenveertig stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermede niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen vijftien dagen na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 18

1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de communautaire bepalingen inzake de planteziektenkundige eisen voor planten en plantaardige produkten, tenzij deze richtlijn uitdrukkelijk voorziet in strengere eisen of deze toelaat.

2. Volgens de procedure van artikel 16 kunnen de Lid-Staten worden gemachtigd om, bij het binnenbrengen van planten of plantaardige produkten op hun grondgebied, bijzondere planteziektenkundige maatregelen te treffen, voor zover deze maatregelen ook worden getroffen voor de binnenlandse produktie.

3. De Lid-Staten mogen, bij het op hun grondgebied binnenbrengen van planten of plantaardige produkten, inzonderheid die welke worden genoemd in bijlage VII, alsmede van hun verpakking of vervoermiddelen, bijzondere planteziektenkundige maatregelen treffen tegen schadelijke organismen, die in het algemeen opgeslagen planten of plantaardige produkten aantasten.

Artikel 19

Richtlijn 69/466/EEG van de Raad van 8 december 1969 betreffende de bestrijding van de San José-schildluis (4) wordt als volgt gewijzigd:

a) Aan artikel 7 wordt het volgende lid 2 toegevoegd terwijl de tekst van het huidige artikel, lid 1 wordt:

"2. Lid 1 is niet van toepassing op slechts licht aangetaste partijen vers fruit. "

b) In artikel 10, lid 1, sub a), b) en c), worden de woorden "artikel 7" vervangen door de woorden "artikel 7, lid 1".

Artikel 20

1. De Lid-Staten voeren de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in om

a) aan de in artikel 11, lid 3, bedoelde beperkingen binnen vier jaar,

b) aan de overige bepalingen van deze richtlijn binnen twee jaar

na kennisgeving van deze richtlijn te voldoen.

2. De Lid-Staten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die zij uit hoofde van deze richtlijn hebben vastgesteld. De Commissie brengt de andere Lid-Staten hiervan op de hoogte.

Artikel 21

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 21 december 1976.

Voor de Raad

De Voorzitter

A. P. L. M. M. van der STEE

(1) PB nr. 187 van 9. 11. 1965, blz. 2900/65.(2) Advies uitgebracht op 13 oktober 1965 (niet in het Publikatieblad verschenen).(3) PB nr. L 340 van 9. 12. 1976, blz. 25.(4) PB nr. L 323 van 24. 12. 1969, blz. 5.

BIJLAGE I

A. SCHADELIJKE ORGANISMEN WAARVAN HET OP HUN GRONDGEBIED BINNENBRENGEN IN ALLE LID-STATEN IS VERBODEN

a) Levende dierlijke organismen in elk ontwikkelingsstadium:

1. Cacoecimorpha pronubana (Hb.)

2. Ceratitis capitata (Wied.)

3. Conotrachelus nenuphar (Herbst)

4. Epichoristodes acerbella (Walk.) Diak.

5. Hylurgopinus rufipes Eichh.

6. Hyphantria cunea (Drury)

7. Laspeyresia molesta (Busck)

8. Popillia japonica Newman

9. Rhagoletis cingulata (Loew)

10. Rhagoletis fausta (Osten Sacken)

11. Rhagoletis pomonella (Walsh)

12. Scaphoideus luteolus Van Duz.

13. Scolytus multistriatus (Marsh.)

14. Scolytus scolytus (F.)

15. Spodoptera littoralis (Boisd.)

16. Spodoptera litura (F.)

b) Dierlijke organismen in elk ontwikkelingsstadium, indien niet is bewezen dat zij dood zijn:

1. Heterodera pallida Stone

2. Heterodera rostochiensis Woll.

3. Quadraspidiotus perniciosus (Comst.)

c) Bacteriën:

1. Aplanobacter populi Ridé

2. Corynebacterium sepedonicum (Spieck. et Kotth.) Skapt. et Burkh.

3. Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.

d) Schimmels

1. Angiosorus solani Thirum. et O'Brien (syn. Thecaphora solani Barrus)

2. Ceratocystis fagacearum (Bretz) Hunt

3. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau

4. Chrysomyxa arctostaphyli Diet.

5. Cronartium comptoniae Arthur

6. Cronartium fusiforme Hedgc. et Hunt ex Cumm.

7. Cronartium quercuum (Berk.) Mivabe ex Shirai

8. Endocronartium harknessii (J. P. Moore) Y. Hiratsuka (syn. Peridermium harknessii (J. P. Moore))

9. Endothia parasitica (Murrill) P. J. et H. W. Anderson

10. Guignardia laricina (Saw.) Yamamoto et Ito

11. Hypoxylon pruinatum (Klotzsche) Cke.

12. Melampsora farlowii (Arthur) Davis

13. Melampsora medusae Thuem. (syn. M. albertensis Arthur)

14. Mycosphaerella populorum Thomp. (Septoria musiva Peck)

15. Ophiostoma (Ceratocystis) roboris C. Georgescu et I. Teodoru

16. Poria weirii Murr.

17. Synchytrium endobioticum (Schilb.) Perc.

e) Virussen en mycoplasma's:

1. Schadelijke virussen en mycoplasma's van Cydonia Mill., Fragaria (Tourn.) L., Ligustrum L., Malus Mill., Populus L., Prunus L., Pyrus L., Ribes L., Rosa L., Rubus L., Syringa L.

2. Virussen en mycoplasma's van aardappelen (Solanum tuberosum L.):

a) Potato spindle tuber virus

b) Potato yellow dwarf virus

c) Potato yellow vein virus

d) andere schadelijke virussen en mycoplasma's voor zover die niet in de Gemeenschap voorkomen

3. Rose wilt

4. Tomato bunchy top virus

5. Tomato ring spot virus

6. Schadelijke virussen en mycoplasma's van de wijnstok (Vitis L. partim)

7. Floëemnecrose van Ulmus L.

f) Fanerogamen:

- Arceuthobium spp. (niet-Europese soorten).

B. SCHADELIJKE ORGANISMEN WAARVAN HET OP HUN GRONDGEBIED BINNENBRENGEN IN BEPAALDE LID-STATEN VERBODEN KAN WORDEN

a) Levende dierlijke organismen, in elke ontwikkelingsstadium:

"" ID="1">1. Aleurocanthus woglumi Ashby> ID="2">Italië"> ID="1">2. Anastrepha fraterculus (Wied.)> ID="2">Italië"> ID="1">3. Anastrepha ludens (Loew)> ID="2">Italië"> ID="1">4. Busseola fusca (Hamps.)> ID="2">Italië"> ID="1">5. Dacus dorsalis Hendel> ID="2">Italië"> ID="1">6. Dialeurodes citri (Ashm.)> ID="2">Italië"> ID="1">7. Diaphorina citri (Kuway)> ID="2">Frankrijk, Italië"> ID="1">8. Gonipterus scutellatus Gyll.> ID="2">Italië"> ID="1">9. Iridomyrmex humilis Mayr> ID="2">Frankrijk, Italië"> ID="1">10. Leptinotarsa decemlineata (Say)> ID="2">Denemarken, Ierland, Verenigd Koninkrijk"> ID="1">11. Phoracantha semipunctata (F.)> ID="2">Italië"> ID="1">12. Pseudaulacaspis pentagona (Targ.)> ID="2">Frankrijk, Italië"> ID="1">13. Pseudococcus comstocki (Kuw.)> ID="2">Frankrijk, Italië"> ID="1">14. Toxoptera citricida (Kirk.)> ID="2">Frankrijk, Italië"> ID="1">15. Trioza erythreae Del Guercio> ID="2">Frankrijk, Italië">

b) Bacteriën:

"" ID="1">Xanthomonas citri (Hasse) Dowson> ID="2">Frankrijk, Italië">

c) Schimmels:

"" ID="1">1. Cronartium ribicola J. C. Fischer> ID="2">Italië"> ID="1">2. Diaporthe citri (Fawc.) Wolf> ID="2">Italië"> ID="1">3. Dibotryon morbosum (Schw.) Theissen et Sydow> ID="2">Italië"> ID="1">4. Diplodia natalensis P. Evans> ID="2">Italië"> ID="1">5. Elsinoë fawcettii Bitanc. et Jenkins> ID="2">Italië"> ID="1">6. Phytophthora cinnamomi Rands.> ID="2">Ierland"> ID="1">7. Scleroderris lagerbergii Gremmen> ID="2">Ierland">

d) Virussen:

"" ID="1">Citrusvirussen (Citrus L.)> ID="2">Frankrijk, Italië">

BIJLAGE II

A. SCHADELIJKE ORGANISMEN WAARVAN HET OP HUN GRONDGEBIED BINNENBRENGEN IN ALLE LID-STATEN MOET WORDEN VERBODEN, WANNEER ZIJ ZICH OP BEPAALDE PLANTEN OF PLANTAARDIGE PRODUKTEN BEVINDEN

a) Levende dierlijke organismen, in elk ontwikkelingsstadium:

"" ID="1">1. Anarsia lineatella Zell.> ID="2">Ribes L. en Rubus L., met uitzondering van de vruchten,

Cydonia Mill., Malus Mill., Prunus L., Pyrus L."> ID="1">2. Diarthronomyia chrysanthemi Ahlb.> ID="2">Chrysanthen (Chrysanthemum Tourn. ex L. partim)"> ID="1">3. Ditylenchus destructor Thorne> ID="2">Bloembollen en aardappelknollen (Solanum tuberosum L.)"> ID="1">4. Ditylenchus dipsaci (Kuehn) Filipjev> ID="2">Zaden en bollen van Allium cepa L., Allium porrum L. en Allium schoenoprasum, bestemd voor opplant, bloembollen en zaaizaad van luzerne (Medicago sativa L.)"> ID="1">5. Gracilaria azaleella Brants> ID="2">Azalea's (Rhododendron L. partim)"> ID="1">6. Lampetia equestris F.> ID="2">Bloembollen en-knollen"> ID="1">7. Phthorimaea operculella (Zell.)> ID="2">Aardappelknollen (Solanum tuberosum L.)"> ID="1">8. Rhagoletis cerasi L.> ID="2">Vruchten van kersebomen (Prunus avium L. en Prunus cerasus L.)"> ID="1">9. Scolytidae (van coniferen)> ID="2">Naaldhout met bast uit landen van de gematigde en subarctische luchtstreken buiten Europa"> ID="1">10. Viteus vitifolii (Fitch.)> ID="2">Wijnstokken (Vitis L. partim), met uitzondering van vruchten en zaden">

b) Bacteriën:

"" ID="1">1. Corynebacterium insidiosum (McCull.) Jensen> ID="2">Zaaizaad van luzerne (Medicago sativa L.)"> ID="1">2. Corynebacterium michiganense (E. F. Sm.) Jensen> ID="2">Tomaten (Solanum lycopersicum L.), met uitzondering van vruchten"> ID="1">3. Erwinia chrysanthemi Burkh. et al. (syn. Pectobacterium parthenii var. dianthicola Hellmers)> ID="2">Anjers (Dianthus L.), met uitzondering van snijbloemen en zaden"> ID="1">4. Pseudomonas caryophylli (Burkh.) Starr. et Burkh.> ID="2">Anjers (Dianthus L.), met uitzondering van snijbloemen en zaden"> ID="1">5. Pseudomonas gladioli Severini (syn. P. marginata (McCull.) Stapp)> ID="2">Gladiolen- en freesiaknollen (Gladiolus Tourn. ex L., Freesia Klatt)"> ID="1">6. Pseudomonas pisi (Sackett)> ID="2">Zaaizaad van erwten (Pisum sativum L.)"> ID="1">7. Pseudomonas solanacearum (E.F. Sm.) Jensen> ID="2">Aardappelknollen (Solanum tuberosum L.), alsmede tomaten (Solanum lycopersicum L.) en aubergines (Solanum melongena L.), met uitzondering va vruchten en zaden"> ID="1">8. Pseudomonas woodsii (E.F. Sm.) Stev.> ID="2">Anjers (Dianthus L.), met uitzondering van snijbloemen en zaden"> ID="1">9. Xanthomonas vesicatoria (Doidge) Dows.> ID="2">Tomaten (Solanum lycopersicum L.), met uitzondering van vruchten">

c) Schimmels:

"" ID="1">1. Atropellis spp.> ID="2">Pinus L."> ID="1">2. Didymella chrysanthemi (Tassi) Garibaldi et Gullino (syn. Mycosphaerella ligulicula Baker et al.)> ID="2">Chrysanten (Chrysanthemum Tourn. ex L. partim)"> ID="1">3. Fusarium oxysporum Schlecht. f. sp. gladioli (Massey) Snyd. et Hans> ID="2">Freesia-, gladiolen- en crocusknollen (Freesia Klatt, Gladiolus Tourn. ex L., Crocus L.) en irisbollen (Iris L.)"> ID="1">4. Guignardia baccae (Cav.) Jacz.> ID="2">Wijnstok (Vitis L. partim), met uitzondering van vruchten en zaden"> ID="1">5. Ovulinia azaleae Weiss> ID="2">Azalea's (Rhododendron L. partim)"> ID="1">6. Phialophora cinerescens (Wr.) van Beyma> ID="2">Anjers (Dianthus L.), met uitzondering van snijbloemen en zaden"> ID="1">7. Phytophthora fragariae Hickman> ID="2">Aardbeiplanten (Fragaria Tourn. ex L.) met uitzondering van vruchten en zaden"> ID="1">8. Puccinia horiana P. Henn.> ID="2">Chrysanten (Chrysanthemum Tourn. ex L. partim)"> ID="1">9. Puccinia pelargonii-zonalis Doidge> ID="2">Geraniums (Pelargonium l'Hérit. partim)"> ID="1">10. Sclerotinia bulborum (Wakk.) Rehm> ID="2">Bloembollen"> ID="1">11. Sclerotinia convoluta Drayt.> ID="2">Iriswortelstokken (Iris L.)"> ID="1">12. Septoria gladioli Pass.> ID="2">Bloembollen en-knollen"> ID="1">13. Stromatinia gladioli (Drat.) Whet.> ID="2">Bloembollen en-knollen"> ID="1">14. Uromyces spp.> ID="2">Gladiolen (Gladiolus Tourn. ex L.)"> ID="1">15. Verticillium albo-atrum Reinke et Berth.> ID="2">Hop (Humulus lupulus L.)">

d) Virussen en mycoplasma's:

"" ID="1">1. Beet leaf curl virus> ID="2">Beta-soorten (Beta vulgaris L.), bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden"> ID="1">2. Chrysanthemum stunt virus> ID="2">Chrysanten (Chrysanthemum Tourn. ex L. partim), met uitzondering van snijbloemen en zaden"> ID="1">3. Stolbur> ID="2">Planten van Solanaceeën, bestemd voor opplant, met uitzondering van vruchten en zaden"> ID="1">4. Tomato spotted wilt virus> ID="2">Aardappelknollen (Solanum tuberosum L.)">

B. SCHADELIJKE ORGANISMEN WAARVAN HET OP HUN GRONDGEBIED BINNENBRENGEN IN BEPAALDE LID-STATEN KAN WORDEN VERBODEN, WANNEER ZIJ ZICH OP BEPAALDE PLANTEN OF PLANTAARDIGE PRODUKTEN BEVINDEN

a) Levende dierlijke organismen, in elk ontwikkelingsstadium

"" ID="1">1. Cephalcia alpina Klug> ID="2">Larix Mill., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">2. Dendroctonus micans Kugelan> ID="2">Naaldhout met bast> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">3. Eurytoma amygdali End.> ID="2">Vruchten en zaden van amandelbomen (Prunus amygdalus Batsch)> ID="3">Italië"> ID="1">4. Gilpinia hercyniae Hartig> ID="2">Picea A. Dietr., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">5. Helicoverpa armigera Huebner> ID="2">Anjers (Dianthus L.), chrysanten (Chrysanthemum Tourn. ex L. partim), geraniums (Pelargonium l'Hérit.) en tomaten (Solanum lycopersicum L.), met uitzondering van zaden, vruchten en snijbloemen> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">6. Ips amitinus Eichh.> ID="2">Naaldhout met bast> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">7. Ips cembrae Heer> ID="2">Naaldhout met bast> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">8. Ips duplicatus Sahlberg> ID="2">Naaldhout met bast> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">9. Ips sexdentatus Boerner> ID="2">Naaldhout met bast> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">10. Ips typographus Heer> ID="2">Naaldhout met bast> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">11. Pristiphora abietina Christ.> ID="2">Picea A. Dietr., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)">

b) Bacteriën:

"" ID="1">Corynebacterium flaccumfaciens (Hedges) Dows.> ID="2">Zaaizaad van bonen (Phaseolus vulgaris L. en Dolichos Jacq.)> ID="3">Italië">

c) Schimmels:

"" ID="1">1. Ascochyta chlorospora Speg.> ID="2">Amandelbomen (Prunus amygdalus Batsch)> ID="3">Italië"> ID="1">2. Corticium salmonicolor Berk. et Br.> ID="2">Citrusbomen (Citrus L.)> ID="3">Italië"> ID="1">3. Cryptosporiopsis curvispora (Pk.) Gremmen> ID="2">Appelbomen (Malus pumila Mill.)> ID="3">Italië"> ID="1">4. Gloeosporium limetticola Clausen> ID="2">Citrusbomen (Citrus L.)> ID="3">Frankrijk,

Italië"> ID="1">5. Phoma exigua var. foveata (Foister) Boerema> ID="2">Pootaardappelen uit landen buiten de Gemeenschap> ID="3">België

Duitsland

Frankrijk

Italië

Luxemburg

Nederland"> ID="1">6. Phoma exigua var. foveata (Foister) Boerema, indien dit schadelijk organisme een meer dan lichte aantasting door droogrot heeft veroorzaakt> ID="2">Aardappelknollen (Solanum tuberosum L.), met uitzondering van pootaardappelen, nieuwe aardappelen (primeurs) en aardappelen die voor onmiddellijke industriële verwerking zijn bestemd> ID="3">België

Duitsland

Frankrijk

Italië

Luxemburg

Nederland"> ID="1">7. Urocystis cepulae Frost> ID="2">Planten van Allium spp., bestemd voor opplant of vermeerdering> ID="3">Ierland">

BIJLAGE III

A. PLANTEN EN PLANTAARDIGE PRODUKTEN WAARVAN HET OP HUN GRONDGEBIED BINNENBRENGEN IN ALLE LID-STATEN DIENT TE WORDEN VERBODEN

"" ID="1">1. Planten van Abies Mill., Picea A. Dietr. en Pinus L., met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Landen buiten Europa"> ID="1">2. Planten van Larix Mill., met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Noordamerikaanse en Aziatische landen"> ID="1">3. Planten van Tsuga Carr. en Pseudotsuga Carr., met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Noordamerikaanse landen"> ID="1">4. Planten van Populus L. en Quercus L., met bladeren, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Landen buiten Europa"> ID="1">5. Bast, alleen, van naaldbomen (Coniferae)> ID="2">Landen van de gematigde en subarctische luchtstreken buiten Europa"> ID="1">6. Bast, alleen, van Castanea Mill. en Quercus L.> ID="2">Noordamerikaanse landen, Roemenië, USSR"> ID="1">7. Bast, alleen, van Populus L.> ID="2">Amerikaanse landen"> ID="1">8. Van 16 april tot en met 30 september: planten van de geslachten: Acacia Tourn. ex L., Acer L., Amelanchier Med., Chaenomeles Ldl., Cotoneaster Ehrh., Crataegus L., Cydonia Mill., Euonymus L., Fagus L., Juglans L., Ligustrum L., Maclura, Malus Mill., Populus L., Prunus L., Ptelea, Pyrus L., Ribes L., Rosa L., Salix L., Sorbus L., Symphoricarpus Duham., Syringa L., Tilia L., Ulmus L., Vitis L., met uitzondering van vruchten, zaden en delen van planten bestemd voor sierdoeleinden> ID="2">Alle landen, tenzij het land van oorsprong, in zoverre het om een Lid-Staat gaat, en alle landen waardoor de planten worden vervoerd, vrij zijn van Quadraspidiotus perniciosus, of het gebied waar de planten gegroeid zijn en alle gebieden waardoor de planten worden vervoerd, overeenkomstig de procedure van artikel 16 vrij verklaard zijn van dit schadelijke organisme"> ID="1">9. Het echte zaad van aardappelen (Solanum tuberosum L.) en andere knollenvormende Solanumsoorten> ID="2">Alle landen"> ID="1">10. Bast, alleen, van Ulmus L.> ID="2">Alle landen">

B. PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUKTEN OF ANDER MATERIAAL WAARVAN HET OP HUN GRONDGEBIED BINNENBRENGEN IN BEPAALDE LID-STATEN KAN WORDEN VERBODEN

"" ID="1">1. Citrusplanten (Citrus L.)> ID="2">Frankrijk, Italië"> ID="1">2. Eucalyptus-planten (Eucalyptus l'Herit.), met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Italië"> ID="1">3. Hout en planten van de wijnstok (Vitis L. partim), met uitzondering van vruchten, zaden en niet beworteld vegetatief teeltmateriaal> ID="2">Duitsland"> ID="1">4. Planten van Chaemaecyparis lawsoniana (Murr.) Parl. "elwoodii" Chaemaecyparis pisifera "Boulevard", Rhododendron impeditum Balf.f. et Sm., Daboecia spp.> ID="2">Ierland, Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">5. Bast, alleen, van naaldbomen uit de gematigde en subarctische luchtstreken van Europa> ID="2">Ierland, Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">6. Bast, alleen, van Picea A. Dietr. uit de gematigde en subarctische luchtstreken van Europa> ID="2">Verenigd Koninkrijk (Groot-Brittannië)"> ID="1">7. Andere Berberis spp.-soorten dan de volgende soorten en ondersoorten:

Berberis aggregata Schn.

Berberis dictyophylla Franch.

Berberis koreana Palib.

Berberis rubrostilla Chitt.

Berberis wilsonae Hemsl.

Berberis parvifolia Sprague

Berberis prattii Schn.

Berberis thunbergii DC.

Alle andere bladhoudende rassen met uitzondering van Mahoberberis Schn.> ID="2">Denemarken, Ierland">

BIJLAGE IV

A. BIJZONDERE EISEN DIE DOOR ALLE LID-STATEN DIENEN WORDEN GESTELD VOOR HET BINNENBRENGEN VAN PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUKTEN OF ANDER MATERIAAL

"" ID="1">1. Naaldhout, van oorsprong uit landen van de gematigde en subarctische luchtstreken buiten Europa> ID="2">Het hout moet van de bast zijn ontdaan"> ID="1">2. Hout van Castanea en Quercus, van oorsprong uit Noordamerikaanse landen> ID="2">Het hout moet van de bast zijn ontdaan

Officiële constatering dat het watergehalte niet meer bedraagt dan 20 %, berekend op de droge stof"> ID="1">3. Hout van Castanea en Quercus, van oorsprong uit Roemenië en de USSR> ID="2">a) Officiële constatering dat het hout van oorsprong is uit streken die bekend staan als vrij van Ophiostoma roboris of Endothia parasitica

of

b) Het hout moet van de bast zijn ontdaan

Officiële constatering dat het watergehalte niet meer bedraagt dan 20 %, berekend op de droge stof"> ID="1">4. Hout van Castanea en Quercus, van oorsprong uit andere landen dan Noord-amerikaanse landen, Roemenië en de USSR> ID="2">a) Officiële constatering dat het hout van oorsprong is uit streken die bekend staan als vrij van Endothia parasitica

of

b) Het hout moet van de bast zijn ontdaan"> ID="1">5. Hout van Populus, van oorsprong uit Amerikaanse landen> ID="2">Het hout moet van de bast zijn ontdaan"> ID="1">6. Hout van Ulmus> ID="2">Het hout moet van de bast zijn ontdaan"> ID="1" ASSV="2">7. Planten van Castanea

a) van elke oorsprong> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Endothia parasitica zijn waargenomen"> ID="2">Officiële constatering dat de planten van oorsprong zijn uit streken die bekend staan als vrij van Ceratocystis fagacearum en Ophiostoma roboris"> ID="1">8. Planten van Pinus, met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit Europese landen> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Cronartium quercuum zijn waargenomen"> ID="1" ASSV="2">9. Planten van Populus, met uitzondering van vruchten en zaden

a) van elke oorsprong> ID="2">Officiële constatering

- dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Mycosphaerella populorum (Septoria musiva) zijn waargenomen

- en dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen"> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Hypoxylon pruinatum of Melampsora medusae zijn waargenomen"> ID="1">10. Planten van Pseudotsuga, van oorsprong uit Aziatische landen, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Guignardia laricina zijn waargenomen"> ID="1">11. Planten van Pseudotsuga en Larix, van oorsprong uit Amerikaanse landen, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijselen veroorzaakt door Melampsora medusae zijn waargenomen"> ID="1" ASSV="2">12. Planten van Quercus

a) van elke oorsprong> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Endothia parasitica of Cronartium quercuum zijn waargenomen"> ID="2">Officiële constatering

- dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode noch op het terrein waar de planten gegroeid zijn, noch in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door Cronartium fusiforme zijn waargenomen

- en dat de planten van oorsprong zijn uit streken die bekend staan als vrij van Ceratocystis fagacearum en Ophiostoma roboris"> ID="1">13. Planten van Ulmus, met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit Noordamerikaanse landen> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode noch op het terrein waar de planten gegroeid zijn, noch in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door Floëemnecrose zijn waargenomen"> ID="1">14. Planten van de Ulmaceae, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode noch op het terrein waar de planten gegroeid zijn, noch in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door Ceratocystis ulmi zijn waargenomen"> ID="1">15. Planten van Crataegus, Cotoneaster, Cydonia, Malus, Pyracantha, Pyrus, Sorbus en Stranvaesia, met uitzondering van vruchten, zaden en delen van planten bestemd voor sierdoeleinden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste twee volledige vegetatieperioden noch op het terrein waar de planten gegroeid zijn, noch in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door Erwinia amylovora zijn waargenomen en dat, voor zover bekend, gedurende dezelfde periode in een straal van ten minste 5 km daaromheen geen besmetting met Erwinia amylovora is opgetreden"> ID="1">16. Planten van Prunus, voor zover deze niet vallen onder punt 17, planten van Rubus, voor zover deze niet vallen onder punt 18, en planten van Cydonia, Ligustrum, Malus, Pyrus, Ribes, Rosa en Syringa, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen"> ID="1">17. Planten van de soorten;

Prunus amygdalus

Prunus armeniaca

Prunus brigantina

Prunus cerasifera

Prunus domestica

Prunus insititia

Prunus nigra

Prunus persica

Prunus salicina

Prunus spinosa

Prunus tomentosa

Prunus triloba

en van andere voor het Sharka-virus gevoelige prunussoorten die bestemd zijn om te worden opgeplant, met uitzondering van zaden> ID="2">Officiële constatering

a) dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's, met uitzondering van het Sharka-virus, zijn waargenomen

b) dat de planten, met uitzondering van de zaailingen,

- ofwel officieel zijn gecertificeerd in het kader van een certificatiestelsel waarbij wordt geëist dat zij in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en geregeld is onderworpen aan officiële virologische tests betreffende ten minste het Sharka-virus, waarbij de indicatoren van Prunus of gelijkwaardige methoden worden gebruikt, en bij die tests vrij is bevonden van deze virussen

- ofwel in rechte lijn voorkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en gedurende de laatste drie volledige vegetatieperioden aan ten minste één officiële virologische test betreffende het Sharka-virus is onderworpen, waarbij de indicatoren van Prunus of gelijkwaardige methoden worden gebruikt, en bij die tests vrij is bevonden van het Sharka-virus

c) dat sedert het begin van de laatste drie volledige vegetatieperioden noch op de planten noch op de planten van dezelfde soorten op het terrein waar zij gegroeid zijn of in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door het Sharka-virus zijn waargenomen"> ID="1">18. Planten van Rubus idaeus, Rubus fructicosus en Rubus occidentalis, bestemd voor opplant, van oorsprong uit Noord-Amerika, Japan en alle andere landen waar, naar bekend is, besmetting van Rubus met tomato ring spot virus is voorgekomen> ID="2">a) De planten moeten een afdoende behandeling tegen aphididae (bladluizen) hebben ondergaan

b) Officiële constatering

aa) dat de planten

- ofwel officieel zijn gecertificeerd in het kader van een certificatiestelsel waarbij wordt geëist dat zij in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en geregeld is onderworpen aan officiële virologische tests betreffende ten minste tomato ring spot virus en bij die tests vrij is bevonden van deze virussen

- ofwel in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en gedurende de laatste drie volledige vegetatieperioden aan ten minste één officiële virologische test betreffende tomato ring spot virus is onderworpen en bij de tests vrij is bevonden van deze virussen

bb) dat de planten afkomstig zijn van een terrein waarvan noch de grond noch ring spot virus en waarop sedert het begin van de laatste drie volledige vegetatieperioden geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen"> ID="1">19. Planten van Rubus idaeus, Rubus fructicosus en Rubus occidentalis, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit een land waar, naar bekend is, besmetting met raspberry leaf curl virus is voorgekomen> ID="2">a) De planten moeten een afdoende behandeling tegen aphididae (bladluizen) hebben ondergaan

b) Officiële constatering

aa) dat de planten

- ofwel officieel zijn gecertificeerd in het kader van een certificatiestelsel waarbij wordt geëist dat zij in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en geregeld is onderworpen aan officiële virologische tests betreffende ten minste raspberry leaf curl virus en bij die tests vrij is bevonden van deze virussen

- ofwel in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en gedurende de laatste drie volledige vegetatieperioden aan ten minste één officiële virologische test betreffende raspberry leaf curl virus is onderworpen en bij de tests vrij is bevonden van deze virussen

bb) dat de plante afkomstig zijn van een terrein waarvan noch de grond noch de planten besmet zijn met raspberry leaf curl virus en waarop sedert het begin van de laatste drie volledige vegetatieperioden geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen"> ID="1">20. Planten van Vitis, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen"> ID="1">21. Planten van Fragaria, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, voor zover zij niet vallen onder punt 22> ID="2">Officiële constatering

a) dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen

b) en dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Phytophthora fragariae zijn waargenomen"> ID="1">22. Planten van Fragaria, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit Noord-Amerika> ID="2">Officiële constatering

a) dat de planten, met uitzondering van de zaailingen,

- ofwel officieel zijn gecertificeerd in het kader van een certificatiestelsel waarbij wordt geëist dat zij rechtstreeks voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en geregeld is onderworpen aan officiële virologische tests betreffende ten minste strawberry vein banding virus, strawberry witches' broom virus en strawberry latent C. virus, en bij die tests vrij is bevonden van deze virussen

- ofwel in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat in passende omstandigheden is bewaard en gedurende de laatste drie volledige vegetatieperioden aan ten minste één officiële virologische test betreffende bovengenoemde virussen is onderworpen en bij die tests vrij is bevonden van deze virussen

b) dat sedert het begin van de laatste vier volledige vegetatieperioden op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen van ziekten veroorzaakt door schadelijke virussen of schadelijke mycoplasma's zijn waargenomen

c) dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Phytophthora fragariae zijn waargenomen"> ID="1">23. Knollen van Solanum tuberosum, van oorsprong uit de Gemeenschap> ID="2">Officiële constatering dat de communautaire bepalingen met betrekking tot de bestrijding van Corynebacterium sepedonicum en van Synchytrium endobioticum zijn nagekomen"> ID="1">24. Knollen van Solanum tuberosum, van oorsprong uit derde landen> ID="2">Officiële constatering

- hetzij, dat de knollen van oorsprong zijn uit streken die bekend staan als vrij van Corynebacterium sepedonicum en van Synchytrium endobioticum, van andere rassen dan het gewone Europese ras, en

dat gedurende een passende periode noch op het terrein waar de knollen zijn gegroeid, noch in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door Synchytrium endobioticum zijn waargenomen

- hetzij, dat in het land van oorsprong bepalingen in acht zijn genomen die, overeenkomstig de procedure van artikel 16, zijn erkend als gelijkwaardig met de communautaire bepalingen"> ID="1">25. Knollen van Solanum tuberosum, met uitzondering van nieuwe aardappelen (primeurs), van oorsprong uit Amerikaanse landen en overige derde landen waar, naar bekend is, potato spindle tuber virus voorkomt> ID="2">Kieming moet onmogelijk gemaakt zijn"> ID="1">26. Pootgoed van Solanum tuberosum> ID="2">Officiële constatering dat het pootgoed van Solanum tuberosum afkomstig is van een terrein dat vrij is van Heterodera rostochiensis en Heterodera pallida"> ID="1">27. Planten van Solanaceeën, bestemd voor opplant, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Stolbur zijn waargenomen"> ID="1">28. Planten van Humulus lupulus, met uitzondering van zaden en geoogste hop> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Verticillium alboatrum zijn waargenomen"> ID="1">29. Planten van Chrysanthemum, met uitzondering van snijbloemen en zaden> ID="2">Officiële constatering

a) dat de planten ten hoogste van de derde generatie zijn en voortkomen uit materiaal dat bij virologische tests vrij is bevonden van Chrysanthemum stunt virus

of rechtstreeks voortkomen uit materiaal waarvan een representatief monster van ten minste 10 % bij een officiële controle tijdens de bloeitijd vrij is bevonden van Chrysanthemum stunt virus

b) dat het officiële certificaat niet eerder is afgegeven dan 48 uur voor het opgegeven tijdstip van verzending vanaf het terrein waar de planten gegroeid zijn

c) dat de planten en stekken afkomstig zijn van bedrijven:

- die ten minste één maal per maand officieel zijn geïnspecteerd gedurende drie maanden voorafgaand aan de verzending, waarbij in deze periode geen verschijnselen veroorzaakt door Puccinia horiana zijn waargenomen

- en in de onmiddellijke nabijheid waarvan, voor zover bekend, geen verschijnselen veroorzaakt door Puccinia horiana zijn opgetreden gedurende de drie maanden voorafgaand aan de verzending

d) dat bij stekken zonder wortels geen verschijnselen veroorzaakt door Didymella chrysanthemi zijn opgetreden op de stekken of op de planten waarvan de stekken afkomstig zijn

of dat, bij stekken met wortels, geen verschijnselen veroorzaakt door Didymella chrysanthemi zijn waargenomen op de stekken of in de omgeving daarvan"> ID="1">30. Planten van Dianthus caryophyllus, met uitzondering van snijbloemen en zaden> ID="2">Officiële constatering

- dat de planten voortkomen uit materiaal dat bij gedurende de laatste twee jaar uitgevoerde officieel erkende tests vrij is bevonden van Erwinia chrysanthemi, Pseudomonas caryophylli, Pseudomonas woodsii en Phialophora cinerescens

- dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door bovengenoemde schadelijke organismen zijn waargenomen"> ID="1">31. Planten van Gladiolus> ID="2">Officiële constatering

a) dat de planten van oorsprong zijn uit een land dat bekend staat als vrij van Uromyces spp. of

b) dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Uromyces spp. zijn waargenomen"> ID="1">32. Bollen van Tulipa en Narcissus> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de bollen geteeld zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Ditylenchus dipsaci zijn waargenomen"> ID="1" ASSV="2">33. Planten van Pelargonium X. hortorum (met inbegrip van P. zonale) en P.X. domesticum, met uitzondering van zaden, bestemd voor opplant, van oorsprong uit landen waar, naar bekend is, tomato ring spot virus voorkomt,

a) waar, voor zover bekend, noch Xiphinema americanum noch andere dragers van tomato ring spot virus voorkomen, en> ID="2">Officiële constatering dat de planten

a) rechtstreeks afkomstig zijn uit kwekerijen die niet besmet zijn met tomato ring spot virus

b) of ten hoogste van de vierde generatie zijn en voortkomen uit materiaal dat bij officieel erkende virologische tests vrij is bevonden van tomato ring spot virus"> ID="2">Officiële constatering dat de planten

a) rechtstreeks afkomstig zijn uit kwekerijen die niet besmet zijn met tomato ring spot virus, zulks noch in de bodem, noch op de planten

b) ten hoogste van de tweede generatie zijn en voortkomen uit materiaal dat bij officieel erkende virologische tests vrij is bevonden van tomato ring spot virus"> ID="1">34. Bewortelde planten, opgeplant of bestemd voor opplant, en gekweekt op de koude grond> ID="2">Officiële constatering dat het terrein waar de planten gegroeid zijn vrij is van Synchytrium endobioticum, van Heterodera pallida, Heterodera rostochiensis en van Corynebacterium sepedonicum"> ID="1">35. Planten met aanhangende grond, van oorsprong uit Japan en Noord-Amerika> ID="2">Officiële constatering dat de grond vrij is bevonden van schadelijke organismen"> ID="1">36. Grond die plantedelen of humus bevat, van oorsprong uit niet-Europese landen> ID="2">Officiële constatering dat de grond vrij is bevonden van schadelijke organismen"> ID="1">37. Planten van Beta spp., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit landen waar, naar bekend is, beet leaf curl virus voorkomt> ID="2">Officiële constatering

a) dat in de streken waar de planten gegroeid zijn, voor zover bekend geen besmetting met beet leaf curl virus is opgetreden

b) en dat er sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode noch op het terrein waar de planten gegroeid zijn, noch in de onmiddellijke omgeving daarvan, verschijnselen veroorzaakt door het beet leaf curl virus zijn waargenomen"> ID="1">38. Zaaizaad van Medicago sativa> ID="2">Officiële constatering

- dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waarvan het zaaizaad afkomstig is geen verschijnselen veroorzaakt door Ditylenchus dipsaci zijn waargenomen en dat bij laboratoriumproeven met een representatief monster geen verschijnselen aan het licht zijn getreden, of

- dat er vóór de uitvoer begassing heeft plaatsgevonden"> ID="1">39. Zaaizaad van Medicago sativa, van oorsprong uit landen waar Corynebacterium insidiosum voorkomt> ID="2">Officiële constatering

- dat Corynebacterium insidiosum voor zover bekend de laatste tien jaar niet is voorgekomen op het bedrijf of in de onmiddellijke omgeving daarvan

- dat het gewas zich op het tijdstip van de oogst in de eerste of in de tweede volledige vegetatieperiode na de inzaaiing bevindt

- dat gedurende de laatste volledige vegetatieperiode of in voorkomend geval gedurende de laatste twee volledige vegetatieperioden noch op het terrein waarvan het zaaizaad afkomstig is, noch in naast de Medicago sativa groeiende gewassen, verschijnselen veroorzaakt door Corynebacterium insidiosum zijn waargenomen

- dat het gewas is verbouwd op een terrein waarop gedurende de laatste drie jaar voor de inzaaiing geen Medicago sativa is verbouwd"> ID="1">40. Zaaizaad van Pisum sativum> ID="2">Officiële constatering

- hetzij dat voor zover bekend gedurende een passende periode in de streek waaruit het zaaizaad afkomstig is, geen besmetting met Pseudomonas pisi is voorgekomen

- hetzij dat sedert het begin van de tweede volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waarvan het zaaizaad afkomstig is, geen verschijnselen veroorzaakt door Pseudomonas pisi zijn waargenomen"> ID="1">41. Zaad van Solanum lycopersicum> ID="2">Officiële constatering

- dat het zaad afkomstig is uit niet door tomato bunchy top virus en potato spindle tuber virus besmette streken

- dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waarvan het zaad afkomstig is, geen verschijnselen veroorzaakt door tomato bunchy top virus en potato spindle tuber virus zijn waargenomen">

B. BIJZONDERE EISEN DIE DOOR SOMMIGE LID-STATEN KUNNEN WORDEN GESTELD VOOR HET BINNENBRENGEN VAN PLANTEN EN PLANTAARDIGE PRODUKTEN

"" ID="1">1. Naaldhout, van oorsprong uit andere landen dan bedoeld in bijlage IV, deel A, punt 1> ID="2">Het hout moet van de bast zijn ontdaan> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">2. Hout van Castanea en Quercus, niet van de bast ontdaan, van oorsprong uit Noord-Amerika> ID="2">Officiële constatering dat het hout afkomstig is uit streken die niet met Cronartium quercuum of Cronartium fusiforme zijn besmet> ID="3">Italië"> ID="1">3. Hout van Picea, van oorsprong uit andere landen dan bedoeld in bijlage IV, deel A, punt 1> ID="2">Het hout moet van de bast zijn ontdaan> ID="3">Verenigd Koninkrijk (Groot-Brittannië)"> ID="1">4. Planten van Larix, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat het terrein waar de planten gegroeid zijn vrij is van Cephalcia alpina> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">5. Planten van Picea en Pinus, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat het terrein waar de planten gegroeid zijn vrij is van Scleroderris lagerbergii> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">6. Planten van Picea, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden> ID="2">Officiële constatering dat het terrein waar de planten gegroeid zijn vrij is van Gilpinia hercyniae en van Pristiphora abietina> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">7. Planten van Ulmus en van Zelkova spp., bestemd voor opplant, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering

a) dat de planten ten hoogste één jaar oud zijn, en niet hoger zijn dan 30 cm

b) dat in de kwekerij waar de planten zijn gekweekt of in de onmiddellijke omgeving daarvan sedert de laatste twee volledige vegetatieperioden geen verschijnselen veroorzaakt door Ceratocystis ulmi zijn waargenomen en

c) dat de planten zijn behandeld om ze met behulp van afdoende bestrijdingsmiddelen te beschermen tegen alle dragers van Ceratocystis ulmi> ID="3">Denemarken,

Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">8. Planten van Citrus, met uitzondering van vruchten en zaden> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op de planten op het terrein waar zij gegroeid zijn geen verschijnselen van virusziekten zijn waargenomen> ID="3">Frankrijk,

Italië"> ID="1">9. Knollen van Solanum tuberosum> ID="2">a) Officiële constatering dat de knollen

- afkomstig zijn uit gebieden die sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode niet besmet zijn geweest met Leptino tarsa decemlineata of waar maatregelen zijn getroffen tot intensieve bestrijding van deze schadelijke organismen

- vóór de uitvoer op passende wijze zijn gereinigd en verpakt

b) De knollen moeten zodanig worden vervoerd dat elke besmetting met Leptinotarsa decemlineata wordt vermeden> ID="3">Denemarken,

Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">10. Knollen van Solanum tuberosum, met uitzondering van nieuwe aardappelen (primeurs) en pootaardappelen> ID="2">Kieming moet onmogelijk zijn gemaakt> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)"> ID="1">11. Knollen van Solanum tuberosum, van oorsprong uit derde landen> ID="2">Officiële constatering dat de planten van oorsprong zijn uit een derde land van de lijst die wordt opgesteld volgens de procedure van artikel 16> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">12. Knollen van Solanum tuberosum, rechtstreeks afkomstig van pootaardappelen van oorsprong uit een ander derde land dan de derde landen waarvan de lijst wordt opgesteld volgens de procedure van artikel 16> ID="2">Officiële constatering dat de knollen steekproefsgewijze zijn gecontroleerd en daarbij vrij zijn bevonden van Corynebacterium sepedonicum> ID="3">Ierland"> ID="1">13. Planten van Allium spp., bestemd voor opplant of vermeerdering> ID="2">Officiële constatering dat sedert het begin van de volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Urocystis cepulae zijn waargenomen> ID="3">Ierland"> ID="1">14. Tijdens de periode van 1 april tot en met 14 oktober: planten (met uitzondering van de zaden) van Beta, Brassica, Cichorium, Daucus, Lactuca, met loof> ID="2">a) Officiële constatering dat de planten

- onder vaste installaties van glas of van plastic zijn gekweekt, of afkomstig zijn uit gebieden die sedert het begin van de laatste vegetatieperiode niet besmet zijn geweest met Leptinotarsa decemlineata of uit gebieden waar maatregelen zijn getroffen om deze schadelijke organismen intensief te bestrijden

- vóór de uitvoer op passende wijze zijn gereinigd en verpakt

b) De planten moeten zodanig worden vervoerd dat elke besmetting met Leptinotarsa decemlineata wordt vermeden> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">15. Planten van Chrysanthemum, Dianthus en Pelargonium, met uitzondering van snijbloemen en zaden> ID="2">Officiële constatering

a) dat sedert het begin van de laatste volledige vegetatieperiode op het terrein waar de planten gegroeid zijn geen verschijnselen veroorzaakt door Epichoristodes acerbella, Spodoptera littoralis, Spodoptera litura en Helicoverpa armigera zijn waargenomen, of

b) dat de planten een afdoende behandeling tegen deze organismen hebben ondergaan> ID="3">Denemarken,

Duitsland,

Frankrijk,

Ierland,

Verenigd Koninkrijk"> ID="1">16. Bewortelde planten, opgeplant of voor opplant bestemd> ID="2">Officiële constatering dat het terrein waar de planten gegroeid zijn vrij is bevonden van Phytophthora cinnamomi> ID="3">Ierland,

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)">

BIJLAGE V

Planten, plantaardige produkten of andere materialen die, om in alle Lid-Staten, te worden binnengelaten, door het land van oorsprong of het land van verzending aan een planteziektenkundig onderzoek dienen te worden onderworpen

1. Planten, opgeplant of voor opplant bestemd, met uitzondering van zaden en aquariumplanten

2. De volgende delen van planten:

a) afgesneden bloemen en delen van planten voor sierdoeleinden, van:

Castanea

Chrysanthemum

Dianthus

Gladiolus

Prunus

Quercus

Rosa

Salix

Syringa

Vitis

b) vèrse vruchten van:

Citrus, met uitzondering van citroenen (Citrus Limon (L.) Burm. en Citrus medica L.)

Cydonia

Malus

Prunus

Pyrus

3. Aardappelknollen (Solanum tuberosum L.)

4. Hout van:

- Castanea, Quercus en Ulmus

- Naaldbomen, van oorsprong uit andere werelddelen dan Europa

- Populus, van oorsprong uit de Amerikaanse landen

5. Grond:

- plantedelen of humus bevattend, waarbij turf niet wordt beschouwd als plantedelen of humus

- die aan planten hangt of daarbij is gevoegd

BIJLAGE VI

Planten die dienen te worden onderworpen aan ontsmetting

Planten van de geslachten Acacia, Acer, Amelanchier, Chaenomeles, Cotoneaster, Crataegus, Cydonia, Euonymus, Fagus, Juglans, Ligustrum, Maclura, Malus, Populus, Prunus, Ptelea, Pyrus, Ribes, Rosa, Salix, Sorbus, Symphoricarpus, Syringa, Tilia, Ulmus en Vitis, met uitzondering van vruchten, zaden en delen van planten voor sierdoeleinden.

BIJLAGE VII

Planten en plantaardige produkten die aan een bijzondere regeling kunnen worden onderworpen

1. Granen en daarvan afgeleide produkten

2. Droge peulvruchten

3. Knollen van maniok en daarvan afgeleide produkten

4. Afvallen van de produktie van oliën van plantaardige oorsprong

BIJLAGE VIII

A. MODEL

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

DE PLANTEZIEKTENKUNDIGE DIENST

Nr. ...

van: ...

aan: DE PLANTEZIEKTENKUNDIGE DIENST (EN)

van: ...

OMSCHRIJVING VAN DE ZENDING

Naam en adres van de afzender: ...

Naam en adres van de ontvanger: ...

Aantal en soort der colli: ...

Merken der colli: ...

Herkomst: ...

Vermoedelijk vervoermiddel: ...

Vermoedelijke grensovergang: ...

Opgegeven hoeveelheid en benaming van het produkt: ...

Botanische benaming van de planten: ...

Hierbij wordt verklaard dat de hierboven omschreven planten of plantaardige produkten zijn geïnspecteerd en vrij werden bevonden van quarantainabele ziekten en vrijwel vrij van andere gevaarlijke ziekten, en dat zij in overeenstemming worden geacht met de fytosanitaire regeling die in het land van bestemming geldt.

BESTRIJDINGS- EN/OF ONTSMETTINGSBEHANDELING

Datum: ... Behandeling: ...

Chemisch produkt (actieve stof): ...

Duur en temperatuur: ...

Concentratie: ...

Nadere inlichtingen: ...

Toegevoegde verklaring: ...

Plaats van afgifte: ...

Naam van de bevoegde functionaris: ...

Datum: ...

(dienststempel)

(handtekening)

B. MODEL

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR HERVERZENDING

Nr. ...

DE PLANTEZIEKTENKUNDIGE DIENST

van: ... (land van herverzending)

aan: DE PLANTEZIEKTENKUNDIGE DIENST (EN)

van: ... (land (en) van bestemming)

OMSCHRIJVING VAN DE ZENDING

Naam en adres van de afzender: ...

Naam en adres van de ontvanger: ...

Aantal en omschrijving der colli: ...

Merken der colli: ...

Herkomst: ...

Vermoedelijk vervoermiddel: ...

Vermoedelijke grensovergang: ...

Opgegeven hoeveelheid en benaming van het produkt: ...

Botanische benaming van de planten: ...

Hierbij wordt verklaard dat de hierboven omschreven planten of plantaardige produkten zijn ingevoerd in ... (land van herverzending) uit ... (land van oorsprong), met gezondheidscertificaat nr. ... waarvan het origineel a of een als eensluidend gewaarmerkt afschrift a hierbij gaat; dat zij zijn verpakt a opnieuw zijn verpakt a in de oorspronkelijke verpakking a in een nieuwe verpakking a; dat zij op grond van het oorspronkelijke gezondheidscertificaat a en een aanvullend onderzoek a in overeenstemming worden geacht met de geldende fytosanitaire voorschriften van het land van bestemming en dat de produkten gedurende de opslag in ... (land van herverzending) niet aan het risico van besmetting of infectie hebben blootgestaan.

BESTRIJDINGS- EN/OF ONTSMETTINGSBEHANDELING

Datum: ... Behandeling: ...

Chemisch produkt (actieve stof): ...

Duur en temperatuur: ...

Concentratie: ...

Nadere inlichtingen: ...

Toegevoegde verklaring: ...

Plaats van afgifte: ...

Naam van de bevoegde functionaris: ...

Datum: ...

(dienststempel)

(handtekening)

a Vermelden hetgeen van toepassing is.