31968L0365

Richtlijn 68/365/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden in de levensmiddelenindustrie alsmede bij de vervaardiging van dranken (klassen 20 en 21 C.I.T.I.)

Publicatieblad Nr. L 260 van 22/10/1968 blz. 0009 - 0012
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 6 Deel 1 blz. 0072
Bijzondere uitgave in het Deens: Serie I Hoofdstuk 1968(II) blz. 0496
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 6 Deel 1 blz. 0072
Bijzondere uitgave in het Engels: Serie I Hoofdstuk 1968(II) blz. 0505
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 06 Deel 1 blz. 0096
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 06 Deel 1 blz. 0093
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 06 Deel 1 blz. 0093


++++

( 1 ) PB nr . 2 van 15 . 1 . 1962 , blz . 36/62 .

( 2 ) PB nr . 2 van 15 . 1 . 1962 , blz . 32/62 .

( 3 ) PB nr . 23 van 5 . 2 . 1966 , blz . 345/66 .

( 4 ) PB nr . 14 van 25 . 1 . 1966 , blz . 211/66 .

( 5 ) Zie blz . 1 van dit Publikatieblad .

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 15 oktober 1968

betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden in de levensmiddelenindustrie alsmede bij de vervaardiging van dranken ( klassen 20 en 21 C.I.T.I . )

( 68/365/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 54 , leden 2 en 3 , en artikel 63 , leden 2 en 3 ,

Gelet op het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging ( 1 ) , inzonderheid op titel IV C ,

Gelet op het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten ( 2 ) , inzonderheid op titel V C ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 3 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 4 ) ,

Overwegende dat de Algemene Programma's voorschrijven dat elke op de nationaliteit gebaseerde discriminerende behandeling bij de vestiging en het verrichten van diensten in de levensmiddelenindustrie alsmede bij de vervaardiging van dranken , v}}r het einde van de tweede etappe dient te zijn opgeheven ; dat in dit opzicht , zoals uit de programma's blijkt , geen onderscheid wordt gemaakt tussen industriële en ambachtelijke bedrijven wat de datum der liberalisatie betreft ; dat het namelijk niet mogelijk is de liberalisatie voor ambachtelijke bedrijven op een later tijdstip te doen plaatsvinden , aangezien de juridische definities van het ambacht in de verschillende landen te sterk van elkaar afwijken en distorsies zouden kunnen ontstaan , indien voor bedrijven met dezelfde economische structuur op verschillende tijdstippen liberalisatie zou plaatsvinden ; dat bovendien coordinatie van de wettelijke bepalingen betreffende het ambacht omvangrijke voorbereidende werkzaamheden vereist , waardoor de verwezenlijking van de liberalisatie slechts zou worden vertraagd ; dat evenwel de opheffing van de beperkingen voor vreemdelingen vergezeld moet gaan van overgangsmaatregelen die bestemd zijn om de gevolgen van de verschillen tussen de nationale wetgevingen op te vangen en vervat zijn in een bijzondere richtlijn ;

Overwegende dat deze richtlijn niet van toepassing is op de ambulante verkoop zoals omschreven in artikel 2 , lid 1 , tweede alinea , van de richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de kleinhandel ressorteren ( ex groep 612 C.I.T.I . ) ( 5 ) , derhalve niet op de werkzaamheden van ambulante handelaren en colporteurs , noch op de werkzaamheden van hen die op niet-overdekte markten verkopen en van hen die op overdekte markten , doch niet in vaste inrichtingen verkopen ;

Overwegende dat deze richtlijn niet van toepassing is op de produktie van grondstoffen voor levensmiddelen en dranken door de landbouw , met inbegrip van de wijnbouw , door de bosbouw , de jacht en de visserij , noch op de visverwerking aan boord van vissersschepen of fabrieksschepen ; dat deze werkzaamheden in het kader van andere richtlijnen zullen worden geliberaliseerd ;

Overwegende dat sedert de aanvaarding van de algemene programma's , voor de Europese Gemeenschappen een eigen systematische indeling van industriële werkzaamheden is opgesteld onder de benaming " Systematische indeling der industrietakken in de Europese Gemeenschappen " ( N.I.C.E . ) ; dat deze indeling , waarin verwijzingen naar de nationale naamlijsten zijn opgenomen , met behoud van dezelfde decimale indeling , beter aan de behoeften van de Lid-Staten van de Gemeenschappen is aangepast dan de " Classification internationale type , par industrie de toutes les branches d'activité économique " ( C.I.T.I . ) ; dat derhalve de genoemde systematische indeling gevolgd moet worden voor de indeling van de te liberaliseren werkzaamheden , wanneer een richtlijn talrijke werkzaamheden betreft die nauwkeurig moeten worden omschreven om de tenuitvoerlegging van de richtlijn te vergemakkelijken , voor zover daardoor het in de algemene programma's vastgestelde tijdschema , dat voortvloeit uit de aanvaarding van de C.I.T.I . indeling , niet wordt gewijzigd ; dat in het onderhavige geval het aanhouden van de N.I.C.E . niet zulk een gevolg kan hebben ;

Overwegende dat afzonderlijke richtlijnen , toepasselijk op alle anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden , zijn of zullen worden vastgesteld met betrekking tot de bepalingen inzake verplaatsing en verblijf van de begunstigden , alsmede , voor zover nodig , richtlijnen voor de coordinatie van de waarborgen die de Lid-Staten eisen van vennootschappen ter bescherming van de belangen zowel van vennoten als van derden ;

Overwegende dat , overeenkomstig de bepalingen van het algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging , de beperkingen inzake de bevoegdheid om zich bij beroepsen bedrijfsorganisaties aan te sluiten moeten worden opgeheven voor zover de werkzaamheden van de betrokkene de uitoefening van deze bevoegdheid medebrengen ;

Overwegende dat de positie van de werknemers in loondienst , die degene die de dienst verricht , vergezellen of voor rekening van deze laatste handelen , is geregeld bij de uit hoofde van de artikelen 48 en 49 van het Verdrag getroffen maatregelen ;

Overwegende dat de werkzaamheden die betrekking hebben op de verkoop in het klein door producenten die , zonder als producent in het ontvangende land gevestigd te zijn , daar zelf hun produkten aan de eindverbruiker verkopen , vallen onder de richtlijn van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de kleinhandel ressorteren ( ex groep 612 C.I.T.I . ) en dat derhalve de onderhavige richtlijn op deze werkzaamheden niet van toepassing is ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1

De Lid-Staten heffen ten behoeve van de in titel I van de Algemene Programma's voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten genoemde natuurlijke personen en vennootschappen , hierna begunstigden genoemd , de in titel III van die programma's bedoelde beperkingen op , ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van de in artikel 2 genoemde werkzaamheden .

Artikel 2

1 . De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden in de levensmiddelenindustrie , alsmede bij de vervaardiging van dranken , die vermeld zijn in de klassen 20 en 21 van bijlage II van het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging , met uitzondering van de vervaardiging van geneesmiddelen en farmaceutische produkten .

Deze werkzaamheden komen overeen met die welke zijn opgesomd in de klassen 20 A , 20 B en 21 , en in groep 304 van de " Systematische indeling van de industrietakken in de Europese Gemeenschappen " ( N.I.C.E . ) , die rekening houdt met de bijzondere kenmerken van de structuur der Europese verwerkende bedrijfstakken ; deze werkzaamheden komen in de bijlage voor .

2 . De bepalingen van deze richtlijn zijn ook van toepassing op de verkoopwerkzaamheden van fabrikanten die als zodanig in het ontvangende land gevestigd zijn en zelf hun produktie verkopen , hetzij in het groot , hetzij in het klein .

3 . De bepalingen van deze richtlijn zijn niet van toepassing op ambulante verkoopwerkzaamheden .

Artikel 3

1 . De Lid-Staten heffen de beperkingen op welke met name :

a ) de begunstigden verhinderen zich in het ontvangende land te vestigen of daar diensten te verrichten onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als de onderdanen van dat land ;

b ) voortvloeien uit een administratieve handelwijze die ten gevolge heeft dat op de begunstigden , in vergelijking tot de nationale onderdanen , een discriminerende behandeling wordt toegepast .

2 . Onder de op te heffen beperkingen komen in het bijzonder die voor , welke zijn vervat in de bepalingen die voor de begunstigden op de volgende wijze een verbod of beperking inhouden van de vestiging of het verrichten van diensten :

a ) in België :

door de verplichting in het bezit te zijn van een beroepskaart ( artikel 1 van de wet van 19 februari 1965 ) ;

b ) in Frankrijk :

_ door de verplichting in het bezit te zijn van een legitimatiebewijs als buitenlands handelaar ( wetsbesluit van 12 november 1938 , wet van 8 oktober 1940 ) ;

_ door de uitsluiting van het recht huurovereenkomsten voor bedrijfsruimten te verlengen ( besluit van 30 september 1953 , artikel 38 ) ;

c ) in Luxemburg :

door de beperkte geldigheidsduur van de aan buitenlanders verleende vergunningen ( artikel 21 van de wet van 2 juni 1962 ) .

Artikel 4

1 . De Lid-Staten zien erop toe dat de begunstigden het recht hebben zich aan te sluiten bij beroeps - en bedrijfsorganisaties onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde rechten en verplichtingen als de eigen onderdanen . In het bijzonder ziet de Franse Republiek erop toe dat de begunstigden het lidmaatschap van de " Confédération des industries de traitement des produits de la pêche maritime " kunnen verwerven .

2 . In geval van vestiging brengt het recht van aansluiting mede het recht binnen de beroeps - of bedrijfsorganisatie verkiesbaar of benoembaar te zijn in een bestuursfunctie . Deze bestuursfuncties kunnen echter aan de nationale onderdanen worden voorbehouden , wanneer de betrokken organisatie uit hoofde van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling deelneemt aan de uitoefening van het openbaar gezag .

3 . In het Groothertogdom Luxemburg houdt het lidmaatschap van de Kamer van Koophandel en van de Kamer van Ambachten voor de begunstigden niet het recht in , deel te nemen aan de verkiezing van de bestuursorganen .

Artikel 5

De Lid-Staten verlenen aan diegenen van hun onderdanen die zich voor het verrichten van een van de in artikel 2 omschreven werkzaamheden naar een andere Lid-Staat begeven , geen steun waardoor de voorwaarden voor vestiging kunnen worden vervalst .

Artikel 6

1 . Indien een ontvangende Lid-Staat van zijn onderdanen voor de toegang tot een van de in artikel 2 bedoelde werkzaamheden een bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad , of slechts één van beide bewijzen eist , erkent deze Lid-Staat als voldoende bewijs voor de onderdanen der andere Lid-Staten het overleggen van een uittreksel uit het strafregister of , bij gebreke daarvan , een gelijkwaardig document , afgegeven door een bevoegde gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst , waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan .

Indien voor het feit dat er geen faillissement heeft plaatsgehad door het land van oorsprong of herkomst geen zodanig document wordt afgegeven , kan dit worden vervangen door een door betrokkene onder ede afgelegde verklaring ten overstaan van een gerechtelijke of overheidsinstantie , een notaris of een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie in het land van oorsprong of herkomst .

2 . Indien een Lid-Staat aan zijn onderdanen voor de toegang tot de werkzaamheden welke onder die van de zuivel - en melkproduktenfabrieken ( groep 202 N.I.C.E . ) ressorteren , bepaalde eisen van goed gedrag of betrouwbaarheid stelt , waarvan het bewijs niet door middel van het in lid 1 , eerste alinea , bedoelde document kan worden geleverd , erkent deze Lid-Staat voor de onderdanen van de andere Lid-Staten als voldoende bewijs een verklaring , afgegeven door een bevoegde gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of van herkomst , waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan . Deze verklaringen dienen betrekking te hebben op de nauwkeurig omschreven feiten die in het ontvangende land in aanmerking worden genomen .

3 . De overeenkomstig de leden 1 en 2 afgegeven documenten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden .

4 . De Lid-Staten wijzen binnen de in artikel 7 gestelde termijn de instanties en organisaties aan , die voor de afgifte van bovenbedoelde documenten bevoegd zijn , en stellen de overige Lid-Staten en de Commissie onverwijld daarvan in kennis .

5 . Wanneer in de ontvangende Lid-Staat de financiële draagkracht moet worden aangetoond , erkent deze Lid-Staat de door de banken van het land van oorsprong of herkomst afgegeven verklaringen als gelijkwaardig aan de op zijn eigen grondgebied afgegeven verklaringen .

Artikel 7

Binnen een termijn van zes maanden volgende op de kennisgeving van deze richtlijn treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor het volgen van deze richtlijn ; zij stellen de Commissie onverwijld daarvan in kennis .

Artikel 8

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Luxemburg , 15 oktober 1968 .

Voor de Raad

De Voorzitter

G . SEDATI

BIJLAGE

Lijst van de in de richtlijn bedoelde beroepswerkzaamheden , gebaseerd op de " Systematische indeling der industrietakken in de Europese Gemeenschappen " ( N.I.C.E . ) ( 1 )

Klasse * Groep

20 A * 200 * Vervaardiging van dierlijke en plantaardige oliën en vetten

20 B * * Voedingsmiddelennijverheid

* 201 * Slachterijen en vervaardiging van vleeswaren en vleesconserven

* 202 * Zuivel - en melkproduktenfabrieken

* 203 * Groente - en fruitverwerkende industrie

* 204 * Visbewerkingsinrichtingen

* 205 * Maalbedrijven , meelfabrieken , pellerijen

* 206 * Brood - , beschuit - , banket - , koek - en biscuitfabrieken

* 207 * Suikerfabrieken en raffinaderijen

* 208 * Cacao - , chocolade - en suikerwerkfabrieken

* 209 * Overige voedingsmiddelenfabrieken

21 * * Vervaardiging van dranken

* 211 * Ethylalcohol -( fermentatieprodukt ) fabrieken , gistfabrieken , bran -

* * derijen en distilleerderijen

* 212 * Vervaardiging van wijnen en van moutvrije , alcoholische dranken

* 213 * Bierbrouwerijen en mouterijen

* 214 * Vervaardiging van mineraalwater en alcoholvrije dranken

ex 30 * * Vervaardiging van rubber , plastische materialen , kunst - en synthe -

* * tische vezels en zetmeelprodukten

* 304 * Vervaardiging van zetmeelprodukten

( 1 ) De lijst is , wat de Nederlandse taal betreft , opgesteld op basis van de " Systematische indeling der industrietakken in de Europese Gemeenschappen " ( N.I.C.E . ) - Speciale uitgave in de reeks " Statistieken van de industrie " van het Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen , Brussel , juni 1963 .