27.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 278/3


VERDRAG

tot oprichting van de Vervoersgemeenschap

De partijen, zijnde

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de Europese Unie” genoemd,

en

DE ZUIDOOST-EUROPESE PARTIJEN, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo (*1) (hierna Kosovo genoemd), Montenegro, de Republiek Servië,

alle bovengenoemde partijen hierna samen „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

VOORTBOUWEND op het werk dat is verricht in het kader van het memorandum van overeenstemming inzake de ontwikkeling van het kernnetwerk voor regionaal vervoer in Zuidoost-Europa, dat op 11 juni 2004 is ondertekend in Luxemburg, en WIJZEND op het feit dat dit memorandum van overeenstemming niet langer relevant zal zijn;

ERKENNENDE het geïntegreerde karakter van het internationale vervoer en WENSENDE een Vervoersgemeenschap te verwezenlijken tussen de Europese Unie en de Zuidoost-Europese Partijen die gebaseerd is op de toenemende integratie van de vervoersmarkt van de overeenkomstsluitende partijen op grond van het desbetreffende acquis;

OVERWEGENDE dat de regels betreffende de Vervoersgemeenschap op multilaterale basis van toepassing moeten zijn binnen de Vervoersgemeenschap en dat in dat opzicht derhalve specifieke regels moeten worden bepaald;

WIJZEND op het interimakkoord en het desbetreffende memorandum van praktische maatregelen dat de Helleense Republiek en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in 1995 hebben ondertekend;

HET ERMEE EENS ZIJNDE dat het passend is de regels van de Vervoersgemeenschap te baseren op de desbetreffende in de Europese Unie geldende wetgeving, zoals vastgelegd in bijlage I bij dit Verdrag, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en REKENING HOUDEND met de daarin opgenomen wijzigingen, waaronder de vervanging van „Europese Gemeenschap” door „Europese Unie”,

ERMEE REKENING HOUDENDE dat de integratie van vervoersmarkten niet kan worden gerealiseerd in één stap, maar veeleer via een overgang die wordt vergemakkelijkt door specifieke afspraken van beperkte duur;

BENADRUKKENDE dat vervoerondernemers niet-discriminerend moeten worden behandeld met betrekking tot hun toegang tot vervoersinfrastructuur;

REKENING HOUDENDE met de wens van elk van de Zuidoost-Europese Partijen om hun wetgeving inzake vervoer en aanverwante onderwerpen verenigbaar te maken met die van de Europese Unie, ook gelet op de toekomstige ontwikkeling van het acquis binnen de Unie;

ERKENNENDE het belang van technische bijstand in dit verband;

REKENING HOUDENDE met de noodzaak om het milieu te beschermen en de klimaatverandering te bestrijden, en met het feit dat de vervoersector duurzaam moet worden ontwikkeld;

REKENING HOUDENDE met de noodzaak om de sociale dimensie van de Vervoersgemeenschap in aanmerking te nemen en om structuren voor sociale dialoog binnen de Zuidoost-Europese Partijen op te zetten;

REKENING HOUDENDE met het Europees perspectief van de Zuidoost-Europese Partijen zoals bevestigd tijdens een aantal recente bijeenkomsten van de Europese Raad;

EROP WIJZEND dat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, de Republiek Servië en de Republiek Albanië kandidaat-lidstaten van de Europese Unie zijn en dat ook Bosnië en Herzegovina het lidmaatschap heeft aangevraagd;

EROP WIJZEND dat de interne procedures van de lidstaten van de Europese Unie van toepassing kunnen zijn wanneer zij krachtens dit Verdrag documenten van de Kosovaarse autoriteiten ontvangen;

WIJZEND op de vastbeslotenheid van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten om nauwer bij de Europese Unie aan te sluiten en het acquis in te voeren, met name op het gebied van vervoer,

HEBBEN BESLOTEN EEN VERVOERSGEMEENSCHAP OP TE RICHTEN:

Artikel 1

Doelstellingen en beginselen

1.   Het doel van dit Verdrag is de oprichting van een Vervoersgemeenschap op het gebied van vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren en over zee, en de ontwikkeling van een vervoersnetwerk tussen de Europese Unie en de Zuidoost-Europese Partijen, hierna „de Vervoersgemeenschap” genoemd. De Vervoersgemeenschap is gebaseerd op de toenemende integratie van de vervoersmarkten van de Zuidoost-Europese Partijen in de vervoersmarkt van de Europese Unie op basis van het desbetreffende acquis, onder meer op het gebied van technische normen, interoperabiliteit, veiligheid, beveiliging, verkeersbeheer, sociaal beleid, overheidsopdrachten en milieu, voor alle vervoerswijzen behalve luchtvaart. Daartoe worden in dit Verdrag de regels vastgesteld die tussen de overeenkomstsluitende partijen van toepassing zijn onder de hieronder vastgestelde voorwaarden. Deze regels omvatten de bepalingen die zijn opgenomen in de in bijlage I genoemde handelingen.

2.   De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing voor zover zij betrekking hebben op het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren en over zee en op vervoersnetwerken, met inbegrip van luchthaveninfrastructuur, of een in bijlage I genoemd aanverwant onderwerp.

3.   Dit Verdrag bestaat uit artikelen waarin de algemene werking van de Vervoersgemeenschap wordt uiteengezet (hierna „het Hoofdverdrag” genoemd), bijlagen (waarvan bijlage I de handelingen van de Europese Unie bevat die in het kader van het Hoofdverdrag van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen) en protocollen (waarvan ten minste één protocol per Zuidoost-Europese Partij de op die partij toepasselijke overgangsregelingen vaststelt).

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van dit Verdrag:

a)

wordt verstaan onder „Verdrag”: het Hoofdverdrag met de bijbehorende bijlagen, de in bijlage I genoemde handelingen, en de protocollen;

b)

wordt verstaan onder „Zuidoost-Europese Partijen”: de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo, Montenegro en de Republiek Servië;

c)

houden geen van de termen, omschrijvingen of definities die in dit Verdrag en de bijbehorende bijlagen en protocollen worden gebruikt, in dat de Europese Unie Kosovo erkent als onafhankelijke staat, noch dat een individuele lidstaat die dat nog niet eerder deed, Kosovo als onafhankelijke staat erkent;

d)

wordt verstaan onder „verdrag”: elk internationaal verdrag of akkoord inzake internationaal vervoer, anders dan het onderhavige Verdrag, dat voor ondertekening is opengesteld;

e)

wordt verstaan onder „EU-lidstaat”: een lidstaat van de Europese Unie;

f)

wordt verstaan onder „acquis”: het geheel van wetgevingsinstrumenten dat door de Europese Unie is vastgesteld om haar doelstellingen te verwezenlijken.

2.   Het gebruik van de termen „land”, „nationaal”, „onderdanen”, „grondgebied” of „vlag” laat de status van elke overeenkomstsluitende partij krachtens het internationale recht onverlet.

Artikel 3

1.   De toepasselijke bepalingen van de handelingen die worden bedoeld of zijn vervat in bijlage I, aangepast overeenkomstig bijlage II, of in besluiten van het regionale stuurcomité, zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen.

2.   Dergelijke bepalingen maken deel uit van of worden als volgt opgenomen in de interne rechtsorde van de Zuidoost-Europese Partijen:

a)

een handeling die overeenstemt met een verordening van de Europese Unie wordt in de interne rechtsorde van de respectieve Zuidoost-Europese Partij opgenomen binnen een periode die voor de Zuidoost-Europese Partijen wordt vastgesteld door het regionale stuurcomité;

b)

een handeling die overeenstemt met een richtlijn van de Europese Unie laat aan de bevoegde instanties van de respectieve Zuidoost-Europese Partij de keuze wat betreft de vorm en wijze van toepassing;

c)

een handeling die overeenstemt met een besluit van de Europese Unie wordt in de interne rechtsorde van de respectieve Zuidoost-Europese Partij opgenomen binnen een periode en op een wijze die voor de Zuidoost-Europese Partijen wordt vastgesteld door het regionale stuurcomité.

3.   Als de toepasselijke bepalingen van de in lid 1 bedoelde handelingen tot verplichtingen van de EU-lidstaten leiden, zijn die verplichtingen van toepassing op de EU-lidstaten, na een besluit dat is vastgesteld krachtens de binnen de Europese Unie toepasselijke regels op basis van een beoordeling van de Europese Commissie met betrekking tot de volledige tenuitvoerlegging van de in bijlage I bedoelde handelingen van de Europese Unie door de Zuidoost-Europese Partijen.

Artikel 4

De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en onthouden zich van elke maatregel die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar zou kunnen brengen.

Artikel 5

Sociale zaken

De Zuidoost-Europese Partijen passen het desbetreffende sociale acquis met betrekking tot vervoer toe zoals uiteengezet in bijlage I. De Vervoersgemeenschap versterkt en bevordert de sociale dialoog en de sociale dimensie door in sociale kwesties te verwijzen naar het acquis, de grondrechten van werknemers en de betrokkenheid van het Europees Economisch en Sociaal Comité en de nationale en Europese sociale partners die actief zijn in de vervoersector, op het passende niveau.

Artikel 6

Milieu

De Zuidoost-Europese Partijen passen het desbetreffende milieu-acquis toe met betrekking tot vervoer, met name de strategische milieu-effectbeoordeling, de milieu-effectrapportage en de richtlijnen met betrekking tot de natuur, het water en de luchtkwaliteit zoals uiteengezet in bijlage I.6.

Artikel 7

Overheidsopdrachten

De Zuidoost-Europese Partijen passen het desbetreffende acquis voor overheidsopdrachten toe met betrekking tot vervoer zoals uiteengezet in bijlage I.7.

Artikel 8

Infrastructuur

1.   De kaarten van de indicatieve uitbreiding van de uitgebreide en kernnetwerken van het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) naar de landen van de Westelijke Balkan zijn als bijlage I.1 bij dit Verdrag gevoegd. Het regionale stuurcomité brengt elk jaar aan de ministerraad verslag uit over de in dit Verdrag beschreven tenuitvoerlegging van het TEN-T. Het regionale stuurcomité wordt voor het schrijven van dat verslag bijgestaan door technische comités.

2.   De Vervoersgemeenschap steunt de ontwikkeling van de indicatieve uitbreiding van de uitgebreide en kernnetwerken van het TEN-T naar de landen van de Westelijke Balkan overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/758 van de Commissie (1), zoals uiteengezet in bijlage I.1. Zij houdt rekening met de verwante bilaterale en multilaterale overeenkomsten die door de overeenkomstsluitende partijen zijn gesloten, met inbegrip van de ontwikkeling van belangrijke schakels en verbindingen die nodig zijn om knelpunten weg te werken en de onderlinge koppeling van nationale netwerken en TEN-T-netwerken van de EU te bevorderen.

Artikel 9

1.   De Vervoersgemeenschap stelt overeenkomstig de beste praktijken van de Unie elke twee jaar een vijfjarig voortschrijdend werkplan op voor de ontwikkeling van de indicatieve uitbreiding van de uitgebreide en kernnetwerken van het TEN-T naar de landen van de Westelijke Balkan en de vaststelling van prioritaire projecten van regionaal belang, dat bijdraagt tot een evenwichtige en duurzame ontwikkeling op het vlak van economie, ruimtelijke integratie, milieu-effecten, sociale gevolgen en sociale samenhang.

2.   Het vijfjarig voortschrijdend werkplan:

a)

voldoet onder meer aan de desbetreffende wetgeving van de Europese Unie zoals uiteengezet in bijlage I, in het bijzonder met het oog op financiering door de Europese Unie;

b)

geeft onder meer blijk van de beste kosten-batenverhouding en ruimere socio-economische effecten, overeenkomstig de financieringsregels voor donoren en de beste internationale normen en praktijken;

c)

besteedt bij het opstellen en analyseren van projecten onder meer speciale aandacht aan de wereldwijde klimaatverandering en milieuduurzaamheid;

d)

bevat onder meer de financieringsmogelijkheden van donoren en internationale financiële instellingen, met name via het investeringskader van de Westelijke Balkan.

3.   De Vervoersgemeenschap stimuleert de nodige studies en analyses, met name wat betreft de economische levensvatbaarheid, technische specificaties, milieu-effecten, sociale gevolgen en financieringsmechanismen.

4.   Het permanent secretariaat zet een informatiesysteem op dat door besluitvormers wordt gebruikt voor controle en herziening van de toestand en de uitvoering van de indicatieve uitbreiding van de uitgebreide en kernnetwerken van het TEN-T naar de landen van de Westelijke Balkan.

Artikel 10

De Zuidoost-Europese Partijen ontwikkelen efficiënte verkeersbeheersystemen, waaronder intermodale systemen en slimme vervoersystemen.

Artikel 11

Vervoer per spoor

1.   Binnen het toepassingsgebied en de voorwaarden van dit Verdrag en binnen het toepassingsgebied en de voorwaarden van de desbetreffende handelingen in bijlage I hebben door een EU-lidstaat of een Zuidoost-Europese Partij vergunde spoorwegondernemingen recht op toegang tot de infrastructuur in alle EU-lidstaten en Zuidoost-Europese Partijen teneinde internationale reizigers- of goederendiensten per spoor te exploiteren.

2.   Binnen het toepassingsgebied en de voorwaarden van dit Verdrag en binnen het toepassingsgebied en de voorwaarden van de desbetreffende handelingen in bijlage I zijn er geen beperkingen op de geldigheid van de vergunningen van spoorwegondernemingen, hun veiligheidscertificaten, de certificeringsdocumenten van machinisten en toelatingen van spoorvoertuigen die zijn afgegeven door de EU, de bevoegde instantie van een lidstaat of een Zuidoost-Europese Partij.

Artikel 12

Vervoer over de weg

De Zuidoost-Europese Partijen bevorderen efficiënt en veilig vervoer over de weg. De overeenkomstsluitende partijen werken samen om hun exploitatienormen en beleidslijnen inzake vervoer over de weg te laten samenvallen met die van de Europese Unie, met name door het acquis voor wegvervoer zoals bedoeld in bijlage I in te voeren.

Artikel 13

Vervoer over binnenwateren

De overeenkomstsluitende partijen bevorderen efficiënt en veilig vervoer over binnenwateren. De overeenkomstsluitende partijen werken samen om hun exploitatienormen en beleidslijnen inzake vervoer over binnenwateren te laten samenvallen met die van de Europese Unie, met name door de invoering van de in bijlage I bedoelde handelingen door de Zuidoost-Europese Partijen.

Artikel 14

Vervoer over zee

De overeenkomstsluitende partijen bevorderen efficiënt en veilig vervoer over zee. De overeenkomstsluitende partijen werken samen om hun exploitatienormen en beleidslijnen inzake vervoer over zee te laten samenvallen met die van de Europese Unie, met name door de invoering van de in bijlage I bedoelde handelingen door de Zuidoost-Europese Partijen.

Artikel 15

Vereenvoudiging van administratieve formaliteiten

1.   De overeenkomstsluitende partijen vereenvoudigen de administratieve procedures (formaliteiten) voor het oversteken vanuit een douanegebied naar een ander, in overeenstemming met de bepalingen inzake douanesamenwerking van de toepasselijke overeenkomsten tussen de Europese Unie enerzijds en elk van de Zuidoost-Europese Partijen anderzijds.

2.   Met hetzelfde doel voor ogen vereenvoudigen de Zuidoost-Europese Partijen de administratieve procedures voor het oversteken vanuit een douanegebied naar een ander, in overeenstemming met de bepalingen inzake douanesamenwerking van de onderling toepasselijke overeenkomsten.

Artikel 16

Non-discriminatie

Binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag en onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel 17

Mededinging

1.   Binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag is het bepaalde in bijlage III van toepassing. Wanneer in andere overeenkomsten tussen twee of meer overeenkomstsluitende partijen, bijvoorbeeld associatieovereenkomsten, regels inzake mededinging en staatssteun zijn opgenomen, gelden die regels tussen die partijen.

2.   De artikelen 18, 19 en 20 zijn niet van toepassing op de bepalingen inzake mededinging in bijlage III. Zij zijn van toepassing op staatssteun.

Artikel 18

Handhaving

1.   Onverminderd lid 2 zorgt iedere overeenkomstsluitende partij ervoor dat bij de nationale rechter een beroep kan worden gedaan op de uit dit Verdrag voortvloeiende rechten, met name die welke voortvloeien uit de in bijlage I vermelde handelingen.

2.   Alle vragen met betrekking tot de wettigheid van de in bijlage I genoemde handelingen die door de Europese Unie zijn vastgesteld, vallen onder de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna „het Hof van Justitie” genoemd).

Artikel 19

Interpretatie

1.   Voor zover de bepalingen van dit Verdrag en de bepalingen van de in bijlage I genoemde handelingen inhoudelijk identiek zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en aan de handelingen die zijn vastgesteld krachtens die verdragen, worden deze bepalingen, wat hun uitvoering en toepassing betreft, geïnterpreteerd overeenkomstig de toepasselijke uitspraken van het Hof van Justitie en de besluiten van de Europese Commissie die dateren van vóór de datum van ondertekening van dit Verdrag. De uitspraken en besluiten die dateren van na de datum van ondertekening van dit Verdrag worden aan de andere overeenkomstsluitende partijen meegedeeld. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen worden de implicaties van dergelijke latere uitspraken en besluiten vastgesteld door het regionale stuurcomité, bijgestaan door de technische comités, met het oog op het verzekeren van de goede werking van dit Verdrag. Bestaande interpretaties worden vóór de datum van ondertekening van dit Verdrag meegedeeld aan de Zuidoost-Europese Partijen. De in het kader van deze procedure genomen besluiten van het regionale stuurcomité moeten in overeenstemming zijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie.

2.   Wanneer er bij de behandeling van een zaak door een rechterlijke instantie van een Zuidoost-Europese Partij een probleem ontstaat inzake de interpretatie van dit Verdrag, van de bepalingen van de in bijlage I genoemde handelingen of van de handelingen die op grond daarvan zijn genomen, welke inhoudelijk identiek zijn aan overeenkomstige regels van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of aan de handelingen die krachtens die verdragen zijn vastgesteld, verzoekt die rechterlijke instantie, indien zij dat noodzakelijk acht om tot een uitspraak te komen en overeenkomstig bijlage IV, het Hof van Justitie een uitspraak over het probleem te doen. Een Zuidoost-Europese Partij kan bij besluit en overeenkomstig bijlage IV vastleggen in hoeverre en onder welke voorwaarden haar rechterlijke instanties deze bepaling toepassen. Dat besluit wordt meegedeeld aan de depositaris en het Hof van Justitie. De depositaris brengt de andere overeenkomstsluitende partijen op de hoogte. De prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie is bindend voor de rechterlijke instanties van de Zuidoost-Europese Partijen die de zaak behandelen waarbij het probleem zich voordeed.

Artikel 20

Nieuwe wetgeving

1.   Dit Verdrag laat het recht van elke Zuidoost-Europese Partij onverlet om, onverminderd het niet-discriminatiebeginsel en de bepalingen van dit artikel, eenzijdig nieuwe wetgeving vast te stellen of haar bestaande wetgeving te wijzigen op een in bijlage I genoemd vervoersgebied of daarmee samenhangend gebied. De Zuidoost-Europese Partijen nemen dergelijke wetgeving alleen aan als die in overeenstemming is met dit Verdrag.

2.   Zodra een Zuidoost-Europese Partij nieuwe wetgeving of een wijziging van haart wetgeving heeft vastgesteld, brengt zij de andere overeenkomstsluitende partijen daarvan uiterlijk binnen een maand na de vaststelling op de hoogte via het regionale stuurcomité. Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij houdt het desbetreffende technisch comité binnen twee maanden een gedachtenwisseling over de implicaties van die nieuwe wetgeving of wijziging voor de goede werking van dit Verdrag.

3.   Het regionale stuurcomité stelt met betrekking tot nieuwe juridisch bindende handelingen van de Europese Unie:

a)

een besluit vast tot herziening van bijlage I, teneinde daarin, zo nodig op basis van wederkerigheid, de nieuwe handeling in kwestie op te nemen; of

b)

een besluit vast waarbij de nieuwe handeling in kwestie moet worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met dit Verdrag; of

c)

alle andere maatregelen vast om de goede werking van dit Verdrag te waarborgen.

4.   Wat betreft de nieuwe juridisch bindende handelingen van de Europese Unie die zijn vastgesteld tussen de ondertekening van dit Verdrag en inwerkingtreding ervan en waarvan de andere overeenkomstsluitende partijen in kennis zijn gesteld, wordt de datum van voorlegging beschouwd als de datum waarop de informatie is ontvangen. Het regionale stuurcomité mag niet eerder dan zestig dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag een besluit nemen.

Artikel 21

Ministerraad

Er wordt een ministerraad opgericht. De ministerraad waarborgt dat de doelstellingen van dit Verdrag worden verwezenlijkt, en:

a)

bepaalt algemene beleidsrichtsnoeren;

b)

beoordeelt de voortuitgang bij de tenuitvoerlegging van dit Verdrag, met inbegrip van de follow-up van de voorstellen van het sociaal forum;

c)

verstrekt adviezen over de aanstelling van de directeur van het permanent secretariaat;

d)

beslist bij consensus over de zetel van het permanent secretariaat.

Artikel 22

De ministerraad bestaat uit een vertegenwoordiger van elke overeenkomstsluitende partij. Alle EU-lidstaten kunnen deelnemen in de rol van waarnemer.

Artikel 23

De ministerraad komt jaarlijks bijeen.

Artikel 24

Regionaal Stuurcomité

1.   Er wordt een regionaal stuurcomité opgericht. Het regionaal stuurcomité is verantwoordelijk voor het beheer van dit Verdrag en zorgt voor de goede uitvoering daarvan, onverminderd artikel 19. Hiertoe doet het aanbevelingen en neemt het besluiten in de gevallen waarin dit Verdrag voorziet. De besluiten van het regionale stuurcomité worden door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen regels ten uitvoer gebracht.

2.   Het regionale stuurcomité bestaat uit een vertegenwoordiger en een vervanger van de overeenkomstsluitende partijen. Alle EU-lidstaten kunnen deelnemen in de rol van waarnemer.

3.   Het regionale stuurcomité neemt besluiten met eenparigheid van stemmen.

4.   Voor een goede handhaving van dit Verdrag wisselen de overeenkomstsluitende partijen informatie uit, onder andere over nieuwe wetgeving of besluiten die relevant zijn voor dit Verdrag, en plegen zij op verzoek van een overeenkomstsluitende partij overleg in het regionale stuurcomité, ook over sociale kwesties.

5.   Het regionale stuurcomité stelt zijn reglement van orde vast.

6.   Het voorzitterschap van het regionale stuurcomité wordt beurtelings door een Zuidoost-Europese Partij waargenomen, overeenkomstig de regelingen die in het reglement van orde worden vastgelegd.

7.   De voorzitter van het regionale stuurcomité roept het comité ten minste tweemaal per jaar bijeen om de algemene werking van dit Verdrag te beoordelen en roept het comité op verzoek van een overeenkomstsluitende partij bijeen als de omstandigheden dat vereisen. Het regionale stuurcomité volgt voortdurend de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Daartoe stelt de Europese Unie de Zuidoost-Europese Partijen in kennis van alle uitspraken van het Hof van Justitie die relevant zijn voor de werking van dit Verdrag. Het regionale stuurcomité neemt binnen drie maanden maatregelen om een homogene interpretatie van dit Verdrag te handhaven.

8.   Het regionale stuurcomité bereidt de werkzaamheden van de ministerraad voor.

Artikel 25

1.   Een besluit van het regionale stuurcomité is bindend voor de overeenkomstsluitende partijen. Wanneer een besluit van het regionale stuurcomité een overeenkomstsluitende partij verplicht tot het nemen van maatregelen, neemt die partij de nodige maatregelen en stelt zij het regionale stuurcomité daarvan in kennis.

2.   De besluiten van het regionale stuurcomité worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en de staatsbladen van de Zuidoost-Europese Partijen. In elk besluit wordt de datum van uitvoering door de overeenkomstsluitende partijen vermeld en alle andere informatie die van belang kan zijn voor economische actoren.

Artikel 26

Technische Comités

1.   Het regionale stuurcomité besluit om technische comités in te stellen in de vorm van ad-hocwerkgroepen. Elk technisch comité kan binnen zijn bevoegdheidsdomein voorstellen voor besluiten indienen bij het regionale stuurcomité. De technische comités bestaan uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen. Alle EU-lidstaten kunnen deelnemen in de rol van waarnemer.

Betrokken maatschappelijke organisaties, en met name milieuorganisaties, worden op ad-hocbasis uitgenodigd als waarnemers.

2.   De technische comités stellen hun reglement van orde vast.

3.   Het voorzitterschap van de technische comités wordt beurtelings door een Zuidoost-Europese Partij waargenomen, overeenkomstig de regelingen die in het reglement van orde worden vastgelegd.

Artikel 27

Sociaal forum

1.   De overeenkomstsluitende partijen houden naar behoren rekening met de sociale dimensie en erkennen de behoefte om de sociale partners op elk gepast niveau te betrekken door de sociale dialoog over de controle op de tenuitvoerlegging van dit Verdrag en de gevolgen daarvan te stimuleren.

2.   Zij zijn zich ervan bewust dat het belangrijk is hun aandacht op de volgende sleuteldomeinen te richten:

a)

de grondrechten van werknemers overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Europees Sociaal Handvest, het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

b)

het arbeidsrecht – met betrekking tot de bevordering van betere arbeidsomstandigheden en een betere levensstandaard;

c)

gezondheid en veiligheid op het werk – met betrekking tot een betere werkomgeving wat betreft de gezondheid en veiligheid van werknemers in de vervoersector;

d)

gelijke kansen – met de klemtoon op de invoering, waar nodig, van het beginsel dat mannen en vrouwen gelijk worden beloond voor gelijk werk.

3.   De overeenkomstsluitende partijen stemmen ermee in een sociaal forum voor de behandeling van deze sociale kwesties op te richten. Elke overeenkomstsluitende partij wijst overeenkomstig haar interne procedures vertegenwoordigers aan die deelnemen aan de relevante bijeenkomsten van het sociaal forum. De vertegenwoordiging telt leden van de regering, van werknemers- en werkgeversorganisaties en van andere betrokken instanties die als passend worden beschouwd bij de besproken onderwerpen. De bij de vervoersector betrokken comités van de Europese sociale dialoog zijn aanwezig bij en nemen deel aan de vergaderingen, evenals vertegenwoordigers van het Europees Economisch en Sociaal Comité. Het sociaal forum stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 28

Permanent secretariaat

Het permanent secretariaat wordt opgericht. Het permanent secretariaat:

a)

verleent administratieve bijstand aan de ministerraad, het regionale stuurcomité, de technische comités en het sociaal forum;

b)

treedt op als waarnemingscentrum voor vervoer om toezicht te houden op de uitvoering van de indicatieve uitbreiding van de uitgebreide en kernnetwerken van het TEN-T naar de landen van de Westelijke Balkan;

c)

ondersteunt de uitvoering van de agenda voor connectiviteit van de Zes van de Westelijke Balkan om de verbindingen binnen de Westelijke Balkan en tussen de regio en de Europese Unie te verbeteren.

Artikel 29

Het permanent secretariaat heeft een directeur en beschikt over zoveel personeel als voor de Vervoersgemeenschap nodig is. Het permanent secretariaat kan ook over een of meer adjunct-directeuren beschikken. De werktaal is Engels.

Artikel 30

De directeur van het permanent secretariaat wordt aangesteld door het regionale stuurcomité na raadpleging van de ministerraad. De duur van zijn/haar mandaat bedraagt hoogstens drie jaar. Het mandaat kan worden verlengd. Het regionale stuurcomité stelt regels voor het permanent secretariaat vast, in het bijzonder voor de rekrutering, de werkomstandigheden en het geografisch evenwicht van het personeel van het secretariaat. Het regionale stuurcomité kan ook een of meer adjunct-directeuren aanstellen. De directeur selecteert en benoemt het personeel na overleg met het regionale stuurcomité.

Artikel 31

Bij de uitvoering van hun taken treden de directeur en het personeel van het permanent secretariaat onpartijdig op en vragen of krijgen zij geen instructies van de overeenkomstsluitende partijen. Zij verdedigen de belangen van de Vervoersgemeenschap.

Artikel 32

De directeur van het permanent secretariaat of een aangewezen vervanger woont de vergaderingen bij van de ministerraad, het regionale stuurcomité, de technische comités en het sociaal forum.

Artikel 33

De zetel van het permanent secretariaat wordt ingesteld overeenkomstig artikel 21, onder d).

Artikel 34

Begroting

Elke overeenkomstsluitende partij draagt bij tot de begroting van de Vervoersgemeenschap zoals vastgesteld in bijlage V. Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij kan het niveau van de bijdragen elke drie jaar worden herzien bij besluit van het regionale stuurcomité.

Artikel 35

Het regionale stuurcomité stelt ieder jaar de begroting van de Vervoersgemeenschap vast. De begroting dekt de operationele uitgaven van de Vervoersgemeenschap die nodig zijn voor de werking van haar instanties. De uitgaven van elke instantie worden beschreven in een afzonderlijk deel van de begroting. Het regionale stuurcomité stelt een besluit vast waarin de procedures voor de tenuitvoerlegging van de begroting, voor het voorleggen en nazien van de rekeningen en voor controle worden gespecificeerd.

Artikel 36

De directeur van het permanent secretariaat voert de begroting uit en brengt jaarlijks verslag uit over de uitvoering van de begroting bij het regionale stuurcomité. Het regionale stuurcomité kan indien nodig onafhankelijke auditoren opdragen om de correcte uitvoering van de begroting te controleren.

Artikel 37

Geschillenregeling

1.   Elke overeenkomstsluitende partij kan een geschil betreffende de toepassing of interpretatie van dit Verdrag voorleggen aan het regionale stuurcomité, behalve in gevallen waarvoor in dit Verdrag specifieke procedures zijn vastgesteld.

2.   Als een geschil overeenkomstig lid 1 aan het regionale stuurcomité is voorgelegd, vindt onmiddellijk overleg plaats tussen de partijen bij het geschil. Als de Europese Unie geen partij is bij het geschil, kan een vertegenwoordiger van de Europese Unie door een van de partijen bij het geschil op het overleg worden uitgenodigd. De partijen bij het geschil kunnen een oplossing voorstellen die onmiddellijk aan het regionale stuurcomité wordt voorgelegd. De door het regionale stuurcomité in het kader van deze procedure genomen besluiten laten de jurisprudentie van het Hof van Justitie onverlet.

3.   Als het regionale stuurcomité er niet in slaagt het geschil op te lossen binnen vier maanden vanaf het tijdstip waarop de zaak aan het comité is voorgelegd, kunnen de partijen bij het geschil de zaak verwijzen naar het Hof van Justitie, dat er een definitieve en bindende uitspraak over doet. De voorwaarden voor een dergelijke verwijzing naar het Hof van Justitie zijn opgenomen in bijlage IV.

Artikel 38

Bekendmaking van informatie

1.   Alle instanties die bij of ingevolge dit Verdrag zijn ingesteld, gaan op een zo transparant mogelijke wijze te werk. Daartoe heeft elke burger van de overeenkomstsluitende partijen en elke natuurlijke of rechtspersoon met woonplaats of statutaire zetel in een overeenkomstsluitende partij, recht op toegang tot de documenten die in het bezit zijn van de instanties die bij of ingevolge dit Verdrag zijn ingesteld, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die overeenkomstig lid 2 worden bepaald.

2.   Het regionale stuurcomité bepaalt de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten volgens regels die zijn gebaseerd op de -regels van de Europese Unie betreffende de toegang tot documenten, waarnaar wordt verwezen in Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (2). De door het regionale stuurcomité vast te stellen regels voorzien in een administratieve procedure volgens welke een weigering om toegang te verschaffen tot een document kan worden heroverwogen of herzien.

3.   Voor zover de documenten die in het bezit zijn van de instanties die bij of ingevolge dit Verdrag zijn ingesteld, milieu-informatie bevatten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, wordt de toegang tot die informatie gewaarborgd overeenkomstig artikel 4 van laatstgenoemd verdrag.

Het regionale stuurcomité stelt de nodige regels vast om de tenuitvoerlegging van dit lid te waarborgen. Die uitvoeringsregels voorzien in een administratieve procedure volgens welke een weigering om toegang te verschaffen tot milieu-informatie kan worden heroverwogen of herzien.

4.   De vertegenwoordigers, afgevaardigden en deskundigen van de overeenkomstsluitende partijen, alsmede de in het kader van dit Verdrag handelende ambtenaren en andere functionarissen, mogen, zelfs na beëindiging van hun activiteiten, geen onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie openbaar maken, met name over ondernemingen, hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs.

Artikel 39

Derde landen en internationale organisaties

1.   De overeenkomstsluitende partijen plegen in het kader van het regionaal stuurcomité op verzoek van een van die partijen overleg:

a)

over vervoersvraagstukken die tot het werkterrein behoren van internationale organisaties en regionale initiatieven; en

b)

over de verschillende aspecten van de mogelijke ontwikkelingen in de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen en derde landen op het gebied van vervoer, alsmede over de werking van de voornaamste onderdelen van op dit gebied gesloten bilaterale of multilaterale overeenkomsten.

2.   Het in lid 1 bedoelde overleg vindt in dringende gevallen zo spoedig mogelijk plaats en in ieder geval binnen drie maanden na indiening van het verzoek.

Artikel 40

Overgangsregelingen

1.   In de protocollen I tot en met VI zijn de overgangsregelingen en bijbehorende termijnen opgenomen die tussen de Europese Unie, enerzijds, en de betrokken Zuidoost-Europese Partij, anderzijds, van toepassing zijn.

2.   De geleidelijke overgang van elke Zuidoost-Europese Partij naar de volledige toepassing van de Vervoersgemeenschap wordt beoordeeld. De beoordelingen worden verricht door de Europese Commissie in samenwerking met de betrokken Zuidoost-Europese Partij. De Europese Commissie kan op eigen initiatief of op initiatief van de betrokken Zuidoost-Europese Partij een beoordeling beginnen.

3.   Als de Europese Unie besluit dat de voorwaarden zijn vervuld, brengt zij het regionale stuurcomité daarvan op de hoogte en besluit zij daarna dat de betrokken Zuidoost-Europese Partij in aanmerking komt voor de volgende fase van de Vervoersgemeenschap.

4.   Als de Europese Unie besluit dat de voorwaarden niet zijn vervuld, deelt zij dat mee aan het regionale stuurcomité. De Europese Unie beveelt de betrokken Zuidoost-Europese Partij specifieke verbeteringen aan.

INWERKINGTREDING, HERZIENING, BEËINDIGING EN ANDERE BEPALINGEN

Artikel 41

Inwerkingtreding

1.   Dit Verdrag dient door de ondertekenaars te worden bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun eigen procedures. De akten van bekrachtiging of goedkeuring worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat alle andere ondertekenaars daarvan in kennis stelt en alle andere functies van depositaris waarneemt.

2.   Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop de Europese Unie en ten minste vier Zuidoost-Europese Partijen hun akten van bekrachtiging of goedkeuring hebben neergelegd. Voor elke ondertekenaar die dit Verdrag na die datum bekrachtigt of goedkeurt, treedt het in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop die ondertekenaar zijn akte van bekrachtiging of goedkeuring heeft neergelegd.

3.   In afwijking van lid 1 en lid 2 kunnen de Europese Unie en ten minste drie Zuidoost-Europese Partijen besluiten dit Verdrag vanaf de datum van ondertekening voorlopig onderling toe te passen, in overeenstemming met de toepassing van de nationale wetgeving, door kennisgeving aan de depositaris, die de andere overeenkomstsluitende partijen daarvan in kennis stelt.

Artikel 42

Herziening

Dit Verdrag wordt herzien op verzoek van een overeenkomstsluitende partij en in ieder geval vijf jaar na de inwerkingtreding ervan.

Artikel 43

Beëindiging

1.   Elke overeenkomstsluitende partij kan dit Verdrag opzeggen door kennisgeving aan de depositaris, die de andere overeenkomstsluitende partijen van de beëindiging in kennis stelt. Als dit Verdrag door de Europese Unie wordt opgezegd, treedt het een jaar na de datum van die kennisgeving buiten werking. Als dit Verdrag door een Zuidoost-Europese Partij wordt opgezegd, treedt het een jaar na de datum van die kennisgeving alleen voor die overeenkomstsluitende partij buiten werking.

2.   Als een Zuidoost-Europese Partij toetreedt tot de Europese Unie, is die overeenkomstsluitende partij in het kader van dit Verdrag automatisch niet langer een Zuidoost-Europese Partij maar wordt zij een EU-lidstaat.

Artikel 44

Talen

Dit Verdrag is opgesteld in één exemplaar in de officiële talen van de instellingen van de Europese Unie en van de Zuidoost-Europese Partijen, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Съставено в Брюксел на девети октомври през две хиляди и седемнадесета година.

Hecho en Bruselas, el nueve de octubre de dos mil diecisiete.

V Bruselu dne devátého října dva tisíce sedmnáct.

Udfærdiget i Bruxelles den niende oktober to tusind og sytten.

Geschehen zu Brüssel am neunten Oktober zweitausendsiebzehn.

Kahe tuhande seitsmeteistkümnenda aasta oktoobrikuu üheksandal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις εννέα Οκτωβρίου δύο χιλιάδες δεκαεπτά.

Done at Brussels on the ninth day of October in the year two thousand and seventeen.

Fait à Bruxelles, le neuf octobre deux mille dix-sept.

Sastavljeno u Bruxellesu devetog listopada godine dvije tisuće sedamnaeste.

Fatto a Bruxelles, addì nove ottobre duemiladiciassette.

Briselē, divi tūkstoši septiņpadsmitā gada devītajā oktobrī.

Priimta du tūkstančiai septynioliktų metų spalio devintą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenhetedik év október havának kilencedik napján.

Magħmul fi Brussell, fid-disa’ jum ta’ Ottubru fis-sena elfejn u sbatax.

Gedaan te Brussel, negen oktober tweeduizend zeventien.

Sporządzono w Brukseli dnia dziewiątego października roku dwa tysiące siedemnastego.

Feito em Bruxelas, em nove de outubro de dois mil e dezassete.

Întocmit la Bruxelles la nouă octombrie două mii șaptesprezece.

V Bruseli deviateho októbra dvetisícsedemnásť.

V Bruslju, dne devetega oktobra leta dva tisoč sedemnajst.

Tehty Brysselissä yhdeksäntenä päivänä lokakuuta vuonna kaksituhattaseitsemäntoista.

Som skedde i Bryssel den nionde oktober år tjugohundrasjutton.

Sačinjeno u Briselu devetog dana oktobra u godini dvijehiljadesedamnaestoj.

Составен во Брисел на деветиот ден од месецот октомври во две илјади и седумнаесеттата година.

Sačinjeno u Briselu devetog dana oktobra dvije hiljade sedamnaeste godine.

BËRË në Bruksel, më nëntë tetor, dy mijë e shtatëmbëdhjetë.

Сачињено у Бриселу деветог дана октобра у години двијехиљадеседамнаестој.

За Европейския съюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image 1

Image 2

Për Republikën e Shqipërisë

Image 3

Za Bosnu i Hercegovinu

Za Bosnu i Hercegovinu

3a Боснy и Xерueroвннy

Image 4

Za Bivšu Jugoslovensku Republiku Makedoniju

Për Kosovën (*2)

Za Kosovo (*3)

Image 5

Za Crnu Goru

Image 6

Za Republiku Srbiju

Image 7


(*1)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/758 van de Commissie van 4 februari 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad, met name van bijlage III bij die verordening (PB EU L 126 van 14.05.2016, blz. 3).

(2)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB EU L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(*2)  Ky përcaktim nuk paragjykon qëndrimin ndaj statusit dhe është në përputhje me Rezolutën 1244/1999 dhe Opinionin e Gjykatës Ndërkombëtare të Drejtësisë mbi shpalljen e pavarësisë së Kosovës.

(*3)  Ovaj naziv ne prejudicira stavove о statusu i u skladu je sa RSBUN 1244/1999 i mišljenjem Međunarodnog Suda Pravde о deklaraciji о nezavisnosti Kosova.


BIJLAGE I

OP DE VERVOERSECTOR TOEPASSELIJKE REGELS EN AANVERWANTE PUNTEN

BIJLAGE I.1

REGELS VAN TOEPASSING OP DE VERVOERSINFRASTRUCTUUR DIE HET ZUIDOOST-EUROPEES KERNNETWERK VORMT

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

TEN-T-ontwikkeling

Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB EU L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/758 van de Commissie van 4 februari 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft bijlage III bij die verordening (PB EU L 126 van 14.5.2016, blz. 3).

KAARTEN VAN DE INDICATIEVE TEN-T-UITBREIDING NAAR DE LANDEN VAN DE WESTELIJKE BALKAN (UITGEBREIDE en KERNNETWERKEN)

Image 8
Image 9
Image 10
Image 11

BIJLAGE I.2

REGELS VAN TOEPASSING OP HET SPOORVERVOER

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de daaropvolgende protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

Markttoegang

Verordening nr. 11 ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden (PB EG 52 van 16.8.1960, blz. 1121).

Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB EU L 343 van 14.12.2012, blz. 32).

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 869/2014 van de Commissie van 11 augustus 2014 inzake nieuwe spoorvervoersdiensten voor passagiers (PB EU L 239 van 12.8.2014, blz. 1).

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/10 van de Commissie van 6 januari 2015 inzake criteria voor aanvragers van spoorweginfrastructuurcapaciteit en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 870/2014 (PB EU L 3 van 7.1.2015, blz. 34).

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/171 van de Commissie van 4 februari 2015 betreffende bepaalde aspecten van de procedure voor de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PB EU L 29 van 5.2.2015, blz. 3).

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/909 van de Commissie van 12 juni 2015 betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien (PB EU L 148 van 13.6.2015, blz. 17).

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1100 van de Commissie van 7 juli 2015 betreffende de rapportageplicht van de lidstaten in het kader van het toezicht op de spoormarkt (PB EU L 181 van 9.7.2015, blz. 1).

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/545 van de Commissie van 7 april 2016 betreffende procedures en criteria voor kaderovereenkomsten tot toewijzing van infrastructuurcapaciteit (PB EU L 94 van 8.4.2016, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB EU L 276 van 20.10.2010, blz. 22).

Vergunningen van machinisten

Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PB EU L 315 van 3.12.2007, blz. 51).

Verordening (EU) nr. 36/2010 van de Commissie van 3 december 2009 inzake communautaire modellen voor vergunningen van machinisten, aanvullende bevoegdheidsbewijzen, gewaarmerkte afschriften van aanvullende bevoegdheidsbewijzen en aanvraagformulieren voor vergunningen van machinisten, in het kader van Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 13 van 19.1.2010, blz. 1).

Beschikking 2010/17/EG van de Commissie van 29 oktober 2009 tot vaststelling van de basisparameters voor registers van machinistenvergunningen en aanvullende bevoegdheidsbewijzen als bedoeld in Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 8 van 13.1.2010, blz. 17).

Besluit 2011/765/EU van de Commissie van 22 november 2011 inzake criteria voor de erkenning van opleidingscentra voor treinbestuurders, inzake criteria voor de erkenning van examinatoren van treinbestuurders en inzake criteria voor de organisatie van examens overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 314 van 29.11.2011, blz. 36).

Interoperabiliteit

Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB EU L 138 van 26.5.2016, blz. 44).

Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB EU L 191 van 18.7.2008, blz. 1).

(Zie echter artikel 58 van Richtlijn (EU) 2016/797).

Beschikking 2009/965/EG van de Commissie van 30 november 2009 betreffende het referentiedocument als bedoeld in artikel 27, lid 4, van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB EU L 341 van 22.12.2009, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 1299/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem infrastructuur van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 110).

Verordening (EU) nr. 1301/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „energie” van het spoorwegsysteem in de Unie (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 179).

Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „rollend materieel — locomotieven en reizigerstreinen” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 228).

Verordening (EU) nr. 1303/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende „veiligheid in spoorwegtunnels” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 394).

Verordening (EU) nr. 1304/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „rollend materieel — geluidsemissies”, tot wijziging van Beschikking 2008/232/EG en tot intrekking van Besluit 2011/229/EU (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 421).

Verordening (EU) nr. 1305/2014 van de Commissie van 11 december 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem telematicatoepassingen voor goederenvervoer van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 62/2006 (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 438).

Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie van 4 oktober 2011 inzake het Europees register van goedgekeurde spoorwegvoertuigtypen (PB EU L 64 van 8.10.2011, blz. 32).

Uitvoeringsbesluit 2014/880/EU van de Commissie van 26 november 2014 inzake de gemeenschappelijke specificaties van het register van de spoorweginfrastructuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2011/633/EU (PB EU L 356 van 12.12.2014, blz. 489).

Besluit 2012/757/EU van de Commissie van 14 november 2012 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot wijziging van Beschikking 2007/756/EG (PB EU L 345 van 15.12.2012, blz. 1).

Besluit 2011/229/EU van de Commissie van 4 april 2011 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem „rollend materieel – geluidsemissies” van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PB EU L 99 van 13.4.2011, blz. 1).

Besluit 2011/291/EU van de Commissie van 26 april 2011 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem rollend materieel — Locomotieven en reizigerstreinen van het conventionele trans-Europees spoorwegsysteem (PB EU L 139 van 26.5.2011, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 454/2011 van de Commissie van 5 mei 2011 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „telematicatoepassingen ten dienste van passagiers” van het trans-Europees spoorwegsysteem (PB EU L 123 van 12.5.2011, blz. 11).

Besluit 2011/314/EU van de Commissie van 12 mei 2011 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem „Exploitatie en verkeersleiding” van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PB EU L 144 van 31.5.2011, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 201/2011 van de Commissie van 1 maart 2011 betreffende het model voor de verklaring van overeenstemming met een goedgekeurd type spoorvoertuig (PB L 57 van 2.3.2011, blz. 8).

Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie van 27 mei 2016 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB EU L 158 van 15.6.2016, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 321/2013 van de Commissie van 13 maart 2013 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „rollend materieel — goederenwagens” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PB EU L 104 van 12.4.2013, blz. 1).

Besluit 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedures voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de EG-keuring die moeten worden toegepast in het kader van de op grond van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit (PB EU L 319 van 4.12.2010, blz. 1).

Spoorwegbureau van de Europese Unie

Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (PB EU L 138 van 26.5.2016, blz. 1).

Spoorwegveiligheid

Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB EU L 138 van 26.5.2016, blz. 102).

Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PB EU L 164 van 30.4.2004, blz. 44).

(Zie echter artikel 34 van Richtlijn (EU) 2016/798)

Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie van 13 juni 2007 betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk Europees formaat voor veiligheidscertificaten en aanvraagdocumenten overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad en betreffende de geldigheid van overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG afgegeven veiligheidscertificaten (PB EU L 153 van 14.6.2007, blz. 9).

Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagons belaste entiteiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 653/2007 (PB EU L 122 van 11.5.2011, blz. 22).

Verordening (EU) nr. 1158/2010 van de Commissie van 9 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van veiligheidscertificaten voor spoorwegen (PB EU L 326 van 10.12.2010, blz. 11).

Verordening (EU) nr. 1169/2010 van de Commissie van 10 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van veiligheidscertificaten voor spoorwegen (PB EU L 327 van 11.12.2010, blz. 13).

Verordening (EU) nr. 1078/2012 van de Commissie van 16 november 2012 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor de controle die moet worden uitgevoerd door met onderhoud belaste entiteiten alsmede door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders nadat zij een veiligheidscertificaat of veiligheidsvergunning hebben ontvangen (PB EU L 320 van 17.11.2012, blz. 8).

Verordening (EU) nr. 1077/2012 van de Commissie van 16 november 2012 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor het toezicht door de nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een veiligheidscertificaat of veiligheidsvergunning (PB EU L 320 van 17.11.2012, blz. 3).

Beschikking 2009/460/EG van de Commissie van 5 juni 2009 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden om te beoordelen of voldaan is aan de veiligheidsdoelen, als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 150 van 13.6.2009, blz. 11).

Vervoer van gevaarlijke goederen over land

Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB EU L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

Vervoerbare drukapparatuur

Richtlijn 2010/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG, 84/527/EEG en 1999/36/EG van de Raad (PB EU L 165 van 30.6.2010, blz. 1).

Sociale zaken - arbeidstijd/-uren

Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB EU L 299 van 18.11.2003, blz. 9).

Richtlijn 2005/47/EG van de Raad van 18 juli 2005 betreffende de overeenkomst tussen de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten - Overeenkomst tussen de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) en de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER) inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten verrichten (PB EU L 195 van 27.7.2005, blz. 15).

Passagiersrechten

Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB EU L 315 van 3.12.2007, blz. 14).

BIJLAGE I.3

REGELS VAN TOEPASSING OP HET WEGVERVOER

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de daaropvolgende protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

Belasting op wegeninfrastructuur - Jaarlijkse voertuigbelasting

Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB EG L 187 van 20.7.1999, blz. 42).

Toegang tot het beroep van wegvervoerder

Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB EU L 300 van 14.11.2009, blz. 51).

Sociale bepalingen - Rijtijd en rustperioden

Verordening (EU) 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB EU L 102 van 11.4.2006, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 581/2010 van de Commissie van 1 juli 2010 inzake de maximumtermijnen voor het downloaden van relevante gegevens van voertuigunits en bestuurderskaarten (PB EU L 168 van 2.7.2010, blz. 16).

Tachograaf

Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB EU L 60 van 28.2.2014, blz. 1).

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/68 van de Commissie van 21 januari 2016 betreffende gemeenschappelijke procedures en specificaties die nodig zijn voor de onderlinge verbinding van elektronische registers van bestuurderskaarten (PB EU L 15 van 22.1.2016, blz. 51).

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie van 18 maart 2016 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie van tachografen en tachograafonderdelen (PB EU L 139 van 26.5.2016, blz. 1).

Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB EG L 370 van 31.12.1985, blz. 8).

(Zie echter artikel 46 van Verordening (EU) nr. 165/2014)

Handhaving van sociale wetgeving

Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad (PB EU L 102 van 11.4.2006, blz. 35).

Formulier voor de verklaring van activiteiten

Beschikking 2007/230/EG van de Commissie van 12 april 2007 tot vaststelling van een formulier in het kader van de sociale wetgeving met betrekking tot het wegvervoer (PB EU L 99 van 14.4.2007, blz. 14).

Arbeidstijd

Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB EG L 80 van 23.3.2002, blz. 35).

Vervoerbare drukapparatuur

Richtlijn 2010/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG, 84/527/EEG en 1999/36/EG van de Raad (PB EU L 165 van 30.6.2010, blz. 1).

Technische controle

Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB EU L 127 van 29.4.2014, blz. 51).

Richtlijn 2009/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (PB EU L 141 van 6.6.2009, blz. 12).

(Zie echter artikel 24 van Richtlijn 2014/45/EU).

Controle langs de weg

Richtlijn 2014/47/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG (PB EU L 127 van 29.4.2014, blz. 134).

Richtlijn 2000/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2000 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Gemeenschap deelnemen aan het verkeer (PB EG L 203 van 10.8.2000, blz. 1).

(Zie echter artikel 27 van Richtlijn 2014/47/EU).

Snelheidsbegrenzers

Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB EG L 57 van 2.3.1992, blz. 27).

Veiligheidsgordels

Richtlijn 91/671/EEG van de Raad van 16 december 1991 betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen (PB EG L 373 van 31.12.1991, blz. 26).

Spiegels

Richtlijn 2007/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitrusting met spiegels van in de Gemeenschap ingeschreven vrachtwagens (PB EU L 184 van 14.7.2007, blz. 25).

Registratiedocumenten

Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB EG L 138 van 1.6.1999, blz. 57).

Richtlijn 2006/103/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vervoerbeleid, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB EU L 363 van 20.12.2006, blz. 344).

Opleiding van chauffeurs

Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad (PB EU L 226 van 10.9.2003, blz. 4).

Rijbewijs

Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB EU L 403 van 30.12.2006, blz. 18).

Verordening (EU) nr. 383/2012 van de Commissie van 4 mei 2012 tot vaststelling van de technische voorschriften betreffende rijbewijzen met een ingebouwd opslagmedium (microchip) (PB EU L 120 van 5.5.2012, blz. 1).

Grensoverschrijdende uitwisseling van informatie

Richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PB EU L 68 van 13.3.2015, blz. 9).

Vervoer van gevaarlijke goederen over land

Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB EU L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

Controle op het vervoer van gevaarlijke goederen

Richtlijn 95/50/EG van de Raad van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PB EG L 249 van 17.10.1995, blz. 35).

Tunnels

Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PB EU L 167 van 30.4.2004, blz. 39).

Veiligheidsbeheer van weginfrastructuur

Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PB EU L 319 van 29.11.2008, blz. 59).

Afmetingen en gewicht van voertuigen

Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB EG L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

Passagiersrechten

Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB EU L 55 van 28.2.2011, blz. 1).

Schone voertuigen en/of infrastructuur voor alternatieve brandstoffen

Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB EU L 120 van 15.5.2009, blz. 5).

Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB EU L 307 van 28.10.2014, blz. 1).

Intelligente vervoerssystemen

Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PB EU L 207 van 6.8.2010, blz. 1).

Uitvoeringsbesluit 2011/453/EU van de Commissie van 13 juli 2011 houdende vaststelling van richtsnoeren voor de verslaglegging door de lidstaten uit hoofde van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 193 van 23.7.2011, blz. 48).

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/209 van de Commissie van 12 februari 2016 betreffende een normalisatieverzoek aan de Europese normalisatie-instellingen met betrekking tot intelligente vervoerssystemen (ITS) in stedelijke gebieden ter ondersteuning van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PB EU L 39 van 16.2.2016, blz. 48).

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 305/2013 van de Commissie van 26 november 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad, wat de geharmoniseerde voorziening in de gehele Unie van een interoperabele eCall betreft (PB EU L 91 van 3.4.2013, blz. 1).

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 885/2013 van de Commissie van 15 mei 2013 ter aanvulling van ITS-richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het verstrekken van informatiediensten voor veilige en beveiligde parkeerplaatsen voor vrachtwagens en bedrijfsvoertuigen (PB EU L 247 van 18.9.2013, blz. 1).

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 886/2013 van de Commissie van 15 mei 2013 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de gegevens en procedures voor het aanbieden, waar mogelijk, van minimale universele verkeersveiligheidsinformatie die kosteloos is voor de gebruikers (PB EU L 247 van 18.9.2013, blz. 6).

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/962 van de Commissie van 18 december 2014 ter aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de verlening van EU-wijde realtimeverkeersinformatiediensten betreft (PB EU L 157 van 23.6.2015, blz. 21).

Besluit nr. 585/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de uitrol van de interoperabele eCall-dienst in de hele EU (PB EU L 164 van 3.6.2014, blz. 6).

Tolheffingssystemen

Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap (PB EU L 166 van 30.4.2004, blz. 124).

Beschikking 2009/750/EG van de Commissie van 6 oktober 2009 tot definiëring van de Europese elektronische tolheffingsdienst en de bijbehorende technische onderdelen (PB EU L 268 van 13.10.2009, blz. 11).

Typegoedkeuring

Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB EU L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

BIJLAGE I.4

REGELS VAN TOEPASSING OP HET VERVOER OVER ZEE

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

Maritiem beleid

Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2011 tot vaststelling van een programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid (PB EU L 132 van 5.12.2011, blz. 1).

Markttoegang

Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB EG L 364 van 12.12.1992, blz. 7).

Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (PB EG L 378 van 31.12.1986, blz. 1).

Verordening (EG) nr. 789/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de overdracht van vracht- en passagiersschepen tussen registers binnen de Gemeenschap en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 613/91 van de Raad (PB EU L 138 van 30.4.2004, blz. 19).

Verordening (EEG) nr. 4058/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende een gecoördineerd optreden ter vrijwaring van de vrije toegang tot lading in het vervoer over zee (PB EG L 378 van 31.12.1986, blz. 21).

Internationale betrekkingen

Verordening (EEG) nr. 4057/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee (PB EG L 378 van 31.12.1986, blz. 14).

Internationale overeenkomsten

Besluit 2012/22/EU van de Raad van 12 december 2011 betreffende de toetreding van de Europese Unie tot het Protocol van 2002 bij het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee van 1974, met uitzondering van de artikelen 10 en 11 (PB EU L 8 van 12.1.2012, blz. 1).

Besluit 2012/23/EU van de Raad van 12 december 2011 betreffende de toetreding van de Europese Unie tot het Protocol van 2002 bij het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee van 1974, wat betreft de artikelen 10 en 11 (PB EU L 8 van 12.1.2012, blz. 13).

Met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties - Erkende organisaties

Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB EU L 131 van 28.5.2009, blz. 47).

Beschikking 2009/491/EG van de Commissie van 16 juni 2009 inzake de criteria op grond waarvan wordt beslist wanneer de prestaties van een namens een vlaggenstaat optredende organisatie als een onaanvaardbare bedreiging van de veiligheid en het milieu kunnen worden beschouwd (PB EU L 162 van 25.6.2009, blz. 6).

Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (PB EU L 131 van 28. 5.2009, blz. 11).

Verordening (EU) nr. 788/2014 van de Commissie van 18 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen en de intrekking van de erkenning van de met inspectie en controle van schepen belaste organisaties krachtens de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 214 van 19.7.2014, blz. 12).

Vlaggenstaat

Richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen (PB EU L 131 van 28.5.2009, blz. 132).

Controle door de havenstaat

Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB EU L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

Monitoring van het scheepsverkeer

Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB EG L 208 van 5.8.2002, blz. 10).

Internationale Veiligheidsmanagementcode

Verordening (EG) nr. 336/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 inzake de implementatie van de Internationale Veiligheidsmanagementcode in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad (PB EU L 64 van 4.3.2006, blz. 1).

Meldingsformaliteiten

Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG (PB EU L 283 van 29.10.2010, blz. 1).

Uitrusting van zeeschepen

Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (PB EU L 257 van 28.8.2014, blz. 146).

Passagiersschepen

Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (PB EU L 123 van 17.5.2003, blz. 22).

Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen (PB EU L 131 van 28.5.2009, blz. 24).

Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB EG L 188 van 2.7.1998, blz. 35).

Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB EU L 163 van 5.6.2009, blz. 1).

Richtlijn 1999/35/EG van de Raad van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PB EG L 138 van 1.6.1999, blz. 1).

Veiligheid van vissersvaartuigen

Richtlijn 97/70/EG van de Raad van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt (PB EG L 34 van 9.2.1998, blz. 1).

Olietankers

Verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (PB EU L 172 van 30.6.2012, blz. 3).

Bulkschepen

Richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (PB EG L 13 van 16.1.2002, blz. 9).

Onderzoek naar ongevallen

Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 131 van 28.5.2009, blz. 114).

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 651/2011 van de Commissie van 5 juli 2011 tot vaststelling van het reglement van orde van het raamwerk voor permanente samenwerking dat door de lidstaten, in samenwerking met de Commissie, is vastgesteld krachtens artikel 10 van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 177 van 6.7.2011, blz. 18).

Verordening (EU) nr. 1286/2011 van de Commissie van 9 december 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee, krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 328 van 10.12.2011, blz. 36).

Verzekering

Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaren tegen maritieme vorderingen (PB EU L 131 van 28.5.2009, blz. 128).

Verontreiniging vanaf schepen

Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (PB EU L 255 van 30.9.2005, blz. 11).

Scheepsafval

Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PB EG L 332 van 28.12.2000, blz. 81).

Organische tinverbindingen

Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PB EU L 115 van 9.5.2003, blz. 1).

Maritieme veiligheid

Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PB EU L 129 van 29.4.2004, blz. 6).

Richtlijn 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens (PB EU L 310 van 25.11.2005, blz. 28).

Verordening (EG) nr. 324/2008 van de Commissie van 9 april 2008 tot vaststelling van herziene procedures voor de uitvoering van inspecties van de Commissie op het gebied van de maritieme beveiliging (PB EU L 98 van 10.4.2008, blz. 5).

Opleiding van zeevarenden

Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PB EU L 323 van 3.12.2008, blz. 33).

Richtlijn 2005/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden (PB EU L 255 van 30.9.2005, blz. 160).

Sociale aspecten

Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (PB EU L 329 van 10.12.2013, blz. 1).

Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST) (PB EG L 167 van 2.7.1999, blz. 33).

Richtlijn 1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen (PB EG L 14 van 20.1.2000, blz. 29).

Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (PB EU L 124 van 20.5.2009, blz. 30).

Richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB EG L 113 van 30.4.1992, blz. 19).

Zee en binnenwateren

Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB EU L 334 van 17.12.2010, blz. 1).

Vervoerbare drukapparatuur

Richtlijn 2010/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van Richtlijnen 76/767/EEG, 84/525/EEG, 84/526/EEG, 84/527/EEG en 1999/36/EG van de Raad (PB EU L 165 van 30.6.2010, blz. 1).

Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB EG L 208 van 5.8.2002, blz. 1).

Comité maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen

Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) en houdende wijziging van de verordeningen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (PB EG L 324 van 29.11.2002, blz. 1).

BIJLAGE I.5

REGELS VAN TOEPASSING OP HET VERVOER OVER BINNENWATEREN

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de daaropvolgende protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

Markttoegang

Verordening (EG) nr. 1356/96 van de Raad van 8 juli 1996 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor het vervoer van goederen of personen over de binnenwateren, tussen lidstaten, om voor dit vervoer het vrij verrichten van diensten te verzekeren (PB EG L 175 van 13.7.1996, blz. 7).

Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PB EG L 373 van 31.12.1991, blz. 1).

Verordening (EG) Nr. 718/99 van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PB EG L 90 van 2.4.1999, blz. 1).

Richtlijn 96/75/EG van de Raad van 19 november 1996 houdende voorschriften inzake bevrachting en prijsvorming in de sector nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren in de Gemeenschap (PB EG L 304 van 27.11.1996, blz. 12).

Verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PB EG L 280 van 22.10.1985, blz. 4).

Toegang tot het beroep

Richtlijn 87/540/EEG van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma's, certificaten en andere titels (PB EG L 322 van 12.11.1987, blz. 20).

Vaarbewijzen voor het besturen van schepen

Richtlijn 91/672/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PB EG L 373 van 31.12.1991, blz. 29).

Richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PB EG L 235 van 17.9.1996, blz. 31).

Veiligheids-/technische vereisten

Richtlijn 2009/100/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PB EU L 259 van 2.10.2009, blz. 8).

Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG (PB EU L 252 van 16.9.2016, blz. 118).

Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (PB EU L 389 van 30.12.2006, blz. 1).

(Zie echter artikel 38 van Richtlijn (EU) 2016/1629).

Vervoer van gevaarlijke goederen over land

Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB EU L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

River Information Services

Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB EU L 255 van 30.9.2005, blz. 152).

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 909/2013 van de Commissie van 10 september 2013 tot vaststelling van de technische specificaties voor het systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en -informatie (Inland ECDIS) als bedoeld in Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB EU L 258 van 28.9.2013, blz. 1).

Verordening (EU) nr. 164/2010 van de Commissie van 25 januari 2010 betreffende de technische specificaties voor elektronische scheepsrapportering voor de binnenvaart als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB EU L 57 van 6.3.2010, blz. 1).

Verordening (EG) nr. 416/2007 van de Commissie van 22 maart 2007 betreffende de technische specificaties voor berichten aan de scheepvaart als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB EU L 105 van 23.4.2007, blz. 88).

Verordening (EG) nr. 415/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB EU L 105 van 23.4.2007, blz. 35).

Verordening (EG) nr. 414/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 betreffende technische richtsnoeren voor de planning, de toepassing en het operationele gebruik van River Information Services (RIS), zoals vermeld in artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB EU L 105 van 23.4.2007, blz. 1).

Milieu

Richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG (PB EU L 140 van 5.6.2009, blz. 88).

Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PB EU L 252 van 16.9.2016, blz. 53).

 

Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB EG L 59 van 27.2.1998, blz. 1).

(Zie echter artikel 64 van Verordening (EU) 2016/1628)

Richtlijn 2004/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van Richtlijn 97/68/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB EU L 146 van 30.4.2004, blz. 1).

Zee en binnenwateren

Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB EU L 334 van 17.12.2010, blz. 1).

BIJLAGE I.6

MILIEUREGELS VAN TOEPASSING OP DE VERVOERSECTOR

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

Effectbeoordeling

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB EU L 26 van 28.1.2012, blz. 1)

en het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband van 1991 (Verdrag van Espoo).

Alle projecten die onder het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen, worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de normen van de Unie. Bovendien moeten grensoverschrijdende aspecten worden behandeld overeenkomstig de eisen van het Verdrag van Espoo.

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB EG L 197 van 21.7.2001, blz. 30)

en het Protocol betreffende strategische milieueffectrapportage bij het Verdrag van Espoo (SEA-protocol).

Alle plannen en programma's op het gebied van vervoer worden voor zover van toepassing onderworpen aan een milieubeoordeling vergelijkbaar met de beoordeling in Richtlijn 2001/42/EG. Bovendien moeten grensoverschrijdende aspecten worden behandeld overeenkomstig de eisen van het SEA-protocol bij het Verdrag van Espoo.

Instandhouding

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB EG L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

Als een project mogelijk een invloed heeft op gebieden met natuurbeschermingsbelang, wordt een passende natuurbeschermingsbeoordeling verricht, vergelijkbaar met de beoordeling in artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG.

Brandstoffen

Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB EG L 350 van 28.12.1998, blz. 58).

Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PB EU L 132 van 21.5.2016, blz. 58).

Waterbeleid

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB EG L 327 van 22.12.2000, blz.1).

Alle vervoersproject betreffende navigatie die onder het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen, moeten worden ontwikkeld en uitgevoerd overeenkomstig van artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG.

Alle vervoersproject betreffende navigatie die onder het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen, moeten voor zover van toepassing worden uitgevoerd overeenkomstig de „Joint Statement on Inland Navigation and Environmental Sustainability in the Danube River Basin”, zoals goedgekeurd door de Internationale Commissie voor de bescherming van de Donau (ICPDR), de Donaucommissie en de Savacommissie.

BIJLAGE I.7

REGELS VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN VAN TOEPASSING OP DE VERVOERSECTOR

De „toepasselijke bepalingen” van de volgende handelingen van de Europese Unie zijn van toepassing overeenkomstig het Hoofdverdrag en bijlage II betreffende horizontale aanpassingen, tenzij in deze bijlage of in de protocollen I tot en met VI anders is bepaald. Zo nodig worden specifieke aanpassingen voor elke afzonderlijke handeling hieronder vermeld.

De volgende handelingen van de Europese Unie verwijzen naar de laatste versie van dergelijke handelingen zoals laatst gewijzigd.

Regelgevingsgebied

Wetgeving

Beroepsprocedures

Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB EG L 395 van 30.12.1989, blz. 33).

Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB EG L 76 van 23.3.1992, blz. 14).

Aanbestedingsprocedures

Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB EU L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB EU L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB EU L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 (PB EU L 296 van 12.11.2015, blz. 1).

Openbare diensten

Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB EU L 315 van 3.12.2007, blz. 1).


BIJLAGE II

HORIZONTALE AANPASSINGEN EN BEPAALDE PROCEDUREREGELS

De bepalingen van de in bijlage I genoemde handelingen zijn overeenkomstig het Hoofdverdrag en leden 1 tot en met 3 van deze bijlage van toepassing, tenzij in bijlage I anders is bepaald. De specifieke aanpassingen die voor afzonderlijke handelingen noodzakelijk zijn, worden uiteengezet in bijlage I.

Dit Verdrag wordt toegepast overeenkomstig de in leden 4 en 6 van deze bijlage vastgestelde procedureregels.

1.   INLEIDENDE GEDEELTEN VAN DE HANDELINGEN

De preambules van de gespecificeerde handelingen worden niet aangepast voor de toepassing van dit verdrag. Zij zijn van belang voor zover noodzakelijk in verband met de correcte interpretatie en toepassing, binnen het kader van dit Verdrag, van de bepalingen van die handelingen.

2.   SPECIFIEKE TERMINOLOGIE VAN DE HANDELINGEN

De in de in bijlage 1 genoemde handelingen gebruikte term/termen:

a)

„Europese Gemeenschap”, „Gemeenschap”, „Europese Unie” en „Unie” worden vervangen door „Vervoersgemeenschap”;

b)

„Gemeenschapsrecht”, „communautaire wetgeving”, „communautaire instrumenten”, „Unierecht”, „Uniewetgeving”, „instrumenten van de Unie” en „Verdrag” in de zin van het Verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, worden vervangen door „Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap”;

c)

„spoorwegweginfrastructuur” wordt vervangen door „spoorweginfrastructuur in de Vervoersgemeenschap”;

d)

„wegeninfrastructuur” wordt vervangen door „wegeninfrastructuur in de Vervoersgemeenschap”;

e)

„luchthaveninfrastructuur” wordt vervangen door „luchthaveninfrastructuur in de Vervoersgemeenschap”;

f)

„binnenvaartinfrastructuur” wordt vervangen door „binnenvaartinfrastructuur in de Vervoersgemeenschap”;

g)

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen” of „Publicatieblad van de Europese Unie” wordt vervangen door „Staatsbladen van de overeenkomstsluitende partijen”.

3.   VERWIJZINGEN NAAR LIDSTATEN

Onverminderd lid 4 van deze bijlage worden verwijzingen naar „een lidstaat”/„lidstaten” in de in bijlage I genoemde handelingen geacht, behalve op de EU-lidstaten, ook betrekking te hebben op de Zuidoost-Europese Partijen.

4.   BEPALINGEN BETREFFENDE DE COMITÉS VAN DE EUROPESE UNIE EN OVERLEG MET DE ZUIDOOST-EUROPESE PARTIJEN

Deskundigen van de Zuidoost-Europese Partijen worden door de Europese Commissie geraadpleegd en krijgen de gelegenheid hun advies uit te brengen telkens als de in bijlage I genoemde handelingen voorzien in raadpleging van EU-comités door de Europese Commissie en in de mogelijkheid dat zij hun advies of standpunt naar voren brengen.

Elk overleg bestaat uit een door de Europese Commissie voorgezeten vergadering en vindt op uitnodiging van de Europese Commissie plaats in het regionale stuurcomité, voorafgaand aan de raadpleging van het betrokken EU-comité. De Europese Commissie verstrekt elke Zuidoost-Europese Partij uiterlijk twee weken vóór de vergadering alle nodige informatie, tenzij specifieke omstandigheden een kortere termijn noodzakelijk maken.

De Zuidoost-Europese Partijen worden uitgenodigd om hun standpunten aan de Europese Commissie mee te delen. De Europese Commissie houdt naar behoren rekening met het advies van de Zuidoost-Europese Partijen.

Bovenstaande bepalingen gelden niet voor de toepassing van de mededingingsregels als uiteengezet in dit Verdrag, waarvoor de specifieke raadplegingsprocedures van bijlage III moeten worden gevolgd.

5.   SAMENWERKING EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

Om de uitoefening van de respectieve bevoegdheden van de bevoegde instanties van de overeenkomstsluitende partijen te vergemakkelijken, wisselen die bevoegde instanties op verzoek met elkaar alle informatie uit die noodzakelijk is voor de goede werking van dit Verdrag.

6.   GEBRUIK VAN TALEN

De overeenkomstsluitende partijen mogen, in het kader van de procedures die uit hoofde van dit Verdrag zijn vastgesteld en onverminderd bijlage IV, elke officiële taal van de instellingen van de Europese Unie of van een andere overeenkomstsluitende partij gebruiken. De overeenkomstsluitende partijen zijn zich er echter van bewust dat het gebruik van de Engelse taal deze procedures vergemakkelijkt. Als in een officieel document een taal wordt gebruikt die geen officiële taal van de instellingen van de Europese Unie is, wordt bij dat document tegelijk een vertaling in een officiële taal van de instellingen van de Europese Unie gevoegd, waarbij rekening wordt gehouden met de bepaling in de vorige zin. Als een overeenkomstsluitende partij voornemens is in een mondelinge procedure een taal te gebruiken die geen officiële taal van de instellingen van de Europese Unie is, zorgt die overeenkomstsluitende partij voor een simultaanvertaling in het Engels.


BIJLAGE III

IN ARTIKEL 17 VAN HET HOOFDVERDRAG BEDOELDE REGELS INZAKE MEDEDINGING EN STAATSSTEUN

Artikel 1

Staatsmonopolies

Een Zuidoost-Europese Partij past alle staatsmonopolies van commerciële aard geleidelijk aan zodat uiterlijk aan het einde van de tweede periode bedoeld in het protocol bij dit Verdrag dat de overgangsmaatregelen voor die betrokken Zuidoost-Europese Partij bevat, geen discriminatie tussen onderdanen van de overeenkomstsluitende partijen bestaat ten aanzien van de omstandigheden waaronder goederen worden verworven en op de markt gebracht. Het regionale stuurcomité wordt in kennis gesteld van de maatregelen die daarvoor worden genomen.

Artikel 2

Harmonisatie van de wetgeving inzake staatssteun en mededinging

1.   De Zuidoost-Europese Partijen erkennen het belang van harmonisatie van de bestaande wetgeving inzake staatssteun en mededinging van de Zuidoost-Europese Partijen met die van de Europese Unie. De Zuidoost-Europese Partijen streven ernaar hun bestaande en toekomstige wetgeving inzake staatssteun en mededinging geleidelijk verenigbaar te maken met het acquis.

2.   Die harmonisatie begint bij de inwerkingtreding van dit Verdrag en wordt, tegen het einde van de tweede periode die is vermeld in het protocol bij dit Verdrag dat de overgangsmaatregelen ten aanzien van de betrokken Zuidoost-Europese Partij bevat, geleidelijk uitgebreid tot alle in deze bijlage genoemde onderdelen van de bepalingen van de Europese Unie inzake staatssteun en mededinging. De betrokken Zuidoost-Europese Partij definieert ook, in overeenstemming met de Europese Commissie, de modaliteiten voor het toezicht op de uitvoering van de harmonisatie van de wetgeving en de te treffen rechtshandhavingsmaatregelen.

Artikel 3

Mededingingsregels en andere economische bepalingen

1.   De volgende praktijken zijn onverenigbaar met de goede werking van dit Verdrag, voor zover de handel tussen twee of meer overeenkomstsluitende partijen erdoor ongunstig kan worden beïnvloed:

a)

alle overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of verstoord;

b)

het misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen of in een substantieel deel daarvan;

c)

alle steunmaatregelen van de staten die de mededinging verstoren of dreigen te verstoren door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde goederen.

2.   Alle praktijken die met dit artikel in strijd zijn, worden beoordeeld aan de hand van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de mededingingsregels die van toepassing zijn in de Europese Unie, met name de artikelen 93, 101, 102, 106, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de uitleggingsinstrumenten die door de instellingen van de Europese Unie zijn vastgesteld.

3.   Elke Zuidoost-Europese Partij ziet erop toe dat aan een functioneel onafhankelijke overheidsinstantie de nodige bevoegdheden worden verleend voor de volledige toepassing van lid 1, onder a) en b), ten aanzien van particuliere en overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere rechten zijn verleend.

4.   Elke Zuidoost-Europese Partij zorgt voor de aanwijzing of de instelling van een functioneel onafhankelijke overheidsinstantie waaraan de nodige bevoegdheden worden verleend voor de volledige toepassing van lid 1, onder c). Die instantie beschikt onder meer over de bevoegdheid toestemming te verlenen voor steunregelingen van de overheid en voor individuele steunmaatregelen, overeenkomstig lid 2, alsmede de bevoegdheid terugbetaling van onwettig verleende overheidssteun te vorderen.

5.   Elke overeenkomstsluitende partij garandeert transparantie ten aanzien van staatssteun, onder meer door de andere overeenkomstsluitende partijen een jaarverslag of een gelijkwaardig rapport te bezorgen, waarbij de methodologie en de presentatie worden gevolgd van het overzicht van de staatssteun dat door de Europese Unie wordt opgesteld. Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij verstrekt een andere overeenkomstsluitende partij informatie over bepaalde afzonderlijke steunmaatregelen van de overheid.

6.   Elke Zuidoost-Europese Partij stelt een volledig overzicht op van de steunregelingen die vóór de oprichting van de in lid 4 bedoelde instantie zijn ingesteld en passen die steunregelingen aan volgens de in lid 2 bedoelde criteria.

7.

a)

Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, onder c), komen de overeenkomstsluitende partijen overeen dat tijdens de perioden die zijn vermeld in het protocol bij dit Verdrag dat de overgangsmaatregelen ten aanzien van een Zuidoost-Europese Partij bevat, alle door die Zuidoost-Europese Partij toegekende overheidssteun wordt beoordeeld met inachtneming van het feit dat de betrokken Zuidoost-Europese Partij wordt beschouwd als een regio van de Europese Unie waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar ernstige werkloosheid heerst, als bedoeld in artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

b)

Tegen het einde van de eerste periode die is vermeld in het protocol bij dit Verdrag dat de overgangsmaatregelen ten aanzien van een Zuidoost-Europese Partij bevat, verstrekt die partij de Europese Commissie de bbp-cijfers per hoofd van de bevolking, geharmoniseerd op NUTS II-niveau. De in lid 4 bedoelde instantie en de Europese Commissie evalueren dan gezamenlijk welke regio's van de betrokken Zuidoost-Europese Partij voor overheidssteun in aanmerking komen, alsmede hoeveel de maximale steunintensiteit voor die regio's mag bedragen, teneinde op basis van de desbetreffende richtsnoeren van de Europese Unie het regionale steunoverzicht op te stellen.

8.   Als een van de overeenkomstsluitende partijen van mening is dat een bepaalde handelwijze onverenigbaar is met lid 1, kan zij passende maatregelen nemen na overleg in het regionale stuurcomité, of na een termijn van 30 werkdagen volgende op het verzoek om dergelijk overleg.

9.   De overeenkomstsluitende partijen wisselen gegevens uit, rekening houdend met de beperkingen uit hoofde van het zaken- en beroepsgeheim.


BIJLAGE IV

VERWIJZINGEN NAAR HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE

1.   Algemene principes met betrekking tot artikel 19 van het Hoofdverdrag

1.

De bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna „het Hof van Justitie” genoemd, en van zijn reglement voor de procesvoering betreffende verzoeken om prejudiciële beslissingen zijn van toepassing, voor zover dat passend is, op verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend door een rechterlijke instantie van een Zuidoost-Europese Partij op grond van artikel 19 van het Hoofdverdrag.

2.

In die gevallen hebben Zuidoost-Europese Partijen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag dezelfde rechten als de EU-lidstaten wat betreft het indienen van opmerkingen bij het Hof van Justitie.

2.   Reikwijdte en regels van de procedure van artikel 19 van het Hoofdverdrag

1.

Wanneer een Zuidoost-Europese Partij overeenkomstig artikel 19, lid 2, van het Hoofdverdrag, een besluit vaststelt over de reikwijdte en regels voor verzoeken aan het Hof van Justitie, moet in dat besluit het volgende worden bepaald:

a)

elke rechterlijke instantie van de Zuidoost-Europese Partij waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, moet het Hof van Justitie verzoeken om een prejudiciële uitspraak over een vraag in een zaak die voor die instantie aanhangig is en de geldigheid of de uitlegging betreft van dit Verdrag of een bepaling als bedoeld in artikel 19 van het Hoofdverdrag, als die rechterlijke instantie een beslissing over die vraag noodzakelijk acht voor het wijzen van een vonnis, of

b)

elke rechterlijke instantie van die Zuidoost-Europese Partij kan het Hof van Justitie verzoeken om een prejudiciële uitspraak over een vraag in een zaak die voor die instantie aanhangig is en die de geldigheid of de uitlegging betreft van dit Verdrag of een bepaling als bedoeld in artikel 19 van het Hoofdverdrag, als die rechterlijke instantie een beslissing over die vraag noodzakelijk acht voor het wijzen van een vonnis.

2.

De uitvoeringsbepalingen van artikel 19 van het Hoofdverdrag zijn gebaseerd op de principes die zijn neergelegd in de wettelijke bepalingen tot regeling van de werking van het Hof van Justitie, met inbegrip van de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het statuut en het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, alsook de jurisprudentie ervan. Wanneer een beslissing over de uitvoeringsbepalingen van deze bepaling moet worden genomen, houdt de Zuidoost-Europese Partij ook rekening met de aanbevelingen die door het Hof van Justitie zijn gepubliceerd voor de inleiding van prejudiciële procedures door nationale rechterlijke instanties.

3.   Geschillen die aan het Hof van Justitie worden voorgelegd overeenkomstig artikel 37, lid 3, van het Hoofdverdrag

De bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van zijn reglement voor de procesvoering betreffende geschillen die aan het Hof worden voorgelegd overeenkomstig artikel 273 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn van toepassing, voor zover dat passend is, op geschillen die zijn voorgelegd overeenkomstig artikel 37, lid 3,van het Hoofdverdrag.

4.   Verzoeken aan het Hof van Justitie en gebruikte talen

De Zuidoost-Europese Partijen zijn gerechtigd om bij procedures die in het kader van dit Verdrag bij het Hof van Justitie zijn ingeleid, elke officiële taal van de instellingen van de Europese Unie of van een andere Zuidoost-Europese Partij te gebruiken. Bij een officieel document in een taal die geen officiële taal van de instellingen van de Europese Unie is, wordt tegelijk een vertaling in het Frans gevoegd. Als een Zuidoost-Europese Partij voornemens is in een mondelinge procedure een taal te gebruiken die geen officiële taal van de instellingen van de Europese Unie is, zorgt die Zuidoost-Europese Partij voor een simultaanvertaling in het Frans.


BIJLAGE V

BIJDRAGE AAN DE BEGROTING VAN DE VERVOERSGEMEENSCHAP

Partijen

Procentuele bijdrage

Europese Unie

80,00

Republiek Albanië

3,20

Bosnië en Herzegovina

3,55

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

2,88

Kosovo (*1)

2,57

Montenegro

2,38

Republiek Servië

5,42

De bijdrage wordt in twee delen gesplitst: 80 % voor de Europese Unie en 20 % voor de zes Zuidoost-Europese Partijen.

De 20 % van de Zuidoost-Europese Partijen zal ook worden opgesplitst volgens deze regeling: elke Partij draagt 2 % bij aan de begroting en de overige 8 % zal over de zes Zuidoost-Europese Partijen worden verdeeld volgens het aandeel van hun bbp in het totale bbp van de Zuidoost-Europese Partijen.


(*1)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


PROTOCOL I

OVERGANGSBEPALINGEN TUSSEN DE EUROPESE UNIE, ENERZIJDS, EN DE REPUBLIEK ALBANIË, ANDERZIJDS

I.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor spoorwegvervoer

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat de Republiek Albanië, hierna „Albanië” genoemd, alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Albanië alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

3.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode kan Albanië de Europese Commissie vragen om de vooruitgang te beoordelen overeenkomstig artikel 40 van het Hoofdverdrag, teneinde meteen tot marktintegratie over te gaan overeenkomstig artikel 11 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode heeft Albanië:

a)

alle spoorwegwetgeving als bedoeld in bijlage I ingevoerd;

b)

voldoende vooruitgang geboekt met de toepassing van de regels inzake staatssteun en mededinging die zijn opgenomen in een in artikel 17 van het Hoofdverdrag bedoelde overeenkomst, dan wel in bijlage III, naargelang het geval.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode past Albanië dit Verdrag toe met inbegrip van alle spoorwegwetgeving en de regels inzake staatssteun en mededinging als bedoeld in lid 1.

ARTIKEL 3

1.

Niettegenstaande artikel 1, lid 1, van het Hoofdverdrag:

a)

wordt tijdens de eerste overgangsperiode aan in Albanië vergunde spoorwegondernemingen toegang verleend tot de spoorweginfrastructuur in Albanië;

b)

mogen tijdens de tweede overgangsperiode in Albanië vergunde spoorwegondernemingen de verkeersrechten als bedoeld in de in bijlage I vermelde spoorwegwetgeving uitoefenen op spoorweginfrastructuur in elke andere Zuidoost-Europese Partij.

II.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over zee

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Albanië alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Albanië alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode:

a)

heeft Albanië alle in bijlage I bedoelde maritieme wetgeving ingevoerd, met uitzondering van Verordening (EEG) nr. 3577/92;

b)

genieten onderdanen van Albanië en in Albanië gevestigde scheepvaartondernemingen het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere lidstaat of van een land dat geen lid is van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor onderdanen van Albanië die buiten Albanië zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten Albanië zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van Albanië, als hun schepen in Albanië zijn geregistreerd overeenkomstig de Albanese wetgeving.

Omgekeerd genieten reders uit de Unie het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven of een offshore-installatie van een EU-lidstaat en Albanië en tussen een haven of een offshore-installatie van een land dat geen lid is van de Europese Unie en Albanië. Hetzelfde geldt voor onderdanen van EU-lidstaten die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een EU-lidstaat, als hun schepen in die EU-lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode:

a)

past Albanië dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

wordt aan reders uit de Unie met in een EU-lidstaat of in Albanië geregistreerde schepen die onder de vlag van die lidstaat of Albanië varen, de vrijheid verleend om in Albanië maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

Omgekeerd wordt aan reders uit Albanië met in een EU-lidstaat of in Albanië geregistreerde schepen die onder de vlag van die lidstaat of Albanië varen, de vrijheid verleend om in een EU-lidstaat maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

III.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over binnenwateren

ARTIKEL 1

1.

De overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Albanië alle in artikel 2 van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de overgangsperiode:

a)

past Albanië dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

geniet Albanië het recht om reizigers of goederen over de binnenwateren te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of offshore-installatie van een andere lidstaat.


PROTOCOL II

OVERGANGSBEPALINGEN TUSSEN DE EUROPESE UNIE, ENERZIJDS, EN BOSNIË EN HERZEGOVINA, ANDERZIJDS

I.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor spoorwegvervoer

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Bosnië en Herzegovina alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Bosnië en Herzegovina alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

3.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode kan Bosnië en Herzegovina de Europese Commissie vragen om de vooruitgang te beoordelen overeenkomstig artikel 40 van het Hoofdverdrag, teneinde meteen tot marktintegratie over te gaan overeenkomstig artikel 11 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode heeft Bosnië en Herzegovina:

a)

alle spoorwegwetgeving als bedoeld in bijlage I ingevoerd;

b)

voldoende vooruitgang geboekt met de toepassing van de regels inzake staatssteun en mededinging die zijn opgenomen in een in artikel 17 van het Hoofdverdrag bedoelde overeenkomst, dan wel in bijlage III, naargelang het geval.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode past Bosnië en Herzegovina dit Verdrag toe met inbegrip van alle spoorwegwetgeving en de regels inzake staatssteun en mededinging als bedoeld in lid 1.

ARTIKEL 3

1.

Niettegenstaande artikel 1, lid 1, van het Hoofdverdrag:

a)

wordt tijdens de eerste overgangsperiode aan in Bosnië en Herzegovina vergunde spoorwegondernemingen toegang verleend tot de spoorweginfrastructuur in Bosnië en Herzegovina;

b)

mogen tijdens de tweede overgangsperiode in Bosnië en Herzegovina vergunde spoorwegondernemingen de verkeersrechten als bedoeld in de in bijlage I vermelde spoorwegwetgeving uitoefenen op spoorweginfrastructuur in elke andere Zuidoost-Europese Partij.

II.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over zee

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Bosnië en Herzegovina alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Bosnië en Herzegovina alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode:

a)

heeft Bosnië en Herzegovina alle in bijlage I bedoelde maritieme wetgeving ingevoerd, met uitzondering van Verordening (EEG) nr. 3577/92;

b)

genieten onderdanen van Bosnië en Herzegovina en in Bosnië en Herzegovina gevestigde scheepvaartondernemingen het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere lidstaat of van een land dat geen lid is van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor onderdanen van Bosnië en Herzegovina die buiten Bosnië en Herzegovina zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten Bosnië en Herzegovina zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van Bosnië en Herzegovina, als hun schepen in Bosnië en Herzegovina zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van dat land.

Omgekeerd genieten reders uit de Unie het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven of een offshore-installatie van een EU-lidstaat en Bosnië en Herzegovina en tussen een haven of een offshore-installatie van een land dat geen lid is van de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina. Dat geldt ook voor onderdanen van EU-lidstaten die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een EU-lidstaat, als hun schepen in die EU-lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode:

a)

past Bosnië en Herzegovina dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

wordt aan reders uit de Unie met in een EU-lidstaat of in Bosnië en Herzegovina geregistreerde schepen die onder de vlag van die lidstaat of Bosnië en Herzegovina varen, de vrijheid verleend om in Bosnië en Herzegovina maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

Omgekeerd wordt aan reders uit Bosnië en Herzegovina met in een EU-lidstaat of in Bosnië en Herzegovina geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of Bosnië en Herzegovina varen, de vrijheid verleend om in een lidstaat maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

III.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over binnenwateren

ARTIKEL 1

1.

De overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Bosnië en Herzegovina alle in artikel 2 van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de overgangsperiode:

a)

past Bosnië en Herzegovina dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

geniet Bosnië en Herzegovina het recht om reizigers of goederen over de binnenwateren te vervoeren tussen een haven van een EU-lidstaat en een haven of offshore-installatie van een andere lidstaat.


PROTOCOL III

OVERGANGSBEPALINGEN TUSSEN DE EUROPESE UNIE, ENERZIJDS, EN DE VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË, ANDERZIJDS

I.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor spoorwegvervoer

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

3.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode kan de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië de Europese Commissie vragen om de vooruitgang te beoordelen overeenkomstig artikel 40 van het Hoofdverdrag, teneinde meteen tot marktintegratie over te gaan overeenkomstig artikel 11 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode heeft de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië:

a)

alle spoorwegwetgeving als bedoeld in bijlage I ingevoerd;

b)

voldoende vooruitgang geboekt met de toepassing van de regels inzake staatssteun en mededinging die zijn opgenomen in een in artikel 17 van het Hoofdverdrag bedoelde overeenkomst, dan wel in bijlage III, naargelang het geval.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode past de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië dit Verdrag toe met inbegrip van alle spoorwegwetgeving en de regels inzake staatssteun en mededinging als bedoeld in lid 1.

ARTIKEL 3

1.

Niettegenstaande artikel 1, lid 1, van het Hoofdverdrag:

a)

wordt tijdens de eerste overgangsperiode aan in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vergunde spoorwegondernemingen toegang verleend tot de spoorweginfrastructuur in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;

b)

mogen tijdens de tweede overgangsperiode in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vergunde spoorwegondernemingen de verkeersrechten als bedoeld in de in bijlage I vermelde spoorwegwetgeving uitoefenen op spoorweginfrastructuur in elke andere Zuidoost-Europese Partij.

II.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over zee

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode:

a)

heeft de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alle in bijlage I bedoelde maritieme wetgeving ingevoerd, met uitzondering van Verordening (EEG) nr. 3577/92;

b)

genieten onderdanen van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië gevestigde scheepvaartondernemingen het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven van een EU-lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere EU-lidstaat of van een land dat geen lid is van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor onderdanen van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië die buiten de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, als hun schepen in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van dat land.

Omgekeerd genieten reders uit de Unie het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven of een offshore-installatie van een EU-lidstaat en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en tussen een haven of een offshore-installatie van een land dat geen lid is van de Europese Unie en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Hetzelfde geldt voor onderdanen van EU-lidstaten die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een EU-lidstaat, als hun schepen in die EU-lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode:

a)

past de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

wordt aan reders uit de Unie met in een EU-lidstaat of in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië geregistreerde schepen die onder de vlag van die lidstaat of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië varen, de vrijheid verleend om in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

Omgekeerd wordt aan reders uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië met in een EU-lidstaat of in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië varen, de vrijheid verleend om in een lidstaat maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

III.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over binnenwateren

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië alle in artikel 2 van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

Aan het einde van de overgangsperiode:

a)

past de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

geniet de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië het recht om reizigers of goederen over de binnenwateren te vervoeren tussen een haven van een EU-lidstaat en een haven of offshore-installatie van een andere lidstaat.


PROTOCOL IV

OVERGANGSBEPALINGEN TUSSEN DE EUROPESE UNIE, ENERZIJDS, EN KOSOVO (*1), ANDERZIJDS

I.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor spoorwegvervoer

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Kosovo alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Kosovo alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

3.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode kan Kosovo de Europese Commissie vragen om de vooruitgang te beoordelen overeenkomstig artikel 40 van het Hoofdverdrag, teneinde meteen tot marktintegratie over te gaan overeenkomstig artikel 11 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode heeft Kosovo:

a)

alle spoorwegwetgeving als bedoeld in bijlage I ingevoerd;

b)

voldoende vooruitgang geboekt met de toepassing van de regels inzake staatssteun en mededinging die zijn opgenomen in een in artikel 17 van het Hoofdverdrag bedoelde overeenkomst, dan wel in bijlage III, naargelang het geval.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode past Kosovo dit Verdrag toe met inbegrip van alle spoorwegwetgeving en de regels inzake staatssteun en mededinging als bedoeld in lid 1.

ARTIKEL 3

1.

Niettegenstaande artikel 1, lid 1, van het Hoofdverdrag:

a)

wordt tijdens de eerste overgangsperiode aan in Kosovo vergunde spoorwegondernemingen toegang verleend tot de spoorweginfrastructuur in Kosovo;

b)

mogen tijdens de tweede overgangsperiode in Kosovo vergunde spoorwegondernemingen de verkeersrechten als bedoeld in de in bijlage I vermelde spoorwegwetgeving uitoefenen op spoorweginfrastructuur in elke andere Zuidoost-Europese Partij.

II.   Voorwaarden voor het wegvervoer

De Europese Unie en Kosovo zijn het erover eens dat, niettegenstaande artikel 61, lid 1, van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Kosovo (*1), anderzijds (1), hoofdstuk III daarvan betreffende transitverkeer van toepassing blijft zodra het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap in werking treedt.

III.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over zee

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Kosovo alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Kosovo alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode:

a)

heeft Kosovo alle in bijlage I bedoelde maritieme wetgeving ingevoerd, met uitzondering van Verordening (EEG) nr. 3577/92;

b)

genieten onderdanen van Kosovo en in Kosovo gevestigde scheepvaartondernemingen het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere EU-lidstaat of van een land dat geen lid is van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor onderdanen van Kosovo die buiten Kosovo zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten Kosovo zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van Kosovo, als hun schepen in Kosovo zijn geregistreerd overeenkomstig de Kosovaarse wetgeving.

Omgekeerd genieten reders uit de Unie het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven of een offshore-installatie van een EU-lidstaat en Kosovo en tussen een haven of offshore-installatie van een land dat geen lid is van de Europese Unie en Kosovo. Hetzelfde geldt voor onderdanen van EU-lidstaten die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een EU-lidstaat, als hun schepen in die EU-lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode:

a)

past Kosovo dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

wordt aan reders uit de Unie met in een EU-lidstaat of in Kosovo geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of Kosovo varen, de vrijheid verleend om in Kosovo maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

Omgekeerd wordt aan reders uit Kosovo met in een EU-lidstaat of in Kosovo geregistreerde schepen die onder de vlag van die lidstaat of Kosovo varen, de vrijheid verleend om in een EU-lidstaat maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

IV.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over binnenwateren

ARTIKEL 1

1.

De overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Kosovo alle in artikel 2 van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

Aan het einde van de overgangsperiode:

a)

past Kosovo dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

geniet Kosovo het recht om reizigers of goederen over de binnenwateren te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of offshore-installatie van een andere EU-lidstaat.


(*1)  Deze benaming laat de standpunten over de status onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(1)   PB EU L 71 van 16.3.2016, blz. 3.


PROTOCOL V

OVERGANGSBEPALINGEN TUSSEN DE EUROPESE UNIE, ENERZIJDS, EN MONTENEGRO, ANDERZIJDS

I.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor spoorwegvervoer

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Montenegro alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Montenegro alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

3.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode kan Montenegro de Europese Commissie vragen om de vooruitgang te beoordelen overeenkomstig artikel 40 van het Hoofdverdrag, teneinde meteen tot marktintegratie over te gaan overeenkomstig artikel 11 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode heeft Montenegro:

a)

alle spoorwegwetgeving als bedoeld in bijlage I ingevoerd;

b)

voldoende vooruitgang geboekt met de toepassing van de regels inzake staatssteun en mededinging die zijn opgenomen in een in artikel 17 van het Hoofdverdrag bedoelde overeenkomst, dan wel in bijlage III, naargelang het geval.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode past Montenegro dit Verdrag toe met inbegrip van alle spoorwegwetgeving en de regels inzake staatssteun en mededinging als bedoeld in lid 1.

ARTIKEL 3

1.

Niettegenstaande artikel 1, lid 1, van het Hoofdverdrag:

a)

wordt tijdens de eerste overgangsperiode aan in Montenegro vergunde spoorwegondernemingen toegang verleend tot de spoorweginfrastructuur in Montenegro;

b)

mogen tijdens de tweede overgangsperiode in Montenegro vergunde spoorwegondernemingen de verkeersrechten als bedoeld in de in bijlage I vermelde spoorwegwetgeving uitoefenen op spoorweginfrastructuur in elke andere Zuidoost-Europese Partij.

II.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over zee

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Montenegro alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Montenegro alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode:

a)

heeft Montenegro alle in bijlage I bedoelde maritieme wetgeving ingevoerd, met uitzondering van Verordening (EEG) nr. 3577/92;

b)

genieten onderdanen van Montenegro en in Montenegro gevestigde scheepvaartondernemingen het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven van een EU-lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere EU-lidstaat of van een land dat geen lid is van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor onderdanen van Montenegro die buiten Montenegro zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten Montenegro zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van Montenegro, als hun schepen in Montenegro zijn geregistreerd overeenkomstig de Montenegrijnse wetgeving.

Omgekeerd genieten reders uit de Unie het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven of een offshore-installatie van een EU-lidstaat en Montenegro en tussen een haven of een offshore-installatie van een land dat geen lid is van de Europese Unie en Montenegro. Hetzelfde geldt voor onderdanen van EU-lidstaten die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een EU-lidstaat, als hun schepen in die EU-lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode:

a)

past Montenegro dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

wordt aan reders uit de Unie met in een EU-lidstaat of in Montenegro geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of Montenegro varen, de vrijheid verleend om in Montenegro maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

Omgekeerd wordt aan reders uit Montenegro met in een EU-lidstaat of in Montenegro geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of Montenegro varen, de vrijheid verleend om in een EU-lidstaat maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

III.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over binnenwateren

ARTIKEL 1

1.

De overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Montenegro alle in artikel 2 van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

Aan het einde van de overgangsperiode:

a)

past Montenegro dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

geniet Montenegro het recht om reizigers of goederen over de binnenwateren te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of offshore-installatie van een andere EU-lidstaat.


PROTOCOL VI

OVERGANGSBEPALINGEN TUSSEN DE EUROPESE UNIE, ENERZIJDS, EN DE REPUBLIEK SERVIË, ANDERZIJDS

I.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor spoorwegvervoer

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat de Republiek Servië, hierna „Servië” genoemd, alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Servië alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

3.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode kan Servië de Europese Commissie vragen om de vooruitgang te beoordelen overeenkomstig artikel 40 van het Hoofdverdrag, teneinde meteen tot marktintegratie over te gaan overeenkomstig artikel 11 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode heeft Servië:

a)

alle spoorwegwetgeving als bedoeld in bijlage I ingevoerd;

b)

voldoende vooruitgang geboekt met de toepassing van de regels inzake staatssteun en mededinging die zijn opgenomen in een in artikel 17 van het Hoofdverdrag bedoelde overeenkomst, dan wel in bijlage III, naargelang het geval.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode past Servië dit Verdrag toe met inbegrip van alle spoorwegwetgeving en de regels inzake staatssteun en mededinging als bedoeld in lid 1.

ARTIKEL 3

1.

Niettegenstaande artikel 1, lid 1, van het Hoofdverdrag:

a)

wordt tijdens de eerste overgangsperiode aan in Servië vergunde spoorwegondernemingen toegang verleend tot de spoorweginfrastructuur in Servië;

b)

mogen tijdens de tweede overgangsperiode in Servië vergunde spoorwegondernemingen de verkeersrechten als bedoeld in de in bijlage I vermelde spoorwegwetgeving uitoefenen op spoorweginfrastructuur in elke andere Zuidoost-Europese Partij.

II.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over zee

ARTIKEL 1

1.

De eerste overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Servië alle in artikel 2, lid 1, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

2.

De tweede overgangsperiode loopt van het einde van de eerste overgangsperiode totdat Servië alle in artikel 2, lid 2, van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

1.

Aan het einde van de eerste overgangsperiode:

a)

heeft Servië alle in bijlage I bedoelde maritieme wetgeving ingevoerd, met uitzondering van Verordening (EEG) nr. 3577/92;

b)

genieten onderdanen van Servië en in Servië gevestigde scheepvaartondernemingen het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven van een EU-lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere EU-lidstaat of van een land dat geen lid is van de Europese Unie. Hetzelfde geldt voor onderdanen van Servië die buiten Servië zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten Servië zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van Servië, als hun schepen in Servië zijn geregistreerd overeenkomstig de Servische wetgeving.

Omgekeerd genieten reders uit de Unie het recht om reizigers of goederen over zee te vervoeren tussen een haven of een offshore-installatie van een EU-lidstaat en Servië en tussen een haven of een offshore-installatie van een land dat geen lid is van de Europese Unie en Servië. Hetzelfde geldt voor onderdanen van EU-lidstaten die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een lidstaat, als hun schepen in die EU-lidstaat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.

Aan het einde van de tweede overgangsperiode:

a)

past Servië dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

wordt aan reders uit de Unie met in een lidstaat of in Servië geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of Servië varen, de vrijheid verleend om in Servië maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

Omgekeerd wordt aan reders uit Servië met in een lidstaat of in Servië geregistreerde schepen die onder de vlag van die EU-lidstaat of Servië varen, de vrijheid verleend om in een lidstaat maritieme vervoersdiensten te verstrekken onder de in Verordening (EEG) nr. 3577/92 vastgestelde voorwaarden.

III.   Voorwaarden voor de overgangsperiode voor vervoer over binnenwateren

ARTIKEL 1

1.

De overgangsperiode loopt van de inwerkingtreding van dit Verdrag totdat Servië alle in artikel 2 van deze afdeling gestelde voorwaarden heeft vervuld en zulks is bevestigd na een beoordeling die door de Europese Commissie is uitgevoerd overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 40 van het Hoofdverdrag.

ARTIKEL 2

Aan het einde van de overgangsperiode:

a)

past Servië dit Verdrag toe, met inbegrip van alle in bijlage I genoemde wetgeving;

b)

geniet Servië het recht om reizigers of goederen over de binnenwateren te vervoeren tussen een haven van een lidstaat en een haven of offshore-installatie van een andere EU-lidstaat.