23.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 315/1


RESOLUTIE (1)

over de versterking van het partnerschap tussen de EU en de Oost-Europese partnerlanden middels het Europees nabuurschapsinstrument voor de periode 2014-2020

(2015/C 315/01)

DE PARLEMENTAIRE VERGADERING EURONEST,

gezien de oprichtingsakte van 3 mei 2011 van de Parlementaire Vergadering Euronest,

gezien de gezamenlijke verklaring van de topbijeenkomst van het Oostelijke Partnerschap die op 28 en 29 november 2013 plaatsvond in Vilnius,

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2014 over de beoordeling en vaststelling van prioriteiten voor de betrekkingen van de EU met de landen van het Oostelijk Partnerschap (2),

gezien de gemeenschappelijke mededelingen van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 20 maart 2013 getiteld „Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap”,

gezien de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 december 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (3),

gezien de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 getiteld „Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap — Standpunt van het Europees Parlement over de voortgangsverslagen van 2012” (4),

gezien de resoluties van het Europees Parlement over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid en de oostelijke dimensie daarvan, alsook over de Republiek Armenië, de Republiek Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne,

gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Europese Unie en de Republiek Armenië die de vicevoorzitter van de Commissie/de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Armeense minister van Buitenlandse Zaken, Edward Nalbandian, op 29 november 2013 in Vilnius overeen zijn gekomen,

A.

overwegende dat het Oostelijk Partnerschap in 2009 werd opgericht door de Europese Unie en haar Oost-Europese partners in een gemeenschappelijke poging om de politieke associatie te versnellen en de economische integratie te bevorderen op basis van wederzijdse belangen, differentiatie, verbintenissen, verantwoordelijkheid en gezamenlijke zeggenschap;

B.

overwegende dat de landen die deelnemen aan het Oostelijk Partnerschap zich ertoe verplichten gemeenschappelijke waarden en beginselen na te streven, zoals democratie en mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur, de markteconomie en duurzame ontwikkeling;

C.

overwegende dat de topbijeenkomst van het Oostelijk Partnerschap die in november 2013 in Vilnius plaatsvond, werd gekenmerkt door een aantal succesvolle resultaten, nieuwe overeenkomsten en vooruitgang wat betreft de ontwikkeling van nauwere banden, maar dat er tegelijkertijd een smet op werd geworpen door het besluit van een aantal partnerlanden om geen associatieovereenkomst met de EU aan te gaan, ondanks het feit dat de onderhandelingen succesvol waren afgerond;

D.

overwegende dat het besluit van de toenmalige president van Oekraïne tijdens de topbijeenkomst in Vilnius aanleiding was voor de massaprotesten op het Maidanplein die gevolgd werden door een rampzalige reeks gebeurtenissen in het land in 2014, met name een golf van protesten die honderden Oekraïense doden eiste in februari, de illegale annexatie van de Krim door Rusland in maart en de uitbarsting en escalatie van een nieuw conflict in Oost-Oekraïne sinds het voorjaar, met de directe aanwezigheid van Russische troepen en de steun van Rusland aan de separatisten, waarbij meer dan 6 000 doden gevallen zijn;

E.

overwegende dat de EU enerzijds en Georgië, Moldavië en Oekraïne anderzijds bilaterale associatieovereenkomsten ondertekend en vervolgens geratificeerd hebben, met inbegrip van diepe en brede vrijhandelsruimtes (DCFTA’s), ondanks de directe politieke, militaire en economische druk die Rusland uitoefent;

F.

overwegende dat de EU en Belarus onderhandelingen over visumversoepeling en overnameovereenkomsten zijn begonnen waardoor intermenselijke contacten worden bevorderd; overwegende dat hervatting van de politieke en economische dialoog tussen de EU en Belarus echter afhankelijk is van de onvoorwaardelijke vrijlating van de laatste politieke gevangenen in Belarus en van het herstel van hun politieke en burgerrechten;

G.

overwegende dat alle partnerlanden met uitzondering van Belarus te kampen hebben met separatisme en territoriale conflicten waar Rusland direct bij betrokken is dan wel grote invloed op uitoefent;

H.

overwegende dat onwettige separatistische regimes in Georgische en Moldavische gebieden zijn geïnstalleerd; overwegende dat het schiereiland de Krim in Oekraïne door Rusland is geannexeerd en dat de gewapende confrontaties tussen separatisten en Oekraïense regeringstroepen in Zuidoost-Oekraïne blijven voortduren;

I.

overwegende dat toegang tot de EU-markt en tot de markt van Euraziatische buurlanden, met name Rusland, essentieel is voor de partnerlanden en hun economieën; overwegende dat bepaalde industriële sectoren in partnerlanden nog steeds afhankelijk zijn van productieketens die een overblijfsel van de voormalige Sovjet-Unie zijn, waardoor ze economisch verbonden zijn met Rusland; overwegende dat uitbreidingen van de douane-unie tussen Rusland, Kazachstan en Belarus met andere partnerlanden en de Euraziatische Economische Unie niet beschouwd mogen worden als projecten die concurreren met de economische component van het Oostelijk Partnerschap, zolang partnerlanden de vrijheid hebben om zelf te kiezen waar ze lid van willen worden; overwegende dat inspanningen nodig zijn om de samenwerking te verbeteren en om de twee economische gebieden aan elkaar aan te passen zodat de landen van het Oostelijk Partnerschap hun potentieel ten volle kunnen benutten;

J.

overwegende dat de EU in april en juli 2014 beperkende maatregelen tegen Rusland heeft genomen en deze in september 2014 heeft verscherpt, teneinde een koerswijziging te bewerkstelligen in de roekeloze agressieve acties van Rusland waarbij de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne worden geschonden en de situatie in het oosten van Oekraïne wordt gedestabiliseerd;

K.

overwegende dat Rusland in augustus 2014 als vergelding voor de beperkende maatregelen van de EU en voor de ondertekening van associatieovereenkomsten heeft besloten om een embargo op landbouwproducten en levensmiddelen uit de EU, andere westerse landen en een aantal partnerlanden in te stellen;

L.

overwegende dat 2014 het eerste jaar was van een herzien programmerings- en financieel kader voor de uitvoering van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) van de EU en de specifieke oostelijke dimensie daarvan tot en met 2020;

Voortbouwen op de eerste resultaten van het Oostelijk Partnerschap teneinde nieuwe vooruitzichten voor de periode 2014-2020 te openen

1.

benadrukt dat het Oostelijk Partnerschap sinds de oprichting ervan in 2009 diverse concrete en tastbare resultaten heeft opgeleverd waar zowel de EU als de partnerlanden van hebben kunnen profiteren en die in verschillende overeenkomsten op verschillende niveaus van politieke, economische en culturele samenwerking worden weerspiegeld, en die brede mogelijkheden tot verbeteringen bieden met voldoende steun van alle betrokken partijen;

2.

is ingenomen met het feit dat de deelnemers van de topbijeenkomst in Vilnius hun initiële verbintenis aan de beginselen van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder de rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en democratie, opnieuw hebben bevestigd; benadrukt dat deze beginselen geëerbiedigd moeten worden;

3.

is het eens met de deelnemers van de topbijeenkomst in Vilnius dat alle partners overeenkomstig het differentiatiebeginsel vrij moeten zijn in hun soevereine keuze met betrekking tot de omvang van hun ambities en de doelstellingen die zij willen bereiken in hun betrekkingen met de EU en binnen het Oostelijk Partnerschap; herhaalt in dit verband dat het Oostelijk Partnerschap een vrijwillig project is waarin soevereine keuzes van de deelnemende landen worden gerespecteerd en waarbij onderlinge betrekkingen worden geïntensiveerd, en dat dit voor alle partijen afzonderlijk en meer nog, voor heel Europa voordelen moet opleveren wat betreft stabiliteit en welvaart;

4.

is ingenomen met de ondertekening van associatieovereenkomsten, met inbegrip van DCFTA’s, tussen de EU en Oekraïne, Moldavië en Georgië; dringt aan op een snelle ratificatie van deze overeenkomsten door de EU-lidstaten; benadrukt dat het belangrijk is dat alle onderdelen van de overeenkomsten worden geïmplementeerd en dat de relevante hervormingen op alle relevante gebieden worden doorgevoerd, teneinde sociale en milieudumping te voorkomen; roept alle partijen op om de hervormingen in overeenstemming met de associatieagenda voort te zetten en dringt er bij de Europese Commissie en de lidstaten op aan steun te bieden bij het doorvoeren van deze hervormingen; spoort de EU-lidstaten aan om hun uitgebreide ervaring met betrekking tot het invoeren van democratische regimes en het doorvoeren van hervormingen met inachtneming van fundamentele waarden en de rechtsstaat te delen, in het bijzonder de lidstaten die kunnen putten uit zowel hun ervaring met integratie in de EU als uit hun nauwe banden met partnerlanden; roept de regeringen van partnerlanden die associatieovereenkomsten, met inbegrip van DCFTA’s, met de EU hebben geratificeerd op openbare debatten en informatiecampagnes te organiseren, ook op lokaal niveau, en om organisaties uit het maatschappelijk middenveld daar actief bij te betrekken, waaronder nationale platformen van het forum van het maatschappelijk middenveld, aangezien een gedetailleerde kennis van de inhoud en de gevolgen van de overeenkomsten essentieel is voor het welslagen ervan;

5.

veroordeelt de directe en indirecte militaire agressie van Rusland in Oost-Oekraïne evenals de illegale annexatie van de Krim als reactie op de soevereine keuze van Oekraïne om verder te gaan in het verwezenlijken van zijn Europese aspiraties; dringt er bij Rusland op aan de internationaal erkende soevereiniteit van Oekraïne te eerbiedigen, om zijn troepen terug te trekken, om de separatistische krachten in Oost-Oekraïne niet langer te steunen en om de vele internationale, multilaterale en bilaterale verdragen te eerbiedigen, waaronder het Handvest van de Verenigde Naties, de Slotakte van Helsinki en het Memorandum van Boedapest uit 1994, op grond waarvan diplomatieke oplossingen voor alle crises gevonden moeten worden en alle vormen van gewapende agressie of interventie in andere landen vermeden moeten worden; roept Rusland op om een einde te maken aan de informatieoorlog die erop gericht is etnische haat tussen Russen en Oekraïners aan te wakkeren; dringt aan op volledige medewerking van alle partijen aan het onderzoek naar het neerhalen van vlucht MH17 en benadrukt dat degenen die daar verantwoordelijk voor zijn, moeten worden berecht; veroordeelt voorts de handelsbelemmeringen die Rusland aan de EU en een aantal partnerlanden heeft opgelegd; steunt de beperkende maatregelen van de EU tegen Rusland en benadrukt dat de EU deze maatregelen moet handhaven zolang Rusland de akkoorden van Minsk niet naleeft of een constructieve houding aanneemt om een vreedzame oplossing van het conflict in Oost-Oekraïne te bereiken; veroordeelt de illegale, ongrondwettelijke en onwettige verkiezingen in de door separatisten gecontroleerde gebieden van Donetsk en Loegansk, die door Rusland zijn erkend en die een bedreiging voor de eenheid van Oekraïne evenals een belemmering van het vredesproces vormen; dringt bij de Russische autoriteiten aan op de onmiddellijke vrijlating van Nadiya Savchenko, die ontvoerd is en illegaal in Rusland wordt vastgehouden;

6.

veroordeelt de ondertekening van een verdrag tussen Rusland en Abchazië op 24 november 2014 inzake een alliantie en strategisch partnerschap, evenals het voornemen van Rusland om een verdrag inzake nauwere betrekkingen met de afvallige regio Tskhinvali in 2015 te ondertekenen; benadrukt dat deze acties een ernstige bedreiging voor de stabiliteit en veiligheid in de regio vormen, ernstige risico’s meebrengen die gevolgen hebben voor de inspanningen om de betrekkingen tussen Georgië en Rusland te normaliseren en de internationale besprekingen in Genève ondermijnen; dringt er bij Rusland op aan de grondbeginselen van internationaal recht en de territoriale integriteit van Georgië te eerbiedigen en de in 2008 overeengekomen wapenstilstand tussen Georgië en Rusland na te leven;

7.

benadrukt dat de EU de verantwoordelijkheid draagt om duidelijk aan te geven wat de vooruitzichten zijn die zij partnerlanden wil bieden in antwoord op hun ambities en Europese aspiraties; betreurt het feit dat Rusland deze ambities en het Oostelijk Partnerschap tot dusver uitsluitend als een bedreiging voor zijn geopolitieke invloedssfeer ziet; merkt op dat met het verdrag tot oprichting van de douane-unie en de Euraziatische Economische Unie, dat in januari 2015 in werking is getreden, een economische integratie tussen de leden ervan wordt beoogd die niet verenigbaar is met de associatieovereenkomsten en de handelscomponenten daarvan (de DCFTA’s); dringt er bij Rusland op aan af te zien van economische druk en dreigingen in verband met energiezekerheid en energievoorziening, en de rechten van zijn buurlanden te eerbiedigen om vrije keuzes ten aanzien van hun politieke en economische toekomst te maken; herhaalt zijn oproep aan Rusland om aan de onderhandelingstafel tot een vreedzame oplossing van de conflicten te komen;

8.

is van mening dat het verdrag tot oprichting van de douane-unie en de Euraziatische Economische Unie, dat geïnspireerd is door de idealen van de Europese Unie en dat in januari 2015 in werking is getreden, enkel gunstige gevolgen voor de deelnemende landen kan hebben zolang Rusland landen niet tot toetreding dwingt door middel van economische druk en dreigingen in verband met energiezekerheid en energievoorziening en als Rusland de rechten van zijn buurlanden eerbiedigt om vrije keuzes ten aanzien van hun politieke en economische toekomst te maken; merkt op dat de nieuwe structuren niet verenigbaar zijn met de associatieovereenkomsten en DCFTA’s en onderstreept de noodzaak tot samenwerking en communicatie in de toekomst, aangezien handel en goede betrekkingen tussen de landen aan beide zijden hoe dan ook gewaarborgd moeten worden;

9.

merkt op dat het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) mogelijkheden biedt als een aanzet tot meer samenwerking met de landen die nog geen associatieovereenkomst met de EU hebben ondertekend, en dringt aan op hernieuwde inspanningen om hen daarop aan te spreken;

10.

is van mening dat de topbijeenkomst van het Oostelijk Partnerschap die in mei 2015 in Riga wordt gehouden een aanzet tot versterking van het Oostelijk Partnerschap moet vormen, waarbij de politieke en economische banden tussen de EU en partnerlanden verder worden aangehaald en waarbij de bilaterale en multilaterale betrekkingen tussen alle partners verdiept en verbeterd worden; roept de EU en partnerlanden op om de oorspronkelijke visie van het Oostelijk Partnerschap te blijven nastreven en daarbij hervormingen door te voeren die veranderingen binnen samenlevingen teweegbrengen en waarmee de banden tussen hun bevolkingen worden versterkt;

11.

beschouwt politieke associatie, democratische hervormingen, mensenrechten en fundamentele vrijheden, de versterking van institutionele capaciteiten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de strijd tegen corruptie, versterking van de energiezekerheid en intermenselijke contacten, evenals samenwerking op het gebied van scholing als de belangrijkste prioritaire gebieden waarop de EU en haar partners meer inspanningen moeten verrichten en waarvoor zij resultaten tijdens de topbijeenkomst in Riga moeten boeken;

12.

roept de EU op onmiddellijk visumvrije regelingen voor korte reizen in te voeren met partnerlanden die zich verbonden hebben aan de actieplannen voor visumliberalisering en deze hebben voltooid, op voorwaarde dat aan de voorwaarden is voldaan; benadrukt hoe belangrijk het is actieplannen voor visumliberalisering te starten met partnerlanden die vooruitgang hebben geboekt met betrekking tot de uitvoering van de visaversoepelings- en overnameovereenkomsten met de EU; onderstreept het belang van samenwerking op het gebied van visumregelingen en mobiliteitspartnerschappen op basis waarvan samenlevingen nader tot elkaar gebracht kunnen worden en er onder de burgers het gevoel ontstaat dat ze deel uitmaken van dezelfde waardengemeenschap;

13.

benadrukt dat nauwere betrekkingen tussen de EU en partnerlanden afhankelijk zijn van tastbare resultaten ten aanzien van democratische hervormingen en de kwaliteit van de rechtsstaat, en van positieve ontwikkelingen in het bestuur van overheidsinstellingen evenals binnen het politieke leven en de rechterlijke macht; merkt in dit verband op dat er in een aantal partnerlanden sprake is van een betreurenswaardige tendens naar confrontaties tussen regering en oppositie; dringt er bij de regeringen op aan af te zien van politieke vergelding en selectieve rechtsbedeling en de kwesties waarover het Europees Parlement, het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en andere internationale instellingen specifiek hun zorgen hebben geuit op adequate wijze aan te pakken;

14.

beveelt de EU en de partnerlanden aan om een meer strategische en resultaatgerichte aanpak te ontwikkelen in de programma’s die zij gezamenlijk opstellen en uitvoeren; is van mening dat ministersbijeenkomsten de plek moeten zijn waar strategieën voor sectorale samenwerking worden besproken en dat de platformen van het Oostelijk Partnerschap evenals hun deskundigenpanels actiever moeten worden in het voorstellen, ontwikkelen en beoordelen van deze strategieën;

15.

benadrukt dat samenwerkings- en uitwisselingsprogramma’s voor jongeren, studenten, wetenschappers en onderzoekers versterkt moeten worden binnen het Oostelijk Partnerschap; merkt met voldoening op dat de nieuwe EU-programma’s op deze gebieden, te weten het Erasmus+-programma en de „Marie Skłodowska-Curie”-acties binnen het Horizon 2020-kaderprogramma meer mogelijkheden bieden tot versterking van de mobiliteit van onderzoekers en het bieden van meer studiebeurzen voor jongeren in partnerlanden; is ingenomen met de resultaten van de allereerste bijeenkomsten van Euronest Scola en het Young Leaders Forum Eastern Partnership-EU in 2013 en 2014 en beveelt aan dit soort bijeenkomsten op regelmatige basis te organiseren; pleit voorts voor de invoering van gezamenlijke subsidieregelingen voor culturele ontwikkeling en gezamenlijke culturele activiteiten en stelt voor om een maandelijkse gezamenlijke brochure te ontwikkelen, die in het Engels en in de talen van de partnerlanden wordt gepubliceerd, die de inwoners van partnerlanden direct informeert over de Europese Unie en de Europese gedachte en die duidelijke informatie over de betrekkingen tussen deze partnerlanden en de EU verstrekt;

Verwezenlijking van de doelstellingen van het Oostelijk Partnerschap middels het Europees nabuurschapsinstrument voor de periode 2014-2020

16.

is ingenomen met de aanneming van het ENI voor de periode 2014-2020, waarin volledig rekening wordt gehouden met de oostelijke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid en dat moet leiden tot concrete, tastbare verbeteringen voor de betreffende bevolkingen;

17.

betreurt de forse bezuinigingen in de begroting voor het ENI ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie; dringt aan op een nauwe dialoog met de commissaris die verantwoordelijk is voor het Europees nabuurschapsbeleid, teneinde een optimale benutting van de beperkte middelen veilig te stellen; is van mening dat de verdeling van de middelen uit het ENI tussen de oostelijke en zuidelijke regio, waarbij 40 % van de totale middelen voor samenwerking aan de oostelijke regio worden toegewezen, behouden moet blijven; roept de Commissie op partnerlanden te steunen bij het versterken van hun administratieve capaciteiten, teneinde de financieringsmogelijkheden in het kader van het ENI ten volle te kunnen benutten;

18.

merkt op dat er een evenwichtigere verdeling van middelen tussen partnerlanden nodig is, en erkent daarbij dat de oostelijke partners betere voorstellen voor projecten moeten presenteren; acht het van essentieel belang dat de Commissie en de regeringen van partnerlanden meer lokale actoren aansporen tot en ondersteunen bij het aanvragen en ontvangen van middelen uit het ENI voor hun projecten;

19.

onderstreept het belang van de beginselen van eigen verantwoordelijkheid en wederzijdse verantwoordingsplicht bij het programmeren en uitvoeren van landenprogramma’s in het kader van het ENI; is van mening dat het welslagen deels afhankelijk is van de overeengekomen en wederzijds bindende verplichtingen tussen de EU en partnerlanden;

20.

beveelt aan om, in tegenstelling tot in de periode 2007-2013, partnerlanden meer te helpen om nieuwe wetgeving daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en hervormingen te consolideren die nodig zijn voor het versterken van de democratie en de rechtsstaat overeenkomstig het recht en de normen van de EU; herhaalt dat op geloofwaardige wijze aangetoond moet kunnen worden dat deze maatregelen zijn doorgevoerd alvorens de EU-steun wordt vergroot;

21.

roept de Commissie en partnerlanden op om een beperkt aantal prioriteiten uit hoofde van nationale actieplannen en regionale meerlandenprogramma’s voor de periode 2014/2015 vast te stellen, om ervoor te zorgen dat ze maximaal effect hebben en tastbare en meetbare resultaten opleveren;

22.

dringt er bij de Commissie op aan een alomvattende strategie voor de betrekkingen met Belarus te ontwikkelen die erop gericht is wederzijds begrip te stimuleren en de modernisering en democratisering van het land te bevorderen; is van mening dat een dergelijke strategie prioritaire gebieden voor hervormingen in Belarus moet omvatten met het oog op een verbetering van de betrekkingen en een doeltreffende samenwerking in het kader van het ENB, en dat deze gebaseerd moet zijn op het „meer-voor-meer”-beginsel;

23.

is ingenomen met de bepalingen voor de uitvoering van het ENI, die gebaseerd zijn op een op stimulansen gebaseerde aanpak op maat; is van mening dat deze voldoende geïnspireerd zijn door het „meer-voor-meer”-beginsel, dat tot dusver alleen tot op zekere hoogte weerspiegeld werd; benadrukt dat het „meer-voor-meer”-beginsel tevens een „minder-voor-minder”-beginsel impliceert dat op adequate wijze moet worden toegepast indien de betreffende landen niet bereid zijn de noodzakelijke hervormingen door te voeren; is echter van mening dat het regionale perspectief behouden moet blijven, in het bijzonder door de multilaterale contacten evenals grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten en -platformen te versterken; is in dit verband ingenomen met het feit dat 10 % van de begroting van het ENI, middels overkoepelende meerlandenprogramma’s, wordt toegewezen aan de partnerlanden die vordering maken met het tot stand brengen en consolideren van een diepgewortelde en duurzame democratie en met het uitvoeren van de overeengekomen hervormingen ter verwezenlijking van dat doel;

24.

merkt met voldoening op dat bij de toewijzing van middelen uit het ENI aan individuele nationale actieplannen een afwijking van maximaal 20 % mogelijk is, hetgeen tevens ruimte laat voor meer differentiatie bij de uitvoering van het ENI;

25.

beveelt aan dat inspanningen van de partnerlanden voor aanpassing aan de EU-wetgeving en -normen vergezeld moeten gaan van gepaste technische steun van de EU, teneinde een soepele en geleidelijke overname van alle relevante onderdelen van het acquis communautaire te waarborgen en concrete en tastbare voordelen voor het bedrijfsleven en de samenleving te realiseren;

26.

benadrukt dat EU-steun eveneens gericht moet zijn op het aanpakken van regionale economische en sociale ongelijkheden binnen partnerlanden, aangezien projecten dikwijls te veel op één regio of de hoofdstad gericht zijn, terwijl burgers in meer afgelegen gebieden niet profiteren van dergelijke projecten en vaak niets merken van de voordelen van het EU-integratieproces;

27.

roept de EU en de lidstaten op om beleid tot samenwerking met en ondersteuning van partnerlanden op een coherente en doelmatige wijze en in samenwerking met andere internationale en nationale donoren te voeren; spoort hen ten zeerste aan gezamenlijk acties en projecten in partnerlanden te ontwikkelen; dringt erop aan de coördinatie te intensiveren en synergieën tussen met het ENI gefinancierde projecten en andere instrumenten en programma’s die door de EU worden gefinancierd en waaraan landen van het Oostelijk Partnerschap kunnen deelnemen, te bevorderen en benadrukt daarbij dat bestaande vormen zoals donor/investeerdersconferenties, werkgroepen, de communicatie tussen EU-delegaties en de ambassades van lidstaten ter plaatse enz., de beoogde politieke doelstellingen niet uit het oog mogen verliezen;

28.

benadrukt de belangrijke rol die het maatschappelijk middenveld speelt bij de politieke dialoog en de democratische hervormingsprocessen in partnerlanden; beveelt aan dat het politieke engagement van de EU met betrekking tot het maatschappelijk middenveld in partnerlanden in de programmering van het ENI weerspiegeld moet worden;

29.

dringt er bij de parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap op aan mee te doen aan de discussie en publieke bewustwording te creëren over het lopende proces en de belangrijkste resultaten in het kader van het nieuwe Europees nabuurschapsinstrument voor de periode 2014-2020 met betrekking tot het verbeteren van de zichtbaarheid van de EU-programma’s in de betreffende landen;

30.

verzoekt haar covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de commissaris voor Europees nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten en de Oost-Europese partnerlanden.


(1)  Aangenomen op 17 maart 2015 in Jerevan, Armenië.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0229.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0567.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0446.