02021R0821 — NL — 05.05.2022 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2021/821 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 mei 2021

tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking)

(PB L 206 van 11.6.2021, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/1 VAN DE COMMISSIE van 20 oktober 2021

  L 3

1

6.1.2022

►M2

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/699 VAN DE COMMISSIE van 3 mei 2022

  L 130I

1

4.5.2022


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 020, 31.1.2022, blz.  282 (2022/1)




▼B

VERORDENING (EU) 2021/821 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 mei 2021

tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking)



HOOFDSTUK 1

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Bij deze verordening wordt een Unieregeling ingesteld voor de controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder:

1) 

“producten voor tweeërlei gebruik” (dual-use items): producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van producten die kunnen worden gebruikt voor het ontwerp, de ontwikkeling, de productie of het gebruik van nucleaire, chemische of biologische wapens of hun overbrengingsmiddelen, met inbegrip van alle producten die voor niet-explosieve doeleinden kunnen worden gebruikt en op enige manier bijdragen aan de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;

2) 

“uitvoer”:

a) 

een uitvoerregeling in de zin van artikel 269 van het douanewetboek van de Unie;

b) 

wederuitvoer in de zin van artikel 270 van het douanewetboek van de Unie; er is ook sprake van wederuitvoer wanneer tijdens een doorvoer door het douanegebied van de Unie overeenkomstig punt 11) van dit artikel een summiere aangifte bij uitgaan moet worden ingediend omdat de eindbestemming van de producten is gewijzigd;

c) 

een regeling passieve veredeling in de zin van artikel 259 van het douanewetboek van de Unie, of

d) 

de overdracht van programmatuur of technologie door middel van elektronische media, met inbegrip van fax, telefoon, e-mail of enig ander elektronisch middel, naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie; dit omvat het in elektronische vorm beschikbaar stellen van deze programmatuur en technologie aan natuurlijke personen of rechtspersonen of aan partnerschappen buiten het douanegebied van de Unie; dit omvat ook de mondelinge overdracht van technologie wanneer de technologie wordt beschreven via een medium voor spraakoverdracht;

3) 

“exporteur”:

a) 

elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die of elk partnerschap dat op het tijdstip dat de uitvoeraangifte, de aangifte tot wederuitvoer of een summiere aangifte bij uitgaan wordt aanvaard, het contract met de ontvanger in het derde land heeft en die of dat het recht heeft te beslissen dat het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie wordt verzonden; indien geen uitvoercontract is gesloten of indien de houder van het contract niet namens zichzelf handelt, wordt onder de exporteur de persoon verstaan die het recht heeft om te beslissen de producten naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie te verzenden;

b) 

elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die of elk partnerschap dat besluit via elektronische media, met inbegrip van fax, telefoon, e-mail of enig ander elektronisch middel, programmatuur of technologie naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie te zenden of dergelijke programmatuur en technologie in elektronische vorm beschikbaar te stellen aan natuurlijke of rechtspersonen of aan partnerschappen buiten het douanegebied van de Unie.

Indien het recht om over de producten voor tweeërlei gebruik te beschikken toekomt aan een persoon die op grond van het contract waarop de uitvoer berust, buiten het douanegebied van de Unie ingezetene of gevestigd is, wordt de exporteur geacht de in het douanegebied van de Unie ingezeten of gevestigde contracterende partij te zijn;

c) 

indien punt a) of b) niet van toepassing is, elke natuurlijke persoon die de uit te voeren producten voor tweeërlei gebruik bij zich draagt wanneer deze producten voor tweeërlei gebruik deel uitmaken van zijn persoonlijke bagage zoals bedoeld in artikel 1, punt 19), onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie ( 1 );

4) 

“uitvoeraangifte”: de handeling waarmee een natuurlijke of rechtspersoon of een partnerschap in de vorm en op de wijze die zijn voorgeschreven, de wens te kennen geeft in punt 1) genoemde producten voor tweeërlei gebruik onder een uitvoerregeling te brengen;

5) 

“aangifte tot wederuitvoer”: de handeling bedoeld in artikel 5, punt 13), van het douanewetboek van de Unie;

6) 

“summiere aangifte bij uitgaan”: de handeling bedoeld in artikel 5, punt 10), van het douanewetboek van de Unie;

7) 

“tussenhandeldiensten”:

a) 

het onderhandelen over of regelen van transacties met het oog op de aankoop, verkoop of levering van producten voor tweeërlei gebruik vanuit een derde land naar een ander derde land, of

b) 

het verkopen of aankopen van producten voor tweeërlei gebruik in derde landen met het oog op de overbrenging ervan naar een ander derde land.

Voor de toepassing van deze verordening geldt deze definitie niet voor het louter verstrekken van nevendiensten. Nevendiensten zijn vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering dan wel algemene reclame of promotie;

8) 

“tussenhandelaar”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die of elk partnerschap dat vanuit het douanegebied van de Unie tussenhandeldiensten verricht die gericht zijn op het grondgebied van een derde land;

9) 

“technische bijstand”: elke technische ondersteuning in verband met reparaties, ontwikkeling, vervaardiging, assemblage, beproeving, onderhoud of enige andere technische dienst; technische bijstand kan de vorm aannemen van bijvoorbeeld instructies, advies, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden of adviesdiensten, onder meer langs elektronische weg alsmede via telefoon of andere mondelinge vormen van bijstand;

10) 

“verlener van technische bijstand”:

a) 

elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die of elk partnerschap dat vanuit het douanegebied van de Unie technische bijstand verleent die gericht is op het grondgebied van een derde land;

b) 

elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die of elk partnerschap dat ingezetene of gevestigd is in een lidstaat van de Unie, en die of dat technische bijstand verleent binnen het grondgebied van een derde land, of

c) 

elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die of elk partnerschap dat ingezetene of gevestigd is in een lidstaat van de Unie, en die of dat technische bijstand verleent aan een ingezetene van een derde land die tijdelijk aanwezig is binnen het douanegebied van de Unie;

11) 

“doorvoer”: vervoer van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik die in het douanegebied van de Unie worden binnengebracht en door dat gebied worden vervoerd met een bestemming buiten het douanegebied van de Unie indien die producten:

a) 

onder een regeling extern douanevervoer worden geplaatst overeenkomstig artikel 226 van het douanewetboek van de Unie en slechts over het douanegebied van de Unie worden doorgevoerd;

b) 

worden overgeladen in of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een vrije zone;

c) 

zich in tijdelijke opslag bevinden en rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag, of

d) 

in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht met hetzelfde vaartuig of luchtvaartuig dat de producten zonder lossing uit dat gebied zal voeren;

12) 

“individuele uitvoervergunning”: vergunning die aan één specifieke exporteur voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land wordt verleend en betrekking heeft op één of meer producten voor tweeërlei gebruik;

13) 

“globale uitvoervergunning”: vergunning die aan één specifieke exporteur voor een type of categorie producten voor tweeërlei gebruik wordt verleend en die voor uitvoer naar één of meer met naam genoemde eindgebruikers en/of in één of meer met naam genoemde landen geldig kan zijn;

14) 

“vergunning voor grote projecten”: een individuele uitvoervergunning of een globale uitvoervergunning die aan één specifieke exporteur voor een type of categorie van producten voor tweeërlei gebruik wordt verleend en die voor uitvoer naar één of meer met naam genoemde eindgebruikers in één of meer met naam genoemde derde landen geldig kan zijn met het oog op een specifiek grootschalig project;

15) 

“uniale algemene uitvoervergunning”: uitvoervergunning die voor uitvoer naar bepaalde landen van bestemming beschikbaar is voor alle exporteurs die zich houden aan de voorwaarden en eisen vermeld in bijlage II, secties A tot en met H;

16) 

“nationale algemene uitvoervergunning”: uitvoervergunning die in de nationale wetgeving wordt gedefinieerd, overeenkomstig artikel 12, lid 6, en bijlage III, sectie C;

17) 

“douanegebied van de Unie”: het douanegebied van de Unie, als bedoeld in artikel 4 van het douanewetboek van de Unie;

18) 

“niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik”: producten die de status hebben van niet-Uniegoederen in de zin van artikel 5, punt 24), van het douanewetboek van de Unie;

19) 

“wapenembargo”: wapenembargo dat is opgelegd door een door de Raad aangenomen besluit of gemeenschappelijk standpunt of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

20) 

“producten voor cybersurveillance”: producten voor tweeërlei gebruik die speciaal zijn ontworpen om het heimelijk surveilleren van natuurlijke personen mogelijk te maken door gegevens uit informatie- en telecommunicatiesystemen te monitoren, te extraheren, te verzamelen of te analyseren;

21) 

“intern nalevingsprogramma” of “ICP” (internal compliance programme): aanhoudende doeltreffende, passende en evenredige beleidsmaatregelen en procedures die door exporteurs zijn vastgesteld om de naleving van de bepalingen en doelstellingen van deze verordening en de voorwaarden van de uit hoofde van deze verordening vastgestelde vergunningen te vergemakkelijken, met inbegrip van onder meer zorgvuldigheidsmaatregelen (due diligence-maatregelen) ter beoordeling van risico’s in verband met de uitvoer van de producten naar bepaalde eindgebruikers en in verband met de uiteindelijke doeleinden;

22) 

“wezenlijk identieke transactie”: een transactie van producten met wezenlijk identieke parameters of technische kenmerken en met dezelfde eindgebruiker of ontvanger als een andere transactie.



HOOFSTUK II

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 3

1.  
Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage I is een vergunning vereist.
2.  
Op grond van artikel 4, 5, 9 of 10 kan ook een vergunning worden geëist voor de uitvoer naar alle of bepaalde bestemmingen van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen.

Artikel 4

1.  

Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is een uitvoervergunning vereist indien de exporteur door de bevoegde autoriteit is meegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn:

a) 

voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;

b) 

voor militair eindgebruik, indien op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust; voor de toepassing van dit punt wordt onder “militair eindgebruik” het volgende verstaan:

i) 

de verwerking in militaire producten die voorkomen op de militaire lijst van de lidstaten;

ii) 

het gebruik van productie-, test- of onderzoeksapparatuur en onderdelen daarvan, voor de ontwikkeling, de productie of het onderhoud van militaire producten die op de militaire lijst van de lidstaten voorkomen, of

iii) 

het gebruik van onafgewerkte producten in een fabriek voor de fabricage van militaire producten die op de militaire lijst van de lidstaten voorkomen;

c) 

om te worden gebruikt als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van een lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van een in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning.

2.  
Indien een exporteur er kennis van draagt dat producten voor tweeërlei gebruik die hij voornemens is uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I voorkomen geheel of ten dele bestemd zijn voor een van de in lid 1 van dit artikel genoemde doeleinden, deelt hij dit mee aan de bevoegde autoriteit. Die bevoegde autoriteit beslist of voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist.
3.  
Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, een vergunningsplicht wordt opgelegd indien de exporteur een gefundeerd vermoeden heeft dat de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de in lid 1 van dit artikel genoemde gebruiken.
4.  
Een lidstaat die op grond van lid 1, 2 of 3 een vergunningsplicht oplegt, stelt zijn douaneautoriteiten en andere relevante nationale autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en verstrekt de andere lidstaten en de Commissie alle relevante informatie over de betreffende vergunningsplicht, met name over de desbetreffende producten en eindgebruikers, tenzij hij van mening is dat dit niet passend is gezien de aard van de transactie of de gevoeligheid van de betreffende informatie.
5.  
De lidstaten houden terdege rekening met de op grond van lid 4 ontvangen informatie en stellen hun douaneadministratie en andere ter zake bevoegde nationale autoriteiten daarvan in kennis.
6.  
Om een onderzoek van alle geldige weigeringen van de lidstaten mogelijk te maken, is artikel 16, leden 1, 2 en 5 tot en met 7, van toepassing in gevallen van niet op de lijst in bijlage I voorkomende producten voor tweeërlei gebruik.
7.  
Alle op grond van dit artikel vereiste informatie-uitwisselingen vinden plaats met inachtneming van de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens, commercieel gevoelige informatie of beschermde informatie op het gebied van defensie, buitenlands beleid of nationale veiligheid. Dergelijke informatie-uitwisselingen vinden plaats via beveiligde elektronische middelen, inclusief door middel van het in artikel 23, lid 6, bedoelde systeem.
8.  
Deze verordening laat het recht van de lidstaten om nationale maatregelen vast te stellen uit hoofde van artikel 10 van Verordening (EU) 2015/479, onverlet.

Artikel 5

1.  
Voor de uitvoer van producten voor cybersurveillance die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is een uitvoervergunning vereist indien de exporteur door de bevoegde autoriteit is meegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met binnenlandse repressie of het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht.
2.  
Indien een exporteur er volgens de resultaten van zijn zorgvuldigheidsonderzoek (due diligence-onderzoek) kennis van draagt dat producten voor cybersurveillance die hij voornemens is uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, geheel of ten dele bestemd zijn voor een van de in lid 1 van dit artikel genoemde doeleinden, deelt hij dat mee aan de bevoegde autoriteit. Die bevoegde autoriteit beslist of voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist. De Commissie en de Raad stellen richtsnoeren beschikbaar voor exporteurs, als bedoeld in artikel 26, lid 1.
3.  
Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij voor de uitvoer van producten voor cybersurveillance die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, een vergunningsplicht wordt opgelegd indien de exporteur een gefundeerd vermoeden heeft dat die producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de in lid 1 van dit artikel genoemde gebruiken.
4.  
Een lidstaat die op grond van lid 1, 2 of 3 een vergunningsplicht oplegt, stelt zijn douaneautoriteiten en andere relevante nationale autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en verstrekt de andere lidstaten en de Commissie alle relevante informatie over de betreffende vergunningsplicht, met name over de desbetreffende producten en entiteiten, tenzij hij van mening is dat dit niet passend is gezien de aard van de transactie of de gevoeligheid van de betreffende informatie.
5.  
De lidstaten houden terdege rekening met de op grond van lid 4 ontvangen informatie en herzien deze binnen 30 werkdagen in het licht van de in lid 1 genoemde criteria. Zij stellen hun douaneautoriteiten en andere ter zake bevoegde nationale autoriteiten in kennis. In uitzonderlijke gevallen kan een lidstaat om verlenging van die termijn van 30 werkdagen verzoeken. De verlenging bedraagt evenwel niet meer dan 30 werkdagen.
6.  
Wanneer alle lidstaten elkaar en de Commissie ervan in kennis stellen dat een vergunningsplicht voor wezenlijk identieke transacties opgelegd moet worden, maakt de Commissie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie informatie bekend over de producten voor cybersurveillance en, waar passend, de bestemmingen waarvoor vergunningsplichten gelden zoals die door de lidstaten voor dat doel zijn aangemeld.
7.  
De lidstaten herzien de op grond van lid 6 gepubliceerde informatie ten minste jaarlijks op basis van door de Commissie verstrekte relevante informatie en analyses. Wanneer alle lidstaten elkaar en de Commissie ervan in kennis stellen dat de bekendmaking van een vergunningsplicht gewijzigd of verlengd moet worden, wijzigt of verlengt de Commissie spoedig en dienovereenkomstig de informatie die op grond van lid 6 in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.
8.  
Om een onderzoek van alle geldige weigeringen van de lidstaten mogelijk te maken, is artikel 16, leden 1, 2 en 5 tot en met 7, van toepassing in gevallen van niet op de lijst in bijlage I voorkomende producten voor cybersurveillance.
9.  
Alle op grond van dit artikel vereiste informatie-uitwisselingen vinden plaats met inachtneming van de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens, commercieel gevoelige informatie of beschermde informatie op het gebied van defensie, buitenlands beleid of nationale veiligheid. Dergelijke informatie-uitwisselingen vinden plaats via beveiligde elektronische middelen, inclusief door middel van het in artikel 23, lid 6, bedoelde systeem.
10.  
De lidstaten overwegen steun te verlenen aan de opneming van op grond van lid 6 van dit artikel bekendgemaakte producten in de passende internationale non-proliferatieregelingen of uitvoercontroleregelingen met het oog op de uitbreiding van de controles. De Commissie verstrekt analyses van de relevante gegevens die op grond van artikel 23, lid 2, en artikel 26, lid 2, zijn verzameld.
11.  
Deze verordening laat het recht van de lidstaten om nationale maatregelen vast te stellen uit hoofde van artikel 10 van Verordening (EU) 2015/479, onverlet.

Artikel 6

1.  
Voor de verlening van tussenhandeldiensten betreffende de in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik is een vergunning vereist indien de tussenhandelaar door de bevoegde autoriteit ervan in kennis is gesteld dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.
2.  
Indien een tussenhandelaar voornemens is tussenhandeldiensten te verrichten betreffende in de lijst in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik, en ervan op de hoogte is dat die producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, stelt de tussenhandelaar de bevoegde autoriteit daarvan in kennis. Die bevoegde autoriteit beslist of voor de beoogde tussenhandeldiensten een vergunning wordt vereist.
3.  
Een lidstaat kan de toepassing van lid 1 uitbreiden tot niet in de lijst opgenomen producten voor tweeërlei gebruik.
4.  
Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij een vergunningsplicht wordt opgelegd voor de verlening van tussenhandeldiensten betreffende producten voor tweeërlei gebruik, indien de tussenhandelaar een gefundeerd vermoeden heeft dat de betrokken producten bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.
5.  
Op de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen is artikel 9, leden 2, 3 en 4, van toepassing.

Artikel 7

1.  
De doorvoer van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik die zijn opgenomen in bijlage I, kan te allen tijde worden verboden door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de producten zich bevinden, indien de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.
2.  
Alvorens een besluit te nemen over het al dan niet verbieden van doorvoer, kan de bevoegde autoriteit in individuele gevallen een vergunningsplicht opleggen voor een specifiek geval van doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die zijn opgenomen in bijlage I, indien de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden. Indien de doorvoer over het grondgebied van meerdere lidstaten plaatsvindt, kan de bevoegde autoriteit van elke betrokken lidstaat deze doorvoer over zijn grondgebied verbieden.

De bevoegde autoriteit kan een vergunningsplicht opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die of het partnerschap dat het contract met de ontvanger in het derde land heeft en die of dat het recht heeft te beslissen over de verzending van producten die door het douanegebied van de Unie worden vervoerd.

Indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon of het partnerschap geen ingezetene is van of niet gevestigd is in het douanegebied van de Unie, kan de bevoegde autoriteit de vergunningsplicht opleggen aan:

a) 

de aangever zoals bedoeld in artikel 5, punt 15), van het douanewetboek van de Unie;

b) 

de vervoerder zoals bedoeld in artikel 5, punt 40), van het douanewetboek van de Unie, of

c) 

de natuurlijke persoon die de producten voor tweeërlei gebruik in doorvoer bij zich draagt wanneer deze producten voor tweeërlei gebruik deel uitmaken van de persoonlijke bagage van die persoon.

3.  
Een lidstaat kan de toepassing van lid 1 uitbreiden tot niet in de lijst opgenomen producten voor tweeërlei gebruik.
4.  
Op de in lid 3 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen is artikel 9, leden 2, 3 en 4, van toepassing.

Artikel 8

1.  
Een vergunning is vereist voor het verlenen van technische bijstand met betrekking tot in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik, indien de verlener van technische bijstand door de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van het feit dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.
2.  
Indien een verlener van technische bijstand voornemens is technische bijstand te verlenen voor in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik en hij er kennis van draagt dat die producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis. Die bevoegde autoriteit beslist of voor de beoogde technische bijstandsdiensten een vergunning wordt vereist.
3.  

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de technische bijstand:

a) 

wordt verleend binnen of naar het grondgebied van een in bijlage II, sectie A, deel 2, genoemd land of aan een ingezetene van een in bijlage II, sectie A, deel 2, genoemd land;

b) 

de vorm aanneemt van een overdracht van informatie die voor iedereen beschikbaar is of fundamenteel wetenschappelijk onderzoek omvat in de zin van de algemene technologienoot of de nucleaire technologienoot in bijlage I;

c) 

wordt verleend door autoriteiten of instanties van een lidstaat in het kader van hun officiële taken;

d) 

wordt verleend aan de strijdkrachten van een lidstaat op basis van de hun toegewezen taken;

e) 

wordt verleend voor een doel dat wordt genoemd in de uitzonderingen voor onderdelen van het Missile Technology Control Regime (MTCR-technologie) in bijlage IV, of

f) 

het minimaal noodzakelijke is voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van producten waarvoor een uitvoervergunning is afgegeven.

4.  
Een lidstaat kan de toepassing van lid 1 uitbreiden tot niet in de lijst opgenomen producten voor tweeërlei gebruik.
5.  
Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij een vergunningsplicht wordt opgelegd voor het verlenen van technische bijstand indien een verlener van technische bijstand die voornemens is technische bijstand te verlenen voor producten voor tweeërlei gebruik, een gefundeerd vermoeden heeft dat die producten bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.
6.  
Op de in de leden 4 en 5 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen is artikel 9, leden 2, 3 en 4, van toepassing.

Artikel 9

1.  
Een lidstaat kan om redenen van openbare veiligheid, met inbegrip van de voorkoming van terreurdaden, of uit mensenrechtenoverwegingen een verbod instellen op of een vergunningsplicht opleggen voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen.
2.  
De lidstaten brengen de op grond van lid 1 genomen maatregelen onverwijld ter kennis van de Commissie en de andere lidstaten, onder vermelding van de exacte redenen daarvoor. Indien de maatregel de opstelling van een nationale controlelijst is, stellen de lidstaten de Commissie en de andere lidstaten ook in kennis van de beschrijving van de gecontroleerde producten.
3.  
De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen van de op grond van lid 1 genomen maatregelen, met inbegrip van wijzigingen van hun nationale controlelijsten.
4.  
De Commissie maakt de maatregelen waarvan haar op grond van de leden 2 en 3 kennis is gegeven, bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie. De Commissie publiceert afzonderlijk, onverwijld en in alle officiële talen van de Unie een overzicht van de in de lidstaten geldende nationale controlelijsten. Na kennisgeving door een lidstaat van een wijziging van zijn nationale controlelijst publiceert de Commissie, onverwijld en in alle officiële talen van de Unie, een geactualiseerde versie van de in de lidstaten geldende nationale controlelijsten.

Artikel 10

1.  
Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, is een vergunning vereist indien een andere lidstaat voor de uitvoer van die producten een vergunningsplicht oplegt op basis van een nationale controlelijst van producten die door die lidstaat op grond van artikel 9 is vastgesteld en door de Commissie op grond van artikel 9, lid 4, is gepubliceerd, en indien de exporteur door de bevoegde autoriteit is meegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik waarvoor bezorgdheid bestaat ten aanzien van de openbare veiligheid, met inbegrip van het voorkomen van terreurdaden, of ten aanzien van mensenrechtenoverwegingen.
2.  
Een lidstaat die een uit hoofde van lid 1 vereiste vergunning weigert, stelt ook de Commissie en de andere lidstaten van een dergelijk besluit in kennis.
3.  
Een lidstaat die op grond van lid 1 van dit artikel een vergunningsplicht oplegt voor de uitvoer van een niet in bijlage I opgenomen product voor tweeërlei gebruik, stelt zijn douaneautoriteiten en andere betrokken nationale autoriteiten onverwijld in kennis van de vergunningsplicht en verstrekt, waar passend, de andere lidstaten en de Commissie de relevante informatie, met name over de betrokken producten en eindgebruikers. De andere lidstaten houden terdege rekening met deze informatie en stellen hun douaneautoriteiten en andere relevante nationale autoriteiten daarvan in kennis.

Artikel 11

1.  
Voor de overbrenging binnen de Unie van producten voor tweeërlei gebruik van de lijst in bijlage IV is een vergunning vereist. Producten voor tweeërlei gebruik van de lijst in deel 2 van bijlage IV vallen niet onder een algemene vergunning.
2.  

Een lidstaat kan een vergunningsplicht opleggen voor de overbrenging van andere producten voor tweeërlei gebruik van zijn grondgebied naar een andere lidstaat indien op het tijdstip van de overbrenging:

a) 

de exporteur of de bevoegde autoriteit weet dat de eindbestemming van die producten buiten het douanegebied van de Unie ligt;

b) 

de uitvoer van de producten naar die eindbestemming onderworpen is aan een vergunningsplicht op grond van artikel 3, 4, 5, 9 of 10 in de lidstaat van waaruit de producten moeten worden uitgevoerd, en deze export, rechtstreeks vanaf zijn grondgebied, niet is toegestaan bij een algemene of globale vergunning, en

c) 

de producten niet worden verwerkt of bewerkt in de zin van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek van de Unie in de lidstaat waarnaar zij worden overgebracht.

3.  
De in de leden 1 en 2 bedoelde overbrengingsvergunning wordt aangevraagd in de lidstaat van waaruit de producten voor tweeërlei gebruik zullen worden overgebracht.
4.  
In gevallen waarin de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik reeds door de lidstaat van waaruit de producten zullen worden uitgevoerd, is aanvaard in de overlegprocedures van artikel 14, wordt de overbrengingsvergunning onmiddellijk aan de exporteur afgegeven, tenzij de omstandigheden substantieel zijn veranderd.
5.  
Een lidstaat die wetgeving aanneemt die een vergunningsplicht als bedoeld in lid 2 oplegt, brengt de Commissie en de overige lidstaten onverwijld op de hoogte van de maatregelen die hij heeft genomen. De Commissie maakt die informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.
6.  
De toepassing van op grond van de leden 1 en 2 genomen maatregelen geeft geen aanleiding tot controles aan de binnengrenzen van het douanegebied van de Unie, maar vergt slechts controles die in het kader van de normale, op niet-discriminerende wijze over het gehele douanegebied van de Unie uitgevoerde controleprocedures passen.
7.  
De toepassing van op grond van de leden 1 en 2 genomen maatregelen leidt er in geen geval toe dat voor overbrenging van de ene lidstaat naar de andere strengere voorwaarden gelden dan voor de uitvoer van dezelfde producten naar derde landen.
8.  
Een lidstaat kan bij nationale wetgeving vereisen dat voor overbrengingen binnen de Unie vanuit die lidstaat van producten van bijlage I, categorie 5, deel 2, die niet in bijlage IV voorkomen, aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat aanvullende informatie over de betrokken producten wordt verstrekt.
9.  
In relevante handelsbescheiden die betrekking hebben op de overbrenging binnen de Unie van in de lijst van bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik dient duidelijk te worden vermeld dat die producten bij uitvoer uit het douanegebied van de Unie aan controle worden onderworpen. Die handelsbescheiden omvatten met name een verkoopcontract, een orderbevestiging, een factuur of een verzendingsborderel.



HOOFDSTUK III

UITVOERVERGUNNING EN VERGUNNING VOOR TUSSENHANDELDIENSTEN EN TECHNISCHE BIJSTAND

Artikel 12

1.  

Uit hoofde van deze verordening kunnen de volgende soorten uitvoervergunningen worden afgegeven of ingesteld:

a) 

individuele uitvoervergunningen;

b) 

globale uitvoervergunningen;

c) 

nationale algemene uitvoervergunningen;

d) 

uniale algemene uitvoervergunningen voor de uitvoer van bepaalde producten naar bepaalde bestemmingen onder specifieke gebruiksvoorwaarden en -eisen als bedoeld in bijlage II, secties A tot en met H.

Uit hoofde van deze verordening afgegeven of ingestelde uitvoervergunningen zijn in het gehele douanegebied van de Unie geldig.

2.  
Individuele en globale uitvoervergunningen uit hoofde van deze verordening worden verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur ingezetene of gevestigd is.

Onverminderd artikel 2, punt 3), wordt, indien de exporteur niet in het douanegebied van de Unie ingezetene of gevestigd is, uit hoofde van deze verordening een individuele uitvoervergunning verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de producten voor tweeërlei gebruik zich bevinden.

Alle individuele en globale uitvoervergunningen worden waar mogelijk langs elektronische weg afgegeven op formulieren die ten minste alle elementen, in dezelfde volgorde, van de modellen in bijlage III, sectie A, bevatten.

3.  
Individuele uitvoervergunningen en globale uitvoervergunningen zijn hoogstens twee jaar geldig, tenzij de bevoegde autoriteit anders besluit.

Vergunningen voor grote projecten zijn geldig voor een door de bevoegde autoriteit vast te stellen termijn, maar niet langer dan vier jaar, behalve in naar behoren gemotiveerde omstandigheden in verband met de duur van het project.

4.  
Exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteit alle informatie die vereist is voor hun aanvragen van individuele en globale uitvoervergunningen, zodat volledige informatie beschikbaar is over met name de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van het uitgevoerde product.

Aan individuele uitvoervergunningen wordt de verplichting verbonden een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven. De bevoegde autoriteit kan bepaalde aanvragen vrijstellen van de verplichting om een verklaring over het eindgebruik te verstrekken. Waar passend kan voor globale uitvoervergunningen een verklaring over het eindgebruik worden verlangd.

Exporteurs die gebruikmaken van globale uitvoervergunningen implementeren een ICP, tenzij de bevoegde autoriteit dit niet nodig acht wegens andere informatie waarmee zij rekening heeft gehouden bij de behandeling van de door de exporteur ingediende aanvraag voor een globale uitvoervergunning.

De rapportage- en ICP-vereisten met betrekking tot het gebruik van globale uitvoervergunningen worden door de lidstaten vastgesteld.

Op verzoek van de exporteurs worden globale uitvoervergunningen die kwantitatieve beperkingen inhouden, gesplitst.

5.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten behandelen aanvragen voor individuele of globale vergunningen binnen een volgens het nationale recht of de nationale praktijk te bepalen termijn.
6.  

Nationale algemene uitvoervergunningen:

a) 

zijn niet van toepassing op producten die op de lijst van bijlage II, sectie I, voorkomen;

b) 

worden gedefinieerd in het nationale recht of in de nationale praktijk; zij kunnen worden gebruikt door alle exporteurs die ingezetene of gevestigd zijn in de lidstaat die die vergunningen afgeeft, indien zij voldoen aan de voorschriften van deze verordening en van de aanvullende nationale wetgeving; zij worden afgegeven overeenkomstig bijlage III, sectie C;

c) 

mogen niet worden gebruikt indien de exporteur er door de bevoegde autoriteit van in kennis is gesteld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, of indien de exporteur er kennis van draagt dat de producten bestemd zijn voor die doeleinden.

Nationale algemene uitvoervergunningen kunnen ook van toepassing zijn op de producten en bestemmingen die op de lijst van bijlage II, secties A tot en met H, voorkomen.

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van alle nationale algemene uitvoervergunningen die zijn afgegeven of gewijzigd. De Commissie maakt dergelijke kennisgevingen bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

7.  
De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur ingezetene of gevestigd is, kan de exporteur verbieden om uniale algemene uitvoervergunningen te gebruiken als er redelijke twijfel bestaat over het vermogen van de exporteur om de voorwaarden van deze vergunning of een bepaling van de wetgeving inzake uitvoercontrole, na te leven.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen informatie uit over exporteurs die het verboden is gebruik te maken van een uniale algemene uitvoervergunning, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur ingezetene of gevestigd is, vaststelt dat de exporteur niet zal pogen producten voor tweeërlei gebruik via een andere lidstaat uit te voeren. De informatie-uitwisseling vindt plaats via elektronische systemen als bedoeld in artikel 23, lid 6.

Artikel 13

1.  
Vergunningen voor de verlening van tussenhandeldiensten en technische bijstand uit hoofde van deze verordening worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de tussenhandelaar of de verlener van technische bijstand ingezetene of gevestigd is. Wanneer de tussenhandelaar of de verlener van technische bijstand niet ingezeten of gevestigd is op het douanegebied van de Unie, worden vergunningen voor het verlenen van tussenhandeldiensten en technische bijstand uit hoofde van deze verordening afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waar de tussenhandeldiensten of de technische bijstand zullen worden verleend.
2.  
Vergunningen voor het verlenen van tussenhandeldiensten worden afgegeven voor een bepaalde hoeveelheid specifieke producten en vermelden duidelijk de plaats van de producten in het derde land van herkomst, de eindgebruiker en de precieze plaats waar die zich bevindt.

Vergunningen voor technische bijstand vermelden duidelijk de eindgebruiker en de precieze plaats waar die zich bevindt.

De vergunningen zijn in het gehele douanegebied van de Unie geldig.

3.  
Tussenhandelaren en verleners van technische bijstand verstrekken de bevoegde autoriteit alle relevante informatie die vereist is voor een aanvraag van een vergunning uit hoofde van deze verordening, en met name nadere bijzonderheden over de plaats waar de producten voor tweeërlei gebruik zich bevinden, een duidelijke beschrijving van de aard en het aantal producten, de bij de transactie betrokken derde partijen, het land van bestemming, de eindgebruiker in dat land en de precieze plaats waar die zich bevindt.
4.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten behandelen aanvragen voor vergunningen voor het verlenen van tussenhandeldiensten en technische bijstand binnen een volgens het nationale recht of de nationale praktijk te bepalen termijn.
5.  
Alle vergunningen voor het verlenen van tussenhandeldiensten en technische bijstand worden, waar mogelijk, langs elektronische weg afgegeven op formulieren die ten minste alle elementen, in dezelfde volgorde, van de modellen in bijlage III, sectie B, bevatten.

Artikel 14

1.  
Indien de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een individuele uitvoervergunning wordt aangevraagd voor een niet in de lijst van bijlage II, sectie A, deel 2, vermelde bestemming of, in het geval van in de lijst van bijlage IV vermelde producten voor tweeërlei gebruik, voor een willekeurige bestemming, zich in een of meer andere lidstaten bevinden of zullen bevinden dan die waar de vergunning wordt aangevraagd, wordt dat gegeven in de aanvraag vermeld. De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, treedt onmiddellijk in overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en verstrekt alle ter zake dienende informatie. Dat overleg kan plaatsvinden via het elektronische systeem bedoeld in artikel 23, lid 6. De geraadpleegde lidstaten maken eventuele bezwaren tegen de afgifte van een dergelijke vergunning binnen tien werkdagen kenbaar; die bezwaren zijn bindend voor de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd.

Indien binnen tien werkdagen geen bezwaren worden ontvangen, worden de geraadpleegde lidstaten geacht geen bezwaar te hebben.

In uitzonderlijke gevallen kan een geraadpleegde lidstaat om verlenging van die termijn van tien werkdagen verzoeken. De verlenging bedraagt evenwel niet meer dan dertig werkdagen.

2.  
Indien een uitvoer zijn wezenlijke veiligheidsbelangen zou kunnen schaden, kan een lidstaat een andere lidstaat verzoeken geen uitvoervergunning te verlenen of, indien deze reeds is verleend, die vergunning nietig te verklaren, te schorsen, te wijzigen of in te trekken. De lidstaat die een dergelijk verzoek ontvangt, treedt met de verzoekende lidstaat onmiddellijk in overleg van niet bindende aard, welk overleg binnen tien werkdagen dient te worden afgerond. Indien de lidstaat die het verzoek ontvangt, besluit de vergunning te verlenen, moet die lidstaat de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis stellen met gebruikmaking van het in artikel 23, lid 6, genoemde elektronische systeem.

Artikel 15

1.  

Bij hun besluit om al dan niet een vergunning te verlenen of een doorvoer te verbieden uit hoofde van deze verordening, houden de lidstaten rekening met alle ter zake dienende overwegingen, waaronder:

a) 

de internationale verplichtingen en verbintenissen van de Unie en de lidstaten, en met name de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen;

b) 

hun verplichtingen uit hoofde van sancties uit hoofde van een door de Raad vastgesteld besluit of gemeenschappelijk standpunt of uit hoofde van een besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

c) 

overwegingen van nationaal buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen uit hoofde van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB;

d) 

overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar.

2.  
De lidstaten nemen bij de beoordeling van een aanvraag om een globale uitvoervergunning, naast de in lid 1 vermelde criteria, ook de implementatie van een ICP door de exporteur in aanmerking.

Artikel 16

1.  
De bevoegde autoriteit kan, overeenkomstig deze verordening handelend, weigeren een uitvoervergunning te verlenen en een reeds door haar verleende uitvoervergunning nietig verklaren, schorsen, wijzigen of intrekken. Wanneer de bevoegde autoriteit een uitvoervergunning weigert, nietig verklaart, schorst, wezenlijk beperkt of intrekt, of wanneer zij besloten heeft dat de voorgenomen uitvoer niet mag worden toegestaan, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekt zij hun de relevante gegevens. Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat een uitvoervergunning heeft geschorst, wordt aan het eind van de schorsingsperiode de evaluatie aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld.
2.  
Weigeringen van vergunningen waarvan uit hoofde van lid 1 kennis is gegeven, worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten binnen drie jaar na de kennisgeving opnieuw bekeken en ingetrokken, gewijzigd of verlengd. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van de resultaten van deze toetsing. Weigeringen die niet worden ingetrokken, blijven geldig en worden om de drie jaar opnieuw bekeken. Bij de derde toetsing moet de betrokken lidstaat de reden voor de handhaving van deze weigering toelichten.
3.  
De bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van hun uit hoofde van artikel 7 genomen besluit om de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik te weigeren. Deze kennisgeving bevat alle benodigde informatie, met inbegrip van de indeling van de betrokken producten, de technische kenmerken ervan, het land van bestemming en de eindgebruiker.
4.  
De leden 1 en 2 van dit artikel zijn ook van toepassing op vergunningen voor het verlenen van de in artikel 13 bedoelde tussenhandeldiensten en technische bijstand.
5.  
Alvorens de bevoegde autoriteit van een lidstaat uit hoofde van deze verordening besluit al dan niet een vergunning te verlenen of een doorvoer te verbieden, gaat zij op basis van alle geldige weigeringen of besluiten betreffende een verbod op de doorvoer van in de lijst in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik uit hoofde van deze verordening na of een vergunning of doorvoer door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat voor een wezenlijk identieke transactie is geweigerd. Zij pleegt dan overleg met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die dergelijke vergunningen hebben geweigerd of het besluit hebben genomen de doorvoer te verbieden, als bedoeld in de leden 1, 3 en 4 van dit artikel.

De bevoegde autoriteiten van de geraadpleegde lidstaten maken binnen tien werkdagen bekend of zij de betrokken transactie al dan niet als een wezenlijk identieke transactie beschouwen. Indien binnen tien werkdagen geen reactie is ontvangen, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die zijn geraadpleegd, geacht de betrokken transactie niet als een wezenlijk identieke transactie te beschouwen.

Indien meer informatie nodig is om de betrokken transactie correct te beoordelen, komen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten overeen die termijn van tien werkdagen te verlengen. De verlenging bedraagt evenwel niet meer dan dertig werkdagen.

Indien de bevoegde autoriteit na dit overleg besluit een vergunning te verlenen of de doorvoer toe te staan, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekt zij daarbij alle relevante informatie om het besluit toe te lichten.

6.  
De op grond van dit artikel voorgeschreven kennisgevingen worden gedaan via beveiligde elektronische middelen, inclusief door middel van het in artikel 23, lid 6, bedoelde systeem.
7.  
Alle informatie die op grond van dit artikel wordt uitgewisseld, voldoet aan artikel 23, lid 5, betreffende de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie.



HOOFDSTUK IV

WIJZIGING VAN LIJSTEN VAN PRODUCTEN VOOR TWEEËRLEI GEBRUIK EN VAN BESTEMMINGEN

Artikel 17

1.  

De Commissie is als volgt bevoegd overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de in de bijlagen I en IV opgenomen lijst van producten voor tweeërlei gebruik te wijzigen:

a) 

de lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de desbetreffende verplichtingen en verbintenissen, en alle wijzigingen daarin, waarmee de lidstaten en in voorkomend geval de Unie hebben ingestemd als partij bij de internationale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van desbetreffende internationale verdragen;

b) 

indien de wijziging van bijlage I betrekking heeft op producten voor tweeërlei gebruik die tevens zijn opgenomen in bijlage II of IV, worden die bijlagen dienovereenkomstig gewijzigd.

2.  
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde bijlage II te wijzigen door producten te schrappen of bestemmingen toe te voegen of te schrappen van het toepassingsgebied van uniale algemene uitvoervergunningen in overleg met de op grond van artikel 24 opgerichte coördinatiegroep tweeërlei gebruik en rekening houdend met de verplichtingen en verbintenissen uit hoofde van de desbetreffende non-proliferatieregelingen en uitvoercontroleregelingen, zoals wijzigingen van de controlelijsten, alsmede met de relevante geopolitieke ontwikkelingen. Indien dwingende redenen van urgentie vereisen dat bepaalde bestemmingen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van een uniale algemene uitvoervergunning, is de procedure van artikel 19 van toepassing op de gedelegeerde handelingen die worden vastgesteld op grond van dit lid.

Artikel 18

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  
De in artikel 17 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 9 september 2021. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.  
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 17 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  
Een op grond van artikel 17 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 19

1.  
Uit hoofde van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen treden onmiddellijk in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.
2.  
Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 18, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 20

De lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage IV, die een onderdeel is van bijlage I, wordt geactualiseerd in het licht van artikel 36 VWEU, en met name de openbare-orde- en openbareveiligheidsbelangen van de lidstaten.



HOOFDSTUK V

DOUANEPROCEDURES

Artikel 21

1.  
Bij het vervullen van de formaliteiten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij het voor de behandeling voor de uitvoeraangifte bevoegde douanekantoor levert de exporteur het bewijs dat voor de uitvoer naar behoren een vergunning is verleend.
2.  
Van de exporteur kan van de als bewijs verstrekte bescheiden een vertaling worden geëist in een officiële taal van de lidstaat waar de uitvoeraangifte wordt overgelegd.
3.  

Onverminderd de bevoegdheden die hem uit hoofde van en op grond van het douanewetboek van de Unie zijn verleend, kan een lidstaat tevens voor een periode van ten hoogste de in lid 4 vermelde perioden de uitvoer vanaf zijn grondgebied van de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor al dan niet een geldige uitvoervergunning werd afgegeven, schorsen of, indien nodig, op andere wijze verhinderen dat deze producten de Unie via zijn grondgebied verlaten, indien hij:

a) 

een gefundeerd vermoeden heeft dat:

i) 

bij de vergunningverlening geen rekening is gehouden met relevante gegevens, of

ii) 

sedert de vergunningverlening de omstandigheden wezenlijk zijn veranderd, of

b) 

over relevante informatie beschikt met betrekking tot de mogelijke toepassing van maatregelen uit hoofde van artikel 4, lid 1.

4.  
In de in lid 3 van dit artikel bedoelde gevallen raadpleegt de in dat lid bedoelde lidstaat onverwijld de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de uitvoervergunning heeft verleend of die maatregelen kan treffen op grond van artikel 4, lid 1, zodat die bevoegde autoriteit op grond van artikel 4, lid 1, of artikel 16, lid 1, maatregelen kan treffen. Indien die bevoegde autoriteit besluit de vergunning te handhaven of geen maatregelen te treffen op grond van artikel 4, lid 1, antwoordt zij binnen tien werkdagen, welke termijn in uitzonderlijke omstandigheden op haar verzoek mag worden verlengd tot dertig werkdagen. In dat geval, of indien, naargelang van het geval, binnen tien of dertig werkdagen geen antwoord is ontvangen, worden de producten voor tweeërlei gebruik onmiddellijk vrijgegeven. De bevoegde autoriteit van de lidstaat welke de vergunning heeft verleend, stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis.
5.  
In samenwerking met de lidstaten kan de Commissie richtsnoeren uitwerken om de onderlinge samenwerking tussen de vergunningverlenende autoriteiten en de douaneautoriteiten te bevorderen.

Artikel 22

1.  
De lidstaten kunnen bepalen dat douaneformaliteiten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik slechts bij daartoe bevoegd verklaarde douanekantoren mogen worden vervuld.
2.  
Wanneer zij gebruikmaken van de in lid 1 geboden mogelijkheid, delen de lidstaten de Commissie mee welke douanekantoren aldus bevoegd zijn verklaard. De Commissie maakt die informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.



HOOFDSTUK VI

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING, UITVOERING EN HANDHAVING

Artikel 23

1.  

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de voor de uitvoering van deze verordening vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, met inbegrip van:

a) 

een lijst van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die gemachtigd zijn om:

— 
uitvoervergunningen voor producten voor tweeërlei gebruik af te geven,
— 
uit hoofde van deze verordening vergunningen af te geven met het oog op het verlenen van tussenhandeldiensten en technische bijstand,
— 
de doorvoer van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik te verbieden uit hoofde van deze verordening;
b) 

de maatregelen bedoeld in artikel 25, lid 1.

De Commissie stuurt die informatie door naar de andere lidstaten en maakt die informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  

De lidstaten treffen in samenwerking met de Commissie alle dienstige maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten te bewerkstelligen teneinde de efficiëntie van de uitvoercontroleregeling van de Unie te verbeteren en een consequente en doeltreffende uitvoering en handhaving van controles in het gehele douanegebied van de Unie te waarborgen. De uitwisseling van informatie kan het volgende omvatten:

a) 

relevante vergunningsinformatie, verstrekt voor elke afgegeven vergunning (zoals waarde en type van de vergunningen en de desbetreffende bestemmingen, aantal gebruikers van algemene vergunningen);

b) 

aanvullende informatie met betrekking tot de toepassing van controles, met inbegrip van informatie over de toepassing van de criteria van artikel 15, lid 1, het aantal exporteurs met een ICP en, indien beschikbaar, gegevens over de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik verricht in andere lidstaten;

c) 

informatie over de analyse die ten grondslag ligt aan aanvullingen of geplande aanvullingen op de nationale controlelijsten op grond van artikel 9;

d) 

informatie met betrekking tot de handhaving van controles, waaronder op risico gebaseerde audits, nadere gegevens met betrekking tot de exporteurs aan wie het recht is ontzegd nationale of uniale algemene uitvoervergunningen te gebruiken, en, indien beschikbaar, het aantal schendingen, inbeslagnames en de toepassing van andere sancties;

e) 

gegevens over gevoelige eindgebruikers, actoren die bij verdachte aankoopactiviteiten zijn betrokken en, voor zover deze beschikbaar zijn, gevolgde routes.

3.  
De uitwisseling van gegevens over vergunningen vindt ten minste jaarlijks plaats overeenkomstig de richtsnoeren die worden opgesteld door de op grond van artikel 24 opgerichte coördinatiegroep tweeërlei gebruik en met inachtneming van de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens, commercieel gevoelige informatie of beschermde informatie op het gebied van defensie, buitenlands beleid of nationale veiligheid.
4.  
De lidstaten en de Commissie onderzoeken regelmatig de tenuitvoerlegging van artikel 15 op basis van de op grond van deze verordening verstrekte informatie en de analyses van deze gegevens. Alle deelnemers aan deze uitwisselingen respecteren het vertrouwelijke karakter van de besprekingen.
5.  
Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad ( 2 ), met name de bepalingen ervan inzake de vertrouwelijkheid van informatie, zijn van overeenkomstige toepassing.
6.  
De Commissie ontwikkelt, in overleg met de op grond van artikel 24 opgerichte coördinatiegroep tweeërlei gebruik, een beveiligd en versleuteld systeem ter ondersteuning van de rechtstreekse samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en, waar passend, de Commissie. Het systeem wordt, indien haalbaar, door de Commissie gekoppeld aan de elektronische vergunningssystemen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor zover dat nodig is om deze rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie te vergemakkelijken. Het Europees Parlement wordt geïnformeerd over het budget, de ontwikkeling en de werking van het systeem.
7.  
De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig de voorschriften van Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725.

Artikel 24

1.  
Er wordt een coördinatiegroep tweeërlei gebruik ingesteld waarvan het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt bekleed. Elke lidstaat wijst in deze groep een vertegenwoordiger aan. De groep heeft tot taak elk vraagstuk in verband met de toepassing van deze verordening te onderzoeken dat door de voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde wordt gesteld.
2.  
De coördinatiegroep tweeërlei gebruik raadpleegt telkens wanneer zij dit nodig acht de bij deze verordening betrokken exporteurs, tussenhandelaren, verleners van technische bijstand en andere relevante belanghebbenden.
3.  
De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt, waar passend, technische deskundigengroepen op die zijn samengesteld uit deskundigen van de lidstaten om specifieke kwesties te onderzoeken met betrekking tot de uitvoering van controles, met inbegrip van kwesties met betrekking tot de actualisering van de controlelijsten van de Unie in bijlage I. Technische deskundigengroepen raadplegen waar passend exporteurs, tussenhandelaren, verleners van technische bijstand en andere relevante belanghebbenden bij deze verordening.
4.  
De Commissie ondersteunt een programma van de Unie voor capaciteitsopbouw op het gebied van vergunningverlening en handhaving, onder meer door in overleg met de coördinatiegroep tweeërlei gebruik gemeenschappelijke opleidingsprogramma's voor overheidspersoneel van de lidstaten te ontwikkelen.

Artikel 25

1.  
Elke lidstaat treft passende maatregelen om de correcte handhaving van deze verordening te waarborgen. Met name stelt elke lidstaat de sancties vast voor inbreuken op de bepalingen van deze verordening of op de bepalingen ter uitvoering daarvan. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2.  
De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt een handhavingscoördinatiemechanisme op ter ondersteuning van informatie-uitwisseling en directe samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en de handhavingsinstanties van de lidstaten (het “handhavingscoördinatiemechanisme”). In het kader van het handhavingscoördinatiemechanisme wisselen de lidstaten en de Commissie, indien beschikbaar, relevante informatie uit, onder meer over de toepassing, de aard en het effect van de uit hoofde van lid 1 genomen maatregelen, over de handhaving van beste praktijken en de niet-toegestane uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik en/of inbreuken op deze verordening en/of de desbetreffende nationale wetgeving.

In het kader van het handhavingscoördinatiemechanisme wisselen de lidstaten en de Commissie ook informatie uit over de beste praktijken van de nationale handhavingsautoriteiten met betrekking tot risicogebaseerde audits, de opsporing en vervolging van niet-toegelaten uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik en/of mogelijke andere inbreuken op deze verordening en/of de desbetreffende nationale wetgeving.

De uitwisseling van informatie in het kader van het handhavingscoördinatiemechanisme is vertrouwelijk.



HOOFDSTUK VII

TRANSPARANTIE, VOORLICHTING EN ONDERSTEUNING, MONITORING, BEOORDELING

Artikel 26

1.  
De Commissie en de Raad stellen, waar passend, richtsnoeren en/of aanbevelingen beschikbaar voor beste praktijken met betrekking tot de in deze verordening bedoelde onderwerpen om de doeltreffendheid van de regeling voor uitvoercontrole van de Unie en de consequente uitvoering ervan te waarborgen. Het verstrekken van richtsnoeren en/of aanbevelingen voor beste praktijken aan exporteurs, tussenhandelaren en verleners van technische bijstand valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten waar zij ingezetene of gevestigd zijn. In die richtsnoeren en/of aanbevelingen voor beste praktijken wordt met name rekening gehouden met de informatiebehoeften van kleine en middelgrote ondernemingen (het midden- en kleinbedrijf).
2.  
De Commissie legt, in overleg met de coördinatiegroep tweeërlei gebruik, jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering van deze verordening en over de activiteiten, onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep tweeërlei gebruik. Dat jaarverslag is openbaar.

Het jaarverslag bevat informatie over de vergunningen (met name over het aantal en de waarde ervan per soort product en per bestemming op het niveau van de Unie en de lidstaten), over weigeringen en verboden uit hoofde van deze verordening. Het jaarverslag bevat ook informatie over de administratie (met name over het personeel, de naleving en de voorlichtingsactiviteiten, de specifieke vergunnings- of classificeringsinstrumenten) en over de handhaving van de controles (met name het aantal inbreuken en de sancties).

Met betrekking tot producten voor cybersurveillance bevat het jaarverslag specifieke informatie over vergunningen, met name over het aantal aanvragen dat is ontvangen, ingedeeld naar product, de lidstaat van afgifte en de bestemmingen waarop die aanvragen betrekking hebben, en over de besluiten die over die aanvragen zijn genomen.

De informatie in het jaarverslag wordt gepresenteerd overeenkomstig de in lid 3 genoemde beginselen.

De Commissie en de Raad stellen richtsnoeren beschikbaar over de methode voor het verzamelen en verwerken van gegevens met het oog op de opstelling van het jaarverslag, met inbegrip van de vaststelling van de soorten producten en de beschikbaarheid van handhavingsgegevens.

3.  
De lidstaten verstrekken de Commissie alle passende informatie voor de opstelling van het verslag, met inachtneming van de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens, commercieel gevoelige informatie of informatie op het gebied van defensie, buitenlands beleid of nationale veiligheid. Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ) betreffende de Europese statistiek is van toepassing op informatie die uit hoofde van dit artikel wordt uitgewisseld of gepubliceerd.
4.  
Tussen 10 september 2026 en 10 september 2028 voert de Commissie een evaluatie van deze verordening uit en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Na 10 september 2024 voert de Commissie een evaluatie uit van artikel 5 en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.



HOOFDSTUK VIII

CONTROLEMAATREGELEN

Artikel 27

1.  

De exporteurs van producten voor tweeërlei gebruik houden volgens de nationale wetgeving of de in de betreffende lidstaat gebruikelijke methoden gedetailleerde registers of dossiers van hun uitvoer bij. Deze registers of dossiers bevatten met name de handelsbescheiden, zoals facturen, manifesten, vrachtbrieven of andere vervoersdocumenten, waarin voldoende gegevens voorkomen voor de vaststelling van:

a) 

een omschrijving van de producten voor tweeërlei gebruik,

b) 

de hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik,

c) 

naam en adres van de exporteur en van de ontvanger,

d) 

indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.

2.  
Overeenkomstig de nationale wetgeving of volgens de in de betreffende lidstaat gebruikelijke methoden, houden tussenhandelaren en verleners van technische bijstand registers of dossiers bij betreffende tussenhandeldiensten of technische bijstandsdiensten zodat zij op verzoek een beschrijving kunnen geven van de producten voor tweeërlei gebruik die het voorwerp vormden van de tussenhandeldiensten of technische bijstandsdiensten, de periode gedurende welke de producten het voorwerp vormden van die diensten, de bestemming van die producten en diensten, en de landen waarop die diensten betrekking hadden.
3.  
De in de leden 1 en 2 bedoelde registers of dossiers en bescheiden worden bewaard gedurende ten minste vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de uitvoer is geschied dan wel die tussenhandelsdiensten of technische bijstandsdiensten werden verleend. Zij worden op verzoek voorgelegd aan de bevoegde autoriteit.
4.  
De bescheiden en dossiers in verband met overbrengingen binnen de Unie van in de lijst in bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik worden gedurende ten minste drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de overbrenging is geschied, bewaard en op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit die producten werden overgebracht, aan die autoriteit voorgelegd.

Artikel 28

Om de correcte toepassing van deze verordening te waarborgen, nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om hun bevoegde autoriteiten in staat te stellen:

a) 

gegevens te verzamelen over elke met producten voor tweeërlei gebruik verband houdende order of transactie;

b) 

na te gaan of de uitvoercontrolemaatregelen op de juiste wijze worden toegepast, hetgeen met name de bevoegdheid kan omvatten tot betreding van de bedrijfsruimten van de bij een uitvoertransactie belang hebbende personen of van tussenhandelaren die bij de verlening van tussenhandeldiensten in de in artikel 6 bedoelde situaties betrokken zijn, of van verleners van technische bijstand die in de in artikel 8 bedoelde situaties betrokken zijn.



HOOFDSTUK IX

SAMENWERKING MET DERDE LANDEN

Artikel 29

1.  
De Commissie en de lidstaten voeren, waar passend, overleg met derde landen om de algehele harmonisatie van de controles te bevorderen.

Dit overleg kan de regelmatige en wederzijdse samenwerking met derde landen ondersteunen, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en beste praktijken, alsmede capaciteitsopbouw en bewustmaking van derde landen. Voorts kan het overleg ertoe bijdragen dat derde landen strenge uitvoercontroles hanteren die in het kader van multilaterale uitvoercontroleregelingen zijn ontwikkeld, als model voor internationale beste praktijken.

2.  
Onverminderd de bepalingen van tussen de Unie en derde landen gesloten overeenkomsten of protocollen inzake wederzijdse administratieve bijstand op douanegebied kan de Raad de Commissie machtigen met derde landen te onderhandelen over overeenkomsten die voorzien in de wederzijdse erkenning van controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik waarop deze verordening betrekking heeft.

Die onderhandelingen worden gevoerd overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld, naargelang van het geval, in artikel 207, lid 3, VWEU en in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.



HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 30

Deze verordening is van toepassing onverminderd het Gedelegeerd Besluit van de Commissie van 15 september 2015 tot aanvulling van Besluit nr. 1104/2011/EU.

Artikel 31

Verordening (EG) nr. 428/2009 wordt ingetrokken.

Voor vergunningsaanvragen die vóór 9 september 2021 werden ingediend, blijven evenwel de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 428/2009 van toepassing.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 32

Deze verordening treedt in werking op de negentigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M1




BIJLAGE I

IN ARTIKEL 3 VAN DEZE VERORDENING BEDOELDE LIJST VAN PRODUCTEN VOOR TWEEËRLEI GEBRUIK

De in deze bijlage opgenomen lijst van producten voor tweeërlei gebruik is een technische implementatie van internationaal overeengekomen vergunningsregelingen voor producten voor tweeërlei gebruik, waaronder de Australiëgroep ( 4 ), het “Missile Technology Control Regime” (MTCR) ( 5 ), de Groep van Nucleaire Exportlanden ( 6 ), het Wassenaar Arrangement ( 7 ), en het Verdrag inzake chemische wapens (Chemical Weapons Convention — CWC) ( 8 ).

INHOUD

Deel I

Algemene opmerkingen, acroniemen en afkortingen, en definities

Deel II – Categorie 0

Nucleaire goederen, installaties en materialen

Deel III – Categorie 1

Speciale materialen en aanverwante apparatuur

Deel IV – Categorie 2

Materiaalverwerking

Deel V – Categorie 3

Elektronica

Deel VI – Categorie 4

Computers

Deel VII – Categorie 5

Telecommunicatie en “informatiebeveiliging”

Deel VIII – Categorie 6

Sensoren en lasers

Deel IX – Categorie 7

Navigatie en vliegtuigelektronica

Deel X – Categorie 8

Zeewezen en schepen

Deel XI – Categorie 9

Ruimtevaart en voortstuwing

DEEL I

Algemene opmerkingen, acroniemen en afkortingen, en definities

ALGEMENE OPMERKINGEN BIJ BIJLAGE I

1. Voor de controle op de uitvoer van goederen die zijn ontworpen of aangepast voor militair gebruik, zij verwezen naar de desbetreffende lijst(en) van aan vergunningsplicht onderworpen militaire goederen van de afzonderlijke EU-lidstaten. Verwijzingen in deze bijlage naar de “Lijst militaire goederen” hebben betrekking op deze lijsten.

2. De doelstelling van de controles op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die één of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

NB:   Bij de beoordeling van de vraag of de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

3. Met “goederen” worden in deze bijlage zowel nieuwe als gebruikte goederen bedoeld.

4. In sommige gevallen zijn stoffen vermeld met naam en CAS-nummer. Onder de lijst vallen stoffen met dezelfde structuurformule (inclusief hydraten), ongeacht naam of CAS-nummer. De CAS-nummers zijn vermeld om een bepaalde stof of een bepaald mengsel gemakkelijker te kunnen identificeren, ongeacht de nomenclatuur. CAS-nummers kunnen niet als eenduidige identificatienummers gebruikt worden, omdat sommige vormen van de op de lijst vermelde stoffen andere CAS-nummers hebben, en ook mengsels die een op de lijst voorkomende stof bevatten, andere CAS-nummers kunnen hebben.

NUCLEAIRE TECHNOLOGIE-NOOT (NTN)

(Te lezen in samenhang met sectie E van categorie 0.)

De “technologie” die rechtstreeks samenhangt met goederen die in categorie 0 vallen, valt onder de bepalingen van categorie 0.

“Technologie” voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van aan vergunningsplicht onderworpen goederen is ook aan vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen.

Het verlenen van een uitvoervergunning voor goederen houdt tevens in dat de uitvoer naar dezelfde eindgebruiker van de minimaal noodzakelijke “technologie” voor installatie, bediening, onderhoud en reparatie van de goederen is toegestaan.

Vergunningsregelingen voor overdracht van “technologie” zijn niet van toepassing op informatie die “voor iedereen beschikbaar” is, en op “fundamenteel wetenschappelijk onderzoek”.

ALGEMENE TECHNOLOGIENOOT (ATN)

(Te lezen in samenhang met sectie E van de categorieën 1 tot en met 9.)

De uitvoer van “technologie” die “noodzakelijk” is voor de “ontwikkeling”, “productie” of het “gebruik” van in de categorieën 1 tot en met 9 bedoelde goederen, is onderworpen aan de op de categorieën 1 tot en met 9 van toepassing zijnde bepalingen.

“Technologie” die “noodzakelijk” is voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van aan vergunningsplicht onderworpen goederen is ook aan vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen.

De vergunningsplicht geldt niet voor de minimaal noodzakelijke “technologie” voor installatie, bediening, onderhoud of reparatie van niet onder de vergunningsplicht vallende goederen of op de goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Noot:   Deze bepaling laat de controlestatus van de in 1E002.e., 1E002.f., 8E002.a. en 8E002.b. bedoelde “technologie” onverlet.

De vergunningsplicht voor de overdracht van “technologie” is niet van toepassing op informatie die “voor iedereen beschikbaar” is, op “fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” en op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie.

NUCLEAIRE PROGRAMMATUURNOOT (NPN)

(Deze noot heeft voorrang boven het bepaalde in sectie D van categorie 0.)

Sectie D van categorie 0 heeft geen betrekking op “programmatuur” die de minimaal noodzakelijke “objectcode” is voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Het verlenen van een uitvoervergunning voor goederen houdt tevens in dat de uitvoer naar dezelfde eindgebruiker van de minimaal noodzakelijke “objectcode” voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van de goederen is toegestaan.

Noot:   De Nucleaire programmatuurnoot laat de controlestatus van de in categorie 5, deel 2 (“Informatiebeveiliging”) bedoelde “programmatuur” onverlet.

ALGEMENE PROGRAMMATUURNOOT (APN)

(Deze noot heeft voorrang boven het bepaalde in sectie D van de categorieën 1 tot en met 9.)

De categorieën 1 tot en met 9 van deze lijst zijn niet van toepassing op “programmatuur” die:

a. 

algemeen voor het publiek verkrijgbaar is doordat de “programmatuur”:

1. 

via de detailhandel zonder beperkingen uit voorraad wordt verkocht via:

a. 

winkelverkoop;

b. 

postorderverkoop;

c. 

elektronische transacties; of

d. 

telefonische verkoop; en

2. 

is ontworpen voor installatie door de gebruiker zonder wezenlijke ondersteuning van de leverancier;

Noot:   Punt a. van de Algemene programmatuurnoot laat de controlestatus van de in categorie 5, deel 2 (“Informatiebeveiliging”) bedoelde “programmatuur” onverlet.

b. 

“voor iedereen beschikbaar” is; of

c. 

de minimaal noodzakelijke “objectcode” voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Noot:   Punt c. van de Algemene programmatuurnoot laat de controlestatus van de in categorie 5, deel 2 (“Informatiebeveiliging”) bedoelde “programmatuur” onverlet.

ALGEMENE NOOT “INFORMATIEBEVEILIGING” (ANIB)

Producten of functies ten behoeve van “informatiebeveiliging” moeten worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in categorie 5, deel 2, ook indien het onderdelen, “programmatuur” of functies van andere producten betreft.

REDACTIONELE CONVENTIES IN HET PUBLICATIEBLAD VAN DE EUROPESE UNIE

In overeenstemming met de regels uiteengezet in de Interinstitutionele schrijfwijzer voor in het Nederlands gepubliceerde teksten in het Publicatieblad van de Europese Unie:

— 
worden decimalen van gehele getallen gescheiden door een komma,
— 
en worden gehele getallen ingedeeld in blokken van drie cijfers die van elkaar worden gescheiden door een dunne spatie.

In deze bijlage wordt de hierboven beschreven praktijk aangehouden.

IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN

Voor acroniemen en afkortingen die als gedefinieerde term gebruikt worden, zie ‘Definities van in deze bijlage gebruikte termen’.



ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN

ABEC

Annular Bearing Engineers Committee

ABMA

American Bearing Manufacturers Association

ADC

Analoog-digitaalomzetters

AGMA

American Gear Manufacturers Association

AHRS

Stand- en koersreferentiesysteem

AISI

American Iron and Steel Institute

ALE

Atomaire-lagenepitaxie

ALU

Logische rekeneenheid

ANSI

American National Standards Institute

APP

Aangepast piekvermogen

APU

Hulpaggregaat

ASTM

American Society for Testing and Materials

ATC

Luchtverkeersleiding

BJT

Bipolaire junctietransistors

BPP

Beam Parameter Product

BSC

Base Station Controller

CAD

Computerondersteund ontwerpen

CAS

Chemical Abstracts Service

CCD

Ladinggekoppelde componenten

CDU

Visualisatie- en bedieningsinrichtingen

CEP

Circular error probable (50 %-trefkanscirkel)

CMM

Coördinatenmeetmachines

CMOS

Componenten met metaaloxide veldeffecttransistoren

CNTD

Thermische ontleding met beheerste nucleatie

CPLD

Complexe programmeerbare logische bouwsteen

CPU

Centrale verwerkingseenheid

CVD

Chemische afzetting uit de dampfase

CW

Chemische oorlogsvoering

CW (voor lasers)

Continugolf

DAC

Digitaal-analoogomzetter

DANL

Gemiddeld ruisniveau

DBRN

Navigatiesystemen met als referentie een gegevensbestand

DDS

Directe digitale synthesizer

DMA

Dynamisch-mechanische analyse

DME

Instrument voor het aangeven van afstand

DMOSFET

Gediffundeerde metaaloxide-halfgeleider-veldeffecttransistor

DS

Gerichte stolling

EB

Exploding Bridge

EB-PVD

Elektronenstraalverdampen

EBW

Exploding Bridge Wire

ECM

Electro-Chemical Machining

EDM

Vonkerosie

EFI

“Exploding foil”-ontstekingen

EIRP

Effectief isotroop uitgestraald vermogen

EMP

Elektromagnetische puls

ENOB

Effectief aantal bits

ERF

Elektrorheologisch afwerkingsprocedé

ERP

Effectief uitgestraald vermogen

ESD

Elektrostatische ontlading

ETO

Emitter Turn-Off Thyristor

ETT

Electrical Triggering Thyristors

EU

Europese Unie

EUV

Extreem ultraviolet

FADEC

Digitale elektronische motorregelapparatuur welke volledig zelfstandig in de motorregeling kan ingrijpen

FFT

Snelle Fourier-transformatie

FPGA

Door de gebruiker te programmeren ‹gate array›

FPIC

Door de gebruiker te programmeren ‹interconnect›

FPLA

Door de gebruiker te programmeren ‹logic array›

FPO

Drijvendekommabewerking

FWHM

Brandpuntsvlak met een halfwaardebreedte

GLONASS

Wereldwijd satellietnavigatiesysteem

GNSS

Wereldwijd satellietnavigatiesysteem

GPS

Wereldwijd plaatsbepalingssysteem

GSM

Wereldwijd systeem voor mobiele communicatie

GTO

Uitschakelbare thyristor

HBT

Heterobipolaire transistors

HDMI

High-Definition Multimedia Interface

HEMT

Transistor met hoge elektronenmobiliteit

ICAO

Internationale Burgerluchtvaartorganisatie

IEC

Internationale Elektrotechnische Commissie

IED

Geïmproviseerde explosieven

IEEE

Institute of Electrical and Electronic Engineers

IFOV

Momenteel gezichtsveld

IGBT

Bipolaire transistors met geïsoleerde poort

IGCT

Integrated Gate Commutated thyristor

IHO

Internationale Hydrografische Organisatie

ILS

Instrumentlandingssysteem

IMU

Traagheidsmetingseenheid

INS

Traagheidsnavigatiesysteem

IP

Internetprotocol

IRS

Inertieel referentiesysteem

IRU

Inertiële referentie-eenheid

ISA

Internationale standaard-atmosfeer

ISAR

Radarmodus met omgekeerde kunstmatig ingestelde apertuur

ISO

Internationale organisatie voor normalisatie

ITU

Internationale Telecommunicatie-unie

JT

Joule-Thomson

LIDAR

Lichtdetectie- en afstandsbepaling

LIDT

Schadegrens veroorzaakt door lasers

LOA

Lengte over alles

LRU

Line Replaceable Unit

LTT

Light Triggering Thyristor

MLS

Microgolflandingssysteem

MMIC

Monolithisch geïntegreerde microgolfschakeling

MOCVD

Chemische afzetting van organometaaldamp

MOSFET

Metaaloxide-halfgeleider-veldeffecttransistor

MPM

Microgolfvermogensmodules

MRF

Magnetorheologisch afwerkingsprocedé

MRF

Minimum resolvable feature size

MRI

Magnetic resonance imaging (beeldvorming door middel van magnetische resonantie)

MTBF

Mean time between failures (gemiddeld storingsvrij interval)

MTTF

Mean time to failure (gemiddeld interval vóór storing)

NA

Numerieke apertuur

NDT

Non-destructive test (niet-destructief onderzoek)

NEH

Netto equivalente hoeveelheid

NIJ

Nationaal Instituut voor Justitie

OAM

Bediening, beheer en onderhoud

OSI

Open Systems Interconnection

PAI

Polyamide-imiden

PAR

Precisienaderingsradar

PCL

Passieve lokalisering

PDK

Process Design Kit

PIN

Persoonlijk identificatienummer

PMR

Particuliere mobiele radio

PVD

Physical Vapour Deposition (fysieke afzetting uit de dampfase)

ppm

parts per million (delen per miljoen)

QAM

Quadrature-Amplitude-Modulation (kwadratuuramplitudemodulatie)

QE

Kwantumefficiëntie

RAP

Reactive Atom Plasma-technologie (reactief atomair plasma)

RF

Radiofrequentie

rms

Root mean square (kwadratisch gemiddelde)

RNC

Radio Network Controller

RNSS

Regionaal satellietnavigatiesysteem

ROIC

Read-out Integrated Circuit (geïntegreerde schakeling voor het uitlezen)

S-FIL

Step and Flash Imprint Lithography

SAR

Synthetic Aperture Radar (radarmodus met kunstmatig ingestelde apertuur)

SAS

Synthetic Aperture Sonar

SC

Single Crystal (eenkristal)

SCR

Gestuurde halfgeleidergelijkrichters

SFDR

Spurious Free Dynamic Range (Storingsvrij dynamisch bereik)

SHPL

Super High Powered Laser

SLAR

Side-looking airborne radar (zijwaarts stralende radarmodus in vliegtuigen)

SOI

Silicon-on-Insulator

SQUID

Superconducting Quantum Interference Device

SRA

Shop replaceable assembly (in de werkplaats vervangbaar moduul)

SRAM

Static Random Access Memory

SSB

Single sideband (enkele zijband)

SSR

Secundaire surveillanceradar

SSS

Side Scan Sonar

TIR

Total Indicated Reading (totale meetklokuitslag)

TVR

Transmitting Voltage Response

u

Atomaire massa-eenheid

UPR

Unidirectional positioning repeatability (herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering)

UTS

Ultimate tensile strength (eindtreksterkte)

UV

Ultraviolet

VJFET

Verticale junctie-veldeffecttransistor

VOR

Very High Frequency Omni-directional Range

WHO

Wereldgezondheidsorganisatie

WLAN

Wireless Local Area Network (draadloos lokaal netwerk)

DEFINITIES VAN IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE TERMEN

De definitie van termen tussen enkele aanhalingstekens (‘…’) wordt gegeven in een technische noot bij de betrokken post.

De definitie van de termen tussen dubbele aanhalingstekens (“…”) luidt als volgt:

NB:   Na elke gedefinieerde term wordt tussen haakjes verwezen naar de betrokken categorie(ën).

“Nauwkeurigheid” (2 3 6 7 8) (gewoonlijk uitgedrukt in mate van onnauwkeurigheid): de maximale positieve of negatieve afwijking van een aangegeven waarde ten opzichte van een erkende norm of zuivere waarde.

“Actieve vluchtregelsystemen” (7): actieve vluchtregelsystemen die ongewenste bewegingen of structurele belastingen van het “vliegtuig” of de raket voorkomen door de onafhankelijke verwerking van signalen van meerdere sensoren waarna preventieve commando’s voor automatische regeling worden gegeven.

“Actieve pixel” (6): het kleinste (afzonderlijke) element van de halfgeleider-“array” dat nog een foto-elektrische overdrachtsfunctie vervult bij blootstelling aan elektromagnetische straling (licht).

“Aangepast piekvermogen” (4): een aangepaste pieksnelheid waarbij “digitale computers” drijvendekommaoptellingen en -vermenigvuldigingen van 64 bit of meer uitvoeren, die wordt uitgedrukt in gewogen TeraFLOPS (‹Weighted TeraFLOPS (WT)›), in eenheden van 1012 aangepaste drijvendekommabewerkingen per seconde.

NB:   Zie categorie 4, Technische noot.

“Vliegtuigen” (1 6 7 9): luchtvaartuigen met vaste, draaibare of roterende vleugel(helikopter) of verticaal opstijgende luchtvaartuigen (met kantelende rotor of vleugel).

NB:   Zie ook “civiele vliegtuigen”.

“Luchtschip” (9): een door een motor aangedreven luchtvaartuig dat in de lucht wordt gehouden door een massa aan gas (gewoonlijk helium, voordien waterstof) dat lichter is dan lucht.

“Inclusief alle compensaties” (2): nadat alle uitvoerbare maatregelen waarover de fabrikant beschikt om alle systematische instelfouten voor het betrokken werktuigmachinemodel of alle meetfouten voor de betrokken coördinaten-meetmachine tot een minimum te beperken, bekeken zijn.

“Door de ITU toegewezen” (3 5): toewijzing van de frequentiebanden overeenkomstig de huidige uitgave van het Radioreglement van de ITU voor primaire, toegelaten en secundaire diensten.

NB:   Extra en alternatieve toewijzingen vallen hier niet onder.

“Hoekafwijking” (2): het maximale verschil tussen de aangegeven hoekpositie en de feitelijke, zeer nauwkeurig gemeten hoekpositie nadat de houder van het werkstuk op de tafel uit zijn oorspronkelijke positie is weggedraaid.

“Angle random walk” (7): de foutenontwikkeling bij hoekversnellingsmeting in tijd door witte ruis in de snelheid van de hoekbeweging (IEEE STD 528-2001).

“APP” (4): (“Adjusted Peak Performance”) “Aangepast piekvermogen”.

“Asymmetrisch algoritme” (5): cryptografisch algoritme waarin voor encryptie andere wiskundige sleutels worden gebruikt dan voor decryptie.

NB:   Voor sleutelbeheer worden gewoonlijk “asymmetrische algoritmen” gebruikt.

“Authentificatie” (5): verificatie van de identiteit van een gebruiker, programma of apparaat, vaak als voorwaarde voor toegang tot bronnen in een informatiesysteem. Dit omvat een verificatie van de oorsprong of inhoud van een bericht of andere informatie en alle aspecten van toegangscontrole waarbij geen encryptie van bestanden of tekst betrokken is, behalve wanneer deze rechtstreeks verband houdt met de bescherming van wachtwoorden, persoonlijke identificatienummers (PIN-codes) of vergelijkbare informatie ter voorkoming van toegang zonder toestemming.

“Gemiddeld uitgangsvermogen” (6): de totale outputenergie van een “laser” in joules, gedeeld door de periode waarin een reeks opeenvolgende pulsen wordt uitgezonden, in seconden. Voor een reeks gelijkmatig verdeelde pulsen is het gelijk aan het totale uitgangsvermogen van de “laser” in een enkele puls, in joules, vermenigvuldigd met de pulsfrequentie van de “laser”, in Hertz.

“Voortplantingsvertragingstijd van de basispoort” (3): de waarde van de voortplantingsvertragingstijd die overeenkomt met die van de basispoort binnen een “monolithische geïntegreerde schakeling”. Deze kan voor een bepaalde ‘familie’ van “monolithische geïntegreerde schakelingen” gespecificeerd zijn als de voortplantingsvertragingstijd per typerende poort binnen die ‘familie’ of als de typerende voortplantingsvertragingstijd per poort binnen die ‘familie’.

NB 1:   De “voortplantingsvertragingstijd van de basispoort” moet niet worden verward met de in/uitgangsvertragingstijd van een complexe “monolithische geïntegreerde schakeling”.

NB 2:   Een ‘familie’ bestaat uit alle geïntegreerde schakelingen waarop alle onderstaande elementen zijn toegepast als fabricagemethoden en -specificaties, met uitzondering van hun respectieve functies:

a. 

de gebruikelijke hardware- en programmatuurarchitectuur;

b. 

de gebruikelijke ontwerp- en verwerkingstechnologie; en

c. 

de gebruikelijke basiskenmerken.

“Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” (ATN NTN): experimenteel of theoretisch werk dat hoofdzakelijk wordt gedaan om nieuwe kennis te verkrijgen over de fundamentele beginselen van verschijnselen of waarneembare feiten, en dat in eerste instantie niet is gericht op een bepaald praktisch doel of oogmerk.

“Bias” (versnellingsmeters) (7): het gemiddelde uitgangssignaal van een versnellingsmeter over een bepaalde tijd, gemeten onder gespecificeerde werkingsomstandigheden dat geen correlatie heeft met een aanzetversnelling of -rotatie. “Bias” wordt uitgedrukt in graden of in meter per secondekwadraat (m/s2). (IEEE STD 528-2001) (Micrograden = 1 × 10-6 graden).

“Bias” (gyroscopen) (7): het gemiddelde uitgangssignaal van een gyroscoop over een bepaalde tijd, gemeten onder gespecificeerde werkingsomstandigheden dat geen correlatie heeft met een aanzetrotatie of -versnelling. “Bias” wordt typisch uitgedrukt in graden per uur (graden/u). (IEEE STD 528-2001).

“Biologische stoffen” (1): pathogenen of toxinen, geselecteerd of aangepast (zoals een wijziging van de zuiverheid, houdbaarheid, virulentie, verspreidingskenmerken, of weerstand tegen UV-straling) om menselijke of dierlijke slachtoffers, schade aan uitrusting of aan gewassen, en aantasting van het milieu te veroorzaken.

“Axiale slag” (2): axiale verplaatsing tijdens één omwenteling van de hoofdspil, gemeten in een vlak loodrecht op de stelplaat van de spil aan een punt dat grenst aan de omtrek van de stelplaat van de spil. (Referentie: ISO 230/1 1986, paragraaf 5.63).

“CEP” (7) (“Circular Error Probable”): bij normale cirkelvormige spreiding de straal van de cirkel die 50 % bestrijkt van de afzonderlijke metingen die worden verricht, of de straal van de cirkel waarbinnen er 50 % kans is om te worden gelokaliseerd.

“Chemische laser” (6): een “laser” waarin de geëxciteerde stof wordt geproduceerd door de door een chemische reactie voortgebrachte energie.

“Chemisch mengsel” (1): een vast, vloeibaar of gasvormig product dat bestaat uit twee of meer bestanddelen die niet samen reageren onder de omstandigheden waarin het mengsel is opgeslagen.

“Luchtstroom-beheerste antitorsie of richtingsregelsystemen” (7): systemen die gebruikmaken van lucht die over aerodynamische vlakken wordt geblazen om de door deze oppervlakken gegenereerde krachten te verhogen en te beheersen.

“Civiele vliegtuigen” (1 3 4 7): die types “vliegtuigen” die als zodanig zijn aangeduid in gepubliceerde overzichten van luchtwaardigheidsbewijzen van de civiele luchtvaartautoriteiten van een of meer EU-lidstaten of “deelnemende staten” aan het “Wassenaar Arrangement” voor het vliegen van commerciële binnenlandse en buitenlandse lijnen of voor wettig civiel, privé of zakelijk gebruik.

NB:   Zie ook “vliegtuigen”.

“Communicatiekanaalbesturingseenheid” (4): de fysieke verbinding die de stroom synchrone of asynchrone digitale informatie bestuurt. Deze bestaat uit een samenstelling die in de computer- of telecommunicatieapparatuur kan worden geïntegreerd teneinde toegang tot de communicatie te verschaffen.

“Compensatiesystemen” (6): bestaan uit de primaire scalaire sensor, een of meer referentiesensoren (bv. vector-“magnetometers”), en programmatuur om de starlichaamrotatieruis van het platform te reduceren.

“Composiet” (1 2 6 8 9): een “matrix” en één of meer toegevoegde fasen bestaande uit deeltjes, whiskers, vezels of iedere combinatie daarvan, aanwezig voor een specifiek doel of voor specifieke doelen.

“III/V-verbindingen” (3 6): polykristallijne, binaire of complexe monokristallijne producten bestaande uit elementen uit de groepen IIIA en VA van het periodieke systeem van Mendelejev (galliumarsenide, galliumaluminiumarsenide, indiumfosfide, enz.).

“Contourbesturen” (2): twee of meer “numeriek bestuurde” bewegingen volgens instructies die de eerstvolgende vereiste positie en de vereiste voedingssnelheden naar die positie specificeren. Deze snelheden worden in afhankelijkheid van elkaar gevarieerd, zodat een gewenste contour wordt verkregen. (Referentie: ISO/DIS 2806-1980).

“Kritische temperatuur” (1 3 5): de “kritische temperatuur” (ook wel overgangstemperatuur genoemd) van een bepaald “supergeleidend” materiaal is de temperatuur waarbij de gelijkstroomweerstand van het materiaal nul wordt.

“Cryptografische activatie” (5): een specifieke techniek om cryptografisch vermogen te activeren of mogelijk te maken, via een mechanisme dat door de fabrikant van het product wordt toegepast, waarbij dit mechanisme uniek is voor:

1. 

een enkel exemplaar van het item; of

2. 

een klant, voor meerdere exemplaren van het item.

Technische noten:

1.   Technieken en mechanismen voor “cryptografische activatie” kunnen de vorm aannemen van hardware, “programmatuur” of “technologie”.

2.   Mechanismen voor “cryptografische activatie” kunnen bijvoorbeeld een vergunningssleutel op basis van een serienummer of een authentificatie-instrument, zoals een digitaal ondertekend certificaat, zijn.

“Cryptografie” (5): de tak van wetenschap die zich bezighoudt met de grondbeginselen, middelen en methoden voor het omzetten van gegevens teneinde de inhoud daarvan te verbergen, te voorkomen dat deze inhoud ongemerkt wordt gewijzigd of zonder toestemming wordt gebruikt. “Cryptografie” is beperkt tot het omzetten van gegevens met gebruikmaking van één of meer ‘geheime parameters’ (bv. cryptovariabelen) of aanverwante sleutels.

Noten:

1.   Tot “cryptografie” worden niet gerekend: technieken van ‘vaste’ gegevenscomprimering of -codering.

2.   “Cryptografie” omvat ook decryptie.

Technische noten:

1.   Een ‘geheime parameter’ is een constante of sleutel die voor anderen geheim wordt gehouden of slechts binnen een groep bekend wordt gemaakt.

2.   ‘Vast’: het coderings- of comprimeringsalgoritme kan geen parameters van buitenaf ontvangen (bv. cryptografische of sleutelvariabelen) noch gewijzigd worden door de gebruiker.

“CW-laser” (6): een “laser” die langer dan 0,25 seconden een nominaal constante energie voortbrengt.

“Respons op cyberincidenten” (4): de uitwisseling van noodzakelijke informatie over een incident op het gebied van cyberbeveiliging met individuen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren of coördineren van maatregelen met het oog op de aanpak van het incident op het gebied van cyberbeveiliging.

“Navigatiesystemen met als referentie een gegevensbestand” (“DBRN-systemen”) (7): systemen die gebruikmaken van verschillende bronnen van eerder gemeten gegevens die aan een geografische referentie zijn toegewezen, welke zijn geïntegreerd om onder dynamische omstandigheden accurate navigatie-informatie te verstrekken. De gegevensbronnen omvatten bathymetrische kaarten, sterrenkaarten, zwaartekrachtkaarten, magnetische kaarten of 3-D digitale terreinkaarten.

“Verarmd uraan” (0): uraan met een gehalte aan de uraan-235-isotoop dat lager is dan in de natuur voorkomt.

“Ontwikkeling” (ATN NTN Alle) bestrijkt alle fasen voorafgaand aan serieproductie, zoals: ontwerp, ontwerponderzoek, ontwerpanalyse, ontwerpideeën, assemblage en testen van prototypen, proefproductieplannen, ontwerpgegevens, het vertalen van ontwerpgegevens in een product, ontwerp van configuraties, integratieontwerp, opmaak.

“Diffusielassen” (1 2 9): het in de vaste fase (‹solid-state›) met elkaar verbinden van tenminste twee aparte metalen tot één stuk met een bindingssterkte tenminste gelijk aan die van het zwakste materiaal waarbij het voornaamste mechanisme bestaat uit interdiffusie van atomen over het oppervlak heen.

“Digitale computer” (4 5): een apparaat dat, in de vorm van één of meer discrete variabelen, alle volgende functies kan verrichten:

a. 

gegevens opnemen;

b. 

gegevens of opdrachten in onuitwisbare of wijzigbare (beschrijfbare) geheugens opslaan;

c. 

gegevens met behulp van een opgeslagen veranderbare reeks opdrachten verwerken; en

d. 

gegevens afgeven.

NB:   Onder veranderen van een opgeslagen reeks opdrachten wordt mede verstaan het vervangen van onuitwisbare geheugenelementen, doch hieronder valt niet het in fysieke zin wijzigen van bedrading of onderlinge verbindingen.

“Digitale overbrengsnelheid” (def): de totale bitsnelheid van de informatie die direct wordt overgebracht op ieder type medium.

NB:   Zie ook “totale digitale overbrengsnelheid”.

“Verloopsnelheid” (gyroscopen) (7): de component van de gyroscoopuitvoer die functioneel onafhankelijk is van de invoerrotatie. Wordt uitgedrukt als hoeksnelheid. (IEEE STD 528-2001).

“Effectieve gram” (0 1) (van “speciale splijtstoffen”):

a. 

voor plutoniumisotopen en uraan-233: het gewicht van de isotoop in gram;

b. 

voor uraan dat 1 % of meer verrijkt is in de isotoop uraan-235: het gewicht van het element in gram, vermenigvuldigd met het kwadraat van de verrijking, uitgedrukt in decimalen als gewichtsverhouding;

c. 

voor uraan dat minder dan 1 % verrijkt is in de isotoop uraan-235: het gewicht van het element in gram, vermenigvuldigd met 0,0001.

“Samenstelling” (2 3 4): een aantal elektronische componenten (bijvoorbeeld ‘schakelelementen’, ‘discrete onderdelen”, geïntegreerde schakelingen, enz.) die onderling verbonden zijn om één of meer specifieke functies te vervullen en die als een eenheid vervangbaar en gewoonlijk demonteerbaar zijn.

NB 1:   Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

NB 2:   Een ‘discreet onderdeel’ is een afzonderlijk omhuld ‘schakelelement” met eigen uitwendige aansluitingen.

“Energetische materialen” (1): stoffen of mengsels die chemisch reageren waarbij energie vrijkomt die noodzakelijk is voor de beoogde toepassing ervan. “Springstoffen”, “pyrotechnische middelen” en “stuwstoffen” zijn subklassen van energetische materialen.

“Eindeffectors” (2): grijpers, ‘actieve gereedschapseenheden’ en alle andere gereedschappen die zijn verbonden met de grondplaat aan het uiteinde van de manipulatiearmen van een “robot”.

NB:   Een ‘actieve gereedschapseenheid’ is een voorziening die beweegkracht of procesenergie op het werkstuk overbrengt of waarnemingen daarvan verzorgt.

“Equivalente dichtheid” (6): de massa van een optisch element per optische oppervlakte-eenheid geprojecteerd op het optisch oppervlak.

“Equivalente normen” (1): vergelijkbare nationale of internationale normen die door een of meer EU-lidstaten of “deelnemende staten” aan het “Wassenaar Arrangement” worden erkend en van toepassing zijn op de betrokken vermelding.

“Springstoffen” (1): stoffen in vaste, vloeibare of gasvorm of mengsels van stoffen die moeten detoneren als primaire, aanjaag- of hoofdlading in koppen, bij sloopwerkzaamheden of bij andere toepassingen.

“Digitale elektronische motorregelsystemen welke volledig zelfstandig in de motorregeling kunnen ingrijpen” (“FADEC-systemen”) (9) (‹full authority digital engine control systems›): digitale elektronische regelsystemen voor gasturbinemotoren die autonoom kunnen ingrijpen in de motorregeling over het hele werkbereik van de motor vanaf de gevraagde motorstart tot het gevraagde stilleggen van de motor, zowel in normale omstandigheden als in het geval van storingen.

“Stapel- en continuvezelmateriaal” (0 1 8 9). Dit omvat:

a. 

continue “monofilamenten”;

b. 

continu “garens”; en “‹rovings›”;

c. 

“banden”, weefsels en onregelmatig gelaagde matten en gevlochten banden;

d. 

op lengte gesneden vezels, stapelvezels en samenhangende vezeldekens;

e. 

whiskers, hetzij monokristallijn hetzij polykristallijn, ongeacht hun lengte;

f. 

aromatische polyamidepulp.

“Geïntegreerde schakeling van het filmtype” (3): een reeks ‘schakelelementen’ en metallieke doorverbindingen, die gevormd zijn door afzetting van een dikke of dunne laag op een isolerend “substraat”.

NB:   Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

“‹Fly-by-light›-systeem” (7): een primair digitaal vluchtregelsysteem dat terugkoppeling gebruikt voor de controle van het “vliegtuig” tijdens de vlucht, waarbij de opdrachten aan de effectors/aandrijvers optische signalen zijn.

“‹Fly-by-wire›-systeem” (7): een primair digitaal vluchtregelsysteem dat terugkoppeling gebruikt voor de controle van het “vliegtuig” tijdens de vlucht, waarbij de opdrachten aan de effectors/aandrijvers elektrische signalen zijn.

“‹Focal plane array›” (6 8): een lineaire of tweedimensionale vlakke laag of combinatie van vlakke lagen met afzonderlijke detectorelementen, met of zonder uitlees-elektronica, die in het brandvlak “‹focal plane›” worden geplaatst.

NB:   Stapels afzonderlijke detectorelementen of detectoren met twee, drie of vier elementen vallen hier niet onder, op voorwaarde dat in het element geen tijdvertraging en integratie plaatsvindt.

“Fractionele bandbreedte” (3 5): de “momentele bandbreedte” gedeeld door de centrale frequentie, uitgedrukt in procenten.

“‹Frequency hopping›” (5 6): een vorm van “spread spectrum” waarbij de zendfrequentie van één enkel communicatiekanaal wordt verschoven in een willekeurige of pseudowillekeurige reeks discrete stappen.

“Frequentiewisseltijd” (3): de tijd (d.w.z. vertraging) welke benodigd is om van de oorspronkelijke gespecificeerde uitgangsfrequentie over te schakelen naar of te komen binnen:

a. 

± 100 Hz van een uiteindelijke gespecificeerde uitgangsfrequentie van minder dan 1 GHz; of

b. 

± 0,1 ppm (deel per miljoen) van een uiteindelijke gespecificeerde uitgangsfrequentie van 1 GHz of meer.

“Brandstofcel” (8): een elektrochemische inrichting die chemische energie rechtstreeks in gelijkstroom (DC) omzet door van een externe bron afkomstige brandstof te verbruiken.

“Samensmeltbaar” (vernetbaar) (1): in staat zijn om door verhitting, straling, katalyse, enz., te vernetten of verder te polymeriseren, dan wel zonder pyrolyse (verkoling) te smelten.

“Hard selectors” (5): gegevens of gegevensgroepen die bij een individu horen (bv. achternaam, voornaam, e-mailadres, woonadres, telefoonnummer of lidmaatschappen).

“Geleidingssysteem” (7): systemen waarin de meting en berekening van de positie en snelheid van een voertuig (navigatie) worden gecombineerd met de berekening en verzending van opdrachten naar de vluchtregelsystemen van het voertuig om de baan te corrigeren.

“Hybride geïntegreerde schakeling” (3): elke willekeurige combinatie van geïntegreerde schakelingen, ‘schakelelementen’ of “discrete onderdelen” die onderling verbonden zijn om één of meer specifieke functies te vervullen en met alle volgende kenmerken:

a. 

met tenminste één niet-omhuld element;

b. 

onderling verbonden met gebruikmaking van kenmerkende productiemethoden voor geïntegreerde schakelingen;

c. 

als eenheid vervangbaar; en

d. 

gewoonlijk niet demonteerbaar.

NB 1:   Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

NB 2:   Een ‘discreet onderdeel’ is een afzonderlijk omhuld ‘schakelelement” met eigen uitwendige aansluitingen.

“Beeldverbetering” (4): het verwerken van elders verkregen informatiedragende beelden met behulp van algoritmen, zoals tijdcompressie, filteren, extractie, selectie, correlatie, convolutie of transformatie tussen domeinen (bv. de snelle Fouriertransformatie (‹fast Fourier transform›) of de Walsh-transformatie (‹Walsh transform›)). Hieronder zijn niet begrepen algoritmen die slechts lineaire of draaiende omzettingen op een enkel beeld toepassen, zoals verschuivingen, extractie van specifieke kenmerken, registratie of het vals kleuren.

“Immunotoxine” (1): een samenvoeging van een celspecifieke monoklonale antistof en een “toxine” of een “subeenheid van een toxine” die zieke cellen selectief aantast.

“Voor iedereen beschikbaar” (ATN NTN APN): “technologie” of “programmatuur” die zonder beperkingen aan de verdere verspreiding daarvan beschikbaar zijn gesteld. (Auteursrechtelijke beperkingen hebben niet tot gevolg dat “technologie” of “programmatuur” niet langer “voor iedereen beschikbaar” is.)

“Informatiebeveiliging” (APN ANIB 5): alle middelen en functies ter verzekering van de toegankelijkheid, geheimhouding of integriteit van gegevens of communicaties, zonder inbegrip van de middelen en functies die zijn bedoeld als beveiliging tegen storingen. Het begrip omvat o.a. “cryptografie”, “cryptografische activatie”, ‘cryptanalyse’, bescherming tegen confidentiële uitstralingen en computerbeveiliging.

Technische noot:

‘Cryptanalyse’: de analyse van een cryptografisch systeem of de in- en uitvoer daarvan om daaraan vertrouwelijke variabelen of gevoelige gegevens te ontlenen, met inbegrip van niet-gecodeerde tekst.

“Momentele bandbreedte” (3 5 7): de bandbreedte waarover het uitgangsvermogen binnen 3 dB constant blijft zonder bijstelling van andere werkparameters.

“Isolatie” (9): de isolatie van de onderdelen van een raketmotor, d.w.z. omhulling, straalpijp, inlaten en afdichtingen van de omhulling, waaronder gevulkaniseerd of half-gevulkaniseerd samengesteld rubber plaatmateriaal dat een isolerend of hittebestendig materiaal omvat. Isolatie kan ook zijn aangebracht in de vorm van moffen of flappen om spanningen te ontlasten.

“Binnenbekleding” (9): de hechtlaag tussen de vaste stuwstof en de omhulling of isolerende bekleding. Doorgaans een op vloeibare polymeren gebaseerde dispersie van hittebestendige of isolerende materialen, bijvoorbeeld polybutadieen met hydroxy-eindgroep (HTPB) met koolstof als vulmateriaal of een andere polymeer waaraan hardingsmiddelen zijn toegevoegd, waarmee het inwendige van een omhulling wordt gespoten of bestreken.

“Interleaved-analoog-digitaalomzetter (ADC)” (3): toestellen met meerdere ADC-eenheden die dezelfde analoge input op verschillende tijdstippen bemonsteren, zodat bij het samenvoegen van de outputs de analooginput doeltreffend is bemonsterd en op een hogere bemonsteringsnelheid is omgezet.

“Intrinsieke magnetische gradiëntmeter” (6): één enkel waarnemingselement voor de gradiënt van magnetische velden en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van de gradiënt van het magnetisch veld.

NB:   Zie ook “magnetische gradiëntmeter”.

“Inbraakprogrammatuur” (4 5): ‹intrusion software›, “programmatuur” die speciaal is ontworpen of aangepast om opsporing door ‘bewakingshulpmiddelen’ te voorkomen of om ‘beschermende tegenmaatregelen” van een computer of apparaat met netwerkcapaciteit te omzeilen en die één van de volgende functies verricht:

a. 

het onttrekken van gegevens of informatie uit een computer of apparaat met netwerkcapaciteit of het wijzigen van systeem- of gebruikersgegevens; of

b. 

het wijzigen het normale executiepad van een programma of proces om de uitvoering van buitenaf geleverde instructies mogelijk te maken.

Noten:

1.   “Inbraakprogrammatuur” omvat niet het volgende:

a. 

‹hypervisors›, ‹debuggers› of hulpmiddelen voor de reverse engineering van programmatuur (SRE);

b. 

“programmatuur” voor het beheer van digitale rechten (DRM); of

c. 

“programmatuur” die is ontworpen voor installatie door de fabrikanten, beheerders of gebruikers met het oog op goederenbewaking of -herstel.

2.   Apparaten met netwerkcapaciteit omvatten mobiele apparaten en slimme meters.

Technische noten:

1.   ‘Bewakingshulpmiddelen’: “programmatuur” of hardwareapparaten die het systeemgedrag of de processen die op een apparaat worden uitgevoerd, bewaken. Dit omvat antivirus (AV)-producten, producten voor eindpuntbeveiliging, producten voor persoonlijke veiligheid (PSP: Personal Security Products), inbraakdetectiesystemen (IDS: Intrusion Detection Systems), inbraakpreventiesystemen (IPS: Intrusion Prevention Systems) of firewalls.

2.   ‘Beschermende tegenmaatregelen’: technieken die zijn ontworpen om te zorgen voor de veilige uitvoering van programmacode, zoals preventie van gegevensuitvoering, Data Execution Prevention DEP), willekeurige adresruimte-indeling (ASLR: Address Space Layout Randomisation) of ‹sandboxing›.

“Geïsoleerde levende culturen” (1): levende culturen met inbegrip van culturen waarvan de organismen zich in een ruststadium bevinden en levende culturen in gedroogde preparaten.

“Isostatische persen” (2): apparatuur, geschikt voor het onder druk brengen van een gesloten holte door middel van een bepaalde stof (een gas, een vloeistof, vaste deeltjes, enz.) teneinde te bereiken dat binnen de holte op een werkstuk of materiaal gelijke druk in alle richtingen wordt uitgeoefend.

“Laser” (0 1 2 3 5 6 7 8 9): een product dat zowel in de ruimte als in de tijd coherent licht produceert dat wordt versterkt door de gestimuleerde emissie van straling.

NB:  

Zie ook

chemische laser”;

CW-laser”;

gepulseerde laser”;

Super High Power Laser”.

“Bibliotheekprogramma’s” (1) (parametrische technische gegevensbestanden): een verzameling technische gegevens, waarvan de raadpleging de prestaties van relevante apparatuur of systemen kan verhogen.

“Lichter-dan-luchttoestellen” (9): ballonnen of “luchtschepen” die voor het creëren van lift gebruikmaken van hete lucht of andere gassen die lichter zijn dan lucht, bijvoorbeeld helium of waterstof.

“Lineariteit” (2) (gewoonlijk gemeten als non-lineariteit): de maximale positieve of negatieve afwijking van het feitelijke kenmerk (gemiddelde van naar boven en naar beneden gemeten waarden) van een rechte lijn die zo is geplaatst dat de maximale afwijkingen gelijk worden gemaakt en geminimaliseerd.

“Lokaal netwerk” (4 5): een datacommunicatiesysteem dat alle onderstaande eigenschappen combineert:

a. 

het stelt een willekeurig aantal onafhankelijke ‘datatoestellen’ in staat, rechtstreeks met elkaar in verbinding te staan; en

b. 

het is beperkt tot een geografisch betrekkelijk klein gebied (bijvoorbeeld een kantoorgebouw, een fabriek, een universiteitscomplex of een magazijn).

NB:   Een ‘datatoestel’ is een apparaat voor het zenden of ontvangen van reeksen digitale informatie.

“Magnetische gradiëntmeters” (6): deze zijn ontworpen voor het opsporen van de ruimtelijke variaties van magnetische velden van bronnen buiten het instrument. Zij bestaan uit verscheidene “magnetometers” en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van de gradiënt van het magnetisch veld.

NB:   Zie ook “intrinsieke magnetische gradiëntmeter”.

“Magnetometers” (6): deze zijn ontworpen voor het opsporen van magnetische velden van bronnen buiten het instrument. Zij bestaan uit één enkel sensorelement voor het waarnemen van magnetische velden en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van het magnetisch veld.

“Materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6” (0): koper, roestvast staal, aluminium, aluminiumoxide, aluminiumlegeringen, nikkel of legeringen met 60 of meer gewichtspercenten nikkel en gefluoreerde koolwaterstofpolymeren.

“Matrix” (1 2 8 9): een in hoofdzaak continue fase die de ruimte tussen deeltjes, whiskers of vezels vult.

“Meetonzekerheid” (2): de kenmerkende parameter die specificeert binnen welk bereik rond de uitvoerwaarde de juiste waarde van de te meten variabele ligt met een betrouwbaarheidsniveau van 95 %. Deze omvat de ongecorrigeerde systematische afwijkingen, de ongecorrigeerde speling en de willekeurige afwijkingen. (Referentie: ISO 10360-2).

“Microcomputer-microschakeling” (3): een “monolithische geïntegreerde schakeling” of “multichip geïntegreerde schakeling” met een logische rekeneenheid (ALU), die in staat is om vanuit een intern geheugen algemene opdrachten uit te voeren op basis van gegevens opgeslagen in het interne geheugen.

NB:   Het interne geheugen kan worden uitgebreid met een extra geheugen.

“Microprocessor-microschakeling” (3): een “monolithische geïntegreerde schakeling” of “multichip geïntegreerde schakeling” met een logische rekeneenheid (ALU), die in staat is om vanuit een extern geheugen een reeks algemene opdrachten uit te voeren.

NB 1:   De “microprocessor-microschakeling” bevat gewoonlijk geen toegankelijkheid van het interne geheugen voor de gebruiker, hoewel op de “chip” aanwezig geheugen kan worden gebruikt voor uitvoering van de logische functie.

NB 2:   Hieronder vallen tevens “chip sets” die zijn ontworpen om samen de functie van een “microprocessor-microschakeling” te leveren.

“Micro-organismen” (1 2): bacteriën, virussen, mycoplasma’s, rickettsiae, chlamydiae of schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet.

“Raketten” (1 3 6 7 9): complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen die een nuttige lading van tenminste 500 kg kunnen vervoeren over een afstand van ten minste 300 km.

“Monofilament” (1) of filament: de kleinste maat vezel, gewoonlijk enkele μm (micrometer) in diameter.

“Monolithische geïntegreerde schakeling” (3): een combinatie van passieve en/of actieve ‘schakelelementen’ welke:

a. 

wordt gevormd door middel van diffusie, implanteren of opdampen in of op één enkel halfgeleidend stukje materiaal, een zogenaamde ‘chip’;

b. 

wordt beschouwd als een ondeelbaar iets; en

c. 

de functie(s) uitvoert van een schakeling.

NB:   Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

“Monolithisch geïntegreerde microgolfschakeling” (“MMIC”) (3 5): een “monolithische geïntegreerde schakeling” die werkzaam is op microgolf- of millimetergolffrequenties.

“Monospectrale beeldsensoren” (6): deze zijn geschikt voor het vergaren van beeldgegevens van één afzonderlijke spectrumband.

“Multichip geïntegreerde schakeling” (3): twee of meer “monolithische geïntegreerde schakelingen”, verbonden op een gemeenschappelijk “substraat”.

“Meerkanalen-analoog-digitaalomzetter (ADC)” (3): toestellen waarin meer dan één ADC is geïntegreerd en die zo zijn ontworpen dat elke ADC een aparte analoge input heeft.

“Multispectrale beeldsensoren” (6): deze zijn geschikt voor het gelijktijdig of serieel vergaren van beeldgegevens van twee of meer afzonderlijke spectrumbanden. Sensoren met meer dan twintig afzonderlijke spectrumbanden worden ook wel hyperspectrale beeldsensoren genoemd.

“Natuurlijk uraan” (0): uraan met dezelfde isotopensamenstelling als in de natuur voorkomt.

“Netwerktoegangsbesturingseenheid” (4): een fysieke verbinding met een gedistribueerd schakelnetwerk. Deze verbinding maakt gebruik van een gemeenschappelijk medium dat steeds met dezelfde “digitale overbrengsnelheid” werkt en voor de transmissie gebruikmaakt van ‹arbitration› (bijvoorbeeld ‹token› of ‹carrier sense›). Geheel onafhankelijk selecteert de eenheid aan haar geadresseerde gegevenspakketten of gegevensgroepen (bv. IEEE 802). Deze bestaat uit een samenstelling die in de computer- of telecommunicatieapparatuur kan worden geïntegreerd teneinde toegang tot de communicatie te verschaffen.

“Kernreactor” (0): een volledige reactor die in staat is om een beheerste zichzelf onderhoudende kettingreactie van kernsplijting te handhaven. Een “kernreactor” omvat de delen in of rechtstreeks bevestigd aan het reactorvat, de uitrusting die het vermogensniveau in de kern regelt, alsmede de onderdelen die gewoonlijk het primaire koelmiddel van de reactorkern bevatten, daarmee in rechtstreeks contact komen of dit reguleren.

“Numerieke besturing” (2): de automatische besturing van een proces, uitgevoerd door een apparaat dat gebruikmaakt van numerieke gegevens die gewoonlijk worden ingevoerd tijdens de voortgang van het proces. (Referentie ISO 2382:2015).

“Objectcode” (APN): een door apparatuur uitvoerbare vorm van een geschikte expressie van één of meer processen (“broncode” (brontaal)) die door een programmeersysteem is gecompileerd.

“Bediening, beheer en onderhoud” (“OAM”) (5): de uitoefening van één of meer van de volgende taken:

a. 

instelling of beheer van één van het volgende:

1. 

accounts of privileges van gebruikers of administrateurs;

2. 

instellingen van een item; of

3. 

authenticatie gegevens ter ondersteuning van de taken die worden omschreven in punt a.1. of punt a.2.;

b. 

monitoren of beheren van de gebruiksomgeving of prestaties van een product; of

c. 

beheersverslagen of auditgegevens ter ondersteuning van een of meer van de taken die worden omschreven in punt a of punt b.

Noot:   “Bediening, beheer en onderhoud” (“OAM”) omvat niet één van de volgende taken of de daarmee samenhangende sleutelbeheersfuncties:

a. 

toelevering en upgrading van een cryptografische functionaliteit die niet rechtstreeks verband houdt met de instelling of het beheer van authenticatiegegevens ter ondersteuning van de taken die hierboven worden omschreven in punt a.1. of punt a.2.; of

b. 

uitvoering van een cryptografische functionaliteit op het doorsturings- of gegevensniveau (“data plane”) van een product.

“Optische geïntegreerde schakeling” (3): een “monolithische geïntegreerde schakeling” of “hybride geïntegreerde schakeling” die één of meer delen bevat die zijn ontworpen om als een fotosensor of foto-emitter te werken of om één of meer optische of elektro-optische functies te vervullen.

“Optisch schakelen” (5): bepaling van de route of schakelen van optische signalen zonder omzetting in elektrische signalen.

“Totale stroomdichtheid” (3): het totale aantal ampèrewikkelingen in de spoel (d.w.z. de som van het aantal wikkelingen vermenigvuldigd met de maximale stroom die door elke wikkeling wordt gevoerd), gedeeld door de totale doorsnede van de spoel (met inbegrip van de supergeleidende draden, de metalen matrix waarin de supergeleidende draden zijn ingebed, het omgevende materiaal, eventuele koelkanalen, enz.).

“Deelnemende staat” (7 9): een staat die deelneemt aan het “Wassenaar Arrangement”. (Zie www.wassenaar.org)

“Piekvermogen” (6): het hoogste vermogensniveau dat tijdens de “pulsduur” wordt bereikt.

“Persoonlijk netwerk” (5): een datacommunicatiesysteem dat alle onderstaande eigenschappen combineert:

a. 

het stelt een willekeurig aantal onafhankelijke of onderling verbonden ‘datatoestellen’ in staat, rechtstreeks met elkaar in verbinding te staan; en

b. 

het is beperkt tot communicatie tussen toestellen in de onmiddellijke fysieke nabijheid van een persoon of toestelbeheerder (bv. één kamer, één kantoor of voertuig).

Technische noten:

1.   Een ‘datatoestel’ is een apparaat voor het zenden of ontvangen van reeksen digitale informatie.

2.   Het “lokale netwerk” strekt zich verder uit dan het geografische gebied van het “persoonlijke netwerk”.

“Door opwerking verkregen” (1): het toepassen van ieder procedé dat tot doel heeft het gehalte van de betrokken isotoop te doen toenemen.

“Voornaamste deel” (4): zoals toegepast in categorie 4, een deel is een “voornaamste deel” wanneer de vervangingswaarde hoger is dan 35 % van de totale waarde van het systeem waarvan het deel uitmaakt. De waarde van een deel is de prijs die door de fabrikant of door degene die het systeem heeft geïntroduceerd voor het deel is betaald. De totale waarde is de normale internationale verkoopprijs bij verkoop aan een niet-gelieerde partij af fabriek of bij bevestiging van de verzending.

“Productie” (ATN NTN Alle): hieronder vallen alle productiestadia, zoals: bouw, productie, engineering, fabricage, integratie, assemblage (monteren), inspectie, testen, kwaliteitsborging.

“Productieapparatuur” (1 7 9): gereedschap, mallen, kalibers, mandrellen, matrijzen, bevestigingsmiddelen, uitlijnmiddelen, testapparatuur, andere apparatuur en componenten daarvoor, beperkt tot datgene dat speciaal is ontworpen of aangepast voor de “ontwikkeling” of voor een of meer fasen van de “productie”.

“Productiefaciliteiten” (7 9): “productieapparatuur” en speciaal ontworpen “programmatuur”, samengesteld tot installaties voor de “ontwikkeling” of voor een of meer fasen van de “productie”.

“Programma” (2 6): een reeks opdrachten voor het volbrengen van een handeling in een vorm, of om te zetten in een vorm, die voor de uitvoering door een elektronische computer geschikt is.

“Pulscompressie” (6): codering en verwerking van een radarsignaalpuls met een lange duur tot een kortstondige puls, met behoud van de voordelen van een hoge pulsenergie.

“Pulsduur” (6) (van een “laser”): de tijd tussen de halfvermogenspunten op de voor- en achterkant van één “laser” puls.

“Gepulseerde laser” (6): een “laser” met een “pulsduur” korter dan of gelijk aan 0,25 seconden.

“Kwantumcryptografie”: (5) een groep technieken voor het opstellen van een gemeenschappelijke encryptiesleutel door meting van de kwantummechanische eigenschappen van een fysisch systeem (met inbegrip van de fysische eigenschappen die expliciet beheerst worden door kwantumoptica, de kwantumveldtheorie en de kwantumelektrodynamica).

“Radar ‹frequency agility›” (6): iedere techniek waarbij de draaggolffrequentie van een gepulseerde radarzender in een pseudo-willekeurige volgorde van puls tot puls of van de ene groep pulsen tot de volgende groep kan veranderen met een hoeveelheid gelijk aan of groter dan de bandbreedte van de puls.

“Radar ‹spread spectrum›” (6): iedere modulatietechniek voor het spreiden van energie afkomstig van een signaal met een relatief smalle frequentieband over een veel bredere frequentieband, met gebruikmaking van willekeurige of pseudo-willekeurige codering.

“Stralingsgevoeligheid” (6): stralingsgevoeligheid (mA/W) = 0,807 × (golflengte in nm) × kwantumefficiëntie (QE).

Technische noot:

QE wordt meestal in procenten uitgedrukt; voor deze formule wordt de QE echter uitgedrukt als een decimaal cijfer kleiner dan één, bv. 78 % is 0,78.

“Onvertraagde verwerking” (‹real time processing›) (6): het verwerken van gegevens door een computersysteem dat afhankelijk van de beschikbare middelen een bepaalde prestatie levert binnen een gewaarborgde responsietijd als reactie op een externe gebeurtenis, ongeacht de belasting van het systeem.

“Herhaalbaarheid” (7): de nauwkeurigheid van overeenstemming tussen herhaalde metingen van dezelfde variabele onder dezelfde gebruiksomstandigheden wanneer zich tussen metingen veranderingen in de omstandigheden of perioden zonder gebruik voordoen. (Referentie: IEEE STD 528-2001 (standaardafwijking van 1 sigma)).

“Noodzakelijk” (ATN 3 5 6 7 9): met betrekking tot “technologie” wordt hieronder verstaan uitsluitend dat deel van de “technologie” dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor het bereiken of te boven gaan van de onder de controle vallende prestatieniveaus, kenmerken of functies. Verschillende producten kunnen dergelijke “noodzakelijke”“technologie” gemeen hebben.

“Stoffen voor oproerbeheersing” (1): stoffen die, onder de verwachte gebruiksomstandigheden van het gebruik voor oproerbeheersing, bij mensen snel sensoriële irritatie of fysiek onvermogen veroorzaken, welke effecten echter korte tijd na beëindiging van de blootstelling verdwijnen.

Technische noot:

Traangassen zijn een subklasse van “stoffen voor oproerbeheersing”.

“Robot” (2 8): een manipulatiemechanisme, dat kan zijn van een type dat een continu pad aflegt of van een type dat van punt naar punt gaat, eventueel voorzien van “sensoren”, en dat alle volgende kenmerken heeft:

a. 

multifunctioneel;

b. 

geschikt voor het positioneren of oriënteren van materialen, onderdelen, gereedschappen of speciale elementen door middel van regelbare bewegingen in de driedimensionale ruimte;

c. 

met drie of meer servomechanismen met open of gesloten lus, waarbij inbegrepen kunnen zijn stappenmotoren; en

d. 

met “toegankelijkheid van het programma voor de gebruiker” door middel van de leer-en-terugspeelmethode (teach/playback) of door middel van een elektronische computer die een programmeerbare logische regeleenheid kan zijn (PLC), d.w.z. zonder mechanische interventie.

NB:   Bovenstaande definitie slaat niet op de volgende toestellen:

1. 

manipulatiemechanismen die alleen met de hand of met een mechanisme voor afstandsbediening te regelen zijn;

2. 

manipulatiemechanismen die in een vaste volgorde werken en geautomatiseerde bewegende toestellen zijn, die mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma is mechanisch beperkt door vaste aanslagen, zoals pennen of nokken. De volgorde van de bewegingen en de keuze van trajecten of hoeken mag niet op mechanische, elektronische of elektrische wijze beïnvloedbaar zijn;

3. 

mechanisch geregelde manipulatiemechanismen met een variabele volgorde van bewegingen, die geautomatiseerde bewegende toestellen zijn welke mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma is mechanisch beperkt door vaste, maar verplaatsbare aanslagen, zoals pennen en nokken. De volgorde van de bewegingen en de keuze van de trajecten of hoeken kan binnen het vaste programmapatroon worden gevarieerd. Variaties of wijzigingen in het programmapatroon (bv. verwisselen van pennen of uitwisselen van nokschijven) in één of meer bewegingsassen mogen alleen langs mechanische weg bewerkstelligd worden;

4. 

niet van een servomechanisme voorziene manipulatiemechanismen met een variabele volgorde van bewegingen, die geautomatiseerde bewegende toestellen zijn welke mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma mag variabel zijn maar de volgorde mag slechts op grond van het binaire signaal van mechanisch vaste elektrische binaire voorzieningen of verplaatsbare aanslagen verlopen;

5. 

stapelkranen, waaronder te verstaan met cartesische coördinaten werkende manipulatiesystemen, vervaardigd als integraal onderdeel van een verticale opstelling van opslagbakken en ontworpen voor het bereiken van de inhoud van deze bakken voor opslag of leeghalen.

“Roving” (1): een bundel (normaal 12-120) van ongeveer evenwijdige ‘strengen’.

NB:   ‘Streng’: een bundel “monofilamenten” (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

“Rondloopnauwkeurigheid” (‹run-out›) (2): radiale verplaatsing tijdens één omwenteling van de hoofdspil gemeten in een vlak loodrecht op de hartlijn van de spil aan een punt op het te testen uitwendige of inwendige omwentelingsoppervlak. (Referentie: ISO 230-1:1986, paragraaf 5.61).

“Bemonsteringssnelheid” (3) van een analoog-digitaalomzetter (ADC): het maximale aantal monsters dat gedurende een periode van één seconde bij het analoogoutput wordt gemeten, behalve voor overbemonsterende ADC’s. Voor overbemonsterende ADC’s wordt de outputwoordsnelheid als “bemonsteringssnelheid” genomen. “Bemonsteringssnelheid”, doorgaans uitgedrukt in megasamples per seconde (MSPS) of gigasamples per seconde (GSPS), kan ook worden aangeduid als conversiesnelheid, doorgaans uitgedrukt in Hertz (Hz).

“Satellietnavigatiesysteem” (5 7): een systeem dat bestaat uit grondstations, een constellatie van satellieten, en ontvangers, dat het mogelijk maakt om op basis van signalen die van de satellieten worden ontvangen, de locatie van ontvangers te bepalen. Het omvat wereldwijde satellietnavigatiesystemen (GNSS) en regionale satellietnavigatiesystemen (RNSS).

“Schaalfactor” (gyroscoop of versnellingsmeter) (7): de verhouding tussen de uitvoerverandering en de te meten invoerverandering. De schaalfactor wordt gewoonlijk gegeven als de hellingshoek van de rechte lijn die volgens de kleinste kwadraten-methode past bij de invoer-uitvoergegevens, verkregen door cyclische variatie van de invoer over het ingangstraject.

“Signaalanalysatoren” (3): instrumenten, geschikt voor het meten en afbeelden van de basiseigenschappen van de individuele frequentiecomponenten van meervoudige-frequentiesignalen.

“Signaalverwerking” (3 4 5 6): het verwerken van elders verkregen informatiedragende signalen met behulp van algoritmen, zoals tijdcompressie, filteren, extractie, selectie, correlatie, convolutie of transformatie tussen domeinen (bv. de snelle Fouriertransformatie (‹fast Fourier transform›) of de Walsh-transformatie (›Walsh transform›)).

“Programmatuur” (APN Alle): een verzameling van één of meer “programma’s” of ‘microprogramma’s’, vastgelegd op enig tastbaar medium.

NB:   ‘Microprogramma’: een reeks elementaire instructies die in een speciaal geheugen wordt bewaard en waarvan de uitvoering wordt gestart door de invoer van de bijbehorende verwijsopdracht in het instructieregister.

“Broncode” (of brontaal) (6 7 9): een geschikte expressie van één of meer processen, die door een programmeersysteem kan worden omgezet in een door apparatuur uitvoerbare vorm (“objectcode” (of doeltaal)).

“Ruimtevaartuig” (9): actieve en passieve satellieten en ruimtesondes.

“Platform van het ruimtevaartuig” (9): apparatuur die de ondersteunende infrastructuur van het “ruimtevaartuig” vormt en ruimte biedt voor de “nuttige lading van het ruimtevaartuig”.

“Nuttige lading van het ruimtevaartuig” (9): apparatuur die is gekoppeld aan het “platform van het ruimtevaartuig” en ontworpen is voor een taak in de ruimte (bv. communicatie, observatie, wetenschappelijk onderzoek).

“Voor gebruik in de ruimte gekwalificeerd(e)”(3 6 7) (producten): producten die zijn ontworpen, vervaardigd en gekwalificeerd na geslaagde testen om te opereren op hoogten van meer dan 100 km boven het aardoppervlak.

NB:   De vaststelling door middel van testen dat een specifiek product “voor gebruik in de ruimte gekwalificeerd” is, impliceert niet dat andere producten van dezelfde productie of modellenserie “voor gebruik in de ruimte gekwalificeerd” zijn indien zij niet individueel getest zijn.

“Speciale splijtstoffen” (0): plutonium-239, uraan-233, “uraan verrijkt in de isotopen 235 of 233”, en elk materiaal dat het voorgaande bevat.

“Specifieke modulus” (0 1 9): Youngs modulus in pascal, gelijk aan N/m2 gedeeld door het soortelijk gewicht in N/m3, gemeten bij een temperatuur van (296 ± 2) K ((23 ± 2) °C) en een relatieve vochtigheid van (50 ± 5) %.

“Specifieke treksterkte” (0 1 9): de breeksterkte in pascal, gelijk aan N/m2 gedeeld door het soortelijk gewicht in N/m3, gemeten bij een temperatuur van (296 ± 2) K ((23 ± 2) °C) en een relatieve vochtigheid van (50 ± 5) %.

“Gyroscopen met draaimassa” (7): gyroscopen die gebruikmaken van een continu roterende massa voor het waarnemen van de hoekbeweging.

“Spread spectrum” (5): de techniek waarbij de energie in een communicatiekanaal met een relatief smalle band wordt gespreid over een veel breder energiespectrum.

“Spread spectrum” radar (6): zie “Radar ‹spread-spectrum›”.

“Stabiliteit” (7): standaardafwijking (1 sigma) van de miswijzing van een bepaalde parameter van de ijkwaarde, gemeten bij stabiele temperatuuromstandigheden. Deze kan worden uitgedrukt als een functie van de tijd.

“Staten die (geen) partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” (1): staten waarvoor het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens (niet) in werking is getreden. (Zie www.opcw.org)

“Stationair” (9) wijst op werkingsomstandigheden van de motor, waarbij de parameters ervan, zoals stuwkracht/vermogen, omwentelingen per minuut en andere niet betekenisvol schommelen, wanneer de omgevingstemperatuur van de lucht en de luchtdruk aan de inlaat van de motor constant zijn.

“Toestel voor suborbitale vluchten” (9): een toestel met een compartiment voor het vervoer van personen of goederen dat is ontworpen om:

a. 

boven de stratosfeer te vliegen;

b. 

een niet-orbitale baan af te leggen; en

c. 

in behouden toestand met de personen of goederen aan boord op de aarde terug te keren.

“Substraat” (3): een laag basismateriaal met of zonder een onderlinge verbindingsstructuur waarop of waarin ‘discrete onderdelen’ of geïntegreerde schakelingen of beide aanwezig kunnen zijn.

NB 1:   Een ‘discreet onderdeel’ is een afzonderlijk omhuld ‘schakelelement” met eigen uitwendige aansluitingen.

NB 2:   Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

“Onafgewerkte substraten” (3 6): monolithische verbindingen met afmetingen die geschikt zijn voor de productie van optische elementen zoals spiegels of optische vensters.

“Subeenheid van toxine” (1): een structureel en functioneel losstaand bestanddeel van een hele “toxine”.

“Superlegeringen” (2 9): legeringen op basis van nikkel, kobalt of ijzer, met een levensduur voordat spanningsbreuk optreedt van meer dan 1 000  uur bij een spanning van 400 MPa en een eindtreksterkte van meer dan 850 MPa, bij 922 K (649 °C) of hoger.

“Supergeleidend” (1 3 5 6 8): materialen, d.w.z. metalen, legeringen of verbindingen waarvan de elektrische weerstand nul kan worden, d.w.z. dat zij een oneindige elektrische geleidbaarheid kunnen bereiken en zeer grote stromen kunnen geleiden zonder joule-opwarming.

NB:   De “supergeleidende” toestand van elk afzonderlijk materiaal wordt gekenmerkt door een “kritische temperatuur”, een kritisch magnetisch veld, dat een functie is van de temperatuur, en een kritische stroomdichtheid, die echter een functie is van zowel het magnetisch veld als de temperatuur.

“Super High Power Laser” (SHPL) (6): een “laser” die geschikt is voor het afgeven van (het totaal of een gedeelte van) de uitgangsenergie van meer dan 1 kJ binnen 50 ms of met een gemiddeld of CW-(continugolf)vermogen van meer dan 20 kW.

“Superplastisch vormen” (1 2): een vervormingsproces waarbij warmte wordt gebruikt om voor metalen die gewoonlijk weinig rek (minder dan 20 %) hebben bij de breeksterktegrens als bepaald bij kamertemperatuur door middel van een conventionele trekproef, tijdens het verwerken minstens tweemaal hogere rekwaarden te bereiken dan genoemde waarden.

“Symmetrisch algoritme” (5): cryptografisch algoritme waarin voor encryptie dezelfde sleutel gebruikt wordt als voor decryptie.

NB:   “Symmetrische algoritmen” worden vaak voor vertrouwelijke gegevens gebruikt.

“Band” (1): een materiaal dat bestaat uit in elkaar gevlochten of in één richting liggende “monofilamenten”, ‘strengen’, “‹rovings›”, “linten” of “garens”, enz., gewoonlijk geïmpregneerd met hars.

NB:   ‘Streng’: een bundel “monofilamenten” (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

“Technologie” (ATN NTN Alle): specifieke informatie die nodig is voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van een product. De informatie is in de vorm van ‘technische gegevens’ of ‘technische bijstand’.

NB 1:   ‘Technische bijstand’ kan zijn in de vorm van instructie, vaardigheden, opleiding, praktijkkennis, advies e.d. en kan gepaard gaan met de overdracht van ‘technische gegevens’.

NB 2:   ‘Technische gegevens” kunnen o.m. bestaan uit blauwdrukken, tekeningen, schema’s, modellen, formules, tabellen, technische ontwerpen en specificaties, handboeken en instructies, in geschreven vorm of vastgelegd op andere media of apparaten zoals schijf, magneetband, leesgeheugens (ROM’s).

“Driedimensionale geïntegreerde schakelingen” (3): een verzameling met elkaar geïntegreerde halfgeleiderplaatjes of actieve matrijzen, met halfgeleider-viaverbindingen die volledig door een interposer, substraat, plaatje of laag heen gaan om onderlinge verbindingen tussen matrijzen te leggen. Een interposer is een tussenlaag die elektrische verbindingen mogelijk maakt.

“Kantelspil” (2): een spil met gereedschap die gedurende het bewerkingsproces de hoek van zijn hartlijn ten opzichte van een andere as kan wijzigen.

“Reactietijdconstante” (6): de tijd vanaf het toepassen van een lichtprikkel totdat de stroomtoename een waarde heeft bereikt van 1-1/e maal de eindwaarde (d.w.z. 63 % van de eindwaarde).

“Tijd tot stationair werkende toestand is bereikt” (6) (ook de responstijd van de gravimeter genoemd): de tijd waarin de storende effecten van de door het platform veroorzaakte versnellingen (hoogfrequent geluid) worden verminderd.

“Schoepuiteindeversterking” (9): een stationaire ring (vast of gesegmenteerd) aan de binnenkant van het turbinehuis van een motor of een onderdeel aan het buitenste schoepuiteinde van het turbineblad dat in hoofdzaak dient als gasafdichting tussen stationaire en roterende onderdelen.

“Totale vluchtregeling” (7): een geautomatiseerde regeling van de toestandsvariabelen en de vliegbaan van een “vliegtuig” om te voldoen aan de doelstellingen van een missie, waarbij wordt gereageerd op real-time veranderingen in de gegevens betreffende doelstellingen, gevaren en andere “vliegtuigen”.

“Totale digitale overbrengsnelheid” (5): het aantal bits, met inbegrip van regelcodering, organisatorische bits enz., dat per tijdseenheid wordt overgebracht tussen overeenkomstige apparatuur in een digitaal transmissiesysteem.

NB:   Zie ook “digitale overbrengsnelheid”.

“Lint” (1): een bundel “monofilamenten”, die gewoonlijk ongeveer parallel lopen.

“Toxinen” (1 2): toxinen in de vorm van opzettelijk geïsoleerde preparaten of mengsels, ongeacht de wijze van bereiding, anders dan toxinen die als contaminant aanwezig zijn in andere materialen zoals pathologische monsters, gewassen, levensmiddelen of culturen van “micro-organismen”.

“Afstembaar” (6): het vermogen van een “laser” om binnen een gebied van verschillende “laser”-overgangen bij elke golflengte een continuvermogen op te wekken. Een laser die slechts kan werken op een beperkt aantal vaste golflengten ‹line selectable› wekt discrete golflengten op binnen één “laser”-overgang en wordt niet beschouwd als “afstembaar”.

“Herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) (2): de laagste van de waarden R↑ en R↓ (voorwaarts en achterwaarts), zoals omschreven in punt 3.21 van ISO 230-2:2014 of nationale equivalenten, van een individuele as van een werktuigmachine.

“Onbemande luchtvaartuigen” (“UAV”) (9): luchtvaartuigen zonder menselijke aanwezigheid aan boord die kunnen opstijgen en zonder onderbreking gecontroleerde vluchten kunnen uitvoeren en navigatie kunnen aanhouden.

“Uraan verrijkt in de isotopen 235 of 233” (0): uraan dat de isotopen 235 of 233 of beide bevat in een zodanige hoeveelheid, dat de verhouding tussen de som van de hoeveelheden van deze isotopen en de hoeveelheid van de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de hoeveelheden van de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uraan (isotoopverhouding: 0,71 %).

“Gebruik” (ATN NTN Alle): bediening, installatie (met inbegrip van installatie ter plaatse), onderhoud (controle), reparatie, revisie en opknappen.

“Toegankelijkheid van het programma voor de gebruiker” (6): de mogelijkheid voor de gebruiker om “programma’s” in te voegen, te veranderen of te vervangen anders dan door middel van:

a. 

een fysieke wijziging in de bedrading of andere onderlinge verbindingen; of

b. 

het instellen van functiekeuzen, het inbrengen van parameters daarbij inbegrepen.

“Vaccin” (1): een medisch preparaat volgens een chemische formule waarvoor een vergunning is afgegeven of waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen of voor klinische proeven is afgegeven door de regelgevende instanties van hetzij het land waar het wordt gefabriceerd, hetzij het land waar het wordt gebruikt, en dat strekt tot stimulering van een beschermende immuunrespons ter voorkoming van ziekten in de mens of het dier aan wie of waaraan het wordt toegediend.

“Elektronische vacuümelementen” (3): elektronische toestellen die werkzaam zijn op basis van de interactie van een elektronenstraal met een elektromagnetische golf die zich voortplant in een vacuümschakelaar of interageert met een radiofrequentievacuümtrilholte. “Elektronische vacuümelementen” omvatten klystrons, lopende golfbuizen en afgeleiden daarvan.

“Bekendmaking van kwetsbaarheden” (4): het identificeren, rapporteren of communiceren van een kwetsbaarheid aan, of het analyseren van een kwetsbaarheid met, individuen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren of coördineren van maatregelen met het oog op het oplossen van de kwetsbaarheid.

“Garen” (1): een bundel getwijnde ‘strengen’.

NB:   ‘Streng’: een bundel “monofilamenten” (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

DEEL II

Categorie 0

CATEGORIE 0 — NUCLEAIRE GOEDEREN, INSTALLATIES EN MATERIALEN

0ASystemen, apparatuur en onderdelen

0A001“Kernreactoren” en speciaal ontworpen en gebouwde uitrusting en onderdelen ervan, als hieronder:

a. 

“kernreactoren”;

b. 

metalen vaten, of belangrijke speciaal vervaardigde onderdelen ervan, met inbegrip van het deksel van een reactordrukvat, die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd als omhulsel van de kern van een “kernreactor”;

c. 

bedieningsapparatuur, speciaal ontworpen of vervaardigd om splijtstof in een “kernreactor” aan- of af te voeren;

d. 

regelstaven, d.w.z. staven die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor de beheersing van het splijtingsproces in een “kernreactor”, de draag- of ophangconstructies daarvoor, mechanismen voor het besturen van de regelstaven en buizen voor het geleiden van de regelstaven;

e. 

drukpijpen, d.w.z. buizen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd om dienst te doen als houder van zowel de splijtstofelementen en het primaire koelmiddel in een “kernreactor”;

f. 

buizen (of samenstellen van buizen) van zirkoniummetaal of zirkoniumlegeringen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor gebruik als splijtstofstaven in een “kernreactor”, in hoeveelheden van meer dan 10 kg;

NB:   Voor drukpijpen van zirkonium zie 0A001.e. en voor calandriabuizen zie 0A001.h.

g. 

koel- of circulatiepompen, d.w.z. pompen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor het doen circuleren van het primaire koelmiddel van “kernreactoren”;

h. 

‘inwendige delen van kernreactoren’ die speciaal ontworpen of vervaardigd zijn voor gebruik in een “kernreactor”, met inbegrip van draagconstructies voor de reactorkern, brandstofkanalen, calandriabuizen, hitteschilden, keerschotten, roosterplaten van de reactorkern en diffusorplaten;

Technische noot:

In 0A001.h. wordt onder ‘inwendige delen van kernreactoren’ verstaan iedere grote structuur binnen een reactorvat die één of meer functies heeft, zoals ondersteuning van de kern, handhaving van de brandstofuitlijning, sturing van het primaire koelmiddel, het verschaffen van stralingsschermen voor het reactorvat, en de geleiding van instrumenten in de kern.

i. 

warmtewisselaars als hieronder:

1. 

stoomgeneratoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het primaire, of intermediaire, koelmiddelcircuit van een “kernreactor”;

2. 

andere warmtewisselaars, speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in het primaire koelmiddelcircuit van een “kernreactor”.

Noot:   0A001.i. heeft geen betrekking op warmtewisselaars voor de ondersteuningssystemen van de reactor, bijvoorbeeld het noodkoelsysteem of het koelsysteem voor de afvoer van vervalwarmte.

j. 

neutrondetectoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bepalen van de niveaus van de neutronenflux in de kern van een “kernreactor”;

k. 

‘externe hitteschilden’ die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een “kernreactor” ter vermindering van warmteverlies en ter bescherming van het insluitingsvat.

Technische noot:

In 0A001.k. betekent ‘externe hitteschilden’ grote structuren die over het reactorvat zijn geplaatst en die warmteverlies van de reactor verminderen en de temperatuur binnen het insluitingsvat verlagen.

0BTest-, inspectie- en productieapparatuur

0B001Fabrieken voor de scheiding van isotopen van “natuurlijk uraan”, “verarmd uraan”, of “speciale splijtstoffen” en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

a. 

installaties, speciaal ontworpen voor de scheiding van isotopen van “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium” of “speciale splijtstoffen” als hieronder:

1. 

gascentrifuges;

2. 

gasdiffusiescheidingsinstallaties;

3. 

aerodynamische scheidingsinstallaties;

4. 

scheidingsinstallaties met behulp van chemische uitwisselaars;

5. 

scheidingsinstallaties met behulp van ionenuitwisselaars;

6. 

isotopenscheidingsinstallaties werkend met atomaire-damp-“lasers”;

7. 

isotopenscheidingsinstallaties werkend met moleculaire “lasers”;

8. 

plasmascheidingsinstallaties;

9. 

elektromagnetische scheidingsinstallaties;

b. 

gascentrifuges en samenstellingen en onderdelen, speciaal ontworpen of aangepast voor gebruik in gascentrifuges, als hieronder:

Technische noot:

In 0B001.b. betekent ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’:

1. 

maragingstaal met een maximale treksterkte van 1,95 GPa of meer;

2. 

aluminiumlegeringen met een maximale treksterkte van 0,46 GPa of meer; of

3. 

“stapel- en continuvezelmateriaal” met een “specifieke modulus” van meer dan 3,18 × 106 m en een “specifieke treksterkte” van meer dan 7,62 × 104 m;

1. 

gascentrifuges;

2. 

complete rotoren;

3. 

rotorbuiscilinders met een wanddikte van 12 mm of minder, een diameter tussen 75 mm en 650 mm en vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

4. 

ringen of balgen met een wanddikte van 3 mm of minder en een diameter tussen 75 mm en 650 mm, speciaal ontworpen om een rotorbuis op bepaalde plaatsen te verstevigen of om een aantal rotorbuizen samen te voegen, vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

5. 

keerschotten met een diameter tussen 75 mm en 650 mm, ontworpen om in een rotorbuis gemonteerd te worden en vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

6. 

onder- en bovendeksels met een diameter tussen 75 mm en 650 mm, speciaal ontworpen om op de uiteinden van een rotorbuis te passen en vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

7. 

magnetische lagers als hieronder:

a. 

lagers bestaande uit een ringvormige magneet in een behuizing, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, bevattende een dempend medium en waarvan de magneet is gekoppeld aan een poolschoen of een tweede magneet die aan het bovendeksel van de rotor is bevestigd;

b. 

actieve magnetische lagers speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik met gascentrifuges;

8. 

speciaal ontworpen lagers, bestaande uit een taats/komcombinatie, gemonteerd op een demper;

9. 

turbomoleculaire pompen bestaande uit cilinders met inwendige, machinaal vervaardigde of geëxtrudeerde langwerpige spiraalvormige groeven en inwendige, machinaal bewerkte gaten;

10. 

ringvormige stators voor meerfasige wisselstroom-hysteresismotoren (magnetische-weerstandsmotoren) voor synchrone werking in vacuüm, met een frequentiebereik van 600 Hz of hoger en een vermogen van 40 VA of hoger;

11. 

centrifugebehuizingen/houders, speciaal ontworpen om de rotorbuis van een gascentrifuge te bevatten, bestaande uit een starre cilinder met een wanddikte tot 30 mm met nauwkeurig afgewerkte uiteinden die evenwijdig zijn aan elkaar en staan met een nauwkeurigheid van 0,05 ° of beter loodrecht op de lengteas van de cilinder;

12. 

inlaatstukken bestaande uit speciaal ontworpen of vervaardigde buizen voor de extractie van UF6-gas uit de rotorbuis volgens het principe van een Pitotbuis en die aan het centrale gasextractiesysteem kan worden bevestigd;

13. 

frequentieomzetters (convertors of invertors), speciaal ontworpen of vervaardigd voor de voeding van motorstators van gascentrifugeverrijkers en speciaal ontworpen onderdelen hiervoor, die aan alle hieronderstaande specificaties voldoen:

a. 

een meerfasige frequentieoutput van 600 Hz of hoger; en

b. 

hoge stabiliteit (frequentieafwijkingen minder dan 0,2 %);

14. 

afsluiters en regelkleppen, als hieronder:

a. 

afsluitkleppen speciaal ontworpen of vervaardigd om in werking te treden in reactie op de aanvoer-, product- en restproductstromen van UF6 van een individuele gascentrifuge;

b. 

afsluit- of regelkleppen met balgafdichting, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, met een binnendiameter tussen 10 mm en 160 mm, speciaal ontwikkeld of vervaardigd voor gebruik in hoofd- of hulpsystemen van gascentrifuge-verrijkingsinstallaties;

c. 

speciaal voor gasdiffusiescheidingsinstallaties ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

membranen voor gasdiffusie vervaardigd van poreus metallisch, polymeer of keramisch “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, met een poriegrootte van 10 tot 100 nm, een dikte van 5 mm of minder en, voor buisvormige membranen, met een diameter van 25 mm of minder;

2. 

gasdiffusorvaten, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

3. 

compressoren of aanjagers met een aanzuigcapaciteit van 1 m3/min of meer van UF6, met een werkdruk van maximaal 500 kPa, met een werkdrukverhouding van 10:1 of minder, en vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

4. 

asafdichtingen voor compressoren of aanjagers bedoeld in 0B001.c.3., ontworpen op een inleksnelheid van het buffergas van minder dan 1 000  cm3/min.;

5. 

warmtewisselaars, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, en ontworpen op een leksnelheid die een drukverandering van minder dan 10 Pa per uur veroorzaakt bij een drukverschil van 100 kPa;

6. 

afsluit- of regelkleppen met balgafdichting, handmatig of automatisch, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

d. 

speciaal voor aerodynamische scheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

scheidingssproeikoppen, bestaande uit spleetvormige, gebogen kanalen met een kromtestraal van minder dan 1 mm, bestand tegen corrosie door UF6, met in de straalpijp een scherpe scheidingsrand die de gasstroom in tweeën deelt;

2. 

cilindrische of conische buizen (vortexbuizen) vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6” en met een of meer tangentiële inlaten;

3. 

compressoren of aanjagers vervaardigd van “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, en asafdichtingen daarvoor;

4. 

warmtewisselaars, vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

5. 

behuizingen van scheidingselementen, vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6” speciaal ontworpen om vortexbuizen of scheidingssproeikoppen te bevatten;

6. 

afsluit- of regelkleppen met balgafdichting, handmatig of automatisch, vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, met een diameter van 40 mm of meer;

7. 

processystemen om UF6 van het dragergas (waterstof of helium) te scheiden tot een gehalte van 1 ppm UF6 of minder, met inbegrip van:

a. 

cryogene warmtewisselaars en cryogene scheiders die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

b. 

cryogene koeleenheden die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

c. 

scheidingssproeikoppen of vortexbuizen voor de scheiding van UF6 van het dragergas;

d. 

koudevallen voor UF6 die geschikt zijn voor het uitvriezen van UF6;

e. 

speciaal voor scheidingsprocessen met behulp van chemische uitwisselaars ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

pulskolommen voor snelle vloeistof-vloeistofuitwisseling met een verblijftijd per trap van 30 s of minder en bestand tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. vervaardigd van of beschermd met geschikte kunststoffen zoals gefluoreerde koolwaterstofpolymeren of glas);

2. 

centrifugale contactors voor snelle vloeistof-vloeistofuitwisseling met een verblijftijd per trap van 30 s of minder en bestand tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. vervaardigd van of beschermd met geschikte kunststoffen zoals gefluoreerde koolwaterstofpolymeren of glas);

3. 

elektrochemische reductiecellen, bestand tegen oplossingen van geconcentreerd zoutzuur, ontworpen om uranium van valentie te veranderen;

4. 

voedingsuitrusting voor elektrochemische reductiecellen, ontworpen om U+4 uit de organische stroom te verwijderen en, voor die onderdelen die met de processtroom in contact komen, vervaardigd van of beschermd met geschikte materialen (bv. glas, fluorkoolwaterstofpolymeren, polyfenylsulfaat, polyethersulfon en met hars geïmpregneerd grafiet);

5. 

systemen voor de behandeling van het voedingsmateriaal, ontworpen om een zeer zuivere uraniumchlorideoplossing te produceren, bestaande uit voorzieningen voor het in oplossing brengen, voor vloeistofextractie en/of voor ionenwisseling voor de zuivering en elektrolytische cellen voor de reductie van U+6 of U+4 tot U+3;

6. 

oxidatiesystemen voor uranium, ontworpen om U+3 te oxideren tot U+4;

f. 

speciaal voor scheidingsprocessen met behulp van ionenwisselaars ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

ionenwisselharsen met een snelle reactietijd, vliezige of poreuze harsen met een macroscopische vernetting, waarin de actieve chemische uitwisselgroepen alleen voorkomen in een oppervlaktelaag op een inactieve poreuze ondersteunende structuur en andere composiete structuren met een geschikte vorm, waaronder deeltjes of vezels met diameters van 0,2 mm of minder, die bestand zijn tegen geconcentreerd zoutzuur en zijn ontworpen op een uitwisselingshalveringstijd van minder dan 10 s en die geschikt zijn voor werktemperaturen in het gebied van 373 K (100 °C) tot 473 K (200 °C);

2. 

ionenwisselkolommen (cilindrisch) met een diameter groter dan 1 000  mm, vervaardigd van of beschermd met materiaal dat bestand is tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. kunststoffen op basis van titaan of fluorkoolwaterstof), die geschikt zijn voor werktemperaturen in het gebied van 373 K (100 °C) tot 473 K (200 °C) en werkdrukken boven 0,7 MPa;

3. 

ionenwisselrefluxsystemen (chemische of elektrochemische oxidatie- of reductiesystemen) voor het regenereren van de chemische reductie- of oxidatiemiddelen die in ionenwisselverrijkingscascades worden gebruikt;

g. 

uitrusting en onderdelen, speciaal ontworpen of vervaardigd voor scheidingsprocessen op basis van lasers door middel van isotopenscheiding met atomaire-damplasers, als hieronder:

1. 

systemen voor het verdampen van uraniummetaal die zijn ontworpen om bij laserverrijking een op de target af te geven vermogen van 1 kW of meer te leveren;

2. 

systemen voor het hanteren van vloeibaar of verdampt uraniummetaal die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor het hanteren van gesmolten uranium, gesmolten uraniumlegeringen of uraniummetaaldamp voor gebruik bij laserverrijking, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen;

NB:   ZIE OOK 2A225.

3. 

opvangsystemen voor de opvang van verarmd en verrijkt uranium in gesmolten of vaste vorm, vervaardigd van of beschermd door materialen die bestand zijn tegen de hitte en corrosie van uraniummetaaldampen of gesmolten uranium, zoals met yttriumoxide bedekt grafiet of tantaal;

4. 

behuizingen voor scheidingsmodules (cilindrische of rechthoekige vaten) die zijn ontworpen om de uraniummetaaldampbron, het elektronenkanon en de opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium te bevatten;

5. 

“lasers” of “laser”-systemen speciaal ontworpen of vervaardigd voor de scheiding van uraniumisotopen met een stabilisatie voor het frequentiespectrum, bestemd om gedurende langere perioden in bedrijf te zijn;

NB:   ZIE OOK 6A005 EN 6A205.

h. 

uitrusting en onderdelen, speciaal ontworpen of vervaardigd voor scheidingsprocessen op basis van lasers door middel van isotopenscheiding met moleculaire lasers, als hieronder:

1. 

supersone uitstroomstraalpijpen voor het koelen van mengsels van UF6 en dragergas tot 150 K (– 123 °C) of minder en vervaardigd van “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

2. 

onderdelen of apparaten voor het opvangen van verarmd of verrijkt uranium die speciaal ontworpen en vervaardigd zijn voor het opvangen van uranium of verrijkt uranium na bestraling met laserlicht, vervaardigd van “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

3. 

compressoren, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, en asafdichtingen daarvoor;

4. 

uitrusting om UF5 (vaste stof) te fluoreren tot UF6 (gas);

5. 

processystemen voor het scheiden van UF6 van het transportgas (bv. stikstof, argon of een ander gas) met inbegrip van:

a. 

cryogene warmtewisselaars en cryogene scheiders die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

b. 

cryogene koeleenheden die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

c. 

koudevallen voor UF6 die geschikt zijn voor het uitvriezen van UF6;

6. 

“lasers” of “laser”-systemen speciaal ontworpen of vervaardigd voor de scheiding van uraniumisotopen met een stabilisatie voor het frequentiespectrum, bestemd om gedurende langere perioden in bedrijf te zijn;

NB:   ZIE OOK 6A005 EN 6A205.

i. 

speciaal voor plasmascheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

microgolfbronnen en antennes voor het produceren of versnellen van ionen, met een uitgangsfrequentie vanaf 30 GHz en een gemiddeld uitgangsvermogen van meer dan 50 kW;

2. 

RF-ionisatieaanslagspoelen voor frequenties boven 100 kHz en met een gemiddeld vermogen van meer dan 40 kW;

3. 

systemen voor het genereren van een uraniumplasma;

4. 

niet gebruikt;

5. 

opvangsystemen voor uranium in vaste vorm, vervaardigd van of beschermd met materiaal dat bestand is tegen de hitte en de corrosie van uraniumdampen, zoals met yttriumoxide bedekt grafiet of tantaal;

6. 

behuizingen voor scheidingsmodules (cilindrisch), ontworpen om de uraniumplasmabron, de radiofrequentiespoel en de opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium te bevatten en vervaardigd van een geschikt niet-magnetisch materiaal (bv. roestvast staal);

j. 

speciaal voor elektromagnetische scheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

enkel- of meervoudige ionenbronnen, bestaande uit een dampbron, ionisator en bundelversneller, vervaardigd van geschikte niet-magnetische materialen (bv. grafiet, roestvast staal of koper) en geschikt om een totale ionenbundelstroom te leveren van 50 mA of meer;

2. 

ionencollectorplaten voor het opvangen van ionenbundels met verrijkt of verarmd uranium, bestaande uit twee of meer spleten en opvangkamers en vervaardigd van geschikte niet-magnetische materialen (bv. grafiet of roestvast staal);

3. 

vacuümbehuizingen voor elektromagnetische uraniumscheiders, vervaardigd van niet-magnetische materialen (bv. roestvast staal) en ontworpen voor een werkdruk van 0,1 Pa of lager;

4. 

magnetische poolschoenen met een diameter van meer dan 2 m;

5. 

hoogspanningsvoedingen voor ionenbronnen, die alle onderstaande eigenschappen hebben:

a. 

geschikt voor continubedrijf;

b. 

uitgangsspanning 20 000  V of meer;

c. 

uitgangsstroom 1 A of meer; en

d. 

spanningsregeling beter dan 0,01 % over een periode van 8 uur;

NB:   ZIE OOK 3A227.

6. 

voedingen voor magneten (hoog vermogen, gelijkstroom), die alle onderstaande eigenschappen hebben:

a. 

geschikt voor continubedrijf met een uitgangsstroom van 500 A of meer en een spanning van 100 V of meer; en

b. 

stroom- of spanningsregeling beter dan 0,01 % over een periode van 8 uur.

NB:   ZIE OOK 3A226.

0B002Speciaal voor isotoopscheidingsinstallaties als bedoeld in 0B001 ontworpen of vervaardigde hulpsystemen voor uitrusting en onderdelen vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, als hieronder:

a. 

voedingsautoclaven, ovens of systemen voor het doorvoeren van UF6 naar het verrijkingsproces;

b. 

desublimatoren of koelvallen die gebruikt worden om het UF6 uit het verrijkingsproces te verwijderen voor verder transport na verhitting;

c. 

opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium om UF6 in containers op te slaan;

d. 

liquefactors of stollingsstations die worden gebruikt om UF6 uit het verrijkingsproces te verwijderen door UF6 samen te persen, af te koelen en om te zetten in vloeibare of vaste vorm;

e. 

speciaal ontworpen stelsels van pijpen en ‹headers› om het UF6 te hanteren binnen de gasdiffusie-, centrifuge- of aerodynamische cascades;

f. 

vacuümsystemen en -pompen als hieronder:

1. 

speciaal ontworpen vacuümspruitstukken, vacuümverdeelleidingen of vacuümpompen met een afzuigcapaciteit van 5 m3/min. of meer;

2. 

vacuümpompen, speciaal ontworpen voor gebruik in een atmosfeer die UF6 bevat, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”; of

3. 

residuen van systemen bestaande uit vacuümspruitstukken, vacuümverdeelleidingen en vacuümpompen, en ontworpen voor gebruik in een atmosfeer die UF6 bevat;

g. 

UF6-massaspectrometers/ionenbronnen speciaal ontworpen of vervaardigd om on-linemonsters te kunnen nemen van UF6-gasstromen, met alle volgende eigenschappen:

1. 

in staat zijn 320 atomaire massa eenheden (a.m.e.) of meer te meten en een oplossend vermogen hebben dat beter is dan 1 a.m.e. op 320 a.m.e.;

2. 

ionenbronnen, vervaardigd van of bekleed met nikkel, nikkel-chroom-legeringen met een nikkelgehalte van 60 of meer gewichtsprocent of nikkel-chroom-legeringen;

3. 

ionisatiebronnen die werken met elektronenbeschieting; en

4. 

een collectorsysteem dat geschikt is voor isotopenanalyse.

0B003Fabrieken voor de omzetting van uranium en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting, als hieronder:

a. 

systemen voor de omzetting van uraniumertsconcentraten in UO3;

b. 

systemen voor de omzetting van UO3 in UF6;

c. 

systemen voor de omzetting van UO3 in UO2;

d. 

systemen voor de omzetting van UO2 in UF4;

e. 

systemen voor de omzetting van UF4 in UF6;

f. 

systemen voor de omzetting van UF4 in uraniummetaal;

g. 

systemen voor de omzetting van UF6 in UO2;

h. 

systemen voor de omzetting van UF6 in UF4;

i. 

systemen voor de omzetting van UO2 in UCl4.

0B004Fabriek voor de productie of concentratie van zwaar water, deuterium en deuteriumverbindingen en speciaal ontworpen en gebouwde uitrusting en onderdelen ervan, als hieronder:

a. 

installaties voor de productie van zwaar water, deuterium of deuteriumverbindingen, als hieronder:

1. 

water-waterstofsulfide uitwisselinstallaties;

2. 

ammoniak-waterstofuitwisselingsinstallaties;

b. 

uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1. 

water-waterstofsulfide-wisseltorens met een diameter van 1,5 m of meer, geschikt voor werking bij een druk van 2 MPa of meer;

2. 

eentraps, centrifugale aanjagers of compressoren met lage opvoerdruk (d.w.z. 0,2 MPa), voor de circulatie van waterstofsulfidegas (d.w.z. gas dat meer dan 70 gewichtspercent waterstofsulfide (H2S) bevat) met een verwerkingscapaciteit van ten minste 56 m3/s wanneer er gewerkt wordt bij drukniveaus van ten minste 1,8 MPa aan de zuigzijde, en met afdichtingen, ontworpen voor natte H2S-gassen;

3. 

ammoniak-waterstof-wisseltorens van 35 m of hoger met een diameter tussen 1,5 en 2,5 m die kunnen werken bij een druk van meer dan 15 MPa;

4. 

inwendige delen van torens, met inbegrip van getrapte contactgroepen, en getrapte pompen met inbegrip van dompelpompen voor de productie van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé;

5. 

ammoniak-kraakinstallaties die werken bij een druk van 3 MPa of meer voor de productie van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé;

6. 

infraroodabsorptieanalyseapparatuur die “on-line” waterstof-deuterium-verhoudingen kan meten bij deuteriumconcentraties van 90 gewichtspercent of meer;

7. 

katalytische branders voor de omzetting van verrijkt deuteriumgas in zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé;

8. 

complete systemen voor het veredelen van zwaar water, of kolommen daarvoor, voor het veredelen van zwaar water tot een deuteriumconcentratie die in een kernreactor bruikbaar is;

9. 

omzetters voor ammoniaksynthese of ammoniaksynthese-eenheden speciaal ontworpen of vervaardigd voor het veredelen van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé.

0B005Fabrieken, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van splijtstofelementen voor “kernreactoren” en speciaal ontworpen of vervaardigde uitrusting daarvoor.

Technische noot:

Speciaal ontworpen of vervaardigde uitrusting voor de vervaardiging van splijtstofelementen voor “kernreactoren” omvat uitrusting die:

1. 

in de regel in rechtstreeks contact komt met de productiestroom van nucleair materiaal of deze rechtstreeks verwerkt of reguleert;

2. 

zorgt voor de afdichting van het nucleaire materiaal in de splijtstofstaaf;

3. 

de goede staat van de bekleding of van de afdichting van de splijtstofstaaf controleert;

4. 

de eindbehandeling van de afgesloten splijtstof controleert; of

5. 

wordt gebruikt voor het samenstellen van reactorelementen.

0B006Fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstofelementen van “kernreactoren” en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen.

Noot:   0B006 omvat:

a. 

fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstofelementen voor “kernreactoren”, met inbegrip van uitrusting en onderdelen die in de regel rechtstreeks in aanraking komen met de bestraalde splijtstof en de voornaamste processtromen van nucleair materiaal en splijtingsproducten, en die rechtstreeks regelen;

b. 

apparatuur voor het mechanisch verwijderen van de bekleding van splijtstofelementen alsmede hak- en versnipperingsmachines voor splijtstofelementen, d.w.z. op afstand bediende uitrusting voor het snijden, hakken of knippen van bestraalde splijtstofpakketten, -bundels of -staven voor “kernreactoren”;

c. 

oplosvaten of oplostanks waarvoor mechanische voorzieningen worden gebruikt die speciaal ontworpen of vervaardigd zijn voor het oplossen van bestraalde splijtstof van “kernreactoren”, die bestand zijn tegen hete, sterk corrosieve vloeistoffen en die op afstand gevuld, bediend en onderhouden kunnen worden;

d. 

vloeistofextractors, zoals gestapelde kolommen of pulskolommen, mengers-ontmengers of centrifugale extractieapparatuur, bestand tegen de corrosieve werking van salpeterzuur en speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een fabriek voor het opwerken van bestraald “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium” of “speciale splijtstoffen”;

e. 

voorraad- of opslagvaten, speciaal ontworpen om kritisch veilig te zijn en bestand tegen de corrosieve werking van salpeterzuur;

Technische noot:

Voorraad- of opslagvaten kunnen de volgende eigenschappen bezitten:

1. 

wanden of inwendige structuren met een boorequivalent (berekend voor alle samenstellende delen als gedefinieerd in de noot bij 0C004) van ten minste twee procent;

2. 

een maximale diameter van 175 mm voor cilindrische vaten; of

3. 

een maximale breedte van 75 mm voor rechthoekige of ringvormige vaten.

f. 

neutronenmeetsystemen speciaal ontworpen of vervaardigd voor integratie en gebruik met systemen voor geautomatiseerde procesbeheersing in een fabriek voor het opwerken van bestraald “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium” of “speciale splijtstoffen”.

0B007Fabrieken voor de omzetting van plutonium en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting, als hieronder:

a. 

systemen voor de omzetting van plutoniumnitraat in plutoniumoxide;

b. 

systemen voor de productie van plutoniummetaal.

0CMaterialen

0C001“Natuurlijk uranium” of “verarmd uranium” of thorium in de vorm van metaal, legering, chemische verbinding of concentraat en elk materiaal dat het voorgaande bevat;

Noot:   0C001 heeft geen betrekking op:

a. 

vier gram of minder “natuurlijk uranium” of “verarmd uranium”, indien in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten;

b. 

“verarmd uranium”, speciaal vervaardigd voor de volgende civiele en niet-nucleaire toepassingen:

1. 

afschermingsmateriaal;

2. 

verpakkingsmateriaal;

3. 

ballast met een massa van ten hoogste 100 kg;

4. 

contragewichten met een massa van ten hoogste 100 kg;

c. 

legeringen met minder dan 5 % thorium;

d. 

keramische, thoriumbevattende producten die zijn vervaardigd voor niet-nucleair gebruik.

0C002“Speciale splijtstoffen”

Noot:   0C002 heeft geen betrekking op vier “effectieve gram” of minder, indien in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten.

0C003Deuterium, zwaar water (deuteriumoxide) en andere deuteriumverbindingen, en mengsels en oplossingen die deuterium bevatten, waarin de isotoopverhouding van deuterium tot waterstof groter is dan 1:5 000 .

0C004Grafiet met een zuiverheid beter dan 5 ppm ‘boorequivalent’ en met een dichtheid groter dan 1,50 g/cm3 voor gebruik in een “kernreactor”, in hoeveelheden groter dan 1 kg.

NB:   ZIE OOK 1C107.

Noot 1:   Wat betreft de uitvoercontrole, bepalen de bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaat waar de exporteur is gevestigd of de uitvoer van grafiet dat aan bovenstaande specificaties voldoet al dan niet bestemd is voor gebruik in “kernreactoren”. 0C004 heeft geen betrekking op niet voor gebruik in een “kernreactor” bestemd grafiet met een zuiverheid beter dan 5 ppm ‘boorequivalent’ en met een dichtheid groter dan 1,50 g/cm3.

Noot 2:   In 0C004 wordt ‘boorequivalent’ (BE) gedefinieerd als de som van BEZ voor onzuiverheden (met uitzondering van BEkoolstof aangezien koolstof niet wordt beschouwd als een onzuiverheid), met inbegrip van boor, waarbij geldt:

BEZ (ppm) = CF × concentratie van element Z in ppm;

image

en zijn sB en sZ de doorsneden voor de vangst van thermische neutronen (in barn) voor respectievelijk natuurlijk voorkomend boor en element Z; en zijn AB en AZ de atoommassa’s van respectievelijk natuurlijk voorkomend boor en element Z.

0C005Speciaal vervaardigde verbindingen of poeders voor de fabricage van membranen voor gasdiffusie die bestand zijn tegen corrosie door UF6 (bv. nikkel of legeringen met 60 gewichtspercent of meer aan nikkel, aluminiumoxide en volledig gefluoreerde koolwaterstofpolymeren), met een zuiverheidsgraad van 99,9 gewichtspercent of meer, met een gemiddelde korrelgrootte van minder dan 10 μm, gemeten volgens Standard B330 van de ASTM en met een zeer uniforme deeltjesgrootte.

0DProgrammatuur

0D001“Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van goederen, bedoeld in deze categorie.

0ETechnologie

0E001“Technologie” overeenkomstig de nucleaire technologienoot voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van goederen, bedoeld in deze categorie.

DEEL III

Categorie 1

CATEGORIE 1 — SPECIALE MATERIALEN EN AANVERWANTE APPARATUUR

1ASystemen, apparatuur en onderdelen

1A001Onderdelen vervaardigd van gefluoreerde verbindingen, als hieronder:

a. 

afdichtingen, pakkingen, afdichtingsmiddelen of flexibele brandstoftanks (‹fuel bladders›), welke voor meer dan 50 gewichtspercenten bestaan uit enig materiaal als bedoeld in 1C009.b. of 1C009.c., speciaal ontworpen voor gebruik in de ruimte of in “vliegtuigen”;

b. 

niet gebruikt;

c. 

niet gebruikt.

1A002“Composieten” of laminaten, als volgt:

NB:   ZIE OOK 1A202, 9A010 EN 9A110.

a. 

gemaakt van één van de volgende materialen:

1. 

een organische “matrix” en “stapel- of continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010.c. of 1C010.d.; of

2. 

‹prepregs› en ‹preforms› als bedoeld in 1C010.e.;

b. 

gemaakt van een metaal-“matrix” of koolstof-“matrix” en één of meer van de volgende materialen:

1. 

koolstof-“stapel- en continuvezelmateriaal” met elk van de onderstaande eigenschappen:

a. 

“specifieke modulus” groter dan 10,15 × 106 m; en

b. 

“specifieke treksterkte” groter dan 17,7 × 104 m; of

2. 

materialen als bedoeld in 1C010.c.

Noot 1:   1A002 heeft geen betrekking op “composieten” of laminaten gemaakt van met epoxyhars geïmpregneerd koolstof-“stapel- of continuvezelmateriaal” voor de reparatie van structuren of laminaten van “civiele vliegtuigen” met de volgende eigenschappen:

a. 

een maximale oppervlakte van 1 m2;

b. 

een maximale lengte van 2,5 m; en

c. 

een breedte van meer dan 15 mm.

Noot 2:   1A002 heeft geen betrekking op halffabricaten die speciaal zijn ontworpen voor zuiver civiele toepassingen, als hieronder:

a. 

sportartikelen;

b. 

auto-industrie;

c. 

werktuigmachine-industrie;

d. 

medische toepassingen.

Noot 3:   1A002.b.1. heeft geen betrekking op halffabricaten die maximaal tweedimensionaal geweven filament bevatten en speciaal ontworpen zijn voor de volgende toepassingen:

a. 

metalen warmtebehandelingsovens voor het temperen van metalen;

b. 

apparatuur voor de productie van silicium monokristallen.

Noot 4:   1A002 heeft geen betrekking op eindproducten die speciaal ontworpen zijn voor een specifieke toepassing.

Noot 5:   1A002.b.1. heeft geen betrekking op mechanisch verhakseld, vermalen of gesneden “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met een lengte van 25,0 mm of minder.

1A003Producten vervaardigd van on“smeltbare” aromatische polyimiden in de vorm van film, vellen, band of lint, met een of meer van de onderstaande eigenschappen:

a. 

een dikte groter dan 0,254 mm; of

b. 

bekleed of gelamineerd met koolstof, grafiet, metalen of magnetische substanties.

Noot:   1A003 heeft geen betrekking op producten bekleed of gelamineerd met koper die zijn ontworpen voor de productie van elektronische gedrukte schakelingen.

NB:   Voor “smeltbare” aromatische polyimiden in eender welke vorm, zie 1C008.a.3.

1A004Beschermings- en detectieapparatuur en onderdelen daarvan die niet onder de lijst militaire goederen vallen, als hieronder:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN, 2B351 EN 2B352.

a. 

Volgelaatsmaskers, filterbussen en decontaminatieapparatuur daarvoor, die zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

Noot:   1A004.a. omvat elektrische luchtzuiverende ademhalingstoestellen (PAPR’s) die zijn ontworpen of aangepast voor bescherming tegen de in 1A004.a. vermelde stoffen of materialen.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1A004.a. geldt:

1. 

Volgelaatsmaskers staan ook bekend als gasmaskers.

2. 

Filterbussen vaten omvatten filterpatronen.

1. 

“biologische stoffen”;

2. 

‘radioactief materiaal’;

3. 

stoffen voor chemische oorlogvoering; of

4. 

“stoffen voor oproerbeheersing”, met inbegrip van:

a. 

α-broombenzeenacetonitril, (broombenzylcyanide) (CA) (CAS 5798-79-8);

b. 

[(2-chloorfenyl)methyleen] propaandinitril, (o-chloorbenzylideenmalononitril) (CS) (CAS 2698-41-1);

c. 

2-chloor-1-fenylethanon, fenylacylchloride (ω-chlooracetofenon) (CN) (CAS 532-27-4);

d. 

dibenz-(b,f)-1,4-oxazefine (CR) (CAS 257-07-8);

e. 

10-chloor-5,10-dihydrofenarsazine, (fenarsazinechloride), (adamsiet), (DM) (CAS 578-94-9);

f. 

N-nonanoylmorfoline (MPA) (CAS 5299-64-9);

b. 

beschermingspakken, -handschoenen en -schoenen die speciaal zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen een of meer van de onderstaande stoffen:

1. 

“biologische stoffen”;

2. 

‘radioactief materiaal’; of

3. 

stoffen voor chemische oorlogvoering;

c. 

detectieapparatuur die speciaal is ontworpen of aangepast voor de detectie of identificatie van één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1. 

“biologische stoffen”;

2. 

‘radioactief materiaal’; of

3. 

stoffen voor chemische oorlogvoering;

d. 

elektronische apparatuur die ontworpen is voor de automatische opsporing of identificatie van springstoffenresten dan wel het vaststellen van hun aanwezigheid, waarbij ‘sporendetectie’technieken worden gebruikt (bv. akoestische oppervlaktegolven, ionenmobiliteitspectrometrie, massaspectrometrie).

Technische noot:

Onder ‘sporendetectie’ wordt verstaan het vermogen om minder dan 1 ppm gas of 1 mg vaste of vloeibare stof te detecteren.

Noot 1:   1A004.d. heeft geen betrekking op speciaal voor laboratoria ontworpen controleapparatuur.

Noot 2:   1A004.d. heeft geen betrekking op doorloopveiligheidspoorten zonder lichamelijk contact.

Noot:   1A004 heeft geen betrekking op:

a. 

individuele dosismeters voor stralingscontrole;

b. 

uitrusting voor de bescherming van gezondheid en veiligheid op het werk die door haar ontwerp of functie beperkt is tot bescherming tegen risico’s die eigen zijn aan woonwijken of industriesectoren, waaronder:

1. 

de mijnbouw;

2. 

steengroeven;

3. 

de landbouwsector;

4. 

de farmaceutische industrie;

5. 

de medische sector;

6. 

de diergeneeskundige sector;

7. 

de milieusector;

8. 

de afvalbeheersector;

9. 

de voedingsindustrie.

Technische noten:

1.   1A004 omvat uitrusting en bestanddelen die zijn geïdentificeerd, met succes zijn getoetst aan nationale normen of waarvan op een andere manier de doeltreffendheid is bewezen, wat betreft de detectie van of de bescherming tegen ‘radioactief materiaal’, “biologische stoffen”, stoffen voor chemische oorlogvoering, ‘simulanten’ of ‘stoffen voor oproerbeheersing”, zelfs wanneer die uitrusting of bestanddelen gebruikt worden in civiele industriesectoren, zoals de mijnbouw, steengroeven, de landbouw, de farmaceutische, medische, diergeneeskundige, milieu-, afvalbeheer- en voedingsindustrie.

2.   ‘Simulanten’ zijn stoffen of materialen die bij opleiding, onderzoek, tests of evaluaties worden gebruikt in de plaats van toxische (chemische of biologische) stoffen.

3.   Voor de toepassing van 1A004 is ‘radioactief materiaal’ het materiaal dat is geselecteerd of aangepast om zoveel mogelijk menselijke of dierlijke slachtoffers, schade aan uitrusting of aan gewassen, of aantasting van het milieu te veroorzaken.

1A005Kogelvrije kleding en onderdelen daarvoor, als hieronder:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a. 

zachte kogelvrije kleding die niet is vervaardigd volgens militaire normen of specificaties of gelijkwaardige normen of specificaties, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen;

b. 

harde kogelvrije kleding die ballistische bescherming biedt welke gelijk is aan of minder is dan niveau IIIA (NIJ 0101 .06, juli 2008), of “gelijkwaardige normen”.

NB:   Voor “stapel- of continuvezelmateriaal” dat gebruikt wordt voor de vervaardiging van kogelvrije kleding, zie 1C010.

Noot 1:   1A005 heeft geen betrekking op kogelvrije kleding en beschermende kleding die de gebruiker bij zich heeft voor zijn eigen bescherming.

Noot 2:   1A005 heeft geen betrekking op kogelvrije kleding die bestemd is om uitsluitend frontale bescherming te bieden tegen door niet-militaire explosieven veroorzaakte luchtverplaatsingen of scherven.

Noot 3:   1A005 heeft geen betrekking op lichaamspantsering die is ontworpen om uitsluitend bescherming te bieden tegen messen, priemen, naalden of stompe voorwerpen.

1A006Apparatuur als hieronder, die speciaal is ontworpen of aangepast voor het demonteren van geïmproviseerde explosiemiddelen (Improvised Explosive Devices, IED’s), als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen en toebehoren:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a. 

op afstand bediende voertuigen;

b. 

‘disruptoren’.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1A006.b. zijn ‘disruptoren’ toestellen die speciaal zijn ontworpen om de ontploffing van een explosiemiddel te voorkomen door het afschieten van een vloeibaar, vast of versplinterend projectiel.

Noot:   1A006 heeft geen betrekking op apparatuur die door de operator wordt meegevoerd.

1A007Apparatuur en toestellen als hieronder, die speciaal zijn ontworpen om explosieve ladingen en middelen die “energetische materialen” bevatten, op elektrische wijze tot ontploffing te brengen:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN, 3A229 EN 3A232.

a. 

ontstekingsmechanismen met explosieve detonator die zijn ontworpen voor het starten van explosieve detonatoren als bedoeld in 1A007.b.;

b. 

elektrisch gestarte explosieve detonatoren, als hieronder:

1. 

‹exploding bridge› (EB);

2. 

‹exploding bridge wire› (EBW);

3. 

‹slapper›;

4. 

‹exploding foil›-ontstekingen (EFI).

Technische noten:

1.   De woorden “initiator” en “ontsteker” worden soms gebruikt in de plaats van het woord “detonator”.

2.   Voor de toepassing van 1A007.b. maken alle bedoelde detonatoren gebruik van een kleine elektrische geleider (‹bridge›, ‹bridge wire› of ‹foil›) die explosief verdampt wanneer er een snelle, elektrische hogestroomstoot doorheen wordt geleid. Bij het “non-slapper”-type brengt de exploderende geleider een chemische ontploffing op gang in een daarmee in aanraking zijnd brisant materiaal, bijvoorbeeld PETN (pentaerytritoltetranitraat). Bij “slapper”-detonatoren wordt een “flyer” of “slapper” door de explosieve verdamping van de elektrische geleider over een spleet gedreven en de schok van de “slapper” op een springstof brengt een chemische ontploffing op gang. Bij sommige constructies wordt de ‹slapper› door een magnetisch veld gestart. Met de uitdrukking ‹exploding foil›-detonator worden zowel EB-detonatoren als ‹slapper›-detonatoren bedoeld.

1A008Explosieve ladingen, middelen en componenten, waaronder:

a. 

‘gevormde ladingen’ met alle hiernavolgende eigenschappen:

1. 

netto equivalente hoeveelheid (NEH) van meer dan 90 g; en

2. 

buitendiameter van het omhulsel gelijk of groter dan 75 mm;

b. 

ladingen voor directionele explosies met alle hiernavolgende eigenschappen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1. 

een springlading van meer dan 40 g/m; en

2. 

een breedte van 10 mm of meer;

c. 

slagsnoer met springstoflading van meer dan 64 g/m;

d. 

cutters, en andere ladingen voor directionele explosies dan die bedoeld in 1A008.b., alsmede snij-explosieven met een netto equivalente hoeveelheid (NEH) van meer dan 3,5 kg.

Technische noot:

Onder ‘gevormde ladingen’ wordt verstaan explosieve ladingen die zodanig zijn gevormd dat zij het effect van een explosie kunnen sturen.

1A102Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstofcomponenten bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1A202Composiete structuren, met uitzondering van de in 1A002 bedoelde composieten, in buisvorm, met beide volgende eigenschappen:

NB:   ZIE OOK 9A010 EN 9A110.

a. 

een binnendiameter van 75-400 mm; en

b. 

vervaardigd van “stapel en continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010.a. of b of 1C210.a. of met koolstof-‹prepreg›-materiaal als bedoeld in 1C210.c.

1A225Geplatineerde katalysatoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bevorderen van de waterstofisotoopuitwisseling tussen waterstof en water voor het terugwinnen van tritium uit zwaar water of voor de productie van zwaar water.

1A226Specifieke pakkingen die kunnen worden gebruikt voor de scheiding van zwaar water van gewoon water, met beide volgende eigenschappen:

a. 

vervaardigd van plaatgaas van fosforbrons (chemisch behandeld ter verbetering van de bevochtigingsgraad); en

b. 

ontworpen voor gebruik in vacuüm-distillatietorens.

1A227Hoge densiteit stralingafschermende ramen (van loodglas of ander materiaal) met alle hiernavolgende eigenschappen en speciaal ontworpen kozijnen daarvoor:

a. 

een ‘koude zone’ groter dan 0,09 m2;

b. 

een dichtheid groter dan 3 g/cm3; en

c. 

een dikte van 100 mm of meer.

Technische noot:

In 1A227 wordt onder ‘koude zone’ verstaan de kijkzone van het raam die is blootgesteld aan het laagste stralingsniveau in de constructietoepassing.

1BTest-, inspectie- en productieapparatuur

1B001Apparatuur voor de vervaardiging of de inspectie van “composieten” of laminaten als bedoeld in 1A002 of “stapel- of continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

NB:   ZIE OOK 1B101 EN 1B201.

a. 

Continuvezelwindmachines waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal ‘in het primaire vlak’ in drie of meer ‘servogestuurde’ richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” of laminaten uit ‘stapel of continuvezelmateriaal”;

b. 

‘bandlegmachines’ waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van banden ‘in het primaire vlak’ in vijf of meer ‘servogestuurde’ richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” voor vliegtuigen en ‘raketten’;

Noot:   In 1B001.b. worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan.

Technische noot:

Voor de toepassing van punt 1B001.b. hebben ‘bandlegmachines’ de capaciteit om een of meer ‘filamentbanden’ met een breedte van ten hoogste 25,4 mm en ten hoogste 304,8 mm op te brengen en om afzonderlijke lagen ‘filamentbanden” tijdens het opleggen af te snijden of herstarten.

c. 

weef- en vlechtmachines welke in verscheidene richtingen en dimensies kunnen werken met inbegrip van aanpassings- of wijzigingsuitrustingen, speciaal ontworpen of aangepast voor het weven, dooreenvlechten of omvlechten van vezelmateriaal voor “composieten”;

Technische noot:

Voor de toepassing van punt 1B001.c. houdt de techniek van het dooreenvlechten tevens breien in.

d. 

apparatuur speciaal ontworpen of aangepast voor de vervaardiging van versterkingsvezels, als hieronder:

1. 

apparatuur voor het omzetten van polymere vezels (zoals polyacrylonitril, rayon, asfaltbitumen of polycarbosilaan) in koolstofvezels of vezels bestaande uit siliciumcarbide, met inbegrip van speciale voorzieningen voor het strekken van de vezels tijdens verhitting;

2. 

apparatuur voor het neerslaan van elementen of verbindingen uit de dampfase op verwarmde continuvezelsubstraten voor de vervaardiging van vezels bestaande uit siliciumcarbide;

3. 

apparatuur voor het natspinnen van vuurbestendige keramische materialen (bv. aluminiumoxide);

4. 

apparatuur voor het omzetten van aluminiumbevattende voorlopervezelmaterialen in aluminiumoxidevezels door middel van warmtebehandeling;

e. 

apparatuur voor het door middel van de heetsmeltmethode vervaardigen van de ‹prepregs› bedoeld in 1C010.e.;

f. 

inspectieapparatuur welke gebruikmaakt van niet destructieve technieken (NDT), welke speciaal is ontworpen voor “composieten”, als hieronder:

1. 

röntgentomografiesystemen voor het driedimensionaal opsporen van gebreken;

2. 

ultrasone inspectieapparatuur met “numerieke besturing”, waarvan de bewegingen voor het positioneren van zenders of ontvangers gelijktijdig in vier of meer richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, om de driedimensionale contouren van het te inspecteren onderdeel te volgen;

g. 

‘lintlegmachines’ waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van linten ‘in het primaire vlak’ in twee of meer ‘servogestuurde’ richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” voor vliegtuigen en ‘raketten’.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1B001.g. hebben ‘lintlegmachines’ de capaciteit om een of meer ‘filamentbanden’ met een breedte van ten hoogste 25,4 mm op te brengen en om afzonderlijke lagen ‘filamentbanden” tijdens het opleggen af te snijden of te herstarten.

Technische noten:

1.   Voor de toepassing van 1B001 moet onder ‘in het primaire vlak servogestuurde’ richting worden verstaan, de computergestuurde ruimtelijke positie van de eindeffector (d.w.z. het uiteinde) ten opzichte van het werkstuk, nodig om bij een correcte oriëntatie en richting de beoogde werking te verkrijgen.

2.   Voor de toepassing van 1B001 is een ‘filamentband’ één ononderbroken breedte van gedeeltelijk of geheel met hars geïmpregneerd band, lint of vezel. Geheel of gedeeltelijk met hars geïmpregneerde ‘filamentbanden” omvatten met droog poeder bedekte banden die bij verhitting hechten.

1B002Apparatuur ontworpen voor het vervaardigen van metaallegeringspoeder of uit deeltjes bestaand materiaal, met alle volgende eigenschappen:

a. 

speciaal ontworpen om contaminatie te voorkomen; en

b. 

speciaal ontworpen voor gebruik in één van de in 1C002.c.2. bedoelde procedés.

NB:   ZIE OOK 1B102.

1B003Gereedschap, matrijzen, stempels of klemmen voor het “superplastisch vormen” of “diffusielassen” van titaan of aluminium of legeringen daarvan, speciaal ontworpen voor het vervaardigen van één of meer:

a. 

constructies voor lucht- of ruimtevaart,

b. 

motoren voor “vliegtuigen” of ruimtevaartuigen; of

c. 

speciaal ontworpen onderdelen voor de in 1B003.a. bedoelde constructies of de in 1B003.b. bedoelde motoren.

1B101Apparatuur, met uitzondering van de onder 1B001 bedoelde apparatuur voor de “productie” van composieten, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

NB:   ZIE OOK 1B201.

Noot:   De in 1B101 bedoelde onderdelen en toebehoren omvatten onder meer matrijzen, doornen, stempels, klemmen en gereedschappen voor het persen van voorvormstukken, of het harden, gieten, sinteren of binden van composieten, laminaten en producten daarvan.

a. 

continuvezelwindmachines of vezelpositioneringsmachines (‹fibre placement machines›), waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal in drie of meer richtingen kunnen worden gecoördineerd en geprogrammeerd, ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” of laminaten uit “stapel of continuvezelmateriaal”, alsmede besturingseenheden voor het coördineren en het programmeren daarvan;

b. 

bandlegmachines, waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van banden en vellen in twee of meer richtingen kunnen worden gecoördineerd en geprogrammeerd, ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” voor casco’s en andere delen van vliegtuigen en “raketten”;

c. 

apparatuur, als hieronder, ontworpen of aangepast voor de “productie” van “stapel- of continuvezelmateriaal”:

1. 

apparatuur voor het omzetten van polymere vezels (zoals polyacrylonitril, rayon of polycarbosilaan) met inbegrip van speciale voorzieningen voor het strekken van de vezels tijdens verhitting;

2. 

apparatuur voor het afzetten van elementen of verbindingen uit de dampfase op verhitte continuvezelsubstraten;

3. 

apparatuur voor het natspinnen van vuurbestendige keramische materialen (bv. aluminiumoxide);

d. 

apparatuur, ontworpen of aangepast voor speciale oppervlaktebehandeling van vezels of voor het vervaardigen van de ‹prepregs› en ‹preforms›, bedoeld in 9C110.

Noot:   1B101.d. omvat onder meer rollen, strektoestellen, apparatuur voor het aanbrengen van deklagen, snijapparatuur en stansvormen.

1B102Andere metaalpoeder-“productieapparatuur” dan die bedoeld in 1B002 en onderdelen, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 1B115.b.

a. 

metaalpoeder-“productieapparatuur”, bruikbaar voor de “productie” in een gecontroleerde omgeving van sferische, sferoïdale of vernevelde materialen als bedoeld in 1C011.a., 1C011.b., 1C111.a.1., 1C111.a.2. of in de lijst militaire goederen;

b. 

speciaal ontworpen onderdelen van “productieapparatuur” als bedoeld in 1B002 of 1B102.a.

Noot:   1B102 omvat:

a. 

Plasmageneratoren (hogefrequentieboogstraal), bruikbaar voor het verkrijgen van gesputterde of sferische metaalpoeders in een argon-waterig milieu;

b. 

‹Electroburst› apparatuur, bruikbaar voor het verkrijgen van gesputterde of sferische metaalpoeders in een argon-waterig milieu;

c. 

Apparatuur, bruikbaar voor de “productie” van sferisch aluminiumpoeder door verpulvering van een smelt in een inert medium (bv. stikstof).

1B115Andere apparatuur dan die bedoeld in 1B002 en 1B102, voor de productie van stuwstoffen en bestanddelen daarvan, als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a. 

“productieapparatuur” voor de “productie”, het hanteren of het keuren van vloeibare stuwstoffen of bestanddelen daarvan, als bedoeld in 1C011.a., 1C011.b., 1C111 of in de lijst militaire goederen;

b. 

“productieapparatuur” voor de “productie”, het hanteren, mengen, harden, gieten, persen, machinaal bewerken, spuitgieten of keuren van vaste stuwstoffen of bestanddelen daarvan, als bedoeld in 1C011.a., 1C011.b., 1C111 of in de lijst militaire goederen.

Noot:   1B115.b. heeft geen betrekking op niet-continumengers, continumengers en luchtstraalmolens. Voor de controle daarop, zie 1B117, 1B118 en 1B119.

Noot 1:   Zie lijst militaire goederen voor apparatuur speciaal ontworpen voor de “productie” van militaire goederen.

Noot 2:   1B115 heeft geen betrekking op apparatuur voor de “productie”, het hanteren en het keuren van boorcarbide.

1B116Speciaal ontworpen spuitmonden (sproeikoppen) voor de “productie” van pyrolytisch gevormde materialen op een as, mal of ander substraat van voorlopergassen die ontleden bij temperaturen van 1 573  K (1 300  °C) tot 3 173  K (2 900  °C) en een druk van 130 Pa tot 20 kPa.

1B117Niet-continumengers met alle hiernavolgende eigenschappen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a. 

ontworpen of aangepast voor het mengen onder vacuüm bij een druk van nul tot 13,326 kPa;

b. 

met de mogelijkheid om de temperatuur van de mengkamer te regelen;

c. 

een totale inhoud van 110 liter of meer; en

d. 

ten minste één excentrisch geplaatste meng- of kneedas.

Noot:   In 1B117.d. verwijst de term ‘meng- of kneedas’ niet naar deagglomeratoren of mesassen.

1B118Continumengers met alle hiernavolgende eigenschappen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a. 

ontworpen of aangepast voor het mengen onder vacuüm bij een druk van nul tot 13,326 kPa;

b. 

met de mogelijkheid om de temperatuur van de mengkamer te regelen;

c. 

met een of meerdere van de volgende eigenschappen:

1. 

twee of meer meng- of kneedassen; of

2. 

met alle volgende eigenschappen:

a. 

één roterende en oscillerende as met mengtanden/-pennen; en

b. 

mengtanden/-pennen op de mengkamerwand.

1B119Luchtstraalmolens die gebruikt kunnen worden om de stoffen, genoemd in 1C011.a., 1C011.b., 1C111 of in de lijst militaire goederen, te malen of te stampen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

1B201continuvezelwindmachines, uitgezonderd machines als bedoeld in 1B001 of 1B101, en bijbehorende apparatuur, als hieronder:

a. 

continuvezelwindmachines met alle volgende eigenschappen:

1. 

de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal zijn in twee of meer richtingen gecoördineerd en geprogrammeerd;

2. 

de machines zijn speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” of laminaten uit “stapel- of continuvezelmateriaal”; en

3. 

geschikt voor het winden van cilindervormige buizen met een interne diameter van 75 tot 650 mm en een lengte van 300 mm of meer;

b. 

besturingseenheden voor het coördineren en programmeren van de in 1B201.a. bedoelde draadwindmachines;

c. 

zeer nauwkeurige spillen voor de in 1B201.a. bedoelde draadwindmachines.

1B225Elektrolytische cellen voor de productie van fluor met een capaciteit van meer dan 250 g fluor per uur.

1B226Elektromagnetische isotopenscheiders, ontworpen voor of uitgerust met enkelvoudige of meervoudige ionenbronnen die een totale ionenbundelstroom van 50 mA of meer kunnen leveren.

Noot:   1B226 omvat tevens scheiders:

a. 

geschikt voor het verrijken van stabiele isotopen;

b. 

waarbij de ionenbronnen en collectors zich in het magneetveld bevinden en configuraties waarbij deze zich buiten het veld bevinden.

1B228Kolommen voor de cryogene distillatie van waterstof met alle volgende eigenschappen:

a. 

ontworpen om te werken bij een interne temperatuur van 35 K (- 238 °C) of lager;

b. 

ontworpen om te werken bij een interne druk van 0,5-5 MPa;

c. 

vervaardigd van:

1. 

roestvast staal van de 300-serie van de Society of Automotive Engineers (SAE) met een laag zwavelgehalte en een korrelgroottegetal van 5 of hoger volgens de ASTM-standaard (of een gelijkwaardige standaard), voor austenitisch staal; of

2. 

gelijkwaardige cryogene materialen die tevens waterstof (H2) verdragen; en

d. 

met een binnendiameter van 30 cm of meer en een ‘nuttige lengte’ van 4 m of meer.

Technische noot:

In 1B228 betekent ‘nuttige lengte’ de actieve hoogte van het verpakkingsmateriaal in een kolom van het gestapelde type of de actieve hoogte van de platen van het interne contactorgaan in een kolom van het plaattype.

1B230Pompen, geschikt voor de circulatie van geconcentreerde of verdunde oplossingen van de katalysator kaliumamide in vloeibare ammoniak (KNH2/NH3), met alle volgende eigenschappen:

a. 

luchtdicht (d.w.z. hermetisch afgesloten);

b. 

met een capaciteit van meer dan 8,5 m3/uur; en

c. 

één van de volgende eigenschappen:

1. 

voor geconcentreerde oplossingen van kaliumamide (1 % of meer), een werkdruk van 1,5-60 MPa; of

2. 

voor verdunde oplossingen van kaliumamide (minder dan 1 %), een werkdruk van 20-60 MPa.

1B231Tritiuminstallaties of -fabrieken, en apparatuur daarvoor, als hieronder:

a. 

installaties of fabrieken voor het produceren, terugwinnen, extraheren, concentreren of behandelen van tritium;

b. 

apparatuur voor tritiuminstallaties of -fabrieken, als hieronder:

1. 

waterstof- of heliumkoeleenheden die kunnen koelen tot 23 K (- 250 °C) of lager, met een warmteafvoercapaciteit van meer dan 150 W;

2. 

opslag- of zuiveringssystemen voor waterstofisotopen die gebruikmaken van metaalhydriden als opslag- of zuiveringsmedium.

1B232Turbo expanders of turbo-expansie/compressiesets met beide volgende eigenschappen:

a. 

ontworpen om te werken met een uitstroomtemperatuur van 35 K (- 238 °C) of lager; en

b. 

ontworpen voor een doorvoer van waterstofgas van 1 000  kg/h of meer.

1B233Installaties of fabrieken voor het scheiden van lithiumisotopen en systemen en apparatuur daarvoor, als hieronder:

a. 

installaties of fabrieken voor het scheiden van lithiumisotopen;

b. 

apparatuur voor de scheiding van lithiumisotopen op basis van het kwik-lithiumamalgaamproces, als hieronder:

1. 

gestapelde kolommen voor vloeistof-vloeistofwisselkolommen, speciaal ontworpen voor lithiumamalgamen;

2. 

kwik- of lithiumamalgaampompen;

3. 

lithiumamalgaam-elektrolysecellen;

4. 

verdampers voor geconcentreerde lithiumhydroxideoplossingen;

c. 

ionenwisselsystemen die speciaal zijn ontworpen voor het scheiden van lithiumisotopen en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen;

d. 

chemische uitwisselsystemen (gebruikmakend van kroonethers, cryptanden of ‹lariat ethers› (kroonethers met zijketens of soortgelijke structuren)), speciaal ontworpen voor het scheiden van lithiumisotopen en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

1B234Brisante insluitingsvaten, -kamers of -containers en andere soortgelijke insluitingsinrichtingen die zijn ontworpen voor het testen van brisante springstoffen of explosiemiddelen, met beide volgende eigenschappen:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a. 

ontworpen om een explosie gelijkstaand aan 2 kg trinitrotolueen (TNT) of meer in te sluiten; en

b. 

heeft ontwerpelementen of -eigenschappen die directe of vertraagde overdracht van diagnostische of metingsinformatie mogelijk maken.

1B235Doelelementen en -onderdelen voor de productie van tritium, als volgt:

a. 

doelelementen bestaande uit of bevattende lithium, verrijkt in de lithium-6-isotoop, speciaal ontworpen voor het produceren van tritium door middel van bestraling, waaronder aanvoering in een kernreactor;

b. 

onderdelen, speciaal ontworpen voor de doelelementen als bedoeld in 1B235.a.

Technische noot:

Bij onderdelen, speciaal ontworpen voor doelelementen voor de productie van lithium, kunnen zijn inbegrepen lithiumpellets, tritiumgetters en speciaal bedekte hulzen.

1CMaterialen

Technische noot:

Metalen en legeringen:
behoudens andersluidende bepalingen wordt in 1C001 tot en met 1C012 onder ‘metalen’ en ‘legeringen” verstaan, ruwe of onbewerkte vormen en halffabricaten, als hieronder:
Ruwe of onbewerkte vormen:
anoden, kogels, staven (met inbegrip van gekerfde proefstaven en draadmetaal), knuppels, blokken, blooms, briketten, uitgangsblokken, kathoden, kristallen, kubussen, blokjes, korrels, granules, walsblokken, bobbels, pastilles, gietelingen, poeder, rondellen, schroot, plakken, brokken, sponsen, stiften;
Halffabricaten (al dan niet bekleed, beplaat, geboord of gestanst):
a. 

gesmede of bewerkte materialen die zijn vervaardigd door middel van walsen, doortrekken, spuitgieten, smeden, slagextrusie, persen, korrelen, verstuiven en slijpen, namelijk: hoekstaven, gootmetaal, ronde voorprofielen, schijven, stof, vlokken, foelies en bladmetaal, smeedstukken, platen, poeder, geperste stukken allerhande, linten, ringen, staven (met inbegrip van ruwe lasstaven, walsdraad en diverse gewalste draden), profielen, gietvormen, dunne platen, banden en buizen allerhande (met inbegrip van ronde, vierkante en holle pijpen), getrokken of geëxtrudeerde draad;

b. 

gegoten metaal vervaardigd door gieten in zand, metaal, gips of andere types gietvormen, met inbegrip van onder hoge druk gegoten producten, gesinterde vormen en door middel van poedermetallurgie vervaardigde producten.

De doelstellingen van de controle mogen niet worden omzeild door de uitvoer van niet gespecificeerde vormen waarvan wordt beweerd dat het om afgewerkte producten gaat, maar die in feite onbewerkte vormen of halffabricaten zijn.

1C001Materialen, speciaal ontworpen voor het absorberen van elektromagnetische straling, of intrinsiek geleidende polymeren, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 1C101.

a. 

materialen voor het absorberen van frequenties hoger dan 2 × 108 Hz doch lager dan 3 × 1012 Hz;

Noot 1:   1C001.a. heeft geen betrekking op:

a. 

absorberende materialen van het haartype, ongeacht of deze zijn gemaakt van natuurlijke of synthetische vezels, welke niet-magnetische stoffen bevatten voor de absorptie;

b. 

absorberende materialen waarin geen magnetisch verlies optreedt en waarvan het invallend oppervlak niet vlak is, zoals piramiden, kegels, wiggen en gedraaide oppervlakken;

c. 

vlakke absorberende materialen die alle onderstaande eigenschappen vertonen:

1. 

gemaakt van één van de volgende materialen:

a. 

kunststof schuimmaterialen (al dan niet buigzaam) welke koolstof bevatten, of organische materialen, met inbegrip van binders, met meer dan 5 % echo vergeleken met metaal over een bandbreedte groter dan ± 15 % van de centrale frequentie van de binnenkomende energie, en niet bestand tegen temperaturen hoger dan 450 K (177 °C); of

b. 

keramische materialen met meer dan 20 % echo vergeleken met metaal over een bandbreedte groter dan ± 15 % van de centrale frequentie van de binnenkomende energie, en niet bestand tegen temperaturen hoger dan 800 K (527 °C);

Technische noot:

Monsters voor het testen van de absorptie ten behoeve van 1C001.a. Noot: 1.c.1. dienen een vierkant te zijn van ten minste vijf golflengten (van de middenfrequentie) aan één zijde en geplaatst in het verre veld van het stralingselement.

2. 

een treksterkte van minder dan 7 × 106 N/m2; en

3. 

een druksterkte van minder dan 14 × 106 N/m2;

d. 

vlakke absorberende materialen, gemaakt van gesinterd ferriet, met de volgende eigenschappen:

1. 

een relatieve dichtheid groter dan 4,4; en

2. 

een maximale werktemperatuur van 548 K (275 °C) of lager;

e. 

vlakke absorberende materialen waarin geen magnetisch verlies optreedt en die vervaardigd zijn van kunststofmateriaal van ‘open-celschuim’ met een dichtheid van maximaal 0,15 g/cm3.

Technische noot:

‘Open-celschuim’ is een verzamelnaam voor flexibele en poreuze materialen met een inwendige structuur die open is naar de buitenlucht. ‘Open-celschuim’ staat ook bekend als vernet schuim.

Noot 2:   Magnetische materialen voor absorptiedoeleinden in verf vallen wel onder 1C001.a.

b. 

materialen welke geen zichtbaar licht doorlaten en speciaal zijn ontworpen voor het absorberen van nabije-infraroodstraling met een golflengte van meer dan 810 nm doch minder dan 2 000  nm (frequenties hoger dan 150 THz doch lager dan 370 THz);

Noot:   1C001.b. heeft geen betrekking op materialen die speciaal ontworpen of samengesteld zijn voor de volgende toepassingen:

a. 

het “lasermarkeren” van polymeren; of

b. 

het “laserlassen” van polymeren.

c. 

intrinsiek geleidende polymere materialen met een ‘specifieke elektrische volumegeleidbaarheid’ groter dan 10 000  S/m (Siemens per meter) of een ‘specifieke oppervlakteweerstand” kleiner dan 100 ohm/vierkant, op basis van één of meer van de volgende polymeren:

1. 

polyaniline;

2. 

polypyrrool;

3. 

polythiofeen;

4. 

polyfenyleen-vinyleen; of

5. 

polythienyleen-vinyleen.

Noot:   1C001.c. heeft geen betrekking op materialen in vloeibare vorm.

Technische noot:

De ‘specifieke elektrische volumegeleidbaarheid’ en de ‘specifieke oppervlakteweerstand” dienen te worden bepaald met behulp van ASTM D-257 of nationale gelijkwaardige methoden.

1C002Metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 1C202.

Noot:   1C002 heeft geen betrekking op metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, speciaal samengesteld voor bekledingsdoeleinden.

Technische noten:

1.   De metaallegeringen bedoeld in 1C002, zijn legeringen waarin het genoemde metaal een hoger gewichtspercentage heeft dan enig ander element.

2.   De ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’, dient te worden gemeten volgens ASTM Standard E-139 of gelijkwaardige nationale methoden.

3.   De ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ dient te worden gemeten volgens ASTM Standard E-606 ‘‹Recommended practice for constant-amplitude low-cycle fatigue testing›’ of gelijkwaardige nationale equivalenten. Het testen dient axiaal te geschieden met een gemiddelde belastingsverhouding gelijk aan 1 en een krachten-concentratiefactor (Kt) gelijk aan 1. De gemiddelde belastingsverhouding wordt gedefinieerd als de maximale belasting min de minimale belasting gedeeld door de maximale belasting.

a. 

aluminiden, als hieronder:

1. 

nikkelaluminiden met minstens 15 gewichtspercenten aluminium, hoogstens 38 gewichtsprocenten aluminium en minstens één extra legeringselement;

2. 

titaanaluminiden met 10 of meer gewichtspercenten aluminium en minstens één extra legeringselement;

b. 

metaallegeringen, als hieronder, gemaakt van poeder of uit deeltjes bestaand materiaal als bedoeld in 1C002.c.:

1. 

nikkellegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a. 

een ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’ van 10 000  uur of meer bij 923 K (650 °C) en een spanning van 676 MPa; of

b. 

een ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 1 095  MPa bij 823 K (550 °C);

2. 

niobiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a. 

een ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’ van 10 000  uur of meer bij 1 073  K (800 °C) en een spanning van 400 MPa; of

b. 

een ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 700 MPa bij 973 K (700 °C);

3. 

titaanlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a. 

een ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’ van 10 000  uur of meer bij 723 K (450 °C) en een spanning van 200 MPa; of

b. 

een ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 400 MPa bij 723 K (450 °C);

4. 

aluminiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a. 

een treksterkte van 240 MPa of meer bij 473 K (200 °C); of

b. 

een treksterkte van 415 MPa of meer bij 298 K (25 °C);

5. 

magnesiumlegeringen met alle volgende eigenschappen:

a. 

een treksterkte van 345 MPa of meer; en

b. 

een corrosiesnelheid lager dan 1 mm/jaar in een 3 %-natriumchlorideoplossing in water, gemeten volgens ASTM Standard G-31 of gelijkwaardige nationale equivalenten;

c. 

metaallegeringspoeder of uit deeltjes bestaand materiaal, met alle volgende eigenschappen:

1. 

gemaakt van een van onderstaande samenstellingssystemen:

Technische noot:

X staat voor één of meer legeringselementen.

a. 

nikkellegeringen (Ni-Al-X, Ni-X-Al) gespecificeerd voor onderdelen of elementen voor turbinemotoren, d.w.z. met minder dan drie niet metallieke deeltjes (verontreinigingen van het fabricageproces) groter dan 100 μm op 109 legeringsdeeltjes;

b. 

niobiumlegeringen (Nb-Al-X of Nb-X-Al, Nb-Si-X of Nb-X-Si, Nb-Ti-X of Nb-X-Ti);

c. 

titaanlegeringen (Ti-Al-X of Ti-X-Al);

d. 

aluminiumlegeringen (Al-Mg-X of Al-X-Mg, Al-Zn-X of Al-X-Zn, Al-Fe-X of Al-X-Fe); of

e. 

magnesiumlegeringen (Mg-Al-X of Mg-X-Al);

2. 

vervaardigd in een beheerst milieu door middel van één van onderstaande procedés:

a. 

‘verstuiving in vacuüm’;

b. 

‘verstuiving in gas’;

c. 

‘roterend verstuiven’;

d. 

‘versplintering door snelle afkoeling’;

e. 

‘spinnen uit de smelt’ en ‘vergruizing’;

f. 

‘smeltextractie’ en ‘vergruizing’;

g. 

‘mechanisch legeren’; of

h. 

‘verstuiving via plasma-atomisatie’; en

3. 

in staat in 1C002.a. of 1C002.b. bedoelde materialen te vormen;

d. 

gelegeerde materialen met alle volgende eigenschappen:

1. 

gemaakt van een van de in 1C002.c.1. bedoelde samenstellingssystemen;

2. 

in de vorm van niet-vergruisde schilfers, stroken of dunne staven; en

3. 

vervaardigd in een beheerst milieu door middel van één van de volgende procedés:

a. 

‘versplintering door snelle afkoeling’;

b. 

‘spinnen uit de smelt’; of

c. 

‘smeltextractie’.

Technische noten:

1.   ‘Verstuiving in vacuüm’: een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaal tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder door middel van de snelle uiteenzetting van een opgelost gas bij blootstelling aan een vacuüm.

2.   ‘Verstuiving in gas’: een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaallegering tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder door middel van een onder hoge druk staande gasstroom.

3.   ‘Roterend verstuiven’: een proces voor het verdelen van een stroom of een plas gesmolten metaal tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder door middel van centrifugale kracht.

4.   ‘Versplintering door snelle afkoeling’ (‹splat quenching›): een proces voor het ‘snel stollen’ van een gesmolten stroom metaal die botst op een gekoeld blok, waardoor ‘flakes” worden gevormd.

5.   ‘Smeltspinnen’: een proces voor het ‘snel stollen’ van een stroom gesmolten metaal die botst op een ronddraaiend gekoeld blok, waardoor een schilfer-, lint- of staafvormig product ontstaat.

6.   ‘Vergruizing’: een procedé voor het tot deeltjes verdelen van materiaal door stampen of malen.

7.   ‘Smeltextractie’: een proces voor het ‘snel stollen’ en extraheren van een lintvormig legeringsproduct door een kort segment van een ronddraaiend gekoeld blok in een bad met een gesmolten metaallegering te brengen.

8.   ‘Mechanisch legeren’: een legeringsproces door middel van het binden, breken en opnieuw binden van elementaire en moederlegeringspoeders met behulp van mechanische krachten. Niet-metaaldeeltjes kunnen in de legering worden opgenomen door toevoeging van de geschikte poeders.

9.   ‘Verstuiving via plasma-atomisatie’:een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaallegering tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder met behulp van een plasmabrander in een omgeving met inert gas.

10.   ‘Snel stollen’: het stollen van gesmolten materiaal bij een koelsnelheid van meer dan 1 000  K/s.

1C003Magnetische metalen van alle soorten, ongeacht de vorm, met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

een relatieve beginpermeabiliteit van 120 000 of meer en een dikte van 0,05 mm of minder;

Technische noot:

De relatieve beginpermeabiliteit wordt gemeten aan het gespecificeerde materiaal dat volledig ontlaten is.

b. 

magnetostrictieve legeringen met:

1. 

een verzadigingsmagnetostrictie van meer dan 5 × 10–4; of

2. 

een magnetomechanische koppelingsfactor (k) van meer dan 0,8; of

c. 

strips van amorfe of ‘nanokristallijne’ legeringen met de volgende eigenschappen:

1. 

een samenstelling met minimaal 75 gewichtspercenten ijzer, kobalt of nikkel;

2. 

een magnetische verzadigingsinductie (Bs) van 1,6 T of meer; en

3. 

één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

een stripdikte van 0,02 mm of minder; of

b. 

een elektrische soortelijke weerstand van 2 × 10–4 ohm cm of meer.

Technische noot:

‘Nanokristallijne’ materialen in 1C003.c. zijn materialen met een kristalkorrelgrootte van hoogstens 50 nm, bepaald door middel van röntgendiffractie.

1C004Uraan-titaanlegeringen of wolfraamlegeringen met een “matrix” op basis van ijzer, nikkel of koper, met alle volgende eigenschappen:

a. 

een dichtheid groter dan 17,5 g/cm3;

b. 

een elastische rekgrens groter dan 880 MPa;

c. 

een treksterkte groter dan 1 270  MPa; en

d. 

een rek groter dan 8 %.

1C005“Supergeleidende”“composiet”-geleiders in lengten groter dan 100 m of met een massa groter dan 100 g, als hieronder:

a. 

“supergeleidende”“composiet”-geleiders welke een of meer niobium-titaan-‘filamenten’ bevatten, met beide volgende eigenschappen:

1. 

ingebed in een “matrix” anders dan een koper-“matrix” of in een op koper gebaseerd “matrix”-mengsel; en

2. 

met een doorsnedeoppervlak kleiner dan 0,28 × 10–4 mm2 (6 μm diameter voor ronde ‘filamenten’);

b. 

“supergeleidende”“composiet”-geleiders, bestaande uit één of meer “supergeleidende”‘filamenten’, anders dan van niobium-titaan, met de volgende eigenschappen:

1. 

een “kritische temperatuur” bij afwezigheid van magnetische inductie hoger dan 9,85 K (- 263,31 °C); en

2. 

in een “supergeleidende” toestand blijvend bij een temperatuur van 4,2 K (– 268,96 °C) bij blootstelling aan een magnetisch veld dat loodrecht op de lengteas van de geleider is georiënteerd en overeenstemt met een magnetische inductie van 12 T, met een kritische stroomdichtheid van meer dan 1 750  A/mm2 over de totale doorsnede van de geleider;

c. 

“supergeleidende”“composiet”-geleiders, bestaande uit één of meer “supergeleidende”‘filamenten’, die “supergeleidend” blijven boven 115 K (- 158,16 °C).

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C005 kunnen de ‘filamenten’ de vorm van een draad, cilinder, film, band of lint hebben.

1C006Vloeistoffen en smeermiddelen, als hieronder:

a. 

niet gebruikt;

b. 

smeermiddelen met als voornaamste bestanddeel één of meer van de volgende stoffen:

1. 

fenyleen- of alkylfenyleenethers of thio-ethers, of mengsels daarvan, welke meer dan twee ether- of thio-ethergroepen bevatten of combinaties daarvan; of

2. 

gefluoreerde siliconevloeistoffen die een kinematische viscositeit hebben van minder dan 5 000  mm2/s (5 000  centistokes) gemeten bij 298 K (25 °C);

c. 

dempingsvloeistoffen en flotatievloeistoffen met alle volgende eigenschappen:

1. 

een zuiverheid groter dan 99,8 %;

2. 

met minder dan 25 deeltjes van 200 μm of groter per 100 ml; en

3. 

gemaakt van ten minste 85 % van één of meer van onderstaande stoffen:

a. 

dibroomtetrafluorethaan (CAS 25497-30-7, 124-73-2, 27336-23-8);

b. 

polychloortrifluoretheen (uitsluitend olie- en wasmodificaties); of

c. 

polybroomtrifluoretheen;

d. 

vloeistoffen op basis van fluorkoolstoffen bestemd voor elektronische koeling met de volgende eigenschappen:

1. 

minstens 85 gewichtspercenten van de volgende stoffen of mengsels daarvan:

a. 

monomeren van perfluorpolyalkylether-triazinen of perfluoralifatische ethers;

b. 

perfluoralkylaminen;

c. 

perfluorcycloalkanen; of

d. 

perfluoralkanen;

2. 

een dichtheid van 1,5 g/ml of meer bij 298 K (25 °C);

3. 

vloeibaar bij 273 K (0 °C); en

4. 

minstens 60 gewichtspercenten fluor.

Noot:   1C006.d. heeft geen betrekking op als medische producten gespecificeerde en verpakte materialen.

1C007Keramische poeders, “composieten” met een keramische “matrix”, en ‘voorlopermaterialen’, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 1C107.

a. 

keramische poeders van titaandiboride (TiB2) (CAS 12045-63-5) met een totale hoeveelheid aan metallische verontreiniging, exclusief opzettelijke toevoegingen, van minder dan 5 000  ppm, met een gemiddelde deeltjesgrootte minder dan of gelijk aan 5 μm, terwijl niet meer dan 10 % van de deeltjes groter is dan 10 μm;

b. 

niet gebruikt;

c. 

“composieten” met een keramische “matrix”, als hieronder:

1. 

keramisch-keramische “composieten” met een glas- of oxide-“matrix” en versterkt met:

a. 

continuvezels die zijn gemaakt van één van de volgende materialen:

1. 

Al2O3 (CAS 1344-28-1); of

2. 

Si-C-N; of

Noot:   1C007.c.1.a. heeft geen betrekking op “composieten” die vezels bevatten met een treksterkte van minder dan 700 MPa bij 1 273  K (1 000  °C) of een trek-krimpweerstand van meer dan 1 % krimp bij een belasting van 100 MPa bij 1 273  K (1 000  °C) gedurende 100 uren.

b. 

vezels met alle volgende eigenschappen:

1. 

gemaakt van één van de volgende materialen:

a. 

Si-N;

b. 

Si-C;

c. 

Si-Al-O-N; of

d. 

Si-O-N; en

2. 

met een “specifieke treksterkte” groter dan 12,7 × 103 m;

2. 

“composieten” met een keramische “matrix”, waarbij carbiden of nitriden van silicium, zirkoon of boor de “matrix” vormen;

d. 

niet gebruikt;

e. 

‘voorlopermaterialen’, speciaal ontworpen voor de “productie” van in 1C007.c. bedoelde materialen, als hieronder:

1. 

polydiorganosilanen;

2. 

polysilazanen;

3. 

polycarbosilazanen;

f. 

niet gebruikt.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C007 zijn ‘voorlopermaterialen’ de voor speciale doeleinden bestemde polymere of organometaalverbindingen die worden gebruikt voor de “productie” van siliciumcarbide, siliciumnitride, of keramische materialen met silicium, koolstof en stikstof.

1C008Niet-gefluoreerde polymeren, als hieronder:

a. 

imiden, als hieronder:

1. 

bismale-imiden;

2. 

aromatische polyamide-imiden (PAI) met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 563 K (290 °C);

3. 

aromatische polyimiden met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 505 K (232 °C);

4. 

aromatische polyetherimiden met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 563 K (290 °C);

Noot:   1C008.a. is van toepassing op de stoffen in vloeibare of vaste “smeltbare” vorm, waaronder hars, poeder, pellets, film, vellen, band of lint.

NB:   voor on“smeltbare” aromatische polyimiden in film, vellen, band of lint, zie 1A003.

b. 

niet gebruikt;

c. 

niet gebruikt;

d. 

polyaryleenketonen;

e. 

polyaryleensulfiden, waarbij de arylgroep bestaat uit bifenyleen, trifenyleen of combinaties daarvan;

f. 

polybifenyleenethersulfonen met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 563 K (290 °C).

Technische noten:

1.   De ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ voor de in 1C008.a.2. bedoelde thermoplatische, de in 1C008.a.4. bedoelde materialen en de in 1C008.f. bedoelde materialen wordt bepaald volgens de methode, beschreven in ISO 11357-2:1999 of nationale equivalenten.

2.   De ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ voor de in 1C008.a.2. bedoelde thermohardende materialen en de in 1C008.a.3. bedoelde materialen wordt bepaald middels de driepuntsbuigproef beschreven in ASTM D 7028-07 of een vergelijkbare nationale norm. De proef wordt uitgevoerd met een droog staal met een vulkaniseringsgehalte van minimaal 90 % als omschreven in ASTM E 2160-04 of een vergelijkbare nationale norm en is gevulkaniseerd met gebruikmaking van een combinatie van standaard- en nahardingsprocessen die de hoogste Tg opbrengen.

1C009Onbewerkte fluorverbindingen, als hieronder:

a. 

niet gebruikt;

b. 

gefluoreerde polyimiden die 10 of meer gewichtspercenten gebonden fluor bevatten;

c. 

gefluoreerde fosfazeen elastomeren die 30 of meer gewichtspercenten gebonden fluor bevatten.

1C010“Stapel- en continuvezelmateriaal”, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 1C210 EN 9C110.

Technische noten:

1.   Voor de berekening van de “specifieke treksterkte”, de “specifieke modulus” of het soortelijk gewicht van “stapel- of continuvezelmateriaal” in 1C010.a., 1C010.b., 1C010.c. of 1C010.e.1.b., moeten de treksterkte en modulus worden bepaald met behulp van methode A, beschreven in ISO 10618:2004 of nationale equivalenten.

2.   Beoordeling van de “specifieke treksterkte”, “specifieke modulus” of het soortelijk gewicht van niet in één richting liggend “stapel- of continuvezelmateriaal” (bijvoorbeeld weefsels, willekeurige matten of vlechten) in 1C010 moet worden gebaseerd op de mechanische eigenschappen van de samenstellende in één richting liggende monofilamenten (bv. monofilamenten, garens, rovings en linten) vóór de verwerking ervan tot de niet in één richting liggende “stapel- of continuvezelmaterialen”.

a. 

organisch “stapel- of continuvezelmateriaal” met de volgende eigenschappen:

1. 

“specifieke modulus” groter dan 12,7 × 106 m; en

2. 

“specifieke treksterkte” groter dan 23,5 × 104 m;

Noot:   1C010.a. heeft geen betrekking op polyethyleen.

b. 

koolstof-“stapel- en continuvezelmateriaal” met elk van de onderstaande eigenschappen:

1. 

“specifieke modulus” groter dan 14,65 × 106 m; en

2. 

“specifieke treksterkte” groter dan 26,82 × 104 m;

Noot:   1C010.b. heeft geen betrekking op:

a. 

weefsels, gemaakt van “stapel- of continuvezelmateriaal” voor de reparatie van casco’s of laminaten van “civiele vliegtuigen”, met de volgende eigenschappen:

1. 

een maximale oppervlakte van 1 m2;

2. 

een maximale lengte van 2,5 m; en

3. 

een breedte van meer dan 15 mm.

b. 

mechanisch verhakseld, vermalen of gesneden “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met een lengte van 25,0 mm of minder.

c. 

anorganisch “stapel- of continuvezelmateriaal” met de volgende eigenschappen:

1. 

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

voor 50 of meer gewichtspercenten samengesteld uit siliciumdioxide en met een “specifieke modulus” groter dan 2,54 × 106 m; of

b. 

niet nader omschreven in 1C010.c.1.a. en met een “specifieke modulus” groter dan 5,6 × 106 m; en

2. 

smelt-, verwekings-, en ontledings- of sublimatiepunt hoger dan 1 922  K (1 649  °C) in een inerte atmosfeer;

Noot:   1C010.c. heeft geen betrekking op:

a. 

discontinue, meerfasige, polykristallijne aluminiumoxide-vezels als stapelvezels of als onregelmatig gelaagde matten, welke 3 of meer gewichtspercenten siliciumdioxide bevatten, met een “specifieke modulus” kleiner dan 10 × 106 m;

b. 

vezels van molybdeen en molybdeenlegeringen;

c. 

boorvezels;

d. 

discontinue keramische vezels met een smelt-, verwekings-, ontledings- of sublimatiepunt lager dan 2 043  K (1 770  °C) in een inerte atmosfeer.

d. 

“stapel- of continuvezelmateriaal” met één of meer van de onderstaande eigenschappen:

1. 

samengesteld uit één of meer van de volgende materialen:

a. 

polyetherimiden, als bedoeld in 1C008.a.; of

b. 

materialen als bedoeld in 1C008.d. tot en met 1C008.f.; of

2. 

samengesteld uit andere materialen als bedoeld in 1C010.d.1.a., of 1C010d.1.b., en “vermengd” (‹commingled›) met andere vezels als bedoeld in 1C010.a., 1C010.b. of 1C010.c.;

Technische noot:

‘Vermengd’: het mengen van filamenten van thermoplastische vezels en versterkingsvezels voor de productie van een vezelversterkings-“matrix”-mengsel in totaalvezelvorm.

e. 

geheel of gedeeltelijk met hars of asfaltbitumen geïmpregneerd “stapel- of continuvezelmateriaal” (‹prepregs›), met metaal of koolstof bekleed “stapel- of continuvezelmateriaal” (‹preforms›) of ‘voorvormen (‹preforms›) van koolstofvezels’, met de volgende eigenschappen:

1. 

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

anorganisch “stapel- of continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010.c.; of

b. 

organisch “stapel- of continuvezelmateriaal” of “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met alle onderstaande eigenschappen:

1. 

“specifieke modulus” groter dan 10,15 × 106 m; en

2. 

“specifieke treksterkte” groter dan 17,7 × 104 m; en

2. 

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

hars of asfaltbitumen, als bedoeld in 1C008 of 1C009.b.;

b. 

‘middels dynamisch-mechanische analyse bepaalde glasovergangstemperatuur (DMA Tg)’ gelijk aan of hoger dan 453 K (180 °C) en met fenolhars; of

c. 

‘middels dynamisch-mechanische analyse bepaalde glasovergangstemperatuur (DMA Tg)’ gelijk aan of hoger dan 505 K (232 °C) en met hars of asfaltbitumen, niet nader omschreven in 1C008 of 1C009.b., en niet zijnde een fenolhars;

Noot 1:   met metaal of koolstof bekleed “stapel- of continuvezelmateriaal” (‹preforms›) of niet met hars of asfaltbitumen geïmpregneerde ‘voorvormen (‹preforms›) van koolstofvezels’ worden omschreven onder “stapel- of continuvezelmateriaal“ in 1C010.a., 1C010.b. of 1C010.c.

Noot 2:   1C010.e. heeft geen betrekking op:

a. 

met epoxyhars geïmpregneerd koolstof-“stapel- of continuvezelmateriaal” (‹prepregs›) voor de reparatie van casco’s of laminaten van “civiele vliegtuigen” met de volgende eigenschappen:

1. 

een maximale oppervlakte van 1 m2;

2. 

een maximale lengte van 2,5 m; en

3. 

een breedte van meer dan 15 mm.

b. 

geheel of gedeeltelijk met hars of asfaltbitumen geïmpregneerd en mechanisch verhakseld, vermalen of gesneden “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met een lengte van 25,0 mm of minder wanneer ander dan onder 1C008 of 1C009.b. vermeld hars of asfaltbitumen wordt gebruikt.

Technische noten:

1.   ‘Voorvormen (‹preforms›) van koolstofvezels’: een geordende verzameling vezels, met of zonder deklaag, bestemd om een raamwerk van een deel te vormen alvorens de “matrix” wordt ingebracht, teneinde een “composiet” te vormen.

2.   De ‘middels dynamisch-mechanische analyse bepaalde glasovergangstemperatuur (DMA Tg)’ voor de materialen bedoeld in 1C010.e. wordt bepaald volgens de in ASTM D 7028-07 beschreven methode, of een vergelijkbare nationale norm. Voor thermogeharde materialen bedraagt het vulkaniseringsgehalte van een droog staal minimaal 90 %, als omschreven in ASTM E 2160-04 of een vergelijkbare nationale norm.

1C011Metalen en verbindingen, als hieronder:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C111.

a. 

metalen met een deeltjesgrootte van minder dan 60 μm, hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdaal, in vlokkenvorm of gemalen, vervaardigd uit materiaal dat voor 99 % of meer bestaat uit zirkonium, magnesium en legeringen daarvan;

Technische noot:

Het natuurlijke hafniumgehalte van het zirkonium (normaal 2 % tot 7 %) wordt bij het zirkonium gerekend.

Noot:   De metalen of legeringen in 1C011.a. vallen onder de regeling, ongeacht of zij al dan niet zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

b. 

boor of boorlegeringen met een deeltjesgrootte van hoogstens 60 μm, als hieronder:

1. 

boor met een zuiverheid van minstens 85 gewichtspercenten;

2. 

boorlegeringen die minstens 85 gewichtspercenten boor bevatten;

Noot:   De metalen of legeringen in 1C011.b. vallen onder de regeling, ongeacht of zij al dan niet zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

c. 

guanidinenitraat (CAS 506-93-4);

d. 

nitroguanidine (NQ) (CAS 556-88-7).

NB:   Zie tevens de lijst militaire goederen voor metaalpoeders die met andere stoffen worden gemengd tot mengsels voor militair gebruik.

1C012Materialen, als hieronder:

Technische noot:

Deze materialen worden doorgaans voor nucleaire warmtebronnen gebruikt.

a. 

plutonium in iedere vorm met een plutonium-isotoopgehalte aan plutonium-238 van meer dan 50 gewichtsprocent;

Noot:   1C012.a. heeft geen betrekking op:

a. 

zendingen die hoogstens 1 g plutonium bevatten;

b. 

zendingen van hoogstens 3 “effectieve grammen” in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten.

b. 

“door opwerking verkregen” neptunium-237 in iedere vorm.

Noot:   1C012.b. heeft geen betrekking op zendingen die hoogstens 1 g neptunium-237 bevatten.

1C101Materialen voor het beperken van de zichtbaarheid zoals de radarreflectie, het ultraviolet/infrarood of akoestische beeld, anders dan de materialen bedoeld in 1C001, geschikt voor gebruik in ‘raketten’, subsystemen van “raketten” of onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in 9A012 of 9A112.a.

Noot 1:   1C101 omvat:

a. 

constructiematerialen en deklagen, speciaal ontworpen om de radarreflectie te beperken;

b. 

deklagen, inclusief verven, speciaal ontworpen om de reflectie of de uitstraling in het microgolf-, infrarood- of ultravioletgebied te beperken of aan te passen.

Noot 2:   1C101 omvat niet deklagen die speciaal bedoeld zijn om de thermische stabiliteit van satellieten te regelen.

Technische noot:

In 1C101 worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

1C102Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstof-materialen bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1C107Niet in 1C007 beschreven grafiet en keramische materialen, als hieronder:

a. 

grafiet met een kleine korrelgrootte en met een volumedichtheid van ten minste 1,72 g/cm3 gemeten bij 288 K (15 °C), met een korrelgrootte van 100 μm of minder, geschikt voor raketstraalpijpen of neuskegels van terugkeervoertuigen, dat gebruikt kan worden bij de productie van:

1. 

cilinders met een diameter van ten minste 120 mm en een lengte van ten minste 50 mm;

2. 

buizen met een binnendiameter van ten minste 65 mm, een wanddikte van ten minste 25 mm en een lengte van ten minste 50 mm; of

3. 

blokken met een minimumomvang van 120 × 120 × 50 mm;

NB:   Zie ook 0C004.

b. 

pyrolytisch of vezelversterkt grafiet, geschikt voor “raket” straalpijpen of neuskegels van terugkeervoertuigen voor gebruik in “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

NB:   Zie ook 0C004.

c. 

keramische composieten (diëlektrische constante kleiner dan 6 bij een frequentie van 100 MHz tot 100 GHz), geschikt voor radarkoepels voor gebruik in “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

d. 

bewerkbare, met siliciumcarbide versterkte keramiek in bulk, geschikt voor neuskegels voor gebruik in “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

e. 

versterkte siliciumcarbide keramiek composieten, geschikt voor neuskegels, terugkeervoertuigen en straalpijpen, bruikbaar voor “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

f. 

bewerkbare, keramische composieten in bulk die bestaan uit een matrix van ‘ultra-hoge-temperatuur keramische materialen (UHTC)’ met een smeltpunt van ten minste 3 000  °C en versterkt zijn met vezels en filamenten, bruikbaar voor raketonderdelen (zoals neuskegels, terugkeervoertuigen, voorranden, vinnen, stuurvlakken of (straalpijp-)halsinzetstukken voor raketmotoren) in “raketten”, in 9A004 bedoelde ruimtelanceervoertuigen, in 9A104 bedoelde sonderingsraketten of ‘raketten’.

Noot:   1C107.f. heeft geen betrekking op ‘ultra-hoge-temperatuur keramische materialen (UHTC)’ die geen “composieten” zijn.

Technische noot 1:

In 1C107.f. worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

Technische noot 2:

‘Ultra-hoge-temperatuur keramische materialen (UHTC)’ omvatten:

1. 

titaandiboride (TiB2);

2. 

zirconiumdiboride (ZrB2);

3. 

niobiumdiboride (NbB2);

4. 

hafniumdiboride (HfB2);

5. 

tantaaldiboride (TaB2);

6. 

titaancarbide (TiC);

7. 

zirkoniumcarbide (ZrC);

8. 

niobiumcarbide (NbC);

9. 

hafniumcarbide (HfC);

10. 

tantaalcarbide (TaC).

1C111Niet in 1C011 beschreven stuwstoffen en chemicaliën voor de vervaardiging van stuwstoffen, als hieronder:

a. 

stoffen die stuwkracht leveren:

1. 

bolvormig of sferoïdaal aluminiumpoeder, anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen, met een deeltjesgrootte kleiner dan 200 μm en een aluminiumgehalte van 97 % of meer, indien ten minste 10 % van het totaalgewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 63 μm, overeenkomstig ISO 2591-1:1988 of nationale equivalenten;

Technische noot:

Een deeltjesgrootte van 63 μm (ISO R-565) stemt overeen met maasgetal 250 (Tyler) of 230 (ASTM Standard E-11).

2. 

metaalpoeders, anders dan bedoeld in de lijst militaire goederen, als hieronder:

a. 

metaalpoeders van zirkonium, beryllium of magnesium, of legeringen van deze metalen, indien minstens 90 % van het totale aantal deeltjes aan deeltjesvolume of -gewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 60 μm (vastgesteld middels metingstechnieken zoals het gebruik van een zeef, laserdiffractie of optische aftasting), hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdaal, in vlokkenvorm of gemalen, voor 97 gewichtsprocent of meer bestaand uit één van de volgende:

1. 

zirkonium;

2. 

beryllium; of

3. 

magnesium;

Technische noot:

Het natuurlijke hafniumgehalte van het zirkonium (normaal 2 % tot 7 %) wordt bij het zirkonium gerekend.

b. 

metaalpoeders van borium of boriumlegeringen, met een boriuminhoud van meer dan 85 gewichtsprocent, indien minstens 90 % van het totale aantal deeltjes aan deeltjesvolume of -gewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 60 μm (vastgesteld middels metingstechnieken zoals het gebruik van een zeef, laserdiffractie of optische aftasting), hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdaal, in vlokkenvorm of gemalen;

Noot:   1C111a.2.a. en 1C111a.2.b. is van toepassing op poedermengsels met een multimodale deeltjesverdeling (bv. mengsels van verschillende korrelgrootte) indien een of meer methoden worden gereguleerd.

3. 

oxidatoren geschikt voor raketmotoren voor vloeibare stuwstof, als hieronder:

a. 

distikstoftrioxide (CAS 10544-73-7);

b. 

stikstofdioxide (CAS 10102-44-0)/distikstoftetraoxide (CAS 10544-72-6);

c. 

distikstofpentoxide (CAS 10102-03-1);

d. 

mengsels van stikstofoxiden (mixed oxides of nitrogen, MON);

Technische noot:

Mengsels van stikstofoxiden (MON) zijn oplossingen van stikstofoxide (NO) in distikstoftetraoxide/stikstofdioxide (N2O4/NO2) die in raketsystemen kunnen worden gebruikt. Er bestaan diverse verbindingen die als MONi of MONij kunnen worden aangeduid, waarbij i en j hele getallen zijn die het percentage stikstofoxide in het mengsel weergeven (zo bevat MON3 3 % stikstofoxide en MON25 25 %. Een bovengrens is MON40, d.w.z. 40 gewichtsprocent).

e. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR geïnhibeerd roodrokend salpeterzuur (Inhibited Red Fuming Nitric Acid, IRFNA);

f. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C238 VOOR verbindingen bestaande uit fluor en een of meer andere halogenen, zuurstof of stikstof.

4. 

hydrazinederivaten, als hieronder:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a. 

trimethylhydrazine (CAS 1741-01-1);

b. 

tetramethylhydrazine (CAS 6415-12-9);

c. 

N,N-diallylhydrazine (CAS 5164-11-4);

d. 

allylhydrazine (CAS 7422-78-8);

e. 

ethyleendihydrazine (CAS 6068-98-0);

f. 

monomethylhydrazinedinitraat;

g. 

asymmetrisch dimethylhydrazinenitraat;

h. 

hydraziniumazide (CAS 14546-44-2);

i. 

1,1-dimethylhydraziniumazide (CAS 227955-52-4)/1,2-dimethylhydraziniumazide (CAS 299177-50-7);

j. 

hydraziniumdinitraat (CAS 13464-98-7);

k. 

diimide oxaalzuurdihydrazine (CAS 3457-37-2);

l. 

2-hydroxyethylhydrazinenitraat (HEHN);

m. 

zie lijst militaire goederen voor hydraziniumperchloraat;

n. 

hydraziniumdiperchloraat (CAS 13812-39-0);

o. 

methylhydrazinenitraat (MHN) (CAS 29674-96-2);

p. 

1,1-diethylhydrazinenitraat (DEHN) / 1,2-diethylhydrazinenitraat (DEHN) (CAS 363453-17-2);

q. 

3,6-dihydrazinetetrazinenitraat (1,4-dihydrazinenitraat) (DHTN);

5. 

materialen met hoge energiedichtheid, anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen, die kunnen worden gebruikt in ‘raketten’ of onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in 9A012 of 9A112.a.;

a. 

gemengde brandstof die zowel vaste als vloeibare brandstof bevat, zoals boriumspecie, met een energiedichtheid op massabasis van minimaal 40 × 106 J/kg;

b. 

andere brandstoffen met hoge energiedichtheid en brandstofadditieven (bv. cubaan, ionische oplossingen, JP-10), met een energiedichtheid op massabasis van minimaal 37,5 × 109 J/m3, gemeten bij 20 °C en een atmosferische druk van één (101,325 kPa);

Noot:   1C111.a.5.b. heeft geen betrekking op fossiele geraffineerde brandstoffen en uit groenten gewonnen biobrandstoffen, daaronder begrepen brandstoffen voor motoren die gecertificeerd zijn voor gebruik in de civiele luchtvaart, tenzij deze speciaal zijn bestemd voor ‘raketten’ of onbemande luchtvaartuigen als bedoeld in 9A012 of 9A112.a.

Technische noot:

In 1C111.a.5. worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

6. 

hydrazinevervangingsbrandstoffen, als hieronder:

a. 

2-dimethylaminoethylazide (DMAZ) (CAS 86147-04-8);

b. 

polymeren:

1. 

polybutadieen met carboxy-eindgroep (met inbegrip van polybutadieen met carboxyl-eindgroep) (CTPB);

2. 

polybutadieen met hydroxy-eindgroep (met inbegrip van polybutadieen met hydroxyl-eindgroep) (HTPB) (CAS 69102-90-5), anders dan bedoeld in de lijst militaire goederen;

3. 

polybutadieen-acrylzuur (PBAA);

4. 

polybutadieen-acrylzuur-acrylonitril (PBAN) (CAS 25265-19-4 / CAS 68891-50-9);

5. 

polytetrahydrofuraan polyethyleenglycol (TPEG);

Technische noot:

Polytetrahydrofuraan polyethyleenglycol (TPEG) is een blokcopolymeer van poly 1,4-butaandiol (CAS 110-63-4) en polyethyleenglycol (PEG) (CAS 25322-68-3).

6. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR polyglycidylnitraat (PGN of poly-GLYN) (CAS 27814-48-8).

c. 

andere additieven en hulpstoffen voor stuwstoffen:

1. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR carboranen; decaboranen; pentaboranen en derivaten;

2. 

triethyleenglycoldinitraat (TEGDN) (CAS 111-22-8);

3. 

2-nitrodifenylamine (CAS 119-75-5);

4. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR trimethylethaantrinitraat (TMETN) (CAS 3032-55-1);

5. 

diethyleenglycoldinitraat (DEGDN) (CAS 693-21-0);

6. 

ferroceenderivaten, als hieronder:

a. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR catoceen (CAS 37206-42-1);

b. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR ethylferroceen (CAS 1273-89-8);

c. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR n-propylferroceen (CAS 1273-92-3)/iso-propylferroceen (CAS 12126-81-7);

d. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR n-butylferroceen (CAS 31904-29-7);

e. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR pentylferroceen (CAS 1274-00-6);

f. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR dicyclopentylferroceen (CAS 125861-17-8);

g. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR dicyclohexylferroceen;

h. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR diethylferroceen (CAS 1273-97-8);

i. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR dipropylferroceen;

j. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR dibutylferroceen (CAS 1274-08-4);

k. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR dihexylferroceen (CAS 93894-59-8);

l. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR acetylferroceen (CAS 1271-55-2) / 1,1’-diacetylferroceen (CAS 1273-94-5);

m. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR ferroceencarboxylzuur (CAS 1271-42-7) / 1,1’-ferroceendicarboxylzuur (CAS 1293-87-4);

n. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR butaceen (CAS 125856-62-4);

o. 

andere ferroceenderivaten die kunnen worden gebruikt als verbrandingssnelheidsmodificatoren voor raketstuwstoffen, die niet onder de lijst militaire goederen vallen.

Noot:   1C111.c.6.o. heeft geen betrekking op ferroceenderivaten met een aan de ferroceenmolecule vastgehechte aromatische functionele groep van zes koolstofatomen.

7. 

4,5-diazidomethyl-2-methyl-1,2,3-triazool (iso-DAMTR) anders dan die aangegeven in de lijst militaire goederen.

d. 

‘gel-stuwstof’ (‹gel propellant›), anders dan bedoeld in de lijst militaire goederen, speciaal samengesteld voor gebruik in ‘raketten’.

Technische noten:

1.   Voor de toepassing van 1C111.d. is een ‘gel-stuwstof’ (‹gel propellant›) een brandstof of naverbrandingsformule waarin een geleermiddel, zoals silicaten, kaolien (klei), koolstof of een polymeer geleermiddel, wordt gebruikt.

2.   In 1C111.d. worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

Noot:   Zie voor andere niet in 1C111 vermelde stuwstoffen en chemicaliën voor de vervaardiging van stuwstoffen de lijst militaire goederen.

1C116Maragingstaal, bruikbaar in ‘raketten’, met alle volgende eigenschappen:

NB:   ZIE OOK 1C216.

a. 

met een treksterkte, gemeten bij 293 K (20 °C), die gelijk is aan of groter is dan:

1. 

0,9 GPa in het stadium van ontlaten van de oplossing; of

2. 

1,5 GPa in het stadium van precipitatieharden; en

b. 

één van de volgende vormen:

1. 

plaat of buis met een wand- of plaatdikte van 5,0 mm of minder;

2. 

buisvormige vormen met een wanddikte gelijk aan of minder dan 50 mm en een inwendige diameter gelijk aan of meer dan 270 mm.

Technische noot 1:

Maragingstaal is een ijzerlegering die:

1. 

gewoonlijk door een hoog nikkelgehalte, een zeer laag koolstofgehalte en het gebruik van vervangende elementen of precipitaten voor het versterken en tijdharden van de legering wordt gekenmerkt; en

2. 

warmtebehandelingen hebben ondergaan om het martensitische omzettingsproces (stadium van ontlaten van de oplossing) te faciliteren en vervolgens tijdgehard zijn (stadium van precipitatieharden).

Technische noot 2:

In 1C116 worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

1C117Materiaal voor de productie van onderdelen van ‘raketten’, als hieronder:

a. 

wolfraam en legeringen in deeltjesvorm bevattende 97 of meer gewichtspercenten wolfraam en waarvan de grootte van de deeltjes 50 × 10–6 m (50 μm) is of minder;

b. 

molybdeen en legeringen in deeltjesvorm bevattende 97 of meer gewichtspercenten molybdeen en waarvan de grootte van de deeltjes 50 × 10–6 m (50 μm) is of minder;

c. 

wolfraammateriaal in vaste vorm, met de volgende samenstellingen:

1. 

één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

wolfraam en wolfraamlegeringen bevattende 97 of meer gewichtspercenten wolfraam;

b. 

met koper geïnfiltreerd wolfraam bevattende 80 of meer gewichtspercenten wolfraam; of

c. 

met zilver geïnfiltreerd wolfraam bevattende 80 of meer gewichtspercenten wolfraam; en

2. 

kan worden gebruikt bij de productie van:

a. 

cilinders met een diameter van ten minste 120 mm en een lengte van ten minste 50 mm;

b. 

buizen met een binnendiameter van ten minste 65 mm, een wanddikte van ten minste 25 mm en een lengte van ten minste 50 mm; of

c. 

blokken met een minimumomvang van 120 × 120 × 50 mm.

Technische noot:

In 1C117 worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

1C118Duplex roestvast staal met titaanstabilisatie (Ti-DSS), met de volgende eigenschappen:

a. 

met alle navolgende eigenschappen:

1. 

het bevat 17,0-23,0 gewichtspercenten chroom en 4,5-7,0 gewichtspercenten nikkel;

2. 

het titaangehalte bedraagt meer dan 0,10 gewichtspercenten; en

3. 

een ferritisch-austenitische microstructuur (ook tweefasenmicrostructuur genoemd) waarvan ten minste 10 volumepercenten austeniet (volgens ASTM E-1181-87 of nationale equivalenten); en

b. 

in één van de volgende vormen:

1. 

walsblokken of staven die ten minste 100 mm groot zijn in elke richting;

2. 

platen met een breedte van ten minste 600 mm en een dikte van 3 mm of minder; of

3. 

buizen met een buitendiameter van ten minste 600 mm en een wanddikte van 3 mm of minder.

1C202Legeringen, anders dan bedoeld in 1C002.b.3. of 1C002.b.4., als hieronder:

a. 

aluminiumlegeringen met beide volgende eigenschappen:

1. 

‘geschikt voor’ een treksterkte van 460 MPa of meer bij 293 K (20 °C); en

2. 

buisvormig of massief cilindervormig (met inbegrip van smeedstukken) met een buitendiameter van meer dan 75 mm;

b. 

titaanlegeringen met beide volgende eigenschappen:

1. 

‘geschikt voor’ een treksterkte van 900 MPa of meer bij 293 K (20 °C); en

2. 

buisvormig of massief cilindervormig (met inbegrip van smeedstukken) met een buitendiameter van meer dan 75 mm.

Technische noot:

De zinsnede legeringen ‘geschikt voor’ omvat legeringen zowel voor als na warmtebehandeling.

1C210‘Stapel- en continuvezelmateriaal’ of ‹prepregs›, anders dan bedoeld in 1C010.a., 1C010.b. of 1C010.e., als hieronder:

a. 

‘stapel- of continuvezelmateriaal’ van koolstof of aramide met één van de volgende eigenschappen:

1. 

“specifieke modulus” van 12,7 × 106 m of groter; of

2. 

“specifieke treksterkte” van 23,5 × 104 m of groter;

Noot:   1C210.a. heeft geen betrekking op ‘stapel- of continuvezelmateriaal’ van aramide dat ten minste 0,25 gewichtspercent bevat van een op een ester gebaseerde vezeloppervlakmodificator;

b. 

‘stapel- of continuvezelmateriaal’ van glas met beide volgende eigenschappen:

1. 

“specifieke modulus” van 3,18 × 106 m of groter; en

2. 

“specifieke treksterkte” van 7,62 × 104 m of groter;

c. 

thermogeharde met hars geïmpregneerde continu-“garens”, -“rovings”, -“linten” of “banden” met een breedte van 15 mm of minder (‹prepregs›), vervaardigd uit ‘stapel- of continuvezelmateriaal‘ van koolstof of glas als bedoeld in 1C210.a. of 1C210.b.

Technische noot:

Het hars vormt de matrix van de composiet.

Noot:   In 1C210 is ‘stapel- of continuvezelmateriaal’ beperkt tot continue “monofilamenten”“garens”, “‹rovings›”, “linten” of “banden”.

1C216Maragingstaal, anders dan bedoeld in 1C116, ‘geschikt voor’ een treksterkte van 1 950  MPa of meer bij 293 K (20 °C).

Noot:   1C216 heeft geen betrekking op maragingstaal in een vorm waarin geen enkele lineaire maat groter is dan 75 mm.

Technische noot:

De zinsnede maragingstaal ‘geschikt voor’ omvat maragingstaal zowel voor als na warmtebehandeling.

1C225Boor, verrijkt in de boor-10-isotoop (10B) tot meer dan de natuurlijke abundantie, in de hiernavolgende vormen: elementair boor, boorverbindingen, boorhoudende mengsels, fabricaten daarvan, afval en schroot van deze stoffen.

Noot:   De in 1C225 bedoelde boorhoudende mengsels omvatten met boor beladen materialen.

Technische noot:

De natuurlijke abundantie van boor-10 is ongeveer 18,5 gewichtspercenten (20 % op atomaire basis).

1C226Wolfraam, wolfraamcarbide en legeringen die meer dan 90 gewichtspercenten wolfraam bevatten, anders dan bedoeld in 1C117, met beide volgende eigenschappen:

a. 

in vormen met holle cilindersymmetrie (daaronder mede begrepen cilindersegmenten) met een binnendiameter tussen 100 mm en 300 mm; en

b. 

met een massa groter dan 20 kg.

Noot:   1C226 heeft geen betrekking op fabrikaten die speciaal ontworpen zijn als gewicht of collimator voor gammastralen.

1C227Calcium met beide volgende eigenschappen:

a. 

bevat minder dan 1 000  gewichtsdelen per miljoen aan metallische verontreiniging anders dan magnesium; en

b. 

bevat minder dan 10 gewichtsdelen per miljoen boor.

1C228Magnesium met beide volgende eigenschappen:

a. 

bevat minder dan 200 gewichtsdelen per miljoen aan metallische verontreiniging anders dan calcium; en

b. 

bevat minder dan 10 gewichtsdelen per miljoen boor.

1C229Bismut met beide volgende eigenschappen:

a. 

een zuiverheid van 99,99 gewichtspercenten of meer; en

b. 

bevat minder dan 10 gewichtsdelen per miljoen zilver.

1C230Beryllium, als hierna: metaal, legeringen die meer dan 50 gewichtspercenten beryllium bevatten, berylliumverbindingen, fabricaten daarvan en afval of schroot van deze stoffen, anders dan vermeld in de lijst militaire goederen.

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

Noot:   1C230 heeft geen betrekking op:

a. 

vensters voor röntgentoestellen of voor apparatuur voor metingen in boorgaten;

b. 

vormstukken van berylliumoxide als eindproduct of halffabricaat, speciaal ontworpen voor elektronische onderdelen of als substraat voor elektronische schakelingen;

c. 

beril (beryllium-aluminiumsilicaat) in de vorm van smaragden of aquamarijnen.

1C231Hafnium, als hierna: metaal, legeringen die meer dan 60 gewichtspercenten hafnium bevatten, verbindingen van hafnium die meer dan 60 gewichtspercenten hafnium bevat, fabricaten daarvan en afval of schroot van deze stoffen.

1C232Helium-3 (3He), mengsels die helium-3 bevatten, en producten of toestellen die een van deze stoffen bevatten.

Noot:   1C232 heeft geen betrekking op een product of apparaat dat minder dan 1 g helium-3 bevat.

1C233Lithium, verrijkt in de lithium-6-isotoop (6Li)tot meer dan de natuurlijke abundantie, of producten of toestellen die verrijkt lithium bevatten, als hierna: elementair lithium, legeringen, lithiumverbindingen, mengsels die lithium bevatten, fabricaten daarvan en afval of schroot van deze stoffen.

Noot:   1C233 heeft geen betrekking op thermoluminescentie-stralingsmeters.

Technische noot:

De natuurlijk abundantie van de lithium-6-isotoop is ongeveer 6,5 gewichtspercenten (7,5 % op atomaire basis).

1C234Zirkonium met een hafniumgehalte van minder dan 1 gewichtsdeel hafnium op 500 gewichtsdelen zirkonium, als hierna: metaal, legeringen die meer dan 50 gewichtspercenten zirkonium bevatten, verbindingen, fabricaten daarvan, afval of schroot van deze stoffen, anders dan die vermeld zijn in 0A001.f.

Noot:   1C234 heeft geen betrekking op zirkonium in de vorm van folie met een dikte van 0,10 mm of minder.

1C235Tritium, tritiumverbindingen en mengsels welke tritium bevatten, waarin de verhouding van het aantal tritiumatomen tot het aantal waterstofatomen groter is dan 1:1 000 , en producten of toestellen die een van voorgaande stoffen bevatten.

Noot:   1C235 heeft geen betrekking op een product of toestel dat minder dan 1,48 × 103 GBq (40 Ci) tritium in welke vorm dan ook bevat.

1C236‘Radionucliden’ geschikt voor het maken van neutronenbronnen op basis van alfa-n-reactie, anders dan die bedoeld in 0C001 en 1C012.a., in de volgende vormen:

a. 

de elementaire vorm;

b. 

verbindingen met een totale activiteit van 37 GBq/kg (1 Ci/kg) of hoger;

c. 

mengsels met een totale activiteit van 37 GBq/kg (1 Ci/kg) of hoger;

d. 

producten of toestellen die een van voorgaande stoffen bevatten.

Noot:   1C236 heeft geen betrekking op een product of toestel dat minder dan 3,7 GBq (100 millicurie) activiteit bevat.

Technische noot:

In 1C236 wordt onder ‘radionucliden’ verstaan:

— 
Actinium-225 (225Ac)
— 
Actinium-227 (227Ac)
— 
Californium-253 (253Cf)
— 
Curium-240 (240Cm)
— 
Curium-241 (241Cm)
— 
Curium-242 (242Cm)
— 
Curium-243 (243Cm)
— 
Curium-244 (244Cm)
— 
Einsteinium-253 (253Es)
— 
Einsteinium-254 (254Es)
— 
Gadolinium-148 (148Gd)
— 
Plutonium-236 (236Pu)
— 
Plutonium-238 (238Pu)
— 
Polonium-208 (208Po)
— 
Polonium-209 (209Po)
— 
Polonium-210 (210Po)
— 
Radium-223 (223Ra)
— 
Thorium-227 (227Th)
— 
Thorium-228 (228Th)
— 
Uranium-230 (230U)
— 
Uranium-232 (232U)

1C237Radium-226 (226Ra), radium-226-legeringen, radium-226-verbindingen, mengsels die radium-226 bevatten, fabricaten daarvan, en producten of toestellen die een van deze stoffen bevatten.

Noot:   1C237 heeft geen betrekking op:

a. 

medische middelen;

b. 

een product of toestel dat minder dan 0,37 GBq (10 millicurie) radium-226 bevat.

1C238Chloortrifluoride (ClF3).

1C239Brisante springstoffen, anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen, of stoffen of mengsels met een gehalte van meer dan 2 gewichtspercenten aan deze springstoffen, met een kristaldichtheid groter dan 1,8 g/cm3 en een detonatiesnelheid groter dan 8 000  m/s.

1C240Nikkelpoeder en poreus nikkelmetaal, anders dan bedoeld in 0C005, als hieronder:

a. 

nikkelpoeder met beide volgende eigenschappen:

1. 

een nikkelgehalte van 99,0 gewichtspercenten of meer; en

2. 

een gemiddelde korrelgrootte kleiner dan 10 μm, gemeten volgens Standard B330 van de ASTM;

b. 

poreus nikkelmetaal, gemaakt van materiaal, bedoeld in 1C240.a.

Noot:   1C240 heeft geen betrekking op:

a. 

vezelvormige nikkelpoeders;

b. 

enkelvoudige platen van poreus nikkel, met een oppervlakte per plaat van 1 000  cm2 of minder.

Technische noot:

1C240.b. heeft betrekking op poreus metaal dat gevormd is door samenpersing en sintering van de materialen in 1C240.a., om een materiaal van metaal te vormen met fijne poriën die door de gehele structuur heen onderling verbonden zijn.

1C241Renium en legeringen die 90 gewichtsprocenten of meer renium bevatten; en legeringen van renium en wolfraam die voor 90 gewichtsprocenten of meer bestaan uit een combinatie van renium en wolfraam, anders dan bedoeld in 1C226, met beide onderstaande eigenschappen:

a. 

in vormen met holle cilindersymmetrie (daaronder mede begrepen cilindersegmenten) met een binnendiameter tussen 100 mm en 300 mm; en

b. 

met een massa groter dan 20 kg.

1C350Chemische stoffen, geschikt voor het vervaardigen van toxische stoffen, als hieronder, en “chemische mengsels” die een of meer van deze stoffen bevatten:

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C450.

1. 

thiodiglycol (CAS 111-48-8);

2. 

fosforoxychloride (CAS 10025-87-3);

3. 

dimethylmethylfosfonaat (CAS 756-79-6);

4. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR methylfosfonyldifluoride (CAS 676-99-3);

5. 

methylfosfonyldichloride (CAS 676-97-1);

6. 

dimethylfosfiet (DMP) (CAS 868-85-9);

7. 

fosfortrichloride (CAS 7719-12-2);

8. 

trimethylfosfiet (TMP) (CAS 121-45-9);

9. 

thionylchloride (CAS 7719-09-7);

10. 

3-hydroxy-1-methylpiperidine (CAS 3554-74-3);

11. 

N,N-diisopropyl-(β)-aminoethylchloride (CAS 96-79-7);

12. 

N,N-diisopropyl-(β)-aminoethaanthiol (CAS 5842-07-9);

13. 

chinuclidine-3-ol (CAS 1619-34-7);

14. 

kaliumfluoride (CAS 7789-23-3);

15. 

2-chloorethanol (CAS 107-07-3);

16. 

dimethylamine (CAS 124-40-3);

17. 

diethylethylfosfonaat (CAS 78-38-6);

18. 

diethyl-N,N-dimethylfosforamidaat (CAS 2404-03-7);

19. 

diethylfosfiet (CAS 762-04-9);

20. 

dimethylaminehydrochloride (CAS 506-59-2);

21. 

dichloorethylfosfine (CAS 1498-40-4);

22. 

ethylfosfonyldichloride (CAS 1066-50-8);

23. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR ethylfosfonyldifluoride (CAS 753-98-0);

24. 

waterstoffluoride (CAS 7664-39-3);

25. 

methylbenzilaat (CAS 76-89-1);

26. 

dichloormethylfosfine (CAS 676-83-5);

27. 

N,N-diisopropyl-(β)-aminoethanol (CAS 96-80-0);

28. 

pinacolylalcohol (CAS 464-07-3);

29. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR O-ethyl O-2-diisopropylaminoethyl-methylfosfoniet (QL) (CAS 57856-11-8);

30. 

triethylfosfiet (CAS 122-52-1);

31. 

arseentrichloride (CAS 7784-34-1);

32. 

benzilzuur (CAS 76-93-7);

33. 

diethylmethylfosfoniet (CAS 15715-41-0);

34. 

dimethylethylfosfonaat (CAS 6163-75-3);

35. 

difluorethylfosfine (CAS 430-78-4);

36. 

difluormethylfosfine (CAS 753-59-3);

37. 

chinuclidine-3-on (CAS 3731-38-2);

38. 

fosforpentachloride (CAS 10026-13-8);

39. 

pinacolon (CAS 75-97-8);

40. 

kaliumcyanide (CAS 151-50-8);

41. 

kaliumbifluoride (CAS 7789-29-9);

42. 

ammoniumbifluoride (CAS 1341-49-7);

43. 

natriumfluoride (CAS 7681-49-4);

44. 

natriumbifluoride (CAS 1333-83-1);

45. 

natriumcyanide (CAS 143-33-9);

46. 

triethanolamine (CAS 102-71-6);

47. 

fosforpentasulfide (CAS 1314-80-3);

48. 

diisopropylamine (CAS 108-18-9);

49. 

diethylaminoethanol (CAS 100-37-8);

50. 

natriumsulfide (CAS 1313-82-2);

51. 

zwavelmonochloride (CAS 10025-67-9);

52. 

zwaveldichloride (CAS 10545-99-0);

53. 

triethanolaminehydrochloride (CAS 637-39-8);

54. 

N,N-diisopropyl-(β)-aminoethylchloride hydrochloride (CAS 4261-68-1);

55. 

methylfosfonzuur (CAS 993-13-5);

56. 

diethylmethylfosfonaat (CAS 683-08-9);

57. 

N,N-dymethylaminofosforyldichloride (CAS 677-43-0);

58. 

tri-isopropylfosfiet (CAS 116-17-6);

59. 

ethyldiethanolamine (CAS 139-87-7);

60. 

O,O-diethylfosforothioaat (CAS 2465-65-8);

61. 

O,O-diethylfosforodithioaat (CAS 298-06-6);

62. 

natriumhexafluorosilicaat (CAS 16893-85-9);

63. 

methylfosfonthiodichloride (CAS 676-98-2);

64. 

diethylamine (CAS 109-89-7);

65. 

N,N-diisopropylaminoethaanethiolhydrochloride (CAS 41480-75-5)

66. 

methyldichloorfosfaat (CAS 677-24-7);

67. 

ethyldichloorfosfaat (CAS 1498-51-7);

68. 

methyldifluorfosfaat (CAS 22382-13-4);

69. 

ethyldifluorfosfaat (CAS 460-52-6);

70. 

diethylchloorfosfiet (CAS 589-57-1);

71. 

methylchloorfluorfosfaat (CAS 754-01-8);

72. 

ethylchloorfluorfosfaat (CAS 762-77-6);

73. 

N,N-dimethylformamidine (CAS 44205-42-7);

74. 

N,N-diethylformamidine (CAS 90324-67-7);

75. 

N,N-dipropylformamidine (CAS 48044-20-8);

76. 

N,N-diisopropylformamidine (CAS 857522-08-8);

77. 

N,N-dimethylaceetamidine (CAS 2909-14-0);

78. 

N,N-diethylaceetamidine (CAS 14277-06-6);

79. 

N,N-dipropylaceetamidine (CAS 1339586-99-0);

80. 

N,N-dimethylpropaanamidine (CAS 56776-14-8);

81. 

N,N-diethylpropaanamidine (CAS 84764-73-8);

82. 

N,N-dipropylpropaanamidine (CAS 1341496-89-6);

83. 

N,N-dimethylbutaanamidine (CAS 1340437-35-5);

84. 

N,N-diethylbutaanamidine (CAS 53510-30-8);

85. 

N,N-dipropylbutaanamidine (CAS 1342422-35-8);

86. 

N,N-diisopropylbutaanamidine (CAS 1315467-17-4);

87. 

N,N-dimethylisobutaanamidine (CAS 321881-25-8);

88. 

N,N-diethylisobutaanamidine (CAS 1342789-47-2);

89. 

N,N-dipropylisobutaanamidine (CAS 1342700-45-1).

Noot 1:   Voor uitvoer naar “Staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C350 niet bedoeld “chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C350.1, .3, .5, .11, .12, .13, .17, .18, .21, .22, .26, .27, .28, .31, .32, .33, .34, .35, .36, .54, .55, .56, .57, .63 en .65 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 10 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 2:   Voor uitvoer naar “Staten die partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C350 niet bedoeld “chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C350.1, .3, .5, .11, .12, .13, .17, .18, .21, .22, .26, .27, .28, .31, .32, .33, .34, .35, .36, .54, .55, .56, .57, .63 en .65 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 3:   1C350 heeft geen betrekking op “chemische mengsels” die een of meer van de in de 1C350.2, .6, .7, .8, .9, .10, .14, .15, .16, .19, .20, .24, .25, .30, .37, .38, .39, .40, .41, .42, .43, .44, .45, .46, .47, .48, .49, .50, .51, .52, .53, .58, .59, .60, .61, .62, .64, .66, .67, .68, .69, .70, .71, .72, .73, .74, .75, .76, .77, .78, .79, .80, .81, .82, .83, .84, .85, .86, .87, .88 en .89 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 4:   1C350 heeft geen betrekking op producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelsverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

1C351Pathogenen voor mensen en dieren en “toxinen”, als hieronder:

a. 

virussen, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1. 

Afrikaanse-paardenpestvirus.

2. 

Afrikaanse-varkenspestvirus;

3. 

Andesvirus;

4. 

aviaire influenzavirus, hetzij:

a. 

niet-gekarakteriseerd; of

b. 

zoals omschreven in bijlage I, punt 2, bij Richtlijn 2005/94/EG (PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16) met hoge pathogeniteitsindex, als hieronder:

1. 

type A-virussen met een IVPI (intraveneuze pathogeniteitsindex) bij zes weken oude kuikens van meer dan 1,2; of

2. 

type A-virussen van het subtype H5 of H7, met een genoomsequentie die codeert voor meerdere basische aminozuren aan de breukzijde van de hemagglutininemolecule en die overeenkomt met de sequentie die ook bij andere HPAI-virussen is vastgesteld, waaruit kan worden afgeleid dat de hemagglutininemolecule kan worden gesplitst door een algemene protease van de gastheer;

5. 

Bluetonguevirus;

6. 

Chaparevirus;

7. 

Chikungunyavirus;

8. 

Choclovirus;

9. 

haemorragische-Krim-Kongokoortsvirus (CCHF-virus);

10. 

niet gebruikt;

11. 

Dobrava-Belgradevirus;

12. 

Eastern equine encefalitisvirus;

13. 

Ebolavirus: alle leden van het geslacht van ebolavirussen;

14. 

mond-en-klauwzeervirus;

15. 

geitenpokkenvirus;

16. 

Guanaritovirus;

17. 

Hantaanvirus;

18. 

Hendravirus (Equine-morbillivirus);

19. 

Suid herpesvirus 1 (pseudorabiësvirus; ziekte van Aujeszky);

20. 

klassieke-varkenspestvirus (Hog Cholera Virus);

21. 

Japanse-encefalitisvirus;

22. 

Juninvirus;

23. 

Kyasanur Forest disease-virus;

24. 

Laguna-Negravirus;

25. 

Lassavirus;

26. 

Louping ill-virus;

27. 

Lujovirus;

28. 

virus van nodulaire dermatose;

29. 

Lymfocytaire-choriomeningitisvirus;

30. 

Machupovirus;

31. 

Marburgvirus: alle leden van het geslacht van Marburgvirussen;

32. 

apenpokkenvirus;

33. 

Murray Valley-encefalitisvirus;

34. 

virus van de ziekte van Newcastle (pseudovogelpestvirus);

35. 

Nipah-vurus;

36. 

Omsk hemorragische-koortsvirus;

37. 

Oropouche-virus;

38. 

virus van de ziekte van kleine herkauwers;

39. 

vesiculaire-varkensziektevirus;

40. 

Powassan-virus;

41. 

Rabiësvirus en alle andere leden van het geslacht van lyssavirussen;

42. 

Rift Valleyvirus;

43. 

runderpestvirus;

44. 

Rocio-virus;

45. 

Sabiavirus;

46. 

Seoulvirus;

47. 

schapenpokkenvirus;

48. 

Sin Nombre-virus;

49. 

Saint-Louis-encefalitisvirus;

50. 

Porcine Teschovirus;

51. 

tekenencephalitisvirus (Verre-Oostensubtype);

52. 

variolavirus;

53. 

Venezuelan equine encefalitisvirus;

54. 

vesiculaire-stomatitisvirus;

55. 

Western equine encefalitisvirus;

56. 

gele-koortsvirus;

57. 

aan het ernstig acuut ademhalingssyndroom gerelateerd coronavirus (aan SARS gerelateerd coronavirus);

58. 

gereconstrueerd 1918-influenzavirus;

59. 

aan het Middle East respiratory syndrome gerelateerd coronavirus (aan MERS gerelateerd coronavirus);

b. 

niet gebruikt;

c. 

bacteriën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1. 

Bacillus anthracis;

2. 

Brucella abortus;

3. 

Brucella melitensis;

4. 

Brucella suis;

5. 

Burkholderia mallei (Pseudomonas mallei);

6. 

Burkholderia pseudomallei (Pseudomonas pseudomallei);

7. 

Chlamydia psittaci (Chlamydophila psittaci);

8. 

Clostridium argentinense (voorheen bekend als Clostridium botulinum, type G), botulinum neurotoxine-producerende stammen;

9. 

Clostridium baratii, botulinum neurotoxine-producerende stammen;

10. 

Clostridium botulinum;

11. 

Clostridium butyricum, botulinum neurotoxine-producerende stammen;

12 

Clostridium perfringens epsilontoxine-producerende types;

13. 

Coxiella burnetii;

14. 

Francisella tularensis;

15. 

Mycoplasma capricolum subtype capripneumoniae (stam F38);

16. 

Mycoplasma mycoides subtype mycoides SC (kleine kolonie);

17. 

Rickettsia prowazekii;

18. 

Salmonella enterica subtype enterica serovar Typhi (Salmonella typhi);

19. 

Shiga-toxineproducerende Escherichia coli (STEC) van serogroepen O26, O45 O103, O104, O111, O121, O145, O157 en andere shiga-toxineproducerende serogroepen;

Noot:   Shiga-toxineproducerende Escherichia (STEC) omvat onder andere enterohemorragische E. coli (EHEC-coli), verotoxine-producerende E. coli (VTEC) of verocytotoxine-producerende E. coli (VTEC)

20. 

Shigella dysenteriae;

21. 

Vibrio cholerae;

22. 

Yersinia pestis;

d. 

“toxinen”, als hieronder, alsmede “sub-eenheden van toxinen” daarvan:

1. 

botulinumtoxinen;

2. 

Clostridium perfringens alfa, bèta 1, bèta 2, epsilon- en iota-toxinen;

3. 

conotoxinen;

4. 

ricine;

5. 

saxitoxine;

6. 

shigatoxines (shiga-achtige toxines, verotoxines en verocytotoxines)

7. 

Staphylococcus aureus-enterotoxinen, hemolysine alfa-toxine en toxischeshocksyndroom-toxine (voorheen bekend als Staphylococcus enterotoxine F);

8. 

tetrodotoxine;

9. 

niet gebruikt;

10. 

microcystine (Cyanginosine);

11. 

aflatoxinen;

12. 

abrine;

13. 

choleratoxine;

14. 

diacetoxyscirpenol;

15. 

T-2-toxine;

16. 

HT-2-toxine;

17. 

modeccine;

18. 

volkensine;

19. 

viscumine (viscum album lectine 1);

Noot:   1C351.d. heeft geen betrekking op botulinumtoxinen of conotoxinen als product dat aan alle navolgende criteria voldoet:

1. 

het gaat om farmaceutische formules, ontwikkeld om aan de mens te worden toegediend bij de behandeling van een aandoening;

2. 

zij zijn voorverpakt om als geneesmiddelen te worden verhandeld;

3. 

een overheidsinstantie heeft een vergunning afgegeven om ze als geneesmiddel in de handel te brengen.

e. 

schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1. 

Coccidioides immitis;

2. 

Coccidioides posadasii.

Noot:   1C351 heeft geen betrekking op “vaccins” of “immunotoxinen”.

1C353‘Genetische elementen’ en ‘genetisch gemodificeerde organismen”, als hieronder:

a. 

‘genetisch gemodificeerde organismen’ bevattende, of ‘genetische elementen’ die coderen voor, een van het volgende:

1. 

een gen of genen dat/die specifiek is of zijn voor een virus als bedoeld in 1C351.a. of 1C354.a.;

2. 

een gen of genen dat/die specifiek is of zijn voor een bacterie als bedoeld in 1C351.c. of 1C354.b. of een schimmel als bedoeld in 1C351.e. of 1C354.c. en:

a. 

die op zichzelf of via de door transcriptie of translatie ontstane producten een aanzienlijk gevaar voor de gezondheid van mensen, dieren of planten oplevert; of

b. 

die ‘pathogeniciteit kan veroorzaken of versterken’; of

3. 

een van de “toxinen” bedoeld in 1C351.d. of “sub-eenheden van toxinen” daarvan;

b. 

niet gebruikt.

Technische noten:

1.   ‘Genetisch gemodificeerde organismen’ omvatten organismen waarvan de nucleïnezuursequenties zijn gecreëerd of veranderd door opzettelijke moleculaire manipulatie.

2.   ‘Genetische elementen’ omvatten onder andere chromosomen, genomen, plasmiden, transposons, vectoren en geïnactiveerde organismen die terugwinbare nucleïnezuurfragmenten bevatten, die al dan niet genetisch gemodificeerd, of geheel of gedeeltelijk chemisch gesynthetiseerd. Voor de toepassing van de controle van genetische elementen worden nucleïnezuren van een geïnactiveerd organisme, virus of monster geacht terugwinbaar te zijn indien de inactivering en voorbereiding van het materiaal bestemd is voor de bevordering van de isolatie, zuivering, amplificatie, opsporing of identificatie van nucleïnezuur of indien daarvan bekend is dat te doen.

3.   Onder ‘pathogeniciteit veroorzaken of versterken’ wordt verstaan: wanneer het waarschijnlijk is dat het vermogen van een recipiënt organisme om te worden gebruikt voor het opzettelijk veroorzaken van ziekte of sterfte, wordt mogelijk gemaakt of versterkt door de insertie of integratie van een nucleïnezuursequentie. Dit omvat wijzigingen van, onder andere: virulentie, overdraagbaarheid, stabiliteit, besmettingsweg, gastheerbereik, reproduceerbaarheid, vermogen om het immuunsysteem van de gastheer te ontwijken of onderdrukken, resistentie tegen medische tegenmaatregelen of opspoorbaarheid.

Noot 1:   1C353 heeft geen betrekking op nucleïnezuursequenties en shiga-toxineproducerende Escherichia coli (STEC) van serogroepen O26, O45, O103, O104, O111, O121, O145, O157 en andere shiga-toxineproducerende serogroepen dan die welke coderen voor shiga-toxine of sub-eenheden ervan.

Noot 2:   1C353 heeft geen betrekking op “vaccins”.

1C354Plantpathogenen, als hieronder:

a. 

virussen, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1. 

Andean potato latent virus (Potato Andean latent tymovirus);

2. 

Potato spindle tuber viroid;

b. 

bacteriën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1. 

Xanthomonas albilineans;

2. 

Xanthomonas axonopodis pv. citri (Xanthomonas campestris pv. citri A) [Xanthomonas campestris pv. citri];

3. 

Xanthomonas oryzae pv. oryzae (Pseudomonas campestris pv. oryzae);

4. 

Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus (Corynebacterium michiganensis subsp. sepedonicum of Corynebacterium sepedonicum);

5. 

Ralstonia solanacearum, ras 3, biovar 2;

c. 

schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1. 

Colletotrichum kahawae (Colletotrichum coffeanum var. virulans);

2. 

Cochliobolus miyabeanus (Helminthosporium oryzae);

3. 

Microcyclus ulei (syn. Dothidella ulei);

4. 

Puccinia graminis ssp. graminis var. graminis / Puccinia graminis ssp. graminis var. stakmanii (Puccinia graminis [syn. Puccinia graminis f. sp. tritici]);

5. 

Puccinia striiformis (syn. Puccinia glumarum);

6. 

Magnaporthe oryzae (Pyricularia oryzae);

7. 

Peronosclerospora philippinensis (Peronosclerospora sacchari);

8. 

Sclerophthora rayssiae var. zeae;

9. 

Synchytrium endobioticium;

10. 

Tilletia indica;

11. 

Thecaphora solani.

1C450Giftige chemische stoffen en voorlopers van giftige chemische stoffen, als hieronder, en “chemische mengsels” die een of meer van deze stoffen bevatten:

NB:   ZIE OOK 1C350, 1C351.d. EN DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a. 

giftige chemische stoffen, als hieronder:

1. 

amiton: O,O-diethyl-S-[2-(diëthylamino)ethyl]fosforothioaat (CAS 78-53-5) en de overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten;

2. 

PFIB: 1,1,3,3,3-pentafluor-2-(trifluormethyl)-1-propeen (CAS 382-21-8);

3. 

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR BZ: 3-quinuclidinylbenzilaat (CAS 6581-06-2);

4. 

fosgeen: carbonyldichloride (CAS 75-44-5);

5. 

chloorcyaan (CAS 506-77-4);

6. 

cyaanwaterstof (CAS 74-90-8);

7. 

chloorpicrine: trichloornitromethaan (CAS 76-06-2).

Noot 1:   Voor uitvoer naar “Staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld “chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.a.1. en .a.2. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 1 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 2:   Voor uitvoer naar “staten die partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld “chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.a.1. en .a.2. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 3:   1C450 heeft geen betrekking op “chemische mengsels” die een of meer van de in punten 1C450.a.4., .a.5., .a.6. en .a.7. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 4:   1C450 heeft geen betrekking op producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelsverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

b. 

voorlopers van giftige chemische stoffen, als hieronder:

1. 

chemische stoffen, andere dan die welke zijn opgenomen in de lijst militaire goederen of in 1C350, die een fosforatoom bevatten met daaraan gebonden een methyl-, ethyl- of (normale of iso-) propylgroep maar geen andere koolstofatomen;

Noot:   1C450.b.1. heeft geen betrekking op fonofos: O-ethyl-S-fenylethyl-fosfonthiolthionaat (CAS 944-22-9);

2. 

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]fosforamidodihalogeniden dan N,N-dimethylaminofosforyldichloride;

NB:   Zie 1C350.57. voor N,N-dimethylaminofosforyldichloride.

3. 

andere dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]-N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]fosforamidaten dan diethyl-N,N-dimethylfosforamidaat, dat in 1C350 opgenomen is;

4. 

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethyl-2-chloriden en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(β)-aminoethylchloride of N,N-diisopropyl-(β)-aminoethylchloride - hydrochloride, die in 1C350 opgenomen zijn;

5. 

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethaan-2-olen en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(β)-aminoethanol (CAS 96-80-0), en N,N-diethylaminoethanol (CAS 100-37-8), die genoemd worden in 1C350;

Noot:   1C450.b.5. heeft geen betrekking op:

a. 

N,N-dimethylaminoethanol (CAS 108-01-0) en overeenkomstige geprotoneerde zouten;

b. 

geprotoneerde zouten van N,N-diethylaminoethanol (CAS 100-37-8);

6. 

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethaan-2-thiolen en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(β)-aminoethanethiol (CAS 5842-07-9) en N,N-diisopropylaminoethanethiolhydrochloride (CAS 41480-75-5). die in 1C350 opgenomen zijn;

7. 

zie 1C350 voor ethyldiethanolamine (CAS 139-87-7);

8. 

methyldiethanolamine (CAS 105-59-9).

Noot 1:   Voor uitvoer naar “staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld “chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.b.1., .b.2., .b.3., .b.4., .b.5. en .b.6. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 10 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 2:   Voor uitvoer naar “staten die partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld “chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.b.1., .b.2., .b.3., .b.4., .b.5. en .b.6. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 3:   1C450 heeft geen betrekking op “chemische mengsels” die een of meer van de in punt 1C450.b.8. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Noot 4:   1C450 heeft geen betrekking op producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelsverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

1DProgrammatuur

1D001“Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van goederen, bedoeld in 1B001, 1B002 en 1B003.

1D002“Programmatuur” voor de “ontwikkeling” van laminaten of “composieten” met een organische “matrix”, een metaal“matrix” of een koolstof“matrix”.

1D003“Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast om apparatuur de mogelijkheid te bieden de functies uit te oefenen van apparatuur bedoeld in 1A004.c. of 1A004.d.

1D101“Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor de werking of het onderhoud van in 1B101, 1B102, 1B115, 1B117, 1B118 of 1B119 bedoelde goederen.

1D103“Programmatuur”, speciaal ontwikkeld voor de analyse van de beperking van de zichtbaarheid zoals de radarreflectie, het ultraviolet/infrarood of akoestisch beeld.

1D201“Programmatuur”, speciaal ontwikkeld voor het “gebruik” van de in 1B201 bedoelde goederen.

1ETechnologie

1E001“Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor de “ontwikkeling” of “productie” van apparatuur of materialen bedoeld in 1A002 tot en met 1A005, 1A006.b., 1A007, 1B en 1C.

1E002Andere “technologie”, als hieronder:

a. 

“technologie” voor de “ontwikkeling” of “productie” van polybenzothiazolen of polybenzoxazolen;

b. 

“technologie” voor de “ontwikkeling” of “productie” van fluorelastomeerverbindingen die ten minste één vinylethermonomeer bevatten;

c. 

“technologie” voor het ontwerpen of de “productie” van de volgende keramische poeders of keramische materialen, niet zijnde “composieten”:

1. 

keramische poeders met alle volgende eigenschappen:

a. 

met een van de onderstaande samenstellingen:

1. 

enkelvoudige of meervoudige oxiden van zirkonium en meervoudige oxiden van silicium of aluminium;

2. 

enkelvoudige nitriden van boor (de kubische kristalvormen);

3. 

enkelvoudige of meervoudige carbiden van silicium of boor; of

4. 

enkelvoudige of meervoudige nitriden van silicium;

b. 

met een van de onderstaande totale hoeveelheden metallische verontreiniging (exclusief opzettelijke toevoegingen):

1. 

minder dan 1 000  ppm voor enkelvoudige oxiden of carbiden; of

2. 

minder dan 5 000  ppm voor meervoudige verbindingen of enkelvoudige nitriden; en

c. 

zijnde een van de navolgende materialen:

1. 

zirkoonoxide (CAS 1314-23-4) met een gemiddelde deeltjesgrootte kleiner dan of gelijk aan 1 μm terwijl niet meer dan 10 % van de deeltjes groter is dan 5 μm; of

2. 

andere keramische poeders met een gemiddelde deeltjesgrootte kleiner dan of gelijk aan 5 terwijl niet meer dan 10 % van de deeltjes groter is dan 10 μm;

2. 

keramische materialen die geen “composieten” zijn, samengesteld uit de materialen bedoeld in 1E002.c.1.;

Noot:   1E002.c.2 heeft geen betrekking op “technologie” voor slijpmiddelen.

d. 

niet gebruikt;

e. 

“technologie” voor het installeren, onderhouden en repareren van materialen, bedoeld in 1C001;

f. 

“technologie” voor het repareren van “composieten”, laminaten of materialen, bedoeld in 1A002 of 1C007.c.;

Noot:   1E002.f. heeft geen betrekking op technologie voor de reparatie van casco’s van “civiele vliegtuigen” met koolstof-“stapel- of continuvezelmateriaal” en epoxyharsen, die is vermeld in de handleidingen van de “vliegtuig”-fabrikant.

g. 

“bibliotheekprogramma’s”, speciaal ontworpen of aangepast om apparatuur de mogelijkheid te bieden de functies uit te oefenen van apparatuur bedoeld in 1A004.c. of 1A004.d.

1E101“Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor het “gebruik” van goederen, bedoeld in 1A102, 1B001, 1B101, 1B102, 1B115 tot en met 1B119, 1C001, 1C101, 1C107, 1C 111 tot en met 1C118, 1D101 of 1D103.

1E102“Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot betreffende de “ontwikkeling” van “programmatuur” bedoeld in 1D001, 1D101 of 1D103.

1E103“Technologie” voor het regelen van de temperatuur, druk of atmosfeer in autoclaven of hydroclaven indien gebruikt voor de “productie” van composieten of halffabricaten van composieten.

1E104“Technologie” voor de “productie” van pyrolytisch gevormde materialen op een mal, doorn of ander substraat van gassen die ontleden bij temperaturen van 1 573  K (1 300  °C) tot 3 173  K (2 900  °C) en drukken van 130 Pa tot 20 kPa.

Noot:   1E104 omvat tevens “technologie” voor het samenstellen van voorlopergassen, schema’s en gegevens in verband met stroomsnelheden en procesregeling.

1E201“Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor het “gebruik” van goederen, bedoeld in 1A002, 1A007, 1A202, 1A225 tot en met 1A227, 1B201, 1B225 tot en met 1B234, 1C002.b.3 of .b.4., 1C010.b., 1C202, 1C210, 1C216, 1C225 tot en met 1C241 of 1D201.

1E202“Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot betreffende de “ontwikkeling” of de “productie” van goederen, bedoeld in 1A007, 1A202, 1A225 tot en met 1A227.

1E203“Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor de “ontwikkeling” van “programmatuur”, bedoeld in 1D201.

DEEL IV

Categorie 2

CATEGORIE 2 – MATERIAALBEWERKING

2ASystemen, apparatuur en onderdelen

NB:   Voor stillopende rollagers, zie de lijst militaire goederen.

2A001Wrijvingsloze rollagers, rollagersystemen en onderdelen daarvan, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 2A101.

a. 

kogellagers of lagers met rollers uit één stuk, met alle toleranties volgens opgave van de fabrikant volgens ISO-norm 492, tolerantieklasse 4 of tolerantieklasse 2 (of nationale equivalenten), of beter, en met zowel ‘ringen’ als ‘rolelementen”, gemaakt van monel of beryllium;

Noot:   2A001.a. heeft geen betrekking op kegelvormige rollagers.

Technische noten:

1.   ‘Ring’- het ringvormige deel van een radiaal wentellager met een of meer loopsporen (ISO 5593:1997).

2.   ‘Rolelement’ - kogel of cilinder die tussen de loopsporen rolt (ISO 5593:1997).

b. 

niet gebruikt;

c. 

actieve magnetische lagersystemen waarbij gebruik wordt gemaakt van, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

1. 

materialen met fluxdichtheden van 2,0 T of groter en een vloeigrens van meer dan 414 MPa;

2. 

volledig elektromagnetische 3D-homopolaire instelstroom – ontwerpen voor aandrijvers; of

3. 

positiesensoren voor gebruik bij hoge temperaturen (450 K (177 °C) en hoger).

2A101Andere dan onder 2A001 vermelde radiale kogellagers, met alle toleranties volgens ISO 492 tolerantieklasse 2 (of ANSI/ABMA STD 20 tolerantieklasse ABEC-9 of RBEC 9, of andere nationale equivalenten), of beter en met alle hierna volgende eigenschappen:

a. 

een diameter boorgat binnenring tussen 12 en 50 mm;

b. 

een buitendiameter buitenring tussen 25 en 100 mm; en

c. 

een dikte tussen 10 en 20 mm.

2A225Kroezen vervaardigd van metalen die bestand zijn tegen vloeibare actiniden, als hieronder:

a. 

kroezen met beide hiernavolgende eigenschappen:

1. 

een inhoud van 150 cm3 tot 8 000  cm3; en

2. 

vervaardigd van of bekleed met een van de onderstaande materialen, of een combinatie van de onderstaande materialen, met een gehalte aan onzuiverheden van 2 gewichtsprocent of minder:

a. 

calciumfluoride (CaF2);

b. 

calciumzirconaat (CaZrO3);

c. 

ceriumsulfide (Ce2S3);

d. 

erbiumoxide (Er2O3);

e. 

hafniumoxide (HfO2);

f. 

magnesiumoxide (MgO);

g. 

legering van genitrideerd niobium-titaan-wolfraam (ca. 50 % Nb, 30 % Ti, 20 % W);

h. 

yttriumoxide (yttria) (Y2O3); of

i. 

zirkoniumoxide (zirconia) (ZrO2);

b. 

kroezen met beide hiernavolgende eigenschappen:

1. 

een inhoud van 50 cm3 tot 2 000  cm3; en

2. 

vervaardigd van of gevoerd met tantaal, met een zuiverheid van 99,9 gewichtsprocent of hoger;

c. 

kroezen met alle hiernavolgende eigenschappen:

1. 

een inhoud van 50 cm3 tot 2 000  cm3;

2. 

vervaardigd van of gevoerd met tantaal, met een zuiverheid van 98 gewichtsprocent of hoger; en

3. 

bekleed met tantaalcarbide, -nitride of -boride of een combinatie hiervan.

2A226Afsluiters met alle volgende eigenschappen:

a. 

een ‘nominale afmeting’ van 5 mm of groter;

b. 

met balgafdichting; en

c. 

geheel vervaardigd van of gevoerd met aluminium, aluminiumlegering, nikkel of een nikkellegering die 60 gewichtsprocent of meer nikkel bevat.

Technische noot:

Voor afsluiters met verschillende inlaat- en uitlaatopeningen heeft de in 2A226 bedoelde ‘nominale afmeting’ betrekking op de kleinste diameter.

2BTest-, inspectie- en productieapparatuur

Technische noten:

1.   Parallelle hulpcontourassen, bijvoorbeeld de w-as op horizontale kotterbanken of een tweede roterende hulpas waarvan de hartlijn parallel loopt met de roterende hoofdas, worden niet bij het totale aantal contourassen gerekend. Roterende assen hoeven niet over 360° draaibaar te zijn. Een roterende as kan worden aangedreven door een lineair mechanisme (bijvoorbeeld een draadspil of een tandheugel met rondsel).

2.   Voor de toepassing van 2B is het aantal assen dat gelijktijdig kan samenwerken voor “contourbesturen” het aantal assen waarlangs of waarrond tijdens de bewerking van het werkstuk gelijktijdige en samenhangende bewegingen worden verricht tussen het werkstuk en een gereedschap. Dit omvat niet eventuele extra assen waarlangs of waarrond andere relatieve bewegingen in de machine worden verricht zoals:

a. 

steenrechtsystemen in slijpmachines;

b. 

evenwijdige roterende assen om afzonderlijke werkstukken te bevestigen;

c. 

collineaire roterende assen om hetzelfde werkstuk te bewerken door het aan verschillende kanten in een klauwplaat te klemmen.

3.   De benaming van de assen dient in overeenstemming te zijn met de internationale norm ISO 841:2001, Systemen voor industriële automatisering en integratie - Numerieke besturing van machines - Coördinaatsysteem en nomenclatuur voor bewegingen.

4.   Voor de toepassing van 2B001 tot en met 2B009 wordt een “kantelspil” beschouwd als een roterende as.

5.   eenaangegeven “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) mag voor elk model werktuigmachine worden gebruikt als alternatief voor individuele machinetests en wordt als volgt bepaald:

a. 

selecteer vijf machines van een bepaald model voor beoordeling;

b. 

meet de lineaire herhaalbaarheid (‹linear axis repeatability›)(R↑,R↓) overeenkomstig ISO 230-2:2014 en evalueer de “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” voor elke as van de vijf machines;

c. 

bepaal het rekenkundige gemiddelde van de waarde voor de “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” voor elke as van de vijf machines samen. Deze rekenkundige gemiddelden van de “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (
image ) worden de aangegeven waarde van elke as van het model (
image ,
image , …);

d. 

aangezien de lijst in categorie 2 verwijst naar elke lineaire as, zullen er evenveel aangegeven waarden voor de “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) als lineaire assen zijn;

e. 

indien een as van een niet in 2B001.a. tot en met 2B001.c. bedoeld machinemodel een aangegeven “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) heeft die gelijk is aan of minder is dan de gespecificeerde “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” van elk model werktuigmachine plus 0,7 μm, moet de fabrikant het nauwkeurigheidsniveau elke achttien maanden opnieuw bevestigen.

6.   Voor de toepassing van 2B001.a. tot en met 2B001.c. wordt de meetonzekerheid voor de “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) van werktuigmachines zoals bepaald in de internationale norm ISO 230-2:2014 of nationale equivalenten, niet in aanmerking genomen.

7.   Voor de toepassing van 2B001.a. tot en met 2B001.c., vindt de meting van de assen plaats aan de hand van de testprocedures in 5.3.2. van ISO 230-2:2014. Tests voor assen langer dan 2 meter worden uitgevoerd over segmenten van 2 m. Voor assen langer dan 4 m zijn meerdere tests nodig (bv. twee tests voor assen langer dan 4 m en maximaal 8 m, drie tests voor assen langer dan 8 m en maximaal 12 m), waarbij elke test plaatsvindt over segmenten van 2 m die in gelijke intervallen over de aslengte worden gespreid. De volledige aslengte wordt gelijkelijk onderverdeeld in testsegmenten, waarbij eventuele extra lengte gelijk verdeeld wordt over het begin en het eind van de as en tussen de testsegmenten in. De kleinste waarde voor de “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” van alle testsegmenten moet worden gemeld.

2B001Werktuigmachines en combinaties daarvan, voor het verspanen (of snijden) van metalen, keramische materialen of “composieten”, die volgens de technische specificaties van de fabrikant kunnen worden uitgerust met elektronische toestellen voor “numerieke besturing”, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 2B201.

Noot 1:   2B001 heeft geen betrekking op werktuigmachines voor speciale toepassingen die alleen dienen voor het vervaardigen van tandwielen. Zie voor dergelijke machines 2B003.

Noot 2:   2B001 heeft geen betrekking op werktuigmachines voor speciale toepassingen die alleen dienen voor het vervaardigen van één van de volgende onderdelen:

a. 

krukassen of nokkenassen;

b. 

gereedschappen of frezen;

c. 

extrusiewormen;

d. 

gegraveerde of geslepen delen van juwelen; of

e. 

tandprothesen.

Noot 3:   Werktuigmachines met ten minste twee van de drie volgende gebruiksmogelijkheden: draaien, frezen of slijpen (bv. een machine voor draaien waarmee ook kan worden gefreesd) moeten op basis van iedere toepasselijke rubriek 2B001.a., b., of c. worden beoordeeld.

Noot 4:   Werktuigmachines met de capaciteit voor een additieve productietechniek (‹additive manufacturing›) naast het draaien, frezen of slijpen, moeten op basis van iedere toepasselijke rubriek 2B001.a., b., of c. worden beoordeeld.

NB:   Voor werktuigmachines voor optische afwerking, zie 2B002.

a. 

werktuigmachines voor draaien met twee of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen” en met één of meer van de volgende eigenschappen:

1. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,9 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte minder dan 1,0 m; of

2. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,1 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte van 1,0 m of meer;

Noot 1:   2B001.a. heeft geen betrekking op machines voor draaien die speciaal zijn ontworpen voor de productie van contactlenzen, met de volgende eigenschappen:

a. 

de besturing van de machine is beperkt tot het gebruik van “programmatuur” op het gebied van oogheelkunde voor de gegevensinvoer van de werkstukprogramma’s; en

b. 

er is geen vacuümspaninrichting.

Noot 2:   2B001.a. heeft geen betrekking op staafautomaten (Swissturn) die alleen staven doorvoeren met een diameter van maximaal 42 mm en waarop geen klauwplaten kunnen worden bevestigd. De machines kunnen boor- of freesfuncties hebben voor het bewerken van werkstukken met een diameter van minder dan 42 mm.

b. 

werktuigmachines voor frezen met één of meer van de volgende eigenschappen:

1. 

drie lineaire assen plus één roterende as die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”, met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,9 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte minder dan 1,0 m; of

b. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,1 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte van 1,0 m of meer;

2. 

vijf of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen” en met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,9 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte minder dan 1,0 m;

b. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,4 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte gelijk aan of groter dan 1 m en minder dan 4 m; of

c. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 6,0 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte van 4 m of meer;

3. 

een “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) voor pasmal-boormachines gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,1 μm langs een of meerdere lineaire as(sen); of

4. 

gebruikmaken van een slagmes (‹fly cutters›) met alle volgende eigenschappen:

a. 

een “rondloopnauwkeurigheid” (‹run out›) en “axiale slag” van de spil kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,0004 mm totale meetklokuitslag (TIR); en

b. 

een hoekafwijking van de sledebeweging langs een asslag van 300 mm (gieren, stampen of rollen) kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 2 boogseconden totale meetklokuitslag (TIR);

c. 

werktuigmachines voor slijpen met één of meer van de volgende eigenschappen:

1. 

met alle volgende eigenschappen:

a. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,1 μm langs een of meerdere lineaire as(sen); en

b. 

drie of vier assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”; of

2. 

vijf of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen” en met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,1 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte minder dan 1 m;

b. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 1,4 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte gelijk aan of groter dan 1 m en minder dan 4 m; of

c. 

“herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 6,0 μm langs een of meerdere lineaire as(sen) met een reislengte van 4 m of meer;

Noot:   2B001.c. heeft geen betrekking op slijpmachines als hieronder:

a. 

uitwendige, inwendige en uitwendig-inwendige rondslijpmachines met de volgende eigenschappen:

1. 

beperkt tot rondslijpen; en

2. 

beperkt tot een maximale buitendiameter of -lengte van het werkstuk van 150 mm;

b. 

machines die speciaal zijn ontworpen als pasmal-slijpmachine (‹jig grinder›) zonder z-as of w-as, met een “herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) die kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) is dan 1,1 μm;

c. 

vlakslijpers.

d. 

vonkverspaningmachines (EDM’s) van het draadloze type met twee of meer roterende assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”;

e. 

werktuigmachines voor het verspanen van metalen, keramische materialen of “composieten”, met de volgende eigenschappen:

1. 

verspanen van materiaal met één of meer van de volgende middelen:

a. 

waterstraal of andere vloeistofstraal, met inbegrip van die met slijpmiddeltoevoegingen;

b. 

een elektronenbundel; of

c. 

een “laser”-straal; en

2. 

ten minste twee roterende assen met alle volgende eigenschappen:

a. 

gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturing”; en

b. 

een instel”nauwkeurigheid” kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,003°;

f. 

diepgatboormachines of machines voor draaien die zijn aangepast voor diepgatboren, met een maximale boordiepte van meer dan 5 m, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

2B002Numeriek bestuurde werktuigmachines voor optische afwerking, die zijn uitgerust voor selectieve materiaalverwijdering met het oog op de productie van niet-sferische optische oppervlakken, met alle volgende eigenschappen:

a. 

afwerking van de vorm tot op minder (d.w.z. beter) dan 1,0 μm nauwkeurig;

b. 

afwerking tot een ruwheid van minder (d.w.z. beter) dan 100 nm rms.

c. 

vier of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”; en

d. 

die een of meer van de navolgende procedés gebruiken:

1. 

magnetorheologisch afwerkingsprocedé (‘MRF’);

2. 

elektrorheologisch afwerkingsprocedé (‘ERF’);

3. 

‘afwerking met behulp van een energetische deeltjesbundel’;

4. 

‘afwerking met behulp van een opblaasbaar membraan’; of

5. 

‘afwerking met behulp van een vloeistofstraal’.

Technische noten:

Voor de toepassing van 2B002 geldt:

1.   ‘MRF’ is een materiaalverwijderingsprocedé waarbij gebruik wordt gemaakt van een abrasieve magnetische vloeistof waarvan de viscositeit via een magnetisch veld wordt gecontroleerd.

2.   ‘ERF’ is een verwijderingsprocedé waarbij gebruik wordt gemaakt van een abrasieve vloeistof waarvan de viscositeit via een elektrisch veld wordt gecontroleerd.

3.   Bij ‘afwerking met behulp van een energetische deeltjesbundel’ wordt gebruikgemaakt van Reactive Atom Plasma-technologie (RAP)(reactief atomair plasma) of ionenbundels om op selectieve manier materiaal te verwijderen.

4.   ‘Afwerking met behulp van een opblaasbaar membraan’ is een procedé waarbij gebruik wordt gemaakt van een onder druk gezet membraan dat aldus wordt vervormd zodat het in contact komt met een klein oppervlak van het werkstuk.

5.   Bij ‘afwerking met behulp van een vloeistofstraal’ wordt voor de materiaalverwijdering gebruikgemaakt van een vloeistofstroom.

2B003“Numeriek bestuurde” werktuigmachines, speciaal ontworpen voor het snijden, afwerken, slijpen of wetten van geharde (Rc = 40 of meer) rechte, schroef- en dubbelgeschroefde tandwielen met alle hieronder vermelde eigenschappen:

a. 

een steekdiameter groter dan 1 250  mm;

b. 

een kopbreedte gelijk aan of groter dan 15 % van de steekdiameter; en

c. 

een kwaliteit na afwerking gelijk aan of beter dan AGMA 14 (gelijkwaardig aan ISO-norm 1328, klasse 3).

2B004Hete “isostatische persen”, met alle hieronder vermelde eigenschappen, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

NB:   ZIE OOK 2B104 EN 2B204.

a. 

met de mogelijkheid de temperatuur in de afgesloten ruimte te beheersen, terwijl de drukkamerholte een binnendiameter heeft van 406 mm of meer; en

b. 

met één of meer van de volgende eigenschappen:

1. 

een maximaal mogelijke werkdruk groter dan 207 MPa;

2. 

een gecontroleerde thermische omgeving van meer dan 1 773  K (1 500  °C); of

3. 

de mogelijkheid van impregnering met koolwaterstoffen en verwijdering van de overblijvende gasvormige afvalproducten.

Technische noot:

De binnenmaat betreft de kamer waarin zowel de werktemperatuur als de werkdruk tot stand komt en omvat geen spanstukken. Deze maat is gelijk aan de kleinste van ofwel de binnendiameter van de drukkamer ofwel de binnendiameter van de geïsoleerde ovenkamer, afhankelijk van het feit welke van de twee kamers zich in de andere bevindt.

NB:   Voor speciaal ontworpen matrijzen, mallen en gereedschappen, zie 1B003, 9B009 en de lijst militaire goederen.

2B005Speciaal ontworpen apparatuur voor de afzetting, verwerking en procesbesturing van anorganische deklagen, bekledingen en oppervlakmodificaties, als hieronder, voor in kolom 2 gespecificeerde substraten, door middel van procedés als omschreven in kolom 1 in de tabel na 2E003.f. en speciaal daarvoor ontworpen geautomatiseerde onderdelen voor de hantering, positionering, manipulatie en besturing:

a. 

productieapparatuur voor chemische opdamping (CVD) met alle onderstaande mogelijkheden:

NB:   ZIE OOK 2B105.

1. 

een aangepast procedé voor een van onderstaande technieken:

a. 

pulserende CVD;

b. 

thermische afzetting met beheerste nucleatie (CNTD); of

c. 

met plasma versterkte of met plasma ondersteunde CVD; en

2. 

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

omvat roterende afdichtingen voor hoog-vacuüm (minder dan of gelijk aan 0,01 Pa); of

b. 

omvat in-situregulering van de dikte van de bekledingslaag;

b. 

productieapparatuur voor ionenimplantatie met een bundelstroomsterkte van 5 mA of hoger;

c. 

productieapparatuur voor elektronenstraalopdampen (EB-PVD) welke een voedingssysteem gespecificeerd voor meer dan 80 kW omvat, met één van de volgende eigenschappen:

1. 

een “laser”-besturingssysteem dat door middel van het vloeistofniveau de toevoersnelheid van de ingot nauwkeurig reguleert; of

2. 

een computergestuurde, volgens het principe van de fotoluminescentie van de geïoniseerde atomen in de dampstroom werkende monitor die de mate van afzetting van een uit twee of meer elementen bestaande bekledingslaag reguleert;

d. 

productieapparatuur voor plasmaspuiten met één van de volgende eigenschappen:

1. 

werkend bij een beheerste verlaagde druk (minder dan of gelijk aan 10 kPa, gemeten binnen een afstand van 300 mm boven de opening van het spuitpistool (sproeikop)) in een vacuümkamer geschikt voor het bereiken van een druk van 0,01 Pa voorafgaande aan het spuitproces; of

2. 

omvat in-situregulering van de dikte van de bekledingslaag;

e. 

productieapparatuur voor sputteren, geschikt voor een stroomdichtheid van 0,1 mA/mm2 of hoger bij een afzettingssnelheid van 15 μm/h of meer;

f. 

productieapparatuur voor boogverdampen welke een net van gekoppelde elektromagneten omvat voor de besturing van de punt van de boogontlading op de kathode;

g. 

productieapparatuur voor ‹ion-plating› voor het in situ meten van ofwel:

1. 

de dikte van de bekledingslaag op het substraat en beheersing van de snelheid van afzetting; of

2. 

optische eigenschappen.

Noot:   2B005 heeft geen betrekking op apparatuur voor chemische afzetting uit de dampfase, voor boogverdamping, sputteren, ‹ion-plating›, of ionenimplantatie die speciaal is ontworpen voor snij- of werktuigmachines.

2B006Systemen, apparatuur, plaatsbepalers en “elektronische samenstellingen” voor dimensionale inspectie en meting, als hieronder:

a. 

computergestuurde of “numeriek bestuurde” coördinatenmeetmachines (CMM), met een driedimensionale (volumetrische) maximaal toelaatbare lengtemeetfout (E0,MPE) op enig punt in het werkbereik van de machine (d.w.z. binnen de aslengte) gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan (1,7 + L/1 000) μm (L is de gemeten lengte in mm), overeenkomstig ISO-norm 10360-2:2009;

Technische noot:

De E0,MPE van de door de fabrikant opgegeven meest accurate configuratie van de CMM (bv. beste van de volgende: tastkop, lengte tastnaald, bewegingsparameters, omgeving) en “inclusief alle compensaties” moet worden vergeleken met de drempel van 1,7 + L/1 000 μm.

NB:   ZIE OOK 2B206.

b. 

meetinstrumenten of -systemen voor lineaire verplaatsingen, lineaire plaatsbepalers en “elektronische samenstellingen”, als hieronder:

Noot:   Meetsystemen voor de interferometer en optische codeerinrichting met een “laser” vallen uitsluitend onder 2B006.b.3. en 2B206.c.

1. 

‘meetsystemen van het contactloze type’ met een resolutie gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,2 μm binnen 0 tot en met 0,2 mm van het ‘meetgebied’;

Technische noten:

Voor de toepassing van 2B006.b.1:

1.   ‘meetsystemen van het contactloze type’ zijn ontworpen om de afstand tussen de meetpen en het gemeten voorwerp te meten langs één enkele vector, waarbij de meetpen of het gemeten voorwerp in beweging is.

2.   onder ‘meetgebied’ wordt de afstand tussen de minimale en de maximale werkafstand verstaan.

2. 

lineaire plaatsbepalers speciaal ontworpen voor werktuigmachines en met een totale “nauwkeurigheid” kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan (800 + (600 × L/1 000)) nm (waarbij L de effectieve lengte is in mm);

3. 

meetsystemen met alle volgende eigenschappen:

a. 

zij bevatten een “laser”;

b. 

een resolutie over hun volledige schaal van 0,200 nm of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger); en

c. 

het vermogen om een “meetonzekerheid” te bereiken die gelijk is aan of minder bedraagt (d.w.z. nauwkeuriger is) dan (1,6 + L/2 000) nm (L is de gemeten lengte in mm) op ieder punt in een meetgebied, gecompenseerd voor de refractieve luchtindex en gemeten gedurende een periode van 30 seconden bij een temperatuur van 20 ± 0,01 °C; of

4. 

“elektronische samenstellingen” speciaal ontworpen om in systemen als bedoeld in 2B006.b.3. terugkoppelcapaciteit te leveren;

c. 

roterende plaatsbepalers speciaal ontworpen voor werktuigmachines of meetinstrumenten voor hoekverplaatsingen, met een “nauwkeurigheid” gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,9 boogseconde;

Noot:   2B006.c. heeft geen betrekking op optische instrumenten, zoals autocollimatoren, die gebruikmaken van gecollimeerd licht (bv. “laser”-licht) voor de bepaling van hoekverplaatsingen van een spiegel.

d. 

apparatuur voor het meten van oppervlakteruwheid (met inbegrip van oppervlakteonvolkomenheden) met een gevoeligheid van 0,5 nm of minder (d.w.z. nauwkeuriger) door het meten van optische verstrooiing.

Noot:   2B006 omvat andere dan onder 2B001 omschreven werktuigmachines die als meettoestel kunnen worden gebruikt indien hun prestaties gelijk zijn aan of beter dan de criteria neergelegd voor de meettoestelfunctie.

2B007“Robots”, met een of meer van de hieronder vermelde eigenschappen, en speciaal ontworpen besturingsapparatuur en “eindeffectoren” daarvoor:

NB:   ZIE OOK 2B207.

a. 

niet gebruikt;

b. 

speciaal ontworpen volgens nationale veiligheidsnormen voor gebruik in ruimten met mogelijk explosieve munitie;

Noot:   2B007.b. heeft geen betrekking op “robots”, die speciaal zijn ontworpen voor verfspuitcabines.

c. 

speciaal ontworpen of gekwalificeerd als bestand zijnde tegen een totale stralingsdosis van een stralingsniveau hoger dan 5 × 103 Gy(silicium) zonder verslechtering van de werking; of

Technische noot:

De term Gy (silicium) verwijst naar de energie in Joule per kilogram die wordt geabsorbeerd door een onbeschermde hoeveelheid silicium bij blootstelling aan ioniserende straling.

d. 

speciaal ontworpen voor gebruik op een hoogte van meer dan 30 000  m.

2B008‘samengestelde draaitafels’ of “kantelspillen”, speciaal ontworpen voor werktuigmachines, als hieronder:

a. 

niet gebruikt;

b. 

niet gebruikt;

c. 

‘samengestelde draaitafels’ met alle volgende eigenschappen:

1. 

ontworpen voor werktuigmachines voor draaien, frezen of slijpen; en

2. 

twee roterende assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”;

Technische noot:

Onder ‘samengestelde draaitafel’ wordt verstaan: een tafel waarop het werkstuk kan draaien en kantelen rond twee niet parallelle assen

d. 

“kantelspillen” met alle volgende eigenschappen:

1. 

ontworpen voor werktuigmachines voor draaien, frezen of slijpen; en

2. 

ontworpen voor gelijktijdig samenwerken voor “contourbesturen”.

2B009Forceer-(spin-forming) of vloei-(flow-forming) draaibanken, die, volgens de technische specificatie van fabrikant, kunnen worden uitgerust met “numerieke besturings”-eenheden of computerbesturing, en die beide volgende eigenschappen bezitten:

NB:   ZIE OOK 2B109 EN 2B209.

a. 

drie of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”; en

b. 

een walskracht van meer dan 60 kN.

Technische noot:

Voor de toepassing van 2B009 worden machines die de functies van forceren en vloeidraaien combineren, beschouwd als vloeidraaibanken.

2B104“Isostatische persen”, anders dan bedoeld in 2B004, met alle volgende eigenschappen:

NB:   ZIE OOK 2B204.

a. 

een maximale werkdruk van 69 MPa of meer;

b. 

ontworpen om een beheerste temperatuur van 873 K (600 °C) of meer te handhaven; en

c. 

met een binnenkamerdiameter van 254 mm of meer.

2B105Ovens voor chemische afzetting uit de dampfase (CVD), anders dan bedoeld in 2B005.a., ontworpen of aangepast voor het verdichten van koolstof-koolstofcomposieten.

2B109Andere vloeidraaibanken dan die bedoeld in 2B009, die kunnen worden gebruikt voor de “productie” van onderdelen en uitrusting (bv. motorhuizen en verbindingsstukken) voor de voorstuwing van “raketten”, en speciaal ontworpen onderdelen als hieronder:

NB:   ZIE OOK 2B209.

a. 

vloeidraaibanken die de volgende eigenschappen bezitten:

1. 

uitgerust met, of volgens de technische specificatie van de fabrikant in staat om uitgerust te worden met, “numerieke besturings”-eenheden of computerbesturing; en

2. 

meer dan twee assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”.

b. 

speciaal ontworpen onderdelen van in 2B009 of 2B109.a. bedoelde vloeidraaibanken.

Technische noot:

Voor de toepassing van 2B109 worden machines die de functies van forceren en vloeidraaien combineren, beschouwd als vloeidraaibanken.

2B116Systemen en apparatuur voor het beproeven door middel van trillingen en componenten daarvoor, als hieronder:

a. 

systemen voor het beproeven door middel van trillingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van terugkoppel- of gesloten-kringtechnieken en welke een digitale besturing bevatten, die geschikt zijn om een systeem te laten trillen met een versnelling gelijk aan of groter dan 10 g rms (eff.) tussen 20 Hz en 2 kHz en die krachten gelijk aan of groter dan 50 kN, met ‘onbelaste tafel’ gemeten, kunnen overbrengen;

b. 

digitale besturingseenheden, in combinatie met speciaal ontworpen programmatuur voor het testen door middel van trillingen, met een ‘real-time-regelbandbreedte’ van meer dan 5 kHz en ontworpen voor gebruik met de systemen, bedoeld in 2B116.a.;

Technische noot:

In 2B116.b. wordt onder ‘real-time-regelbandbreedte’ verstaan de maximumsnelheid waarmee een besturingseenheid een volledige cyclus van bemonstering, gegevensverwerking en verzending van controlesignalen kan uitvoeren.

c. 

trillingsopwekkers, met of zonder bijbehorende versterkers, geschikt om een kracht gelijk aan of groter dan 50 kN uit te oefenen, met ‘onbelaste tafel’ gemeten, en geschikt voor de systemen, bedoeld in 2B116.a.;

d. 

beproevingsopstellingen en elektronische eenheden ontworpen om verscheidene trillingsopwekkers in een geheel trillingssysteem te combineren, geschikt om een totale effectieve kracht gelijk aan of groter dan 50 kN uit te oefenen, met een ‘onbelaste tafel’ gemeten, en geschikt voor de systemen, bedoeld in 2B116.a.

Technische noot:

In 2B116 betekent ‘onbelaste tafel’ een vlakke tafel of een vlak oppervlak, zonder klemmen of hulpstukken.

2B117Apparatuur en procesregeleenheden, met uitzondering van die bedoeld in 2B004, 2B005.a., 2B104 of 2B105, ontworpen of aangepast voor de verdichting en pyrolyse van composiet raketstraalpijpen en neuskegels voor terugkeervoertuigen (‹reentry›).

2B119Balanceermachines en aanverwante uitrusting, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 2B219.

a. 

balanceermachines die alle navolgende eigenschappen bezitten:

1. 

niet geschikt voor het uitbalanceren van rotors/samenstellingen met een gewicht van meer dan 3 kg;

2. 

geschikt voor het uitbalanceren van rotors/samenstellingen bij een omwentelingssnelheid hoger dan 12 500  t.p.m.;

3. 

geschikt voor het corrigeren van onbalans in twee of meer vlakken; en

4. 

geschikt voor het uitbalanceren tot op een resterende specifieke onbalans van 0,2 g mm per kg rotorgewicht;

Noot:   2B119.a. heeft geen betrekking op balanceermachines die ontworpen of aangepast zijn voor tandheelkundige of andere medische uitrusting.

b. 

indicatorkoppen die zijn ontworpen of aangepast voor gebruik met de in 2B119.a. aangegeven machines.

Technische noot:

Indicatorkoppen worden soms ook balanceerinstrumenten genoemd.

2B120Bewegingssimulatoren of kwalificatietafels die alle navolgende eigenschappen hebben:

a. 

twee of meer assen;

b. 

ontworpen of aangepast om sleepringen of geïntegreerde onderbrekingsvoorzieningen te bevatten die geschikt zijn om elektrisch vermogen, signaalinformatie dan wel beiden, over te brengen; en

c. 

met één van de volgende eigenschappen:

1. 

voor elke aparte as alle navolgende eigenschappen hebben:

a. 

geschikt voor kwalificaties van 400 graden/s of meer, of 30 graden/s of minder; en

b. 

een kwalificatieresolutie gelijk aan of minder dan 6 graden/s en een nauwkeurigheid gelijk aan of minder dan 0,6 graden/s;

2. 

met een kwalificatiestabiliteit in het slechtste geval gelijk aan of beter (minder) dan een gemiddelde afwijking van 0,05 % over ten minste 10 graden; of

3. 

een instel-“nauwkeurigheid” gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 5 boogseconden.

Noot 1:   2B120 heeft geen betrekking op draaitafels die zijn ontworpen of aangepast voor werktuigmachines of voor medische uitrusting. Voor de controle op draaitafels voor werktuigmachines, zie 2B008.

Noot 2:   Bewegingssimulatoren of kwalificatietafels als bedoeld in 2B120 blijven onder de regeling vallen, ongeacht of de sleepringen dan wel de geïntegreerde onderbrekingsvoorzieningen worden aangebracht op het ogenblik van uitvoer.

2B121Andere dan de in 2B120 aangegeven insteltafels (apparatuur, geschikt voor precieze roterende instelling in elke as), die alle navolgende eigenschappen hebben:

a. 

twee of meer assen; en

b. 

een instel-“nauwkeurigheid” gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 5 boogseconden.

Noot:   2B121 heeft geen betrekking op draaitafels die zijn ontworpen of aangepast voor werktuigmachines of voor medische uitrusting. Voor de controle op draaitafels voor werktuigmachines, zie 2B008.

2B122Centrifuges die versnellingen van meer dan 100 g kunnen overbrengen en die ontworpen of aangepast zijn om sleepringen of geïntegreerde onderbrekingsvoorzieningen te bevatten die geschikt zijn om elektrisch vermogen, signaalinformatie dan wel beiden, over te brengen.

Noot:   Centrifuges als bedoeld in 2B122 blijven onder de regeling vallen, ongeacht of de sleepringen dan wel de geïntegreerde onderbrekingsvoorzieningen worden aangebracht op het ogenblik van uitvoer.

2B201Werktuigmachines en iedere andere combinatie daarvan, anders dan bedoeld in 2B001, voor het verspanen of snijden van metalen, keramische materialen of “composieten”, die volgens de technische specificaties van de fabrikant kunnen worden uitgerust met elektronische toestellen voor gelijktijdig “contourbesturen” in twee of meer assen:

Technische noot :

De niveaus voor de aangegeven instelnauwkeurigheid die zijn bepaald aan de hand van de volgende procedures op grond van metingen overeenkomstig ISO-norm 230-2:1988 ( 9 )of nationale equivalenten mogen voor elk model werktuigmachine worden gebruikt in plaats van individuele machinetests, indien deze zijn verstrekt aan de nationale autoriteiten en door hen zijn geaccepteerd. Bepaling van de aangegeven instelnauwkeurigheid:

a. 

selecteer vijf machines van een bepaald model voor beoordeling;

b. 

meet de nauwkeurigheid van de lineaire assen overeenkomstig ISO-norm 230-2:1988 (9) :

c. 

bepaal de nauwkeurigheidswaarden (A) voor elke as van elke machine. De methode voor de berekening van de nauwkeurigheidswaarde wordt beschreven in ISO-norm 230-2:1988 (9) .

d. 

bepaal de gemiddelde nauwkeurigheidswaarde voor elke as. Deze gemiddelde waarde wordt de aangegeven instelnauwkeurigheid van elke as van het model (Âx Ây...);

e. 

aangezien item 2B201 naar elke lineaire as verwijst, zullen er evenveel aangegeven waarden voor de aangegeven instelnauwkeurigheid als lineaire assen zijn;

f. 

indien een as van een niet in 2B201.a., 2B201.b. of 2B201.c. bedoelde werktuigmachine een aangegeven instelnauwkeurigheid heeft die gelijk is aan 6 μm of beter (minder) voor slijpmachines, en gelijk is aan 8 μm of beter (minder) voor machines voor frezen en machines voor draaien, beide overeenkomstig ISO-norm 230-2:1988 (9) , moet de fabrikant het nauwkeurigheidsniveau elke achttien maanden opnieuw bevestigen.

a. 

werktuigmachines voor frezen met één of meer van de volgende eigenschappen:

1. 

een instelnauwkeurigheid, “inclusief alle compensaties”, die gelijk is aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 6 μm overeenkomstig ISO-norm 230-2:1988 (9)  of nationale equivalenten langs eender welke lineaire as;

2. 

twee of meer roterende contourassen; of

3. 

vijf of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”;

Noot:   2B201.a. heeft geen betrekking op werktuigmachines voor frezen met de volgende eigenschappen:

a. 

axiale verplaatsing langs de x-as groter dan 2 m; en

b. 

totale instelnauwkeurigheid langs de x-as groter (slechter) dan 30 μm.

b. 

werktuigmachines voor slijpen, met één van de volgende eigenschappen:

1. 

een instelnauwkeurigheid, “inclusief alle compensaties”, die gelijk is aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan 4 μm overeenkomstig ISO-norm 230-2:1988 (9)  of nationale equivalenten langs eender welke lineaire as;

2. 

twee of meer roterende contourassen; of

3. 

vijf of meer assen die gelijktijdig kunnen samenwerken voor “contourbesturen”;

Noot:   2B201.b. heeft geen betrekking op slijpmachines als hieronder:

a. 

uitwendige, inwendige en uitwendig-inwendige rondslijpmachines met de volgende eigenschappen:

1. 

beperkt tot een maximale buitendiameter of -lengte van het werkstuk van 150 mm; en

2. 

assen beperkt tot x, z en c;

b. 

pasmal-slijpmachines (‹jig grinders›) zonder z-as of w-as, met een totale instelnauwkeurigheid die kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) is dan 4 μm overeenkomstig ISO-norm ISO 230-2:1988 (9)  of nationale equivalenten.

c. 

werktuigmachines voor draaien met een instelnauwkeurigheid, “inclusief alle compensaties” die beter (minder) is dan 6 μm overeenkomstig ISO-norm 230-2:1988 (9)  langs eender welke lineaire as (totale nauwkeurigheid) voor machines die diameters van meer dan 35 mm kunnen bewerken;

Noot:   In 2B201.c. zijn niet bedoeld staafautomaten (Swissturn) die alleen staven doorvoeren met een diameter van maximaal 42 mm en waarop geen klauwplaten kunnen worden bevestigd. De machines kunnen boor- en/of freesfuncties hebben voor het bewerken van werkstukken met een diameter van minder dan 42 mm.

Noot 1:   2B201 heeft geen betrekking op werktuigmachines voor speciale toepassingen die alleen dienen voor het vervaardigen van één van de volgende onderdelen:

a. 

tandwielen;

b. 

krukassen of nokkenassen;

c. 

gereedschappen of frezen;

d. 

extrusiewormen;

Noot 2:   Werktuigmachines met ten minste twee van de drie volgende gebruiksmogelijkheden: draaien, frezen of slijpen (bv. een machine voor draaien waarmee ook kan worden gefreesd) moeten op basis van iedere toepasselijke rubriek 2B201.a., b., of c. worden beoordeeld.

Noot 3:   Onder 2B201.a.3. en 2B201.b.3. vallen machines op basis van een parallel lineair kinematisch ontwerp (bv. ‹hexapods›) met vijf of meer assen waarvan er geen enkele een roterende as is.

2B204“Isostatische persen”, anders dan die bedoeld in 2B004 of 2B104 en bijbehorende apparatuur, als hieronder:

a. 

“isostatische persen” met beide volgende eigenschappen:

1. 

geschikt voor een maximale werkdruk van 69 MPa of meer; en

2. 

met een drukkamerholte met een binnendiameter van meer dan 152 mm;

b. 

matrijzen, mallen en regelapparatuur, speciaal ontworpen voor “isostatische persen”, bedoeld in 2B204.a.

Technische noot:

In 2B204 betreft de binnenmaat de kamer waarin zowel de werktemperatuur als de werkdruk tot stand komen en zij omvat geen spanstukken. Deze maat is gelijk aan de kleinste van ofwel de binnendiameter van de drukkamer ofwel de binnendiameter van de geïsoleerde ovenkamer, afhankelijk van het feit welke van de twee kamers zich in de andere bevindt.

2B206Niet onder 2B006 opgenomen meetmachines, -instrumenten of -systemen, als hieronder:

a. 

computergestuurde of numeriek bestuurde coördinatenmeetmachines met een of beide volgende eigenschappen:

1. 

slechts 2 assen en een maximaal toelaatbare lengtemeetfout langs een van de assen (eendimensionaal), geïdentificeerd als elke combinatie van E0x,MPE, E0y,MPE, or E0z,MPE, gelijk aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) dan (1,25 + L/1 000) μm (waarbij L de gemeten lengte is in mm) op enig punt in het werkbereik van de machine (d.w.z. binnen de aslengte), overeenkomstig ISO 10360-2:2009; of

2. 

drie of meer assen en een driedimensionale (volumetrische) maximaal toelaatbare lengtemeetfout (E0,MPE) gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan (1,7 + L/800) μm (waarbij L de gemeten lengte is in mm) op enig punt in het werkbereik van de machine (d.w.z. binnen de aslengte), volgens ISO 10360-2:2009;

Technische noot:

De E0,MPE van de overeenkomstig ISO 10360-2:2009 door de fabrikant opgegeven meest accurate configuratie van de CMM (bv. beste van de volgende: tastkop, lengte tastnaald, bewegingsparameters, omgevingen) en “inclusief alle compensaties” moet worden vergeleken met de drempel van (1,7 + L/800) μm.

b. 

systemen voor het gelijktijdig testen van lineaire en hoekverplaatsingen van halve bolmantels, met beide volgende eigenschappen:

1. 

“meetonzekerheid” langs elke lineaire as gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 3,5 μm per 5 mm; en

2. 

“hoekafwijking” gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,02°;

c. 

meetsystemen voor ‘lineaire verplaatsingen’ met één of meer van de volgende eigenschappen:

Technische noot:

Voor de toepassing van 2B206.c. moet onder ‘lineaire verplaatsing’ worden verstaan de verandering van de afstand tussen de meetpen en het gemeten voorwerp.

1. 

zij bevatten een “laser”; en

2. 

zij zijn in staat om gedurende ten minste 12 uur, bij een temperatuur van ± 1 K (± 1 °C), rond een standaardtemperatuur en standaarddruk, al het volgende te behouden:

a. 

een resolutie over hun volledige schaal van 0,1 μm of nauwkeuriger; en

b. 

met een “meetonzekerheid” die gelijk is aan of minder bedraagt (d.w.z. nauwkeuriger is) dan (0,2 + L/2 000) μm (L is de gemeten lengte in mm).

Noot:   2B206.c. is niet van toepassing op interferometermeetsystemen, zonder open of gesloten terugkoppeling, die een laser bevatten voor het meten van fouten in de sledebeweging van machinewerktuigen, meetmachines of dergelijke apparatuur.

d. 

lineaire variabele verschilomzetters (Linear variable differential transformers of LVDT) met beide volgende eigenschappen:

Technische noot:

Voor de toepassing van 2B206.d. moet onder ‘lineaire verplaatsing’ worden verstaan de verandering van de afstand tussen de meetpen en het gemeten voorwerp.

1. 

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a. 

“lineariteit” gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,1 % gemeten van 0 tot het werkgebied, voor LVDT’s met een werkgebied tot 5 mm; of

b. 

“lineariteit” gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,1 % gemeten van 0 tot 5 mm, voor LVDT’s met een werkgebied groter dan 5 mm; en

2. 

verloop gelijk aan of minder (d.w.z. nauwkeuriger) dan 0,1 % per dag bij een standaardomgevingstemperatuur in de testruimte ±1 K (±1°C).

Noot 1:   Werktuigmachines, geschikt voor gebruik als meettoestel, worden bedoeld indien hun prestaties gelijk zijn aan of beter zijn dan de criteria neergelegd voor de werktuigmachinefunctie of de meettoestelfunctie.

Noot 2:   Indien een machine als omschreven in 2B206 op enig punt in haar werkbereik de limieten overschrijdt, wordt de machine bedoeld.

Technische noten:

Alle parameters van meetwaarden in 2B206 vertegenwoordigen plus/minus-waarden, niet het totale meetbereik.

2B207“Robots”, “eindeffectoren” en besturingseenheden, anders dan bedoeld in 2B007, als hieronder:

a. 

“robots” of “eindeffectoren”, speciaal ontworpen volgens nationale veiligheidsnormen die gelden voor het hanteren van brisante springstoffen (bijvoorbeeld volgens elektrische normen voor brisante springstoffen);

b. 

besturingseenheden, speciaal ontworpen voor de in 2B207.a. vermelde “robots” of “eindeffectoren”.

2B209Vloei- (‹flow-forming›)draaibanken, forceer(‹spin-forming›)draaibanken die vloei-draaifuncties kunnen verrichten, anders dan bedoeld in 2B009 of 2B109, en spillen, als hieronder:

a. 

machines met beide volgende eigenschappen:

1. 

drie of meer rollen (actieve of leirollen); en

2. 

volgens de technische specificatie van de fabrikant uitgerust kunnen worden met “numerieke besturings”-eenheden of computerbesturing;

b. 

spillen voor het precisievormgeven van rotoren, ontworpen voor het vormen van cilindrische rotoren met een binnendiameter van 75 mm – 400 mm.

Noot:   2B209.a. omvat machines die slechts één enkele rol hebben die ontworpen is om metaal te vervormen, plus twee hulprollen ter ondersteuning van de spil, die echter niet rechtstreeks deelnemen aan het vervormingsproces.

2B219Centrifugale balanceermachines voor het uitbalanceren in verscheidene vlakken, vast of draagbaar, horizontaal of verticaal, als hieronder:

a. 

centrifugale balanceermachines ontworpen voor het uitbalanceren van flexibele rotors met een lengte van 600 mm of meer en met alle volgende eigenschappen:

1. 

een nuttige of tapdiameter groter dan 75 mm;

2. 

geschikt voor een massa van 0,9 tot 23 kg; en

3. 

geschikt voor het uitbalanceren bij een omwentelingssnelheid hoger dan 5 000  t.p.m.;

b. 

centrifugale balanceermachines ontworpen voor het uitbalanceren van holle cilindrische rotoronderdelen en met alle volgende eigenschappen:

1. 

een tapdiameter groter dan 75 mm;

2. 

geschikt voor een massa van 0,9 tot 23 kg;

3. 

een minimale bereikbare resterende specifieke onbalans van 10 g × mm/kg per vlak of nauwkeuriger; en

4. 

van het type met riemaandrijving.

2B225Op afstand bediende manipulatoren die kunnen worden aangewend voor het doen verrichten van handelingen op afstand bij radiochemische scheidingswerkingen of in hete cellen, met één van de volgende eigenschappen:

a. 

geschikt om te werken bij een hete-celwand met een dikte van 0,6 m of meer (opereren door de wand heen); of

b. 

geschikt om de afstand over de bovenkant van een hete-celwand met een dikte van 0,6 m of meer te overbruggen (opereren over de wand heen).

Technische noot:

Op afstand bediende manipulatoren zorgen voor het mechanisch overbrengen van handelingen van een bediener naar een bedieningsarm en eindklem. Deze kunnen van het “meester/slaaf”-type zijn of worden bediend via een joystick of een toetsenbord.

2B226Inductieovens, werkend met beheerste atmosfeer (vacuüm of inert gas) en stroombronnen daarvoor, anders dan bedoeld in 9B001 en 3B001, als hieronder:

NB:   ZIE OOK 3B001 EN 9B001.

a. 

ovens met alle volgende eigenschappen:

1. 

geschikt voor werktemperaturen hoger dan 1 123  K (850 °C);

2. 

met inductiespoelen met een diameter van 600 mm of minder; en

3. 

ontworpen voor een ingaand vermogen van 5 kW of meer;

Noot:   2B226.a. heeft geen betrekking op ovens, ontworpen voor het bewerken van halfgeleiderplakken (“wafers”).

b. 

speciaal voor in 2B226.a. omschreven inductieovens ontworpen stroombronnen met een opgegeven vermogen van 5 kW of meer.

2B227Metallurgische smelt- en gietovens met vacuüm of op een andere wijze beheerste atmosfeer en bijbehorende apparatuur, als hieronder:

a. 

vlamboogovens voor hersmelten, vlamboogovens voor smelten en vlamboogovens voor smelten en gieten met beide volgende eigenschappen:

1. 

met een verbruikscapaciteit van de elektrode tussen 1 000  cm3 en 20 000  cm3; en

2. 

geschikt om te werken bij een smelttemperatuur hoger dan 1 973  K (1 700  °C);

b. 

ovens voor het smelten met elektronenstralen, ovens voor het verstuiven met een plasma en ovens voor het smelten met een plasma met beide volgende eigenschappen:

1. 

een vermogen van 50 kW of meer; en

2. 

geschikt om te werken bij een smelttemperatuur hoger dan 1 473  K (1 200  °C);

c. 

computersystemen voor besturing en controle, speciaal geconfigureerd voor de in 2B227.a. of 2B227.b. bedoelde ovens;

d. 

plasmabranders die speciaal zijn ontworpen voor ovens bedoeld in 2B227.b. en met beide volgende kenmerken:

1. 

werkzaam bij een vermogen van meer dan 50 kW; en

2. 

geschikt om te werken bij een temperatuur hoger dan 1 473  K (1 200  °C);

e. 

elektronenkanonnen die speciaal zijn ontworpen voor de in 2B227.b. bedoelde ovens en werkzaam zijn bij een vermogen van meer dan 50 kW.

2B228Apparatuur voor de vervaardiging of assemblage van rotoren, rotorrichtapparatuur, en matrijzen voor het vormen van balgen, als hieronder:

a. 

rotorassemblageapparatuur voor de assemblage van rotorbuisdelen, schijven en deksels van gascentrifuges;

Noot:   2B228.a. omvat zeer nauwkeurige spillen, klemmen en machines voor krimppassen.

b. 

rotorrichtapparatuur voor het richten van de rotorbuisdelen van een gascentrifuge ten opzichte van een gemeenschappelijke as;

Technische noot:

Gewoonlijk bestaat de apparatuur in 2B228.b. uit zeer nauwkeurige meetsondes gekoppeld aan een computer die vervolgens de werking van bijvoorbeeld de voor het richten van de rotorbuisdelen gebruikte pneumatische plunjers bestuurt.

c. 

balgvormende spillen en matrijzen voor de productie van balgen met een enkele winding.

Technische noot:

De in 2B228.c. bedoelde balgen hebben alle volgende eigenschappen:

1. 

binnendiameter van 75 mm tot 400 mm;

2. 

lengte van 12,7 mm of meer;

3. 

dikte van de enkele winding groter dan 2 mm; en

4. 

vervaardigd van aluminiumlegeringen met een hoge sterkte, maragingstaal of “stapel- of continuvezelmateriaal” met een hoge sterkte.

2B230Alle soorten ‘drukomzetters’ geschikt voor het meten van de absolute druk en met alle volgende eigenschappen:

a. 

drukopneemelementen vervaardigd van of beschermd door aluminium, aluminiumlegeringen, aluminiumoxide (alumina of saffier), nikkel of nikkellegeringen met meer dan 60 gewichtsprocent nikkel of volledig gefluoreerde koolwaterstofpolymeren;

b. 

eventuele afdichtingen die essentieel zijn voor het afdichten van het drukopneemelement en die rechtstreeks in contact komen met het procesmedium, vervaardigd van of beschermd door aluminium, aluminiumlegeringen, aluminiumoxide (alumina of saffier), nikkel of nikkellegeringen met meer dan 60 gewichtsprocent nikkel of volledig gefluoreerde koolwaterstofpolymeren; en

c. 

met een van de twee volgende eigenschappen:

1. 

een volledig bereik van minder dan 13 kPa en een ‘nauwkeurigheid’ beter dan 1 % over het gehele bereik; of

2. 

een volledig bereik van 13 kPa of groter en een ‘nauwkeurigheid’ beter dan 130 Pa wanneer wordt gemeten bij 13 kPa.

Technische noten:

1.   In 2B230 wordt onder ‘drukomzetter’ verstaan een toestel dat een drukmeting omzet in een signaal.

2.   Voor de toepassing van 2B230 houdt ‘nauwkeurigheid’ in non-lineariteit, hysteresis en herhaalbaarheid bij omgevingstemperatuur.

2B231Vacuümpompen met alle volgende eigenschappen:

a. 

een toevoerhals van 380 mm of groter;

b. 

een pompsnelheid van 15 m3/s of meer; en

c. 

geschikt voor het bereiken van een maximale onderdruk beter dan 13 mPa.

Technische noten:

1.   De pompsnelheid wordt bepaald op het meetpunt met stikstofgas of lucht.

2.   De maximale onderdruk wordt berekend aan de invoerzijde van de pomp terwijl de invoer van de pomp is afgesloten.

2B232Kanonsystemen voor hoge snelheden (spoel-, elektromagnetische en thermo-elektrische types en andere geavanceerde systemen) die projectielen kunnen versnellen tot een snelheid van 1,5 km/s of meer.

NB:   ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

2B233Compressoren met balgafdichting van het scroll-type en vacuümpompen met balgafdichting van het scroll-type met alle volgende eigenschappen:

NB:   ZIE OOK 2B350.i.

a. 

geschikt voor een inlaatvolumedebiet van 50 m3/uur of meer;

b. 

geschikt voor een drukverhouding van 2:1 of meer; en

c. 

alle oppervlakken die in contact komen met het procesgas zijn gemaakt van één van de volgende materialen:

1. 

aluminium of aluminiumlegering;

2. 

aluminiumoxide;

3. 

roestvast staal;

4. 

nikkel of nikkellegering;

5. 

fosforbrons; of

6. 

fluorpolymeren.

2B350Chemische productie-installaties, productieapparatuur en onderdelen daarvan, als hieronder:

a. 

reactorvaten of reactors, met of zonder roerwerk, met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 liter) en minder dan 20 m3 (20 000  liter), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

NB:   Voor geprefabriceerde reparatiesamenstellingen zie 2B350.k.

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

3. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

4. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

5. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

6. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

7. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan; of

8. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

b. 

roerwerken die ontworpen zijn voor gebruik in reactorvaten of reactors als aangegeven in 2B350.a; en voor gebruik in dergelijke roerwerken ontworpen schoepen, bladen en assen, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

3. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

4. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

5. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

6. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

7. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan; of

8. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

c. 

opslagtanks en vaten met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 l), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

NB:   Voor geprefabriceerde reparatiesamenstellingen zie 2B350.k.

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

3. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

4. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

5. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

6. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

7. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan; of

8. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

d. 

warmtewisselaars of condensors met een warmte-uitwisseloppervlak van meer dan 0,15 m2 en minder dan 20 m2; en voor gebruik in dergelijke warmtewisselaars of condensors ontworpen buizen, platen, spoelen of blokken (kernen), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

3. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

4. 

grafiet of ‘koolstofgrafiet’;

5. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

6. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

7. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

8. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan;

9. 

siliciumcarbide;

10. 

titaancarbide; of

11. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

e. 

distillatiekolommen of absorptiekolommen met een inwendige diameter van meer dan 0,1 m; en voor gebruik in dergelijke distillatiekolommen of absorptiekolommen ontworpen vloeistofverdelers, dampverdelers of vloeistofcollectoren waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

3. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

4. 

grafiet of ‘koolstofgrafiet’;

5. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

6. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

7. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

8. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan; of

9. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

f. 

op afstand bedienbare vulapparatuur waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom; of

2. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

g. 

kleppen en onderdelen, als hieronder:

1. 

kleppen, met beide volgende eigenschappen:

a. 

een ‘nominale afmeting’ groter dan DN 10 of NPS 3/8; en

b. 

alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden geproduceerd, verwerkt of ingesloten, zijn gemaakt van ‘corrosiebestendig materiaal’;

2. 

kleppen, anders dan bedoeld in 2B350.g.1., met alle volgende eigenschappen;

a. 

een ‘nominale afmeting’ gelijk aan of groter dan DN 25 of NPS 1 en gelijk aan of kleiner dan DN 100 of NPS 4;

b. 

omhulsels (klephuizen) of voorgevormde binnenbekledingen;

c. 

een sluitingselement dat ontworpen is om verwisselbaar te zijn; en

d. 

alle oppervlakken van de omhulsels (klephuizen) of voorgevormde binnenbekledingen die in direct contact komen met de chemicaliën die worden geproduceerd, verwerkt of ingesloten, zijn gemaakt van ‘corrosiebestendig materiaal’;

3. 

onderdelen, ontworpen voor kleppen bedoeld in 2B350.g.1. of 2B350.g.2., waarvan alle oppervlakken die rechtstreeks in aanraking komen met de chemicaliën die worden geproduceerd, verwerkt of ingesloten, zijn gemaakt van ‘corrosiebestendig materiaal’ als hieronder:

a. 

omhulsels (afsluiters);

b. 

voorgevormde binnenbekledingen;

Technische noten:

1.   Voor de toepassing van 2B350.g. wordt onder ‘corrosiebestendige materialen’ één van de volgende materialen verstaan:

a. 

nikkel of legeringen die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

b. 

legeringen met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

c. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

d. 

glas of glasbekleding (“lining”) (met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen);

e. 

tantaal of tantaallegeringen;

f. 

titaan of titaanlegeringen;

g. 

zirkonium of zirkoniumlegeringen;

h. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan; of

i. 

onderstaande keramische materialen:

1. 

siliciumcarbide met een zuiverheidsgraad van 80 gewichtsprocent of meer;

2. 

aluminiumoxide (alumina) met een zuiverheidsgraad van 99,9 gewichtsprocent of meer;

3. 

zirkoniumoxide (zirconia).

2.   Onder ‘nominale afmeting’ wordt verstaan de kleinste diameter van de inlaat- en uitlaatopeningen.

3.   De nominale afmetingen (nominal sizes, DN) van kleppen zijn in overeenstemming met ISO-norm 6708:1995. De nominale pijpmaten (Nominal Pipe Sizes, NPS) zijn in overeenstemming met ASME-norm B36.10 of B36.19 of met nationale equivalenten.

h. 

meerwandige buizen met een lekdetectieaansluiting, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

3. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

4. 

grafiet of ‘koolstofgrafiet’;

5. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

6. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

7. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

8. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan; of

9. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

i. 

pompen met meervoudige afdichting en pompen zonder afdichting, met een door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 0,6 m3/uur, of vacuümpompen met een door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 5 m3/uur (bij standaardtemperatuur (273 K (0 °C)) en -druk (101,3 kPa)), anders dan bedoeld in 2B233; en voor gebruik in dergelijke pompen ontworpen omhulsels (pomphuizen), voorgevormde binnenbekledingen, schoepen, vleugelraderen of straalpompverdeelstukken waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

keramische materialen;

3. 

ferrosilicium (ijzerlegeringen met een hoog siliciumgehalte);

4. 

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtsprocent fluor bevatten);

5. 

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding (‹lining›);

6. 

grafiet of ‘koolstofgrafiet’;

7. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

8. 

tantaal of ‘legeringen’ ervan;

9. 

titaan of ‘legeringen’ ervan;

10. 

zirkonium of ‘legeringen’ ervan; of

11. 

niobium (columbium) of ‘legeringen’ ervan;

Technische noot:

In 2B350.i. verwijst de term afdichting alleen naar de afdichtingen die rechtstreeks in aanraking te komen met de chemicaliën die worden verwerkt (of daarvoor zijn ontworpen) en die voorzien in een afdichtingsfunctie waarbij een roterende of op-en-neergaande aandrijfas door de kast van een pomp heen gaat.

j. 

verbrandingsovens ontworpen om chemicaliën bedoeld in 1C350 te vernietigen, met speciaal ontworpen afvaltoevoersystemen en speciale transportfaciliteiten en een gemiddelde verbrandingskamertemperatuur van meer dan 1 273  K (1 000  °C), waarvan alle oppervlakken van het afvaltoevoersysteem die in direct contact komen met de afvalproducten, gemaakt zijn van of bekleed zijn met één of meer van de volgende materialen:

1. 

‘legeringen’ met meer dan 25 gewichtsprocent nikkel en meer dan 20 gewichtsprocent chroom;

2. 

keramische materialen; of

3. 

nikkel of ‘legeringen’ die meer dan 40 gewichtsprocent nikkel bevatten;

k. 

Geprefabriceerde reparatiesamenstellingen met metalen oppervlakken die rechtstreeks in aanraking komen met de chemicaliën die worden verwerkt en gemaakt zijn van tantaal of legeringen daarvan, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

1. 

ontworpen voor mechanische bevestiging aan met glas beklede reactorvaten of reactors als bedoeld in 2B350.a.; of

2. 

ontworpen voor mechanische bevestiging aan met glas beklede opslagtanks en vaten als bedoeld in 2B350.c.

Noot:   Voor de toepassing van 2B350 zijn de materialen voor pakkingen, verpakking, afdichtingen, schroeven, sluitringen en andere materialen die een afdichtingsfunctie vervullen niet bepalend voor de controlestatus, op voorwaarde dat deze elementen zijn ontworpen om verwisselbaar te zijn.

Technische noten:

1.   ‘Koolstofgrafiet’ is een composiet bestaande uit amorf koolstof en grafiet, met 8 of meer gewichtsprocent grafiet.

2.   Voor de hierboven opgesomde materialen wordt onder ‘legeringen’ – voor zover de term niet vergezeld gaat van een specifieke concentratie van een chemisch element – verstaan legeringen waarin het geïdentificeerde metaal in een hoger gewichtspercent dan enig ander element aanwezig is.

2B351Andere dan in 1A004 bedoelde controleapparatuur en -systemen voor giftige gassen en de speciaal daarvoor ontworpen detectieonderdelen ervan, als hieronder, en detectoren; sensoren; en vervangbare sensorpatronen daarvoor:

a. 

geschikt om in continubedrijf chemische strijdgassen of chemische stoffen als bedoeld in 1C350 waar te nemen bij concentraties van minder dan 0,3 mg/m3 lucht; of

b. 

geschikt om cholinesteraseremmende werking waar te nemen.

2B352Uitrusting voor biologische vervaardiging en verwerking, als hieronder:

a. 

inperkingsinstallaties en aanverwante uitrusting, als hieronder:

1. 

complete inperkingsinstallaties die voldoen aan de criteria voor P3- en P4-inperking (BL3, BL4, L3, L4) zoals gespecificeerd in de WHO Laboratory Biosafety Manual (3e editie, Genève 2004);

2. 

apparatuur die is ontworpen voor vaste installatie in onder 2B352.a vallende inperkingsinstallaties, als hieronder:

a. 

tweedeurige doorloopdecontaminatie-autoclaven;

b. 

decontaminatiedouches voor gaspakken;

c. 

doorloopdeuren met mechanische afdichting of opblaasbare afdichting;

b. 

fermentoren en onderdelen, als hieronder:

1. 

fermentoren, geschikt voor het kweken van “micro-organismen” of levende cellen voor de productie van virussen of toxines, zonder aerosolvorming, met een totaal intern volume van 20 liter of meer;

2. 

onderdelen die ontworpen zijn voor fermentoren als bedoeld in 2B352.b.1., als hieronder:

a. 

kweekkamers ontworpen om ter plaatse te worden gesteriliseerd of gedesinfecteerd;

b. 

houdinrichtingen (‹holding devices›) voor kweekkamers;

c. 

procesbesturingseenheden die in staat zijn tot het gelijktijdig monitoren en besturen van twee of meer parameters van het fermentatiesysteem (bv. temperatuur, pH, nutriënten, agitatie, opgeloste zuurstof, luchtstroom, schuimbeheersing);

Technische noten:

1.   Voor de toepassing van 2B352.b. omvatten fermentoren bioreactoren, bioreactoren voor eenmalig gebruik (wegwerpbare bioreactoren), chemostaten en continustroomsystemen.

2.   Met houdinrichtingen (‹holding devices›) voor kweekkamers zijn ook bedoeld kweekkamers met vaste wanden voor eenmalig gebruik.

c. 

centrifuges, geschikt voor continu scheiden zonder aerosolvorming, met alle volgende eigenschappen:

1. 

een doorstroomsnelheid van meer dan 100 liter per uur;

2. 

met componenten gemaakt van gepolijst roestvast staal of titaan;

3. 

met één of meer koppelingen binnen het met stoom steriliseerbare compartiment; en

4. 

geschikt voor in-situ-stoomsterilisatie in afgesloten toestand;

Technische noot:

Met centrifuges zijn ook bedoeld decanteerflessen.

d. 

dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur en onderdelen, als hieronder:

1. 

dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur geschikt voor het scheiden van “micro-organismen”, virussen, toxines of celculturen met alle volgende eigenschappen:

a. 

een totaal filteroppervlak van 1 m2 of meer; en

b. 

met één van de volgende eigenschappen:

1. 

in-situ gesteriliseerd of gedesinfecteerd kunnen worden; of

2. 

filteronderdelen zijn wegwerpbaar of slechts voor eenmalig gebruik.

Technische noot:

In 2B352.d.1.b. slaat gesteriliseerd op het verwijderen van alle levensvatbare bacteriën uit de apparatuur door middel van fysieke (bv. stoom) of chemische agentia. Gedesinfecteerd betekent dat iedere mogelijke bacteriële infectiviteit in de apparatuur door middel van chemische agentia met een kiemdodende werking volledig is uitgeschakeld. Desinfectie en sterilisatie zijn te onderscheiden van reiniging, waarmee schoonmaakprocedés worden bedoeld die het bacteriële gehalte van de apparatuur verminderen zonder de bacteriële infectiviteit of levensvatbaarheid noodzakelijkerwijze volledig uit te schakelen.

Noot:   2B352.d. heeft geen betrekking op apparatuur voor omgekeerde osmose en hemodialyse, zoals gespecificeerd door de fabrikant.

2. 

onderdelen van dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur (bv. modules, elementen, cassettes, patronen, eenheden of platen) met een filteroppervlak van 0,2 m2 of meer voor ieder onderdeel en bedoeld voor gebruik in de in 2B352.d. vermelde dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur;

e. 

vriesdroogapparatuur, geschikt voor stoom-, gas-, of dampsterilisatie en met een condensorcapaciteit van 10 kg ijs of meer per 24 uur en minder dan 1 000  kg ijs per 24 uur;

f. 

beschermings- of insluitingsmiddelen, als hieronder:

1. 

pakken van het type waarbij het lichaam geheel of half wordt omsloten, of van een externe luchttoevoer afhankelijke getuide, onder positieve druk werkende afzuigkappen;

Noot:   Pakken die zijn ontworpen om met onafhankelijke ademhalingsapparatuur te worden gedragen, vallen niet onder 2B352.f.1.

2. 

biocontainmentkamers, isolerende systemen of biologische veiligheidskasten met alle volgende eigenschappen, voor normaal bedrijf:

a. 

een volledig afgesloten werkruimte waar de operator afgezonderd is van het werk door middel van een fysieke barrière;

b. 

geschikt voor gebruik bij negatieve druk;

c. 

manieren om producten veilig te bewerken in de werkruimte;

d. 

de inkomende en uitgaande lucht in de werkruimte wordt met HEPA-filters gezuiverd;

Noot 1:   2B352.f.2. omvat biologische veiligheidskasten van klasse III, zoals omschreven in de laatste versie van de WHO Laboratory Biosafety Manual of vervaardigd in overeenstemming met nationale normen, wetgeving of richtsnoeren.

Noot 2:   2B352.f.2. heeft betrekking op alle isolerende systemen die alle hierboven vermelde eigenschappen bezitten, ongeacht het beoogde gebruik en de aanduiding ervan.

Noot 3:   2B352.f.2. heeft geen betrekking op isolerende systemen speciaal ontworpen voor barrièreverpleging of vervoer van besmette patiënten.

g. 

aerosol-inhalatieapparatuur ontworpen voor immuniteitsonderzoek met “micro-organismen”, virussen of “toxinen”, als hieronder:

1. 

blootstellingskamers voor het gehele lichaam met een capaciteit van 1 m3 of meer;

2. 

apparatuur voor blootstelling via de neus met een gerichte stroom aerosols voor blootstelling van één of meer van de volgende producten:

a. 

12 of meer knaagdieren; of

b. 

2 of meer andere dieren dan knaagdieren;

3. 

afgesloten fixeerbuizen voor dieren die zijn ontworpen voor gebruik met apparatuur voor blootstelling via de neus met een gerichte stroom aerosols;

h. 

voor het drogen van toxinen of pathogene “micro-organismen” geschikte sproeidroogapparatuur, met alle volgende eigenschappen:

1. 

een waterverdampingscapaciteit ≥ 0,4 kg/uur en ≤ 400 kg/uur;

2. 

het vermogen om een typische gemiddelde productdeeltjesgrootte ≤ 10 μm te genereren met bestaande hulpstukken of met een minimale aanpassing van de sproeidroger met verneveldoppen die deeltjes van de vereiste grootte kunnen genereren; en

3. 

in-situ gesteriliseerd of gedesinfecteerd kunnen worden;

i. 

samenstellers en synthesizers van nucleïnezuren, gedeeltelijk of geheel geautomatiseerd, en ontworpen voor de continue generatie van nucleïnezuren met een lengte van meer dan 1,5 kilobasen, met een foutenpercentage van minder dan 5 % tijdens een cyclus.

2CMaterialen

Geen.

2DProgrammatuur

2D001“Programmatuur” anders dan bedoeld in 2D002, als hieronder:

a. 

“programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor de “ontwikkeling” of “productie” van in 2A001 of 2B001 tot en met 2B009 bedoelde apparatuur.

b. 

“programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor het “gebruik” van in 2A001.c., 2B001 of 2B003 tot en met 2B009 bedoelde apparatuur.

Noot:   2D001 heeft geen betrekking op “programmatuur” voor werkstukprogramma’s waarmee “numerieke besturings”-codes voor de bewerking van verschillende onderdelen worden gegenereerd.

2D002“Programmatuur” voor elektronische toestellen, ook wanneer geïntegreerd in een elektronisch toestel of systeem, waardoor dergelijke toestellen of systemen kunnen functioneren als “numerieke besturings”-eenheid, en geschikt om meer dan vier assen gelijktijdig te laten samenwerken voor “contourbesturen”.

Noot 1:   2D002 heeft geen betrekking op “programmatuur” die speciaal is ontworpen of aangepast voor de bediening van goederen die niet zijn vermeld in categorie 2.

Noot 2:   2D002 heeft geen betrekking op “programmatuur” voor goederen die zijn vermeld in 2B002. Zie 2D001 en 2D003 voor “programmatuur” voor goederen vermeld in 2B002.

Noot 3:   2D002 heeft geen betrekking op “programmatuur” die wordt geëxporteerd met, en het minimale vereiste is voor het gebruik van, goederen die niet zijn vermeld in categorie 2.

2D003“Programmatuur” ontworpen of aangepast voor de werking van apparatuur, vermeld in 2B002, die het optische ontwerp, de metingen van het werkstuk en de functies voor de verwijdering van materiaal omzet in “numerieke besturings”- opdrachten voor het bereiken van de gewenste werkstukvorm.

2D101“Programmatuur” speciaal ontworpen of aangepast voor het “gebruik” van apparatuur, bedoeld