02021R0241 — NL — 01.03.2024 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2021/241 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 februari 2021

tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit

(PB L 057 van 18.2.2021, blz. 17)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2023/435 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 27 februari 2023

  L 63

1

28.2.2023

►M2

VERORDENING (EU) 2024/795 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 29 februari 2024

  L 795

1

29.2.2024


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 410, 18.11.2021, blz.  197 (2021/241)

►C2

Rectificatie, PB L 137, 25.5.2023, blz.  71 ((EU) 2021/241)




▼B

VERORDENING (EU) 2021/241 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 februari 2021

tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN EN FINANCIERING

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt de herstel- en veerkrachtfaciliteit (“de faciliteit”) ingesteld.

Deze verordening voorziet in de doelstellingen van de faciliteit, de financiering ervan, de vormen van Uniefinanciering op grond van de faciliteit en de regels voor de verstrekking van die financiering.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. 

“fondsen van de Unie”: de fondsen die vallen onder een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het rechtvaardige-transitiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (de “verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027”);

2. 

“financiële bijdrage”: niet-terugbetaalbare financiële steun op grond van de faciliteit die aan een lidstaat is of kan worden toegewezen;

3. 

“Europees Semester”: het in artikel 2 bis van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad ( 1 ) uiteengezette proces;

4. 

“mijlpalen en streefdoelen”: metingen van de vorderingen in de richting van de verwezenlijking van een hervorming of een investering, waarbij mijlpalen kwalitatieve verwezenlijkingen zijn en streefdoelen kwantitatieve verwezenlijkingen;

5. 

“veerkracht”: het vermogen om op een eerlijke, duurzame en inclusieve wijze economische, sociale en ecologische schokken of aanhoudende structurele veranderingen het hoofd te bieden, en

6. 

“geen ernstige afbreuk doen”: het niet ondersteunen of uitvoeren van economische activiteiten die ernstig afbreuk doen aan in artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852 uiteengezette milieudoelstellingen, indien van toepassing, in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852.

Artikel 3

Toepassingsgebied

Het toepassingsgebied van de faciliteit bestrijkt beleidsgebieden die van Europees belang zijn en die in zes pijlers zijn ondergebracht:

a) 

groene transitie;

b) 

digitale transformatie;

c) 

slimme, duurzame en inclusieve groei, met inbegrip van economische cohesie, banen, productiviteit, concurrentievermogen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en een goed functionerende interne markt met sterke kmo’s;

d) 

sociale en territoriale cohesie;

e) 

gezondheid en economische, sociale en institutionele veerkracht, met het oog op onder andere het vergroten van crisisparaatheid en van het reactievermogen bij crisissituaties, en

f) 

beleid voor de volgende generatie, kinderen en jongeren, zoals onderwijs en vaardigheden.

Artikel 4

Algemene en specifieke doelstellingen

▼M1

1.  
Overeenkomstig de in artikel 3 van deze verordening bedoelde zes pijlers en de coherentie en synergie die zij opleveren, en in de context van de COVID-19-crisis, is de algemene doelstelling van de faciliteit de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie te verbeteren door de veerkracht, de crisisparaatheid, het aanpassingsvermogen en het groeipotentieel van de lidstaten te verbeteren, door de sociale en economische gevolgen van de crisis, met name voor vrouwen, te verzachten, door een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, door de groene transitie te ondersteunen, door een bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de 2030-streefcijfers voor klimaat van de Unie als uiteengezet in artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) 2018/1999, door de doelstelling van klimaatneutraliteit van de Unie in 2050 en van de digitale transitie na te streven, en door het energiesysteem van de Unie veerkrachtiger, zekerder en duurzamer te maken door een noodzakelijke vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en een differentiatie van de energievoorziening op Unieniveau, onder meer door middel van een toename van het gebruik van hernieuwbare energie en van de energie-efficiëntie en een verhoging van de opslagcapaciteit voor energie, en aldus bij te dragen aan de opwaartse economische en sociale convergentie, het herstellen en stimuleren van duurzame groei en de integratie van de economieën van de Unie, en het bevorderen van de schepping van kwalitatief hoogstaande banen, alsmede bij te dragen aan de strategische autonomie van de Unie, in combinatie met een open economie en het creëren van Europese meerwaarde.

▼B

2.  
Met het oog op die algemene doelstelling is de specifieke doelstelling van de faciliteit de lidstaten financiële steun te verstrekken ter verwezenlijking van de in hun herstel- en veerkrachtplannen vastgelegde mijlpalen en streefdoelen van de hervormingen en investeringen. Deze specifieke doelstelling wordt nagestreefd in nauwe en transparante samenwerking met de betrokken lidstaten.

Artikel 5

Horizontale beginselen

1.  
De steun uit de faciliteit komt, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, niet in de plaats van terugkerende nationale begrotingsuitgaven en is in overeenstemming met het in artikel 9 bedoelde beginsel van additionaliteit van Uniefinanciering.

▼M1

2.  
De faciliteit ondersteunt alleen maatregelen die het beginsel van “geen ernstige afbreuk doen” eerbiedigen, dat ook van toepassing is op de maatregelen in de REPowerEU-hoofdstukken, tenzij in deze verordening anders wordt bepaald.

▼B

Artikel 6

Middelen uit het herstelinstrument voor de Europese Unie

1.  

De in artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2094 bedoelde maatregelen worden in het kader van de faciliteit uitgevoerd:

a) 

met een bedrag van maximaal 312 500 000 000 EUR als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt a), punt ii), van Verordening (EU) 2020/2094 in prijzen van 2018, beschikbaar voor niet-terugbetaalbare financiële steun, onder voorbehoud van artikel 3, leden 4 en 7, van Verordening (EU) 2020/2094;

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 vormen deze bedragen externe bestemmingsontvangsten voor de toepassing van artikel 21, lid 5, van het financieel reglement;

b) 

met een bedrag van maximaal 360 000 000 000 EUR als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2020/2094 in prijzen van 2018, beschikbaar voor steun via leningen voor de lidstaten overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van deze verordening, onder voorbehoud van artikel 3, lid 5, van Verordening(EU) 2020/2094.

2.  
De in lid 1, punt a), bedoelde bedragen kunnen ook uitgaven dekken in verband met voorbereidende, monitoring-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten die nodig zijn voor het beheer van de faciliteit en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, met name voor studies, vergaderingen van deskundigen, raadpleging van belanghebbenden, informatie- en communicatiemaatregelen, waaronder inclusieve bewustmakingsacties, en institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van deze verordening, uitgaven in verband met IT-netwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, institutionele informatietechnologie-instrumenten alsmede alle overige uitgaven voor technische en administratieve bijstand die de Commissie doet voor het beheer van de faciliteit. De uitgaven kunnen ook de kosten van andere ondersteunende activiteiten zoals kwaliteitscontrole en monitoring van projecten ter plaatse alsmede de kosten van collegiale advisering en van deskundigen voor de evaluatie en de uitvoering van hervormingen en investeringen omvatten.

Artikel 7

Middelen uit programma’s in gedeeld beheer en gebruik van middelen

1.  
De aan de lidstaten in gedeeld beheer toegewezen middelen kunnen op verzoek van de betrokken lidstaat naar de faciliteit worden overgeschreven onder de in de relevante bepalingen van de verordening gemeenschappelijke bepalingen uiteengezette voorwaarden. De Commissie wendt die middelen op directe wijze aan in overeenstemming met artikel 62, lid 1, punt a), van het Financieel Reglement. Die middelen worden uitsluitend gebruikt ten gunste van de betrokken lidstaat.
2.  
De lidstaten kunnen voorstellen om in hun herstel- en veerkrachtplan, als geraamde kosten, de betalingen voor aanvullende technische ondersteuning overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2021/240 op te nemen, evenals het bedrag van de geldelijke bijdrage voor het lidstaatcompartiment overeenkomstig de relevante bepalingen van de InvestEU-verordening. Die kosten bedragen niet meer dan 4 % van de totale financiële toewijzing van het herstel- en veerkrachtplan en de desbetreffende maatregelen, zoals uiteengezet in het herstel- en veerkrachtplan, en voldoen aan de vereisten van deze verordening.

▼M2

3.  
Onverminderd lid 2 van dit artikel kunnen de lidstaten ook voorstellen om in hun herstel- en veerkrachtplan, als geraamde kosten, het bedrag van de bijdrage in contanten voor het lidstaatcompartiment op grond van de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) op te nemen, uitsluitend voor maatregelen ter ondersteuning van investeringsverrichtingen die bijdragen tot de doelstellingen van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) die worden bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2024/795 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ). Die kosten bedragen niet meer dan 6 % van de totale financiële toewijzing van het herstel- en veerkrachtplan, en de desbetreffende maatregelen, zoals uiteengezet in het herstel- en veerkrachtplan, voldoen aan de vereisten van deze verordening.

▼B

Artikel 8

Uitvoering

De faciliteit wordt door de Commissie uitgevoerd in direct beheer overeenkomstig de toepasselijke regelgeving die is vastgesteld krachtens artikel 322 VWEU, in het bijzonder het Financieel Reglement en Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ).

Artikel 9

Additionaliteit en aanvullende financiering

De steun in het kader van de faciliteit vormt een aanvulling op de in het kader van andere programma’s en instrumenten van de Unie verstrekte steun. Voor hervormings- en investeringsprojecten kan steun uit andere programma’s en instrumenten van de Unie worden ontvangen, voor zover deze steun niet dezelfde kosten dekt.

Artikel 10

Maatregelen om de faciliteit te koppelen aan gezonde economische governance

1.  
De Commissie doet een voorstel aan de Raad tot opschorting van alle of een deel van de vastleggingen of betalingen indien de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8 of lid 11, VWEU besluit dat een lidstaat niet doeltreffend heeft opgetreden om zijn buitensporige tekort te corrigeren, tenzij de Raad heeft vastgesteld dat er sprake is van een ernstige economische neergang voor de Unie in haar geheel in de zin van artikel 3, lid 5, en artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad ( 5 ).
2.  

De Commissie kan in de volgende gevallen een voorstel doen aan de Raad tot opschorting van alle of een deel van de vastleggingen of betalingen:

a) 

indien de Raad twee opeenvolgende aanbevelingen goedkeurt in dezelfde procedure bij buitensporige onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1176/2011, op grond dat de lidstaat een ontoereikend plan met corrigerende maatregelen heeft ingediend;

b) 

indien de Raad twee opeenvolgende besluiten goedkeurt in dezelfde procedure bij buitensporige onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 tot vaststelling van niet-naleving door een lidstaat, op grond dat deze de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen;

c) 

indien de Commissie vaststelt dat een lidstaat geen in Verordening (EG) nr. 332/2002 bedoelde maatregelen heeft genomen en bijgevolg besluit de betaling van de aan die lidstaat toegekende financiële bijstand niet goed te keuren;

d) 

indien de Raad besluit dat een lidstaat het in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 bedoelde macro-economisch of de maatregelen waarom in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld besluit van de Raad is verzocht, niet naleeft.

Er wordt prioriteit gegeven aan het opschorten van vastleggingen; betalingen worden alleen opgeschort wanneer het de bedoeling is onmiddellijk op te treden en in het geval van significante niet-naleving.

Het besluit tot opschorting van de betalingen is van toepassing op betalingsaanvragen die na de datum van het besluit tot opschorting worden ingediend.

3.  
Een voorstel van de Commissie met betrekking tot een besluit tot opschorting van vastleggingen wordt geacht te zijn aangenomen door de Raad, tenzij de Raad door middel van een uitvoeringshandeling besluit het voorstel met gekwalificeerde meerderheid te verwerpen binnen één maand na de indiening van het voorstel van de Commissie.

De opschorting van de vastleggingen is op de vastleggingen van toepassing met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op de vaststelling van het besluit tot opschorting.

De Raad stelt op basis van een in de leden 1 en 2 bedoeld voorstel van de Commissie, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit over de opschorting van betalingen vast.

4.  
De omvang en het niveau van de op te leggen opschorting van vastleggingen of betalingen is evenredig, eerbiedigt de gelijke behandeling van de lidstaten en houdt rekening met de sociaal-economische omstandigheden van de betrokken lidstaat, in het bijzonder het werkloosheidspeil, het armoedepeil en het niveau van sociale uitsluiting van de betrokken lidstaat in vergelijking met het gemiddelde van de Unie, alsook het effect van de opschorting op de economie van de betrokken lidstaat.
5.  

De opschorting van vastleggingen is in de volgende gevallen onderworpen aan een maximum van 25 % van de vastleggingen of 0,25 % van het nominale bbp, als dat lager is:

a) 

bij de eerste niet-naleving van een procedure bij buitensporige tekorten als bedoeld in lid 1;

b) 

bij de eerste niet-naleving in verband met een plan met corrigerende maatregelen in het kader van een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in lid 2, punt a);

c) 

bij niet-naleving van de aanbevolen corrigerende maatregel in het kader van een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in lid 2, punt b);

d) 

bij de eerste niet-naleving als bedoeld in lid 2, punten c) en d).

In het geval van voortdurende niet-naleving kan het percentage van opgeschorte vastleggingen hoger liggen dan de in de eerste alinea bedoelde maximumpercentages.

6.  

De Raad heft de opschorting van vastleggingen op voorstel van de Commissie overeenkomstig de in lid 3, eerste alinea, van dit artikel beschreven procedure op in de volgende gevallen:

a) 

indien de procedure bij buitensporige tekorten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1467/97 is opgeschort of de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU heeft besloten het besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in te trekken;

b) 

indien de Raad het door de betrokken lidstaat ingediende plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 heeft onderschreven of de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 10, lid 5, van die verordening is opgeschort, of indien de Raad de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden overeenkomstig artikel 11 van die verordening heeft afgesloten;

c) 

indien de Commissie heeft geconcludeerd dat een lidstaat de in Verordening (EG) nr. 332/2002 bedoelde passende maatregelen heeft genomen;

d) 

indien de Commissie heeft besloten dat de betrokken lidstaat passende maatregelen heeft genomen om het in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 bedoelde macro-economisch aanpassingsprogramma uit te voeren of de maatregelen heeft genomen waarom in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld besluit van de Raad is verzocht.

Zodra de opschorting van vastleggingen door de Raad is opgeheven, kan de Commissie opnieuw overgaan tot eerder opgeschorte vastleggingen, onverminderd artikel 3, leden 4, 7 en 9, van Verordening (EU) 2020/2094.

De Raad neemt op voorstel van de Commissie een besluit over de opheffing van de opschorting van betalingen overeenkomstig de in de derde alinea van lid 3 beschreven procedure, indien aan de toepasselijke voorwaarden van de eerste alinea van dit lid is voldaan.

7.  
De Commissie houdt het Europees Parlement op de hoogte van de uitvoering van dit artikel. Meer bepaald informeert de Commissie, wanneer zij een voorstel doet op grond van lid 1 of lid 2, het Europees Parlement onverwijld en verstrekt zij gedetailleerde gegevens over vastleggingen en betalingen waarvoor tot opschorting kan worden besloten.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken de toepassing van dit artikel te bespreken in het kader van een gestructureerde dialoog om het Parlement de gelegenheid te geven zijn standpunten kenbaar te maken. De Commissie houdt terdege rekening met de standpunten van het Europees Parlement.

De Commissie doet het voorstel tot opschorting dan wel het voorstel tot opheffing van deze opschorting, onverwijld na de goedkeuring toekomen het Europees Parlement en de Raad. Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken de redenen voor haar voorstel toe te lichten.

8.  
Uiterlijk 31 december 2024 voert de Commissie een evaluatie uit van de toepassing van dit artikel. Daartoe stelt zij een verslag op, dat zij aan het Europees Parlement en de Raad doet toekomen, en dat indien nodig vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel.
9.  
Indien er grote veranderingen plaatsvinden in de sociale en economische situatie in de Unie, kan de Commissie een voorstel indienen voor een evaluatie van de toepassing van dit artikel, of kan het Europees Parlement of de Raad, handelend overeenkomstig artikel 225 respectievelijk 241 VWEU, de Commissie verzoeken een dergelijk voorstel in te dienen.

HOOFDSTUK II

FINANCIËLE BIJDRAGE, PROCEDURE VOOR TOEWIJZING EN LENINGEN, EN EVALUATIE

Artikel 11

Maximale financiële bijdrage

1.  

De maximale financiële bijdrage wordt voor elke lidstaat als volgt berekend:

a) 

voor 70 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag, omgerekend naar lopende prijzen, op basis van de bevolkingsomvang, de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking en het relatieve werkloosheidspercentage van elke lidstaat volgens de in bijlage II beschreven methode;

b) 

voor de 30 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag, omgerekend naar lopende prijzen, op basis van de bevolkingsomvang, de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking en, in gelijke verhouding, de wijziging van het reële bbp voor 2020 en de cumulatieve wijziging van het reële bbp voor de periode 2020-2021 volgens de in bijlage III beschreven methode. Voor de wijziging van het reële bbp voor 2020 en de cumulatieve wijziging van het reële bbp voor de periode 2020-2021 wordt uitgegaan van de najaarsprognoses 2020 van de Commissie.

2.  
De berekening van de maximale financiële bijdrage uit hoofde van lid 1, punt b), wordt uiterlijk 30 juni 2022 voor elke lidstaat bijgewerkt door de gegevens van de najaarsprognoses 2020 van de Commissie te vervangen door de werkelijke gegevens met betrekking tot de wijziging van het reële bbp voor 2020 en de cumulatieve wijziging van het reële bbp voor de periode 2020-2021.

Artikel 12

Toewijzing van financiële bijdrage

1.  
Elke lidstaat kan tot zijn in artikel 11 bedoelde maximale financiële bijdrage een aanvraag indienen voor de uitvoering van zijn herstel- en veerkrachtplannen.
2.  
Tot en met 31 december 2022 stelt de Commissie 70 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag beschikbaar voor toewijzing, omgerekend naar lopende prijzen.
3.  
Van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 stelt de Commissie 30 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag beschikbaar voor toewijzing, omgerekend naar lopende prijzen.
4.  
De toewijzingen uit hoofde van de leden 2 en 3 laten artikel 6, lid 2, onverlet.

Artikel 13

Voorfinanciering

1.  
Mits de Raad uiterlijk 31 december 2021 het in artikel 20, lid 1, bedoelde uitvoeringsbesluit goedkeurt, en indien een lidstaat hierom verzoekt, samen met de indiening van zijn herstel- en veerkrachtplan, financiert de Commissie vooraf maximaal 13 % van de financiële bijdrage niet-terugbetaalbare en, in voorkomend geval, maximaal 13 % van de leningen overeenkomstig artikel 20, leden 2 en 3, van deze verordening. In afwijking van artikel 116, lid 1, van het Financieel Reglement keert de Commissie de desbetreffende betaling voor zover mogelijk binnen twee maanden na haar goedkeuring van de in artikel 23 bedoelde juridische verbintenis uit.
2.  
In het geval van voorfinanciering uit hoofde van lid 1 van dit artikel worden de uit te keren financiële bijdragen en, in voorkomend geval, de leningen als bedoeld in artikel 20, lid 5, respectievelijk punt a) of punt h), evenredig aangepast.
3.  
Indien het voorfinancieringsbedrag van de financiële bijdrage op grond van lid 1 van dit artikel in de periode tot en met 30 juni 2022 meer bedraagt dan 13 % van de overeenkomstig artikel 11, lid 2, berekende maximale financiële bijdrage, wordt de volgende betaling waartoe overeenkomstig artikel 24, lid 5, opdracht wordt gegeven, alsmede indien nodig de daaropvolgende betalingen, verminderd totdat het surplusbedrag tenietgedaan is. Indien de resterende betalingen niet volstaan, wordt het surplusbedrag teruggestort.

Artikel 14

Leningen

1.  
Tot en met 31 december 2023 kan de Commissie de betrokken lidstaat steun via leningen verstrekken voor de uitvoering van zijn herstel- en veerkrachtplan.
2.  
Een lidstaat kan steun via leningen aanvragen bij de indiening van een herstel- en veerkrachtplan als bedoeld in artikel 18 dan wel op een ander tijdstip in de periode tot en met 31 augustus 2023. In laatstbedoeld geval gaat de aanvraag vergezeld van een herzien herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van aanvullende mijlpalen en streefdoelen.
3.  

De door een lidstaat ingediende aanvraag tot steun via leningen vermeldt:

a) 

de redenen voor de steun via leningen, die moet worden gerechtvaardigd door de grotere financiële behoeften in verband met aanvullende hervormingen en investeringen;

b) 

de aanvullende hervormingen en investeringen in overeenstemming met artikel 18;

c) 

de hogere kosten van het betrokken herstel- en veerkrachtplan in vergelijking met het bedrag van de financiële bijdragen die, op grond van artikel 20, lid 4, punt a) of b), zijn toegewezen voor het herstel- en veerkrachtplan;

▼M1

d) 

in voorkomend geval, de hervormingen en investeringen in overeenstemming met artikel 21 quater.

▼M1

4.  
De steun via leningen voor het herstel- en veerkrachtplan van de betrokken lidstaat mag niet meer bedragen dan het verschil tussen de totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan, zoals herzien waar nodig, en de maximale financiële bijdrage als bedoeld in artikel 11, met inbegrip van, waar nodig, de in artikel 21 bis bedoelde inkomsten, alsmede de middelen die uit programma's in gedeeld beheer zijn overgedragen.

▼B

5.  
Het maximale volume van steun via leningen voor elke lidstaat mag niet meer bedragen dan 6,8 % van zijn bni in 2019 in lopende prijzen.

▼M1

6.  
In afwijking van lid 5 kan het bedrag van de steun via leningen, mits er voldoende middelen beschikbaar zijn, in uitzonderlijke omstandigheden worden verhoogd, gelet op de behoeften van de aanvragende lidstaat alsmede de verzoeken om steun via leningen die andere lidstaten hebben ingediend of voornemens zijn in te dienen, met toepassing evenwel van de beginselen inzake gelijke behandeling, solidariteit, evenredigheid en transparantie. Om de toepassing van die beginselen te faciliteren, delen lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 maart 2023 mee of zij voornemens zijn steun in de vorm van leningen aan te vragen. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad onverwijld, tegelijkertijd en op gelijke voet een overzicht van de voornemens van de lidstaten voor, vergezeld van een voorstel voor de verdeling van de beschikbare middelen. Die mededeling van het voornemen te verzoeken om steun in de vorm van leningen belet de lidstaten evenwel niet om tot en met 31 augustus 2023 steun in de vorm van leningen aan te vragen — indien voldaan wordt aan de desbetreffende voorwaarden met inbegrip van aanvragen ten belope van meer dan 6,8 % van het bni. Het belet de Commissie evenmin om de overeenkomstige leningsovereenkomst aan te gaan na de vaststelling van het desbetreffende uitvoeringsbesluit van de Raad.

▼B

7.  
De steun via leningen wordt in termijnen betaald, op voorwaarde dat de mijlpalen en streefdoelen overeenkomstig artikel 20, lid 5, punt h), worden gehaald.
8.  
De Commissie beoordeelt de aanvraag voor steun via leningen in overeenstemming met artikel 19. De Raad stelt een uitvoeringsbesluit vast, op voorstel van de Commissie, overeenkomstig artikel 20, lid 1. In voorkomend geval wordt het herstel- en veerkrachtplan dienovereenkomstig gewijzigd.

Artikel 15

Leningsovereenkomst

1.  

Vóór de sluiting van een leningsovereenkomst met de betrokken lidstaat gaat de Commissie na of:

a) 

de voor de aanvraag voor steun via leningen en het leningsbedrag aangevoerde redenen redelijk en aannemelijk worden geacht in het licht van de aanvullende hervormingen en investeringen, en

b) 

de aanvullende hervormingen en investeringen voldoen aan de in artikel 19, lid 3, vermelde criteria.

2.  

Wanneer de Commissie van mening is dat de aanvraag voor steun via leningen voldoet aan de in lid 1 bedoelde criteria en nadat het in artikel 20, lid 1, bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad is vastgesteld, sluit de Commissie een leningsovereenkomst met de betrokken lidstaat. Naast de in artikel 220, lid 5, van het Financieel Reglement vermelde elementen bevat de leningsovereenkomst de volgende elementen:

a) 

het leningsbedrag in euro’s, en waar toepasselijk met inbegrip van het bedrag van de voorgefinancierde lening overeenkomstig artikel 13;

b) 

de gemiddelde looptijd; artikel 220, lid 2, van het Financieel Reglement is niet van toepassing met betrekking tot deze looptijd;

c) 

de prijsbepalingsformule en de beschikbaarheidsperiode van de lening;

d) 

het maximale aantal termijnen en het aflossingsschema;

e) 

de overige elementen die nodig zijn voor de uitvoering van de lening in verband met de betrokken hervormingen en investeringsprojecten overeenkomstig het in artikel 20, lid 3, bedoelde besluit.

3.  
Overeenkomstig artikel 220, lid 5, punt e), van het Financieel Reglement worden de kosten in verband met het lenen van middelen voor de in dit artikel bedoelde leningen gedragen door de begunstigde lidstaten.
4.  
De Commissie treft de noodzakelijke regelingen voor het beheer van de leningstransacties die verband houden met overeenkomstig dit artikel verstrekte leningen.
5.  
Een lidstaat waaraan overeenkomstig dit artikel een lening wordt verstrekt, opent een speciale rekening voor het beheer van de ontvangen lening. Tevens maakt hij de uit hoofde van elke desbetreffende lening verschuldigde aflossingen en rentebetalingen twintig werkdagen vóór de overeenkomstige vervaldata over op een door de Commissie opgegeven rekening in overeenstemming met de overeenkomstig lid 4 ingevoerde regelingen.

Artikel 16

Evaluatieverslag

1.  
Uiterlijk op 31 juli 2022 legt de Commissie een evaluatieverslag over de uitvoering van de faciliteit voor aan het Europees Parlement en de Raad.
2.  

Het evaluatieverslag bevat de volgende elementen:

a) 

een beoordeling van de mate waarin de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen overeenkomt met het toepassingsgebied en bijdraagt de algemene doelstelling van deze verordening overeenkomstig de zes in artikel 3 bedoelde pijlers, alsook van de wijze waarop de herstel- en veerkrachtplannen de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen aanpakken;

b) 

een kwantitatieve beoordeling van de bijdrage van de herstel- en veerkrachtplannen tot:

i) 

het streefcijfer voor klimaat van ten minste 37 %,

ii) 

het digitale streefcijfer van ten minste 20 %,

iii) 

elk van de zes in artikel 3 bedoelde pijlers;

c) 

de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen, evenals opmerkingen en richtsnoeren voor de lidstaten vóór de bijwerking van hun herstel- en veerkrachtplannen als bedoeld in artikel 18, lid 2.

3.  
Voor de toepassing van het in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatieverslag houdt de Commissie rekening met het in artikel 30 bedoelde scorebord, de in artikel 27 bedoelde verslagen van de lidstaten, en enige andere relevante informatie over de verwezenlijking van de mijlpalen en streefdoelen van de herstel- en veerkrachtplannen, zoals voorzien in de in artikel 24 bedoelde betalings-, opschortings- en beëindigingsprocedures.
4.  
De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken de belangrijkste bevindingen van het evaluatieverslag te presenteren in het kader van de in artikel 26 bedoelde herstel- en veerkrachtdialoog.

HOOFDSTUK III

HERSTEL- EN VEERKRACHTPLANNEN

Artikel 17

Voor financiering in aanmerking komende plannen

1.  
De lidstaten stellen nationale herstel- en veerkrachtplannen op binnen het in artikel 3 uiteengezette toepassingsgebied en ter verwezenlijking van de in artikel 4 genoemde doelstellingen. In die plannen wordt de hervormings- en investeringsagenda van de betrokken lidstaat vastgelegd. De herstel- en veerkrachtplannen die in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van de faciliteit, omvatten maatregelen voor de uitvoering van hervormingen en overheidsinvesteringen door middel van een alomvattend en samenhangend pakket, dat tevens overheidsregelingen ter stimulering van particuliere investeringen kan omvatten.

▼M1

2.  
Maatregelen die vanaf 1 februari 2020 van start zijn gegaan, komen in aanmerking op voorwaarde dat zij voldoen aan de vereisten van deze verordening.

De nieuwe in artikel 21 quater, lid 1, bedoelde hervormingen en investeringen komen echter alleen in aanmerking indien zij vanaf 1 februari 2022 van start gaan.

▼B

3.  
De herstel- en veerkrachtplannen moeten stroken met de desbetreffende landspecifieke uitdagingen en prioriteiten die in het kader van het Europees Semester zijn vastgesteld, alsmede met de uitdagingen en prioriteiten die zijn vastgesteld in de recentste aanbeveling van de Raad over het economische beleid van de eurozone voor die lidstaten die de euro als munt hebben. De herstel- en veerkrachtplannen moeten ook stroken met de informatie die door de lidstaten is opgenomen in de nationale hervormingsprogramma’s in het kader van het Europees Semester, in hun nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999, in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie overeenkomstig een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (de “rechtvaardige-transitiefondsverordening”), in de plannen voor de uitvoering van de jongerengarantie, alsmede in de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma’s in het kader van de fondsen van de Unie.
4.  
In de herstel- en veerkrachtplannen worden de bij artikel 5 vastgestelde horizontale beginselen in acht genomen.
5.  
Wanneer een lidstaat op grond van artikel 12 van Verordening (EU) nr. 472/2013 is vrijgesteld van de monitoring en evaluatie in het kader van het Europees Semester of is onderworpen aan toezicht uit hoofde van Verordening (EG) nr. 332/2002, is de onderhavige verordening van toepassing op de betrokken lidstaat wat betreft de uitdagingen en prioriteiten die zijn vastgesteld bij de in die verordeningen uiteengezette maatregelen.

Artikel 18

Herstel- en veerkrachtplan

1.  
Een lidstaat die overeenkomstig artikel 12 een financiële bijdrage wil ontvangen, dient bij de Commissie een in artikel 17, lid 1, omschreven herstel- en veerkrachtplan in.
2.  
Nadat de Commissie het in artikel 12, lid 3, bedoelde bedrag beschikbaar heeft gemaakt voor toewijzing, kan een lidstaat het in lid 1 van dit artikel bedoelde herstel- en veerkrachtplan bijwerken en indienen zodat rekening wordt gehouden met de bijgewerkte maximale financiële bijdrage die overeenkomstig artikel 11, lid 2, is berekend.
3.  
Het door de lidstaat voorgelegde herstel- en veerkrachtplan kan in één geïntegreerd document samen met het nationale hervormingsprogramma worden ingediend en wordt in de regel uiterlijk 30 april officieel ingediend. De lidstaten kunnen vanaf 15 oktober van het voorgaande jaar een ontwerpherstel- en veerkrachtplan indienen.
4.  

Het herstel- en veerkrachtplan wordt naar behoren gemotiveerd en onderbouwd. Het bevat met name de volgende elementen:

a) 

een toelichting over de wijze waarop het herstel- en veerkrachtplan, rekening houdend met de daarin vervatte maatregelen, een alomvattend en evenwichtig antwoord vormt op de economische en sociale situatie van de lidstaat en op passende wijze bijdraagt tot alle in artikel 3 bedoelde pijlers, rekening houdend met de specifieke uitdagingen van de betrokken lidstaat;

b) 

een toelichting over de wijze waarop het herstel- en veerkrachtplan bijdraagt tot de doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van de fiscale aspecten daarvan, en waar passend tot de betrokken lidstaat gerichte en op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 gedane aanbevelingen, of uitdagingen die zijn vastgesteld in andere relevante documenten die de Commissie officieel heeft goedgekeurd in het kader van het Europees Semester;

c) 

een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop het herstel- en veerkrachtplan het groeipotentieel, de jobcreatie en de economische, sociale en institutionele veerkracht van de betrokken lidstaat versterkt, onder meer door middel van de beleidsbevordering voor kinderen en jongeren, en de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-crisis verzacht en zo bijdraagt tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de economische, sociale en territoriale cohesie en de convergentie binnen de Unie versterkt;

▼M1

c bis) 

een toelichting over de wijze waarop het REPowerEU-hoofdstuk bijdraagt aan het aanpakken van energiearmoede en daarin, in voorkomend geval, voldoende prioriteit wordt gegeven aan de behoeften van degenen die met energiearmoede kampen en aan het verminderen van kwetsbaarheden in de komende winterseizoenen;

▼B

d) 

een toelichting over de wijze waarop het herstel- en veerkrachtplan waarborgt dat geen enkele in het herstel- en veerkrachtplan opgenomen maatregel voor de doorvoering van hervormingen en investeringsprojecten ernstig afbreuk doet aan milieudoelstellingen in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 (het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”);

▼M1

e) 

een kwalitatieve toelichting over de wijze waarop de maatregelen in het herstel- en veerkrachtplan naar verwachting zullen bijdragen aan de groene transitie, met inbegrip van biodiversiteit, of tot het aanpakken van de daaruit voortvloeiende uitdagingen, over de vraag of ze goed zijn voor ten minste 37 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan en of maatregelen van dat type in het REPowerEU-hoofdstuk goed zijn voor een bedrag dat ten minste 37 % van de totale geraamde kosten van de in dat hoofdstuk opgenomen maatregelen vertegenwoordigt, op basis van de methodologie voor het traceren van klimaatuitgaven als omschreven in bijlage VI; die methodologie wordt dienovereenkomstig gebruikt voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VI vermeld steunverleningsgebied; om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de klimaatdoelstellingen op geloofwaardige wijze bevorderen, kunnen de coëfficiënten voor ondersteuning van de klimaatdoelstellingen, zoals uitgelegd in het herstel- en veerkrachtplan, worden verhoogd tot een totaalbedrag van 3 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan voor individuele investeringen;

▼B

f) 

een toelichting over de wijze waarop de maatregelen in het herstel- en veerkrachtplan naar verwachting zullen bijdragen aan de digitale transitie of de aanpak van de daaruit voortvloeiende uitdagingen, en over de vraag of ze goed zijn voor een bedrag van minstens 20 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan, op basis van de methodologie voor digitale tagging als omschreven in bijlage VII; die methodologie wordt dienovereenkomstig gebruikt voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VII vermeld interventiegebied; de coëfficiënten voor ondersteuning van de digitale doelstellingen kunnen worden verhoogd voor individuele investeringen om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de digitale doelstellingen bevorderen;

g) 

in voorkomend geval, voor investeringen in digitale capaciteit en connectiviteit, een zelfbeoordeling van de beveiliging op basis van gemeenschappelijke, objectieve criteria, waarin eventuele beveiligingskwesties in kaart worden gebracht en nader wordt aangegeven hoe die kwesties zullen worden aangepakt om aan het toepasselijke Unie- en nationale recht te voldoen;

▼M1

h) 

een aanduiding of de in het herstel- en veerkrachtplan opgenomen maatregelen grensoverschrijdende of meerlandenprojecten omvatten, een toelichting van de wijze waarop de relevante maatregelen in de REPowerEU-hoofdstukken, met inbegrip van de maatregelen voor het aanpakken van de uitdagingen die in de meest recente behoefteanalyse van de Commissie zijn vastgesteld, een grensoverschrijdende of meerlandendimensie dan wel een grensoverschrijdend of meerlandeneffect hebben, en een toelichting met betrekking tot de vraag of de totale kosten van die maatregelen goed zijn voor ten minste 30 % van de geraamde kosten van het REPowerEU-hoofdstuk;

▼B

i) 

de beoogde mijlpalen en streefdoelen alsmede een indicatief tijdschema voor de uitvoering van de hervormingen en investeringen die uiterlijk 31 augustus 2026 voltooid moeten zijn;

j) 

de beoogde investeringsprojecten en de bijbehorende investeringsperiode;

k) 

de geraamde totale kosten van de hervormingen en investeringen die worden gedekt door het ingediende herstel- en veerkrachtplan (ook “geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan” genoemd), met een passende motivering en met een uitleg over de wijze waarop de geraamde totale kosten stroken met het kostenefficiëntiebeginsel en in verhouding staan tot de verwachte nationale economische en sociale gevolgen;

l) 

in voorkomend geval, informatie over bestaande of geplande Uniefinanciering;

m) 

de mogelijk noodzakelijke begeleidende maatregelen;

n) 

een motivering van de samenhang van het herstel- en veerkrachtplan, en een toelichting over de samenhang ervan met de beginselen, plannen en programma’s zoals bedoeld in artikel 17;

o) 

een toelichting over de wijze waarop de maatregelen in het herstel- en veerkrachtplan naar verwachting zullen bijdragen tot gendergelijkheid en gelijke kansen voor iedereen en tot de mainstreaming van die doelstellingen, overeenkomstig met beginselen 2 en 3 van de Europese pijler van sociale rechten, en met Duurzame Ontwikkelingsdoelstelling 5 van de VN en, waar passend met de nationale gendergelijkheidsstrategie;

p) 

de regelingen voor de doeltreffende monitoring en uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan door de betrokken lidstaat, met inbegrip van de voorgestelde mijlpalen en streefdoelen, alsmede de bijbehorende indicatoren;

▼M1

q) 

voor de voorbereiding en, indien beschikbaar, voor de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen, een samenvatting van het raadplegingsproces, uitgevoerd in overeenstemming met het nationale rechtskader, van lokale en regionale autoriteiten, sociale partners, maatschappelijke organisaties, jongerenorganisaties en andere relevante belanghebbenden, alsook een samenvatting van de wijze waarop de inbreng van de belanghebbenden in het herstel- en veerkrachtplan terugkomt, waarbij, wanneer het herstel- en veerkrachtplan een REPowerEU-hoofdstuk bevat, die samenvatting wordt aangevuld met een vermelding van de geraadpleegde belanghebbenden, een beschrijving van de uitkomst van het raadplegingsproces ten aanzien van dat hoofdstuk, en een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de ontvangen inbreng daarin terugkomt;

▼B

r) 

een toelichting over het systeem van de lidstaat voor het voorkomen, opsporen en rechtzetten van corruptie, fraude en belangenconflicten bij het gebruik van de financiële middelen die afkomstig zijn van de faciliteit, en de regelingen die gericht zijn op het voorkomen van dubbele financiering uit de faciliteit met middelen uit andere Unieprogramma’s;

s) 

in voorkomend geval, de aanvraag voor steun via leningen en de aanvullende mijlpalen als bedoeld in artikel 14, leden 2 en 3, en de onderdelen daarvan, en

t) 

alle overige relevante informatie.

5.  
Bij het opstellen van voorstellen voor hun herstel- en veerkrachtplannen kunnen de lidstaten de Commissie verzoeken een uitwisseling van goede praktijken te organiseren, zodat de lidstaten die een aanvraag indienen kunnen profiteren van de ervaringen van andere lidstaten. De lidstaten kunnen ook verzoeken om technische ondersteuning in het kader van het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten worden aangespoord om synergieën te bevorderen met de herstel- en veerkrachtplannen van andere lidstaten.

Artikel 19

Beoordeling door de Commissie

1.  
De Commissie beoordeelt het herstel- en veerkrachtplan of, in voorkomend geval, de actualisering van dat plan zoals ingediend door de lidstaat overeenkomstig artikel 18, lid 1 of lid 2, binnen twee maanden na de officiële indiening, en doet een voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad overeenkomstig artikel 20 lid 1.Bij het verrichten van die beoordeling werkt de Commissie nauw samen met de betrokken lidstaat. De Commissie kan opmerkingen maken of om aanvullende informatie verzoeken. De betrokken lidstaat verstrekt de gevraagde aanvullende informatie en kan het herstel- en veerkrachtplan zo nodig herzien, ook nadat het herstel- en veerkrachtplan officieel is ingediend. De betrokken lidstaat en de Commissie kunnen overeenkomen de in beoordelingstermijn zo nodig met een redelijke termijn te verlengen.
2.  
Bij de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan en bij de vaststelling van het aan de betrokken lidstaat toe te wijzen bedrag houdt de Commissie rekening met de in het kader van het Europees Semester beschikbare analytische informatie over de betrokken lidstaat, met de door die lidstaat verstrekte motivering en elementen als bedoeld in artikel 18, lid 4, alsook met alle overige relevante informatie, zoals met name de informatie die is opgenomen in het nationale hervormingsprogramma en het nationale energie- en klimaatplan van die lidstaat, in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie in het kader van de rechtvaardige-transitiefondsverordening en in de plannen voor de uitvoering van de jongerengarantie, alsmede, indien van toepassing, met informatie uit de via het instrument voor technische ondersteuning verstrekte technische ondersteuning.
3.  

De Commissie beoordeelt de relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie en samenhang van het herstel- en veerkrachtplan, en houdt daarbij rekening met de volgende criteria, die zij toepast overeenkomstig bijlage V:

Relevantie:

a) 

of het herstel- en veerkrachtplan een alomvattende en voldoende evenwichtige respons vormt op de economische en sociale situatie, en zodoende bijdraagt aan elk van de zes in artikel 3 bedoelde pijlers, daarbij rekening houdend met de specifieke uitdagingen van en de financiële toewijzing aan de betrokken lidstaat;

b) 

of het herstel- en veerkrachtplan naar verwachting zal bijdragen tot een doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van de fiscale aspecten ervan en, waar passend, in de aanbevelingen krachtens artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 aan de betrokken lidstaat of uitdagingen die zijn vastgesteld in andere relevante documenten die de Commissie officieel in het kader van het Europees Semester heeft goedgekeurd;

c) 

of het herstel- en veerkrachtplan er naar verwachting op doeltreffende wijze toe zal bijdragen het groeipotentieel en de economische, sociale en institutionele veerkracht van de betrokken lidstaat te versterken en de jobcreatie te stimuleren, waarmee wordt bijgedragen aan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer door middel van de bevordering van beleid inzake kinderen en jongeren, en de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-crisis te verzachten en daarmee de economische, sociale en territoriale cohesie en de convergentie binnen de Unie te bevorderen;

d) 

of het herstel- en veerkrachtplan waarborgt dat geen enkele erin opgenomen maatregel voor de uitvoering van hervormingen en investeringsprojecten ernstig afbreuk doet aan milieudoelstellingen in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 (het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”); de Commissie verstrekt de lidstaten daarvoor technische richtsnoeren;

▼M1

d bis) 

of het REPowerEU-hoofdstuk de in artikel 21 quater bedoelde hervormingen en investeringen bevat die daadwerkelijk bijdragen tot energiezekerheid, de diversificatie van de energievoorziening van de Unie, een toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en van de energie-efficiëntie, een verhoging van de opslagcapaciteit voor energie of tot de noodzakelijke vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vóór 2030;

d ter) 

of het REPowerEU-hoofdstuk de in artikel 21 quater bedoelde hervormingen en investeringen bevat die naar verwachting een grensoverschrijdende of meerlandendimensie dan wel een grensoverschrijdend of meerlandeneffect hebben;

▼M1

e) 

of het herstel- en veerkrachtplan maatregelen bevat die op doeltreffende wijze bijdragen tot de groene transitie, met inbegrip van biodiversiteit, of tot het aanpakken van de daaruit voortvloeiende uitdagingen, over de vraag of ze goed zijn voor ten minste 37 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan, en of de maatregelen in het REPowerEU-hoofdstuk goed zijn voor een bedrag dat ten minste 37 % van de totale geraamde kosten van de in dat hoofdstuk opgenomen maatregelen vertegenwoordigt, op basis van de methodologie voor het traceren van klimaatuitgaven als omschreven in bijlage VI; die methodologie wordt dienovereenkomstig gebruikt voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VI vermeld steunverleningsgebied; om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de klimaatdoelstellingen op geloofwaardige wijze bevorderen, kunnen de coëfficiënten voor ondersteuning van de klimaatdoelstellingen, mits de Commissie hiermee instemt, worden verhoogd tot een totaalbedrag van 3 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan voor individuele investeringen;

▼B

f) 

of het herstel- en veerkrachtplan maatregelen bevat die op doeltreffende wijze bijdragen tot de digitale transitie of de aanpak van de daaruit voortvloeiende uitdagingen, en over de vraag of ze goed zijn voor ten minste 20 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan, op basis van de methodologie voor digitale tagging als omschreven in bijlage VII; die methodologie wordt dienovereenkomstig gebruikt voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VII vermeld interventiegebied; de coëfficiënten voor ondersteuning van de digitale doelstellingen kunnen worden verhoogd voor individuele investeringen om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de digitale doelstellingen bevorderen;

Doeltreffendheid:

g) 

of het herstel- en veerkrachtplan naar verwachting een blijvend effect zal sorteren voor de betrokken lidstaat;

h) 

of de door de betrokken lidstaat voorgestelde regelingen naar verwachting zullen zorgen voor de doeltreffende monitoring en uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van het beoogde tijdschema en de beoogde mijlpalen en streefdoelen alsmede de bijbehorende indicatoren;

Efficiëntie:

i) 

of de door de lidstaat verstrekte motivering van het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan redelijk en aannemelijk is, en strookt met het kostenefficiëntiebeginsel, en of die kosten in verhouding staan tot de verwachte nationale economische en sociale gevolgen;

j) 

of de door de lidstaten voorgestelde regelingen naar verwachting belangenconflicten, corruptie en fraude bij het gebruik van de financiële middelen die afkomstig zijn van de faciliteit zullen voorkomen, opsporen en rechtzetten, waaronder regelingen die gericht zijn op het voorkomen van dubbele financiering uit de faciliteit en uit middelen van andere Unieprogramma’s;

Samenhang:

k) 

of het herstel- en veerkrachtplan maatregelen bevat voor de uitvoering van projecten voor hervormingen en overheidsinvesteringen bevat die coherente acties vormen.

4.  
Wanneer de betrokken lidstaat steun via leningen als bedoeld in artikel 14 heeft aangevraagd, gaat de Commissie na of een lening voldoet aan de in artikel 15, lid 1, uiteengezette criteria, met name of de aanvullende hervormingen en investeringen waarvoor de leningsaanvraag was gedaan, voldoen aan de in lid 3 vermelde beoordelingscriteria.
5.  
Indien de Commissie een herstel- en veerkrachtplan negatief beoordeelt, doet zij de lidstaat binnen de in lid 1 genoemde termijn een naar behoren gemotiveerde beoordeling toekomen.
6.  
Voor de beoordeling van de door de lidstaten ingediende herstel- en veerkrachtplannen kan de Commissie worden bijgestaan door deskundigen.

Artikel 20

Voorstel van de Commissie en uitvoeringsbesluit van de Raad

1.  
Op voorstel van de Commissie hecht de Raad bij uitvoeringsbesluit zijn goedkeuring aan de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan dat door de lidstaat overeenkomstig artikel 18, lid 1, is ingediend of in voorkomend geval van de actualisering daarvan ingediend overeenkomstig artikel 18, lid 2.
2.  
Indien de Commissie een herstel- en veerkrachtplan positief beoordeelt, neemt zij in haar voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad de door de lidstaat uit te voeren hervormingen en investeringsprojecten op, met inbegrip van de mijlpalen en streefdoelen, alsook de overeenkomstig artikel 11 berekende financiële bijdragen.
3.  
Indien de betrokken lidstaat een steun via leningen aanvraagt, maakt het voorstel van de Commissie voor een uitvoeringsbesluit van de Raad ook gewag van het bedrag van de steun via leningen als bedoeld in artikel 14, leden 4 en 6, alsmede van de aanvullende hervormingen en investeringsprojecten die moeten worden uitgevoerd door de lidstaat die de steun via leningen ontvangt, met inbegrip van de aanvullende mijlpalen en streefdoelen.
4.  

De in lid 2 bedoelde financiële bijdrage wordt bepaald op basis van de geraamde totale kosten van het door de betrokken lidstaat voorgestelde herstel- en veerkrachtplan, als beoordeeld aan de hand van de in artikel 19, lid 3, vermelde criteria. Het bedrag van de financiële bijdrage wordt als volgt vastgesteld:

a) 

wanneer het herstel- en veerkrachtplan op bevredigende wijze voldoet aan de criteria van artikel 19, lid 3, en het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan gelijk is aan of hoger dan de maximale financiële bijdrage die voor die lidstaat overeenkomstig artikel 11 is berekend, is de aan de betrokken lidstaat toegewezen financiële bijdrage gelijk aan het totale bedrag van de maximale financiële bijdrage die voor die lidstaat overeenkomstig artikel 11 is berekend;

b) 

wanneer het herstel- en veerkrachtplan op bevredigende wijze voldoet aan de criteria van artikel 19, lid 3, en het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan lager is dan de maximale financiële bijdrage die voor die lidstaat overeenkomstig artikel 11 is berekend, is de aan de lidstaat toegewezen financiële bijdrage gelijk aan het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan;

c) 

wanneer het herstel- en veerkrachtplan niet op bevredigende wijze voldoet aan de criteria van artikel 19, lid 3, wordt aan de betrokken lidstaat geen financiële bijdrage toegewezen.

5.  

In het in lid 2 bedoelde voorstel van de Commissie worden tevens vastgesteld:

a) 

de financiële bijdrage die in termijnen moet worden uitbetaald zodra de lidstaat de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen die zijn vastgesteld in verband met de uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, op bevredigende wijze heeft verwezenlijkt;

b) 

de financiële bijdrage en, waar toepasselijk, het bedrag van de steun via leningen die na de goedkeuring van het herstel- en veerkrachtplan moet worden betaald in de vorm van voorfinanciering overeenkomstig artikel 13;

c) 

de beschrijving van de hervormingen en van de investeringsprojecten alsmede het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan;

▼M1

c bis) 

een samenvatting van de in het REPowerEU-hoofdstuk voorgestelde maatregelen met een grensoverschrijdende of meerlandendimensie dan wel een grensoverschrijdend of meerlandeneffect, met inbegrip van de maatregelen om de uitdagingen aan te pakken die in de meest recente behoefteanalyse van de Commissie zijn vastgesteld; indien de geraamde kosten van die maatregelen goed zijn voor een bedrag dat minder dan 30 % van de geraamde kosten van alle maatregelen in het REPowerEU-hoofdstuk vertegenwoordigt, een toelichting van de redenen daarvoor, waarin met name wordt aangetoond dat andere maatregelen in het REPowerEU-hoofdstuk beter beantwoorden aan de in artikel 21 quater, lid 3, genoemde doelstellingen, of dat er onvoldoende realistische projecten met een grensoverschrijdende of meerlandendimensie dan wel een grensoverschrijdend of meerlandeneffect beschikbaar zijn, met name gelet op de levensduur van de faciliteit;

▼B

d) 

de termijn, uiterlijk 31 augustus 2026, waarbinnen de definitieve mijlpalen en streefdoelen voor zowel investeringsprojecten als hervormingen moeten zijn gehaald;

e) 

de regelingen en het tijdschema voor de monitoring en uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, in voorkomend geval met inbegrip van de maatregelen die nodig zijn om aan artikel 22 te voldoen;

f) 

de relevante indicatoren voor het bereiken van de beoogde mijlpalen en streefdoelen;

g) 

de regelingen voor volledige toegang door de Commissie tot de relevante onderliggende gegevens, en

h) 

in voorkomend geval, het bedrag van de in termijnen uit te betalen lening en de aanvullende mijlpalen en streefdoelen in verband met de betaling van de steun via leningen.

6.  
De regelingen en het tijdschema voor de monitoring en uitvoering als bedoeld in lid 5, punt e), de relevante indicatoren voor het bereiken van de beoogde mijlpalen en streefdoelen als bedoeld in lid 5, punt f), de regelingen voor volledige toegang door de Commissie tot de onderliggende gegevens als bedoeld in lid 5, punt g), en, in voorkomend geval, de aanvullende mijlpalen en streefdoelen in verband met de betaling van de steun via leningen als bedoeld in lid 5, punt h), worden nader uitgewerkt in het na de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit door de betrokken lidstaat en de Commissie overeen te komen operationele regelingen.
7.  
De Raad stelt de in lid 1 bedoelde uitvoeringsbesluiten in de regel binnen vier weken na vaststelling van het voorstel van de Commissie vast.
8.  
Op voorstel van de Commissie wijzigt de Raad zonder onnodige vertraging zijn overeenkomstig artikel 20, lid 1, vastgestelde uitvoeringsbesluit om daar de bijgewerkte, overeenkomstig artikel 11, lid 2, berekende maximale financiële bijdrage in op te nemen.

Artikel 21

Wijziging van het plan van de lidstaat voor herstel en veerkracht

1.  
Wanneer het herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen, voor de betrokken lidstaat op grond van objectieve omstandigheden deels of in zijn geheel niet langer te verwezenlijken is, kan de betrokken lidstaat een met redenen omkleed verzoek aan de Commissie richten om een voorstel te doen tot wijziging of vervanging van de in artikel 20, leden 1 en 3, bedoelde uitvoeringsbesluiten van de Raad. Daartoe kan de lidstaat een voorstel voor een gewijzigd of een nieuw herstel- en veerkrachtplan indienen. De lidstaten kunnen verzoeken om technische ondersteuning bij de voorbereiding van een dergelijk voorstel in het kader van het instrument voor technische ondersteuning.

▼M2

1 bis.  
Uitsluitend om gebruik te maken van de in artikel 7, lid 3, van deze verordening en artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2024/795 geboden mogelijkheid, kunnen de lidstaten een met redenen omkleed verzoek aan de Commissie richten om een voorstel te doen tot wijziging van het in artikel 20, leden 1 en 3, van deze verordening bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad teneinde daarin maatregelen op te nemen die de doelstellingen van Verordening (EU) 2024/795 ondersteunen, onverminderd de bepalingen van deze verordening.

▼B

2.  
Indien de Commissie van oordeel is dat de door de betrokken lidstaat aangevoerde redenen een wijziging van het desbetreffende herstel- en veerkrachtplan rechtvaardigen, beoordeelt zij het gewijzigde of nieuwe herstel- en veerkrachtplan overeenkomstig artikel 19 en doet zij binnen twee maanden na de officiële indiening van het verzoek een voorstel voor een nieuw uitvoeringsbesluit van de Raad overeenkomstig artikel 20, lid 1. De betrokken lidstaat en de Commissie kunnen overeenkomen die termijn zo nodig met een redelijke termijn te verlengen. De Raad stelt het nieuwe uitvoeringsbesluit in de regel binnen vier weken na vaststelling van het voorstel van de Commissie vast.
3.  
Indien de Commissie van oordeel is dat de door de betrokken lidstaat aangevoerde redenen een wijziging van het desbetreffende herstel- en veerkrachtplan niet rechtvaardigen, wijst zij het verzoek binnen de in lid 2 genoemde termijn af, nadat zij de betrokken lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld binnen één maand na de kennisgeving van haar conclusies opmerkingen te maken.

▼M1

HOOFDSTUK III BIS

REPower EU

Artikel 21 bis

Ontvangsten van de regeling voor de handel in emissierechten uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG

1.  
Voor uitvoering op grond van deze verordening is, als aanvullende niet-terugbetaalbare financiële steun in het kader van de faciliteit, een bedrag van 20 000 000 000  EUR in lopende prijzen, verkregen overeenkomstig artikel 10 sexies van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ), beschikbaar om de veerkracht van het energiesysteem van de Unie te vergroten door een vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en een diversificatie van de energievoorziening op Unieniveau. Overeenkomstig artikel 10 sexies van Richtlijn 2003/87/EG zijn deze bedragen externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.
2.  
Het toewijzingsaandeel van het in lid 1 bedoelde bedrag dat voor iedere lidstaat beschikbaar is, wordt berekend op basis van de indicatoren in de methode van bijlage IV bis.
3.  
Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt uitsluitend toegewezen voor de in artikel 21 quater bedoelde maatregelen, met uitzondering van de in artikel 21 quater, lid 3, punt a), bedoelde maatregelen. Het kan ook de in artikel 6, lid 2, bedoelde uitgaven dekken.
4.  
Vastleggingskredieten die het in lid 1 bedoelde bedrag bestrijken, worden per 1 maart 2023 automatisch beschikbaar gesteld voor dat bedrag.
5.  
Elke lidstaat mag bij de Commissie een verzoek indienen tot toewijzing van een bedrag dat zijn aandeel niet overschrijdt door in zijn plan de in artikel 21 quater bedoelde hervormingen en investeringen op te nemen en de geraamde kosten daarvan aan te geven.
6.  
In het overeenkomstig artikel 20, lid 1, vastgestelde uitvoeringsbesluit van de Raad wordt het bedrag van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ontvangsten vastgesteld die na de indiening van een aanvraag krachtens lid 5 van dit artikel aan de lidstaat zijn toegewezen. Het overeenkomstige bedrag wordt in tranches betaald, mits er voldoende middelen beschikbaar zijn, overeenkomstig artikel 24, zodra de betrokken lidstaat op bevredigende wijze de mijlpalen en streefdoelen heeft verwezenlijkt die met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 21 quater bedoelde maatregelen zijn vastgesteld.

Artikel 21 ter

Middelen uit programma's in gedeeld beheer om de REPowerEU-doelstellingen te ondersteunen

1.  
De lidstaten kunnen in het kader van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 verzoeken om binnen de aan hen toegewezen middelen in het kader van door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus en het Cohesiefonds ondersteunde programma's te verzoeken om steun voor de verwezenlijking van de in artikel 21 quater, lid 3, van deze verordening, genoemde doelstellingen, onder de voorwaarden van artikel 26 bis van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 en de fondsspecifieke verordeningen. Die middelen worden aangewend overeenkomstig de Verordening gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 en de fondsspecifieke verordeningen.
2.  
De middelen mogen op grond van artikel 4 bis van Verordening (EU) 2021/1755 van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ) worden overgedragen om de in artikel 21 quater van deze verordening bedoelde maatregelen te steunen.

Artikel 21 quater

REPowerEU-hoofdstukken in de herstel- en veerkrachtplannen

1.  
Herstel- en veerkrachtplannen die na 1 maart 2023 bij de Commissie worden ingediend en die aanvullende financiering uit hoofde van artikel 14, 21 bis of 21 ter vereisen, bevatten een REPowerEU-hoofdstuk waarin maatregelen met hun overeenkomstige mijlpalen en streefdoelen worden opgenomen. De maatregelen in het REPowerEU-hoofdstuk zijn ofwel nieuwe hervormingen en investeringen die vanaf 1 februari 2022 worden geïnitieerd, ofwel het opgeschaalde deel van de hervormingen en investeringen die zijn opgenomen in het reeds vastgestelde uitvoeringsbesluit van de Raad voor de betrokken lidstaat.
2.  
In afwijking van lid 1 kunnen lidstaten die overeenkomstig artikel 11, lid 2, een verlaging van de maximale financiële bijdrage ondergaan, in de REPowerEU-hoofdstukken ook maatregelen opnemen die zijn opgenomen in de reeds vastgestelde uitvoeringsbesluiten van de Raad zonder dat deze worden opgeschaald, tot een bedrag van de geraamde kosten die gelijk zijn aan die verlaging.
3.  

De hervormingen en investeringen in het REPowerEU-hoofdstuk moeten erop gericht zijn bij te dragen aan minstens een van de volgende maatregelen:

a) 

het verbeteren van de energie-infrastructuur en -voorzieningen om aan de directe behoeften inzake voorzieningszekerheid voor gas, met inbegrip van vloeibaar aardgas, te voldoen, met name door de diversificatie van de levering te faciliteren in het belang van de Unie als geheel; maatregelen met betrekking tot de olie-infrastructuur en -voorzieningen die nodig zijn om aan de directe behoeften inzake voorzieningszekerheid te voldoen, kunnen enkel worden opgenomen in het REPowerEU-hoofdstuk van een lidstaat indien voor die lidstaat uiterlijk op 1 maart 2023 de uitzonderlijke tijdelijke afwijking van artikel 3 quaterdecies, lid 4, van Verordening (EU) nr. 833/2014 gold vanwege de specifieke afhankelijkheid van ruwe olie en de geografische ligging van die lidstaat;

b) 

het stimuleren van energie-efficiëntie in gebouwen en kritieke energie-infrastructuur, de decarbonisatie van de industrie, het opvoeren van de productie en het gebruik van duurzaam biomethaan en van hernieuwbare of fossielvrije waterstof, en het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie en het versnellen van de uitrol ervan;

c) 

het aanpakken van energiearmoede;

d) 

het stimuleren van energievraagreductie;

e) 

het aanpakken van interne en grensoverschrijdende knelpunten voor energietransmissie en -distributie, het ondersteunen van de opslag van elektriciteit, het versnellen van de integratie van hernieuwbare energiebronnen, en het ondersteunen van emissievrij vervoer en de infrastructuur daarvoor, met inbegrip van het spoorvervoer;

f) 

het ondersteunen van de doelstellingen in de punten a) tot en met e) door een versnelde om- en bijscholing van de beroepsbevolking naar groene vaardigheden en de bijbehorende digitale vaardigheden, alsmede door ondersteuning van de waardeketens van voor de groene transitie kritieke grondstoffen en technologieën.

4.  
Het REPowerEU-hoofdstuk bevat ook een toelichting over de wijze waarop de in dat hoofdstuk opgenomen maatregelen in overeenstemming zijn met de inspanningen van de betrokken lidstaat om de in lid 3 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, rekening houdend met de maatregelen die zijn vervat in het reeds vastgestelde uitvoeringsbesluit van de Raad, alsook een toelichting van de totale bijdrage van die maatregelen en andere nationaal gefinancierde en door de Unie gefinancierde aanvullende of begeleidende maatregelen aan die doelstellingen.
5.  
De kostenramingen van de hervormingen en investeringen in het REPowerEU-hoofdstuk worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de totale toewijzing van het herstel- en veerkrachtplan op grond van artikel 18, lid 4, punt f), en artikel 19, lid 3, punt f).
6.  

In afwijking van artikel 5, lid 2, artikel 17, lid 4, artikel 18, lid 4, punt d), en artikel 19, lid 3, punt d), is het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” niet van toepassing op de hervormingen en investeringen uit hoofde van lid 3, punt a), van dit artikel, op voorwaarde dat volgens een beoordeling door de Commissie aan de volgende vereisten is voldaan:

a) 

de maatregel is noodzakelijk en evenredig om overeenkomstig lid 3, punt a), van dit artikel aan de directe behoeften inzake voorzieningszekerheid te voldoen, rekening houdend met schonere haalbare alternatieven en het risico van lock-ineffecten;

b) 

de betrokken lidstaat heeft toereikende inspanningen geleverd om, waar mogelijk, de mogelijke afbreuk aan milieudoelstellingen in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 te beperken en de schadelijke gevolgen daarvan te verzachten door middel van andere maatregelen, waaronder de maatregelen in het REPowerEU-hoofdstuk;

c) 

de maatregel brengt, op basis van kwalitatieve overwegingen, de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en de doelstelling van klimaatneutraliteit in de EU in 2050 niet in gevaar;

d) 

de maatregel zal naar verwachting uiterlijk op 31 december 2026 in uitvoering zijn.

7.  
Bij het verrichten van de in lid 6 bedoelde beoordeling werkt de Commissie nauw samen met de betrokken lidstaat. De Commissie kan opmerkingen maken of om aanvullende informatie verzoeken. De betrokken lidstaat verstrekt de gevraagde aanvullende informatie.
8.  
De overeenkomstig artikel 21 bis ter beschikking gestelde opbrengsten draagt niet bij aan de hervormingen en investeringen uit hoofde van lid 3, punt a), van dit artikel.
9.  
De totale geraamde kosten van de maatregelen die overeenkomstig lid 6 door de Commissie moeten worden beoordeeld, bedragen niet meer dan 30 % van de totale geraamde kosten van de in het REPowerEU-hoofdstuk opgenomen maatregelen.

Artikel 21 quinquies

Voorfinanciering voor REPowerEU

1.  
Een herstel- en veerkrachtplan met een REPowerEU-hoofdstuk kan vergezeld gaan van een verzoek om voorfinanciering. Mits het in artikel 20, lid 1, en artikel 21, lid 2, bedoelde uitvoeringsbesluit uiterlijk op 31 december 2023 door de Raad wordt vastgesteld, voert de Commissie, uit hoofde van de artikelen 7, 12, 14, 21 bis en 21 ter en met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling van lidstaten en het evenredigheidsbeginsel, maximaal twee voorfinancieringsbetalingen uit voor een totaal bedrag van maximaal 20 % van de aanvullende middelen die worden gevraagd door de betrokken lidstaat voor de financiering van het REPowerEU-hoofdstuk.
2.  
Wat middelen die zijn overgedragen onder de voorwaarden van artikel 26 van Verordening (EU) 2021/1060 betreft, bedraagt geen van beide reeksen voorfinancieringsbetalingen meer dan 1 000 000 000  EUR.
3.  

In afwijking van artikel 116, lid 1, van het Financieel Reglement doet de Commissie de voorfinancieringsbetalingen voor zover mogelijk en afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt:

a) 

wat de eerste voorfinancieringsbetaling betreft, binnen twee maanden na het sluiten door de Commissie en de betrokken lidstaat van de overeenkomst die een juridische verbintenis als bedoeld in artikel 23 vormt;

b) 

wat de tweede voorfinancieringsbetaling betreft, binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan dat een REPowerEU-hoofdstuk bevat.

4.  
Een voorfinancieringsbetaling met betrekking tot de in lid 2 bedoelde middelen wordt verricht nadat van alle lidstaten informatie is ontvangen over de vraag of zij voornemens zijn om voorfinanciering van deze middelen te vragen, en, zo nodig, op pro-ratabasis om het totale maximum van 1 000 000 000  EUR in acht te nemen.
5.  
In het geval van voorfinanciering krachtens lid 1 worden de uit te betalen financiële bijdrage, als bedoeld in artikel 20, lid 5, punt a), en, in voorkomend geval, het bedrag van de lening als bedoeld in artikel 20, lid 5, punt h), evenredig aangepast.

▼B

HOOFDSTUK IV

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 22

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.  
Bij de uitvoering van de faciliteit nemen de lidstaten, als begunstigden of leningnemers van middelen in het kader van de faciliteit, alle passende maatregelen die nodig zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen en ervoor te zorgen dat het gebruik van middelen in verband met door de faciliteit ondersteunde maatregelen voldoet aan het toepasselijke Unie- en nationale recht, met name wat betreft het voorkomen, opsporen en rechtzetten van fraude, corruptie en belangenconflicten. Daartoe zorgen de lidstaten voor een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem en voor de terugvordering van ten onrechte betaalde of onjuist bestede bedragen. De lidstaten kunnen een beroep doen op hun gewone nationale begrotingsbeheersystemen.
2.  

De in artikel 15, lid 2, en in artikel 23, lid 1, genoemde overeenkomsten voorzien in de verplichtingen van de lidstaten:

a) 

om regelmatig na te gaan dat de verstrekte middelen naar behoren zijn gebruikt volgens alle toepasselijke regels en dat maatregelen voor de uitvoering van hervormingen en investeringsprojecten in het kader van het herstel- en veerkrachtplan naar behoren zijn uitgevoerd in overeenstemming met alle toepasselijke regels met name wat betreft het voorkomen, opsporen en rechtzetten van fraude, corruptie en belangenconflicten;

b) 

om passende maatregelen te nemen om fraude, corruptie en belangenconflicten in de zin van artikel 61, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement die de financiële belangen van de Unie schaden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, en juridische stappen te ondernemen om middelen waaraan geen wettige bestemming is gegeven terug te vorderen, onder meer in verband met maatregelen voor de uitvoering van hervormingen en investeringsprojecten in het kader van het herstel- en veerkrachtplan;

c) 

om een verzoek tot betaling vergezeld laten gaan van:

i) 

een beheersverklaring die bevestigt dat de middelen zijn ingezet voor hun beoogde doel, dat de samen met de betalingsaanvraag ingediende informatie volledig, nauwkeurig en betrouwbaar is en dat de ingevoerde controlesystemen de nodige garanties bieden dat de middelen zijn beheerd volgens alle toepasselijke regels, in het bijzonder inzake het voorkomen van belangenconflicten, fraude, corruptie, en dubbele financiering in het kader van de faciliteit en andere Unieprogramma’s overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, en

ii) 

een samenvatting van de uitgevoerde audits, met inbegrip van vastgestelde zwakke punten en eventuele genomen corrigerende maatregelen;

d) 

ten behoeve van de audit en controle en om te voorzien in vergelijkbare informatie over het gebruik van de middelen voor maatregelen om hervormingen door te voeren en investeringsprojecten uit te voeren in het kader van het herstel- en veerkrachtplan, om de volgende gestandaardiseerde categorieën gegevens te verzamelen en de toegang daartoe te waarborgen:

i) 

de naam van de eindontvanger van de middelen;

ii) 

de naam van de contractant en de subcontractant, indien de eindontvanger van de middelen een aanbestedende dienst is overeenkomstig het Unie- of nationale overheidsopdrachtenrecht;

iii) 

de voorna(a)m(en), achterna(a)m(en) en geboortedatum/-data van de eindbegunstigde(n) van de ontvanger van middelen of de contractant, in de zin van artikel 3, lid 6, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad ( 8 );

iv) 

een lijst van maatregelen voor de uitvoering van hervormingen en investeringsprojecten in het kader van het herstel- en veerkrachtplan, met het totale bedrag aan overheidsfinanciering van die maatregelen, door opgave van het bedrag van in het kader van de faciliteit en andere fondsen van de Unie betaalde middelen;

e) 

om de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en, in voorkomend geval, het EOM uitdrukkelijk toestemming te verlenen voor de uitoefening van hun rechten als bedoeld in artikel 129, lid 1, van het Financieel Reglement, en vergelijkbare verplichtingen op te leggen aan alle eindontvangers van middelen die betaald zijn om hervormingen door te voeren en investeringsprojecten uit te voeren in het kader van het herstel- en veerkrachtplan, of aan alle overige personen of entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering ervan;

f) 

om een boekhouding bij te houden overeenkomstig artikel 132 van het Financieel Reglement.

3.  
Persoonsgegevens als bedoeld in lid 2, punt d), van dit artikel worden uitsluitend door de lidstaten en de Commissie verwerkt ten behoeve van en voor de bijbehorende duur van audit- en controleprocedures in het kader van de kwijting met betrekking tot het gebruik van middelen in verband met de uitvoering van de in artikel 15, lid 2, en in artikel 23, lid 1, bedoelde overeenkomsten. De faciliteit is in het kader van de kwijtingsprocedure voor de Commissie, overeenkomstig artikel 319 VWEU, onderworpen aan verslaglegging in het kader van de in artikel 247 van het Financieel Reglement genoemde geïntegreerde financiële en verantwoordingsverslagen, en met name afzonderlijk, in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag.
4.  
De Commissie stelt aan de lidstaten een geïntegreerd en interoperabel informatie- en monitoringsysteem beschikbaar, met inbegrip van één instrument voor datamining en risicoscores, om toegang te krijgen tot de relevante gegevens en deze te analyseren met het oog op een algemene toepassing van dat systeem door de lidstaten, waaronder met behulp van het instrument voor technische ondersteuning.
5.  
De in artikel 15, lid 2, en artikel 23, lid 1, bedoelde overeenkomsten voorzien tevens in het recht van de Commissie om bij niet door de lidstaat gecorrigeerde fraude, corruptie en belangenconflicten die de financiële belangen van de Unie schaden of bij ernstige schending van de uit die overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen de steun in het kader van de faciliteit verhoudingsgewijs te verminderen en aan de Uniebegroting verschuldigde bedragen terug te vorderen of te verzoeken om vervroegde terugbetaling van de lening.

Bij het nemen van een besluit over het bedrag van de terugvordering en de vermindering, of het vervroegd terug te betalen bedrag neemt de Commissie het evenredigheidsbeginsel in acht en houdt zij rekening met de ernst van de fraude, corruptie en belangenconflicten die de financiële belangen van de Unie schaden of van een schending van een verplichting. De lidstaat krijgt de gelegenheid opmerkingen te maken voordat tot de vermindering wordt besloten of om vroegtijdige terugbetaling wordt verzocht.

Artikel 23

Vastlegging van de financiële bijdrage

▼M1

1.  
Zodra de Raad een uitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 20, lid 1, heeft vastgesteld, sluit de Commissie met de betrokken lidstaat een overeenkomst die een individuele juridische verbintenis vormt in de zin van het Financieel Reglement. De juridische verbintenis ligt voor elke lidstaat niet hoger dan het totaal van de in artikel 11, lid 1, punt a), bedoelde financiële bijdrage voor 2021 en 2022, de in artikel 11, lid 2, bedoelde bijgewerkte financiële bijdrage voor 2023 en het op grond van artikel 21 bis, lid 2, berekende bedrag.

▼B

2.  
Begrotingsvastleggingen kunnen op totale vastleggingen worden gebaseerd en kunnen waar passend worden opgesplitst in over verscheidene jaren gespreide jaarlijkse tranches.

Artikel 24

Regels inzake betaling, opschorting en beëindiging van overeenkomsten in verband met financiële bijdragen en van leningen

1.  
Betalingen van financiële bijdragen en, in voorkomend geval, van de lening, aan de betrokken lidstaat op grond van dit artikel vinden uiterlijk 31 december 2026 plaats in overeenstemming met de begrotingskredieten en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen.
2.  
Na het bereiken van de desbetreffende overeengekomen mijlpalen en streefdoelen die zijn vermeld in het overeenkomstig artikel 20 goedgekeurde herstel- en veerkrachtplan, dient de betrokken lidstaat bij de Commissie een naar behoren gemotiveerd verzoek tot betaling van de financiële bijdrage en, waar van toepassing, van de lening in. Dergelijke betalingsverzoeken kunnen door de lidstaten tweemaal per jaar bij de Commissie worden ingediend.
3.  
De Commissie gaat op voorlopige basis, zonder onnodige vertraging en uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek na of de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen die zijn vastgelegd in het in artikel 20, lid 1, bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad, op bevredigende wijze zijn gerealiseerd. Onder bevredigende verwezenlijking van mijlpalen en streefdoelen wordt begrepen dat er door de betrokken lidstaat geen maatregelen zijn teruggedraaid in verband met eerder behaalde mijlpalen en streefdoelen. Bij deze beoordeling wordt ook de in artikel 20, lid 6, bedoelde operationele regelingen in aanmerking genomen. De Commissie kan worden bijgestaan door deskundigen.
4.  
Wanneer de Commissie de bevredigende verwezenlijking van de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen voorlopig positief beoordeelt, deelt zij haar bevindingen mee aan het Economisch en Financieel Comité en vraagt zij zijn advies over de bevredigende verwezenlijking van de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen. De Commissie houdt bij haar beoordeling rekening met het advies van het Economisch en Financieel Comité.
5.  
Indien de Commissie een positieve beoordeling geeft, stelt zij zonder onnodige vertraging een besluit houdende toestemming voor de betaling van de financiële bijdrage vast en, waar toepasselijk, van de leningen overeenkomstig het Financieel Reglement. Een dergelijk besluit wordt vastgesteld volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
6.  
►C2  Indien de Commissie naar aanleiding van de in lid 3 bedoelde beoordeling vaststelt dat de mijlpalen en streefdoelen die zijn vastgelegd in het in artikel 20, lid 1, bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad niet op bevredigende wijze zijn verwezenlijkt, ◄ wordt de betaling van de financiële bijdrage, en in voorkomend geval van de lening, geheel of gedeeltelijk opgeschort. De betrokken lidstaat kan binnen één maand na de mededeling van de beoordeling van de Commissie opmerkingen maken.

De opschorting wordt alleen opgeheven indien de betrokken lidstaat de nodige maatregelen heeft genomen die nodig zijn om te waarborgen dat de mijlpalen en streefdoelen van het in artikel 20, lid 1, bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad op bevredigende wijze worden gerealiseerd.

7.  
In afwijking van artikel 116, lid 2, van het Financieel Reglement gaat de betalingstermijn in op de datum van mededeling van het besluit tot goedkeuring van de betaling aan de betrokken lidstaat overeenkomstig lid 5 van dit artikel of op de datum van mededeling van de opheffing van de opschorting overeenkomstig lid 6, tweede alinea van dit artikel.
8.  
Wanneer de betrokken lidstaat niet binnen zes maanden na de opschorting de noodzakelijke maatregelen heeft genomen, vermindert de Commissie de financiële bijdrage en, in voorkomend geval, de lening, verhoudingsgewijs nadat zij de betrokken lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld binnen twee maanden na de mededeling van haar conclusies opmerkingen te maken.
9.  
Wanneer de betrokken lidstaat binnen achttien maanden na de datum van vaststelling van het in artikel 20, lid 1, bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad geen concrete vorderingen ten aanzien van de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen heeft gemaakt, beëindigt de Commissie de in artikel 15, lid 2, en artikel 23, lid 1, bedoelde overeenkomsten, en maakt zij onverminderd artikel 14, lid 3, van het Financieel Reglement het bedrag van de financiële bijdrage vrij. Voorfinanciering op grond van artikel 13 wordt volledig teruggevorderd. De Commissie neemt een besluit over de beëindiging van de in artikel 15, lid 2, en artikel 23, lid 1, bedoelde overeenkomsten en, waar passend, de terugvordering, nadat zij de betrokken lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld binnen twee maanden na de mededeling van haar beoordeling van de vraag of er geen concrete vorderingen zijn gemaakt, opmerkingen te maken.
10.  
In uitzonderlijke omstandigheden kan de vaststelling van het besluit met de opdracht tot betaling van de financiële bijdrage en, in voorkomend geval, van de lening, overeenkomstig lid 5, tot drie maanden worden uitgesteld.

HOOFDSTUK V

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 25

Transparantie

1.  
De Commissie doet de door de lidstaten officieel ingediende herstel- en veerkrachtplannen en de door de Commissie openbaar gemaakte voorstellen voor uitvoeringsbesluiten van de Raad als bedoeld in artikel 20, lid 1, gelijktijdig, onder gelijke voorwaarden en onverwijld toekomen aan het Europees Parlement en de Raad.
2.  
Door de Commissie aan de Raad of aan zijn voorbereidende instanties in het kader van deze verordening of de uitvoering ervan meegedeelde informatie wordt gelijktijdig aan het Europees Parlement beschikbaar gesteld, indien nodig met inachtneming van geheimhoudingsregelingen. Relevante resultaten van besprekingen in de voorbereidende instanties van de Raad worden gedeeld met de bevoegde commissies van het Europees Parlement.
3.  
De betrokken lidstaat kan de Commissie verzoeken gevoelige of vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking zijn openbare belangen zou schaden, onleesbaar te maken. In een dergelijk geval overlegt de Commissie met het Europees Parlement en de Raad over hoe de geredigeerde informatie op vertrouwelijke wijze aan hen ter beschikking kan worden gesteld.
4.  
De Commissie verstrekt aan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een overzicht van haar voorlopige bevindingen ten aanzien van de bevredigende verwezenlijking van de relevante in de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten opgenomen mijlpalen en streefdoelen.
5.  
De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de Commissie om inlichtingen verzoeken over de stand van zaken ten aanzien van de beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen in het kader van de herstel- en veerkrachtdialoog zoals bedoeld in artikel 26.

▼M1

Artikel 25 bis

Transparantie met betrekking tot eindontvangers

1.  
Elke lidstaat ontwikkelt een gebruiksvriendelijk openbaar portaal dat de gegevens bevat van de honderd eindontvangers met het hoogste bedrag aan financiering voor de uitvoering van maatregelen in het kader van de faciliteit. De lidstaten werken deze gegevens tweemaal per jaar bij.
2.  

Van de in lid 1 bedoelde eindontvangers wordt de volgende informatie bekendgemaakt:

a) 

in het geval van een rechtspersoon, de volledige officiële naam en het btw- of fiscaal identificatienummer van de ontvanger, indien beschikbaar, of een ander uniek identificatiemiddel op nationaal niveau;

b) 

in het geval van een natuurlijke persoon, de voor- en achternaam van de ontvanger;

c) 

het door elke ontvanger ontvangen bedrag en de bijbehorende maatregelen waarvoor een lidstaat financiering heeft ontvangen in het kader van de faciliteit.

3.  
De in artikel 38, lid 3, van het Financieel Reglement bedoelde informatie wordt niet bekendgemaakt.
4.  
In het geval van bekendmaking van persoonsgegevens verwijderen de betrokken lidstaten de in lid 2 bedoelde informatie twee jaar na het einde van het begrotingsjaar waarin de financiering aan de eindontvanger werd uitbetaald.
5.  
De Commissie centraliseert de openbare portalen van de lidstaten en maakt de in lid 1 bedoelde gegevens bekend op het in artikel 30 bedoelde scorebord voor herstel en veerkracht.

▼B

Artikel 26

Herstel- en veerkrachtdialoog

1.  

Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, met name het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, te intensiveren en om meer transparantie en een grotere verantwoordingsplicht te waarborgen, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de Commissie uitnodigen om eens per twee maanden de volgende kwesties te bespreken:

a) 

de stand van de capaciteit voor herstel, veerkracht en aanpassing in de Unie, alsook de maatregelen die in het kader van deze verordening zijn vastgesteld;

b) 

de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten;

c) 

de beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten;

d) 

de belangrijkste bevindingen van het in artikel 16, lid 2, bedoelde beoordelingsverslag;

e) 

de stand van zaken ten aanzien van de verwezenlijking van de in de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten opgenomen mijlpalen en streefdoelen;

f) 

procedures inzake betaling, opschorting en beëindiging, met inbegrip van door de lidstaten gemaakte opmerkingen en getroffen corrigerende maatregelen om een bevredigende verwezenlijking van de mijlpalen en streefdoelen te garanderen;

g) 

alle overige relevante informatie en documentatie die door de Commissie aan de bevoegde commissie van het Europees Parlement wordt verstrekt in het kader van de uitvoering van de faciliteit;

▼M1

h) 

de voortgang van de uitvoering van de hervormingen en investeringen in de REPowerEU-hoofdstukken.

▼B

2.  
Het Europees Parlement kan zijn standpunten ten aanzien van de in lid 1 bedoelde kwesties kenbaar maken in resoluties.
3.  
De Commissie houdt rekening met alle elementen die naar voren komen in de door middel van de herstel- en veerkrachtdialoog kenbaar gemaakte standpunten, waaronder eventuele resoluties van het Europees Parlement.
4.  
Het in artikel 30 bedoelde scorebord voor herstel en veerkracht dient als basis voor de herstel- en veerkrachtdialoog.

HOOFDSTUK VI

VERSLAGLEGGING

Artikel 27

Verslaglegging door de lidstaat in het kader van het Europees Semester

De betrokken lidstaat brengt in het kader van het Europees Semester tweemaal per jaar verslag uit over de vorderingen bij de verwezenlijking van de herstel- en veerkrachtplannen, met inbegrip van de in artikel 20, lid 6, bedoelde operationele regelingen, en over de in artikel 29, lid 4, bedoelde gemeenschappelijke indicatoren. Daartoe worden de verslagen van de lidstaten op passende wijze in aanmerking genomen in de nationale hervormingsprogramma’s, die worden gebruikt als instrument om verslag uit te brengen over de vorderingen bij de voltooiing van de herstel- en veerkrachtplannen.

HOOFDSTUK VII

COMPLEMENTARITEIT, MONITORING EN EVALUATIE

Artikel 28

Coördinatie en complementariteit

De Commissie en de betrokken lidstaten bevorderen binnen hun respectieve bevoegdheden synergieën en zorgen voor doeltreffende coördinatie tussen de faciliteit en andere programma’s en instrumenten van de Unie, waaronder het instrument voor technische ondersteuning, met name met uit de Uniefondsen gefinancierde maatregelen. Daartoe:

a) 

zorgen zij zowel in de planningsfase als tijdens de uitvoering voor complementariteit, synergie, coherentie en consistentie tussen de verschillende instrumenten op Unie-, nationaal, en desgevallend regionaal niveau, met name wat uit de Uniefondsen gefinancierde maatregelen betreft,

b) 

optimaliseren zij de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen, en

c) 

zorgen zij voor nauwe samenwerking tussen de instanties die op Unie-, nationaal, en desgevallend regionaal niveau voor de uitvoering en de controle verantwoordelijk zijn, ter verwezenlijking van de doelstellingen van de faciliteit.

Artikel 29

Monitoring van de uitvoering

▼M1

1.  
De Commissie monitort de uitvoering van de faciliteit en meet de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 4, met inbegrip van de uitvoering van de hervormingen en investeringen in de REPowerEU-hoofdstukken en hun bijdrage aan de in artikel 21 quater, lid 3, genoemde doelstellingen. De monitoring van de uitvoering is gericht op en evenredig met de activiteiten die in het kader van de faciliteit worden uitgevoerd.

▼B

2.  
Het prestatieverslagleggingssysteem van de Commissie waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering van de activiteiten en de resultaten op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.
3.  
De Commissie brengt achteraf verslag uit over de uitgaven die in het kader van elk van de in artikel 3 bedoelde pijlers uit de faciliteit zijn gefinancierd. De uitsplitsing van de verwachte uitgaven zoals opgenomen in de goedgekeurde herstel- en veerkrachtplannen, vormt het uitgangspunt voor dergelijke verslaglegging.
4.  

De Commissie is bevoegd om tegen eind december 2021 overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen teneinde:

a) 

de gemeenschappelijke indicatoren vast te stellen voor verslaglegging over de vorderingen en voor de monitoring en evaluatie van de faciliteit met het oog op de verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen, en

b) 

een methode vast te stellen voor verslaglegging over sociale uitgaven, onder meer met betrekking tot kinderen en jongeren, in het kader van de faciliteit.

5.  
De lidstaten brengen aan de Commissie verslag uit over de gemeenschappelijke indicatoren.

▼M2

6.  

Voorafgaand aan het uitschrijven van oproepen tot het indienen van voorstellen of aanbestedingsprocedures in verband met de STEP-doelstellingen die zijn beschreven in artikel 2 van Verordening (EU) 2024/795 stellen de lidstaten de volgende informatie beschikbaar in het in artikel 6 van die verordening bedoelde soevereiniteitsportaal:

a) 

geografisch gebied waarop de oproep tot het indienen van voorstellen betrekking heeft;

b) 

betrokken investering;

c) 

type in aanmerking komende aanvragers;

d) 

totaal bedrag aan steun voor de oproep;

e) 

begin- en einddatum van de oproep;

f) 

link naar de website waar de oproep wordt gepubliceerd.

▼B

Artikel 30

Scorebord voor herstel en veerkracht

1.  
De Commissie voert een scorebord voor herstel en veerkracht (het “scorebord”) in, waaruit voor elk van de zes in artikel 3 bedoelde pijlers blijkt in hoeverre de herstel- en veerkrachtplannen van elke lidstaat ten uitvoer zijn gelegd. Het scorebord vormt het prestatieverslagleggingssysteem van de faciliteit.
2.  
Ter aanvulling van deze verordening is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 33 een gedelegeerde handeling vast te stellen op grond waarvan het scorebord tot in detail wordt gedefinieerd, zodat de in lid 1 bedoelde stand van de voortgang van de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen inzichtelijk wordt gemaakt.

▼M1

3.  
Het scorebord toont ook de voortgang van de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen met betrekking tot de in artikel 29, lid 4, bedoelde gemeenschappelijke indicatoren. Het bevat ook de voortgang van de uitvoering van de maatregelen in de REPowerEU-hoofdstukken en de bijdrage ervan aan de doelstellingen van artikel 21 quater, lid 3, en het toont informatie over de vermindering van de invoer van fossiele brandstoffen in de Unie en de diversificatie van de energievoorziening.

▼B

4.  
Het scorebord wordt in december 2021 in werking gesteld en wordt tweemaal per jaar door de Commissie bijgewerkt. Het scorebord wordt openbaar gemaakt op een website of een internetportaal.

Artikel 31

Jaarverslag

1.  
De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de faciliteit.
2.  
Het jaarverslag bevat informatie over de vorderingen van de betrokken lidstaten bij de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen in het kader van de faciliteit, waaronder informatie over de mate van verwezenlijking van de mijlpalen en streefdoelen, alsook over de stand van zaken ten aanzien van betalingen en schorsing ervan.

▼M1

3.  

Het jaarverslag bevat ook de volgende informatie:

▼B

a) 

de bijdrage die de faciliteit levert aan de verwezenlijking van de klimaat- en digitale doelstellingen;

b) 

de prestatie van de faciliteit op grond van de in artikel 29, lid 4, bedoelde gemeenschappelijke indicatoren;

c) 

de uit de faciliteit gefinancierde uitgaven in het kader van de zes in artikel 3 bedoelde pijlers, met inbegrip van de in artikel 29, lid 4, bedoelde sociale uitgaven en uitgaven met betrekking tot kinderen en jongeren;

▼M1

d) 

een overzicht van de maatregelen met een grensoverschrijdende of meerlandendimensie dan wel een grensoverschrijdend of meerlandeneffect in alle REPowerEU-hoofdstukken, de totale geraamde kosten ervan en of de totale kosten van deze maatregelen minstens 30 % van de totale geraamde kosten van de maatregelen in alle REPowerEU-hoofdstukken vertegenwoordigen;

e) 

het aantal maatregelen in alle REPowerEU-hoofdstukken die onder artikel 21 quater, lid 3, punt a), vallen, en de totale geraamde kosten ervan;

f) 

de voortgang bij de uitvoering van de hervormingen en investeringen in het REPowerEU-hoofdstuk, via een speciaal deel dat lessen bevat die na een analyse van de beschikbare gegevens over eindontvangers zijn geleerd alsook voorbeelden van beste praktijken.

3 bis.  
De in lid 3, punten d) en e), bedoelde informatie wordt alleen opgenomen in het jaarverslag na de goedkeuring van de beoordeling van alle herstel- en veerkrachtplannen die een REPowerEU-hoofdstuk bevatten.

▼B

4.  
De Commissie kan voor de verslaglegging over de in de leden 2 en 3 bedoelde activiteiten zo nodig gebruikmaken van de inhoud van de desbetreffende documenten die door haar in het kader van het Europees Semester officieel zijn goedgekeurd.

Artikel 32

Evaluatie en ex-postevaluatie van de faciliteit

1.  
De Commissie legt uiterlijk 20 februari 2024 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een onafhankelijk evaluatieverslag over de uitvoering van de faciliteit en uiterlijk 31 december 2028 een onafhankelijk ex-postevaluatieverslag voor.

▼M1

2.  
In het evaluatieverslag wordt met name beoordeeld in hoeverre de doelstellingen zijn bereikt, of de middelen efficiënt zijn ingezet en of er sprake is van Europese meerwaarde. In het verslag wordt ook gekeken naar de blijvende relevantie van alle doelstellingen en acties en wordt de uitvoering van de REPowerEU-hoofdstukken en hun bijdragen aan de in artikel 21 quater, lid 3, vastgelegde doelstellingen beoordeeld.

▼B

3.  
De evaluatie gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijzigingen van deze verordening.
4.  
Het ex-postevaluatieverslag bestaat in een algemene evaluatie van de faciliteit en bevat informatie over het effect ervan op lange termijn.

Artikel 33

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  
De in artikel 29, lid 4, en artikel 30, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt voor onbepaalde tijd met ingang van 19 februari 2021 toegekend aan de Commissie.
3.  
De in artikel 29, lid 4, en in artikel 30, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegaties kunnen op elk moment door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  
Een overeenkomstig artikel 29, lid 4, en artikel 30, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met een maand verlengd.

HOOFDSTUK VIII

COMMUNICATIE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  
De Commissie kan communicatieactiviteiten ontplooien om zichtbaarheid te geven aan de Uniefinanciering voor de in het desbetreffende herstel- en veerkrachtplan beoogde financiële steun, onder meer door gezamenlijke communicatieactiviteiten met de betrokken nationale autoriteiten. In voorkomend geval kan de Commissie ervoor zorgen dat door middel van een financieringsverklaring wordt meegedeeld en erkend dat sprake is van steun in het kader van de faciliteit.
2.  
De ontvangers van Uniefinanciering erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de Uniefinanciering, onder meer door waar nodig het embleem van Unie af te beelden en een passende financieringsverklaring weer te geven die luidt “gefinancierd door de Europese Unie – NextGenerationEU”, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
3.  
De Commissie voert informatie- en communicatiemaatregelen uit met betrekking tot de faciliteit, de overeenkomstig de faciliteit genomen maatregelen en de bereikte resultaten. De Commissie zorgt ervoor dat de vertegenwoordigingen van het Europees Parlement zo nodig van haar werkzaamheden in kennis worden gesteld en bij die maatregelen worden betrokken. De financiële middelen die worden toegewezen aan de faciliteit dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 4 vermelde doelstellingen.

Artikel 35

Comitéprocedure

1.  
De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 36

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

Methode voor de berekening van de maximale financiële bijdrage per lidstaat in het kader van de faciliteit

Deze bijlage beschrijft de methodiek voor de berekening van de maximale financiële bijdrage die voor elke lidstaat beschikbaar is overeenkomstig artikel 11. De methode houdt ten aanzien van elke lidstaat rekening met:

— 
de bevolkingsomvang;
— 
de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking;
— 
het gemiddelde werkloosheidspercentage in de afgelopen vijf jaar in vergelijking met het Uniegemiddelde (2015-2019);
— 
de afname van het reële bbp in 2020 en de cumulatieve afname van het reële bbp in 2020 en 2021.

Om een buitensporige concentratie van middelen te voorkomen:

— 
wordt de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking geplafonneerd op maximaal 150 % van het Uniegemiddelde;
— 
wordt de afwijking van het werkloosheidspercentage van een individueel lidstaat ten opzichte van het Uniegemiddelde geplafonneerd op maximaal 150 % van het Uniegemiddelde;
— 
wordt, om rekening te houden met de in het algemeen stabielere arbeidsmarkten van welvarender lidstaten (waarvan het bni per hoofd van de bevolking boven het Uniegemiddelde ligt), de afwijking van hun werkloosheidspercentage van het Uniegemiddelde geplafonneerd op maximaal 75 %.

De maximale financiële bijdrage van een lidstaat uit de faciliteit (MFCi) wordt als volgt bepaald:

MFCi = ν i × (FS)

waarbij:

FS (Financial Support — financiële ondersteuning) de in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde financiële toewijzing in het kader van de faciliteit is, en

νi de verdeelsleutel voor lidstaat i is, gedefinieerd als:

νi = 0,7 κi + 0,3 αi

waarbij:

κi de verdeelsleutel is die wordt toegepast op 70 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde en in bijlage II vermelde bedrag, en

αi de verdeelsleutel is die wordt toegepast op 30 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde en in bijlage III vermelde bedrag.




BIJLAGE II

De verdeelsleutel die wordt toegepast op 70 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag, κi , wordt als volgt bepaald:

image,

waarbijimageenimage,

metimage,

υi ≤ 0,75 voor lidstaten metimageen

υi ≤ 1,5 voor lidstaten metimage.

Waarbij ( 9 ):

— 
imagehet nominaal bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in 2019 van lidstaat i is;
— 
imagehet gewogen gemiddelde bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking van de huidige EU-27 in 2019 is;
— 
popi,2019 de totale bevolking in lidstaat i in 2019 is;
— 
popEU,2019 de totale bevolking van de EU-27 in 2019 is;
— 
Ui,2015-2019 het gemiddelde werkloosheidspercentage in de periode 2015-2019 van lidstaat i is;
— 
UEU,2015-2019 het gemiddelde werkloosheidspercentage in de periode 2015-2019 in de EU-27 is (in elk jaar het gewogen gemiddelde van de EU-27);
— 
imagehet bni per hoofd van de bevolking in 2019 voor lidstaat i is;
— 
imagehet gewogen gemiddelde bni per hoofd van de bevolking van de EU-27 in 2019 is.




BIJLAGE III

De verdeelsleutel die wordt toegepast op 30 % van het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag, αi, wordt als volgt bepaald:

image

waarbij

imageenimage

waarbij

image imageenimage

waarbijimage

Waarbij:

— 
GDPi,t het reële bbp van lidstaat i in het jaar t = 2019, 2020, 2021;
— 
imagehet bbp per hoofd van de bevolking in 2019 van lidstaat i is;
— 
imagehet gewogen gemiddelde bbp per hoofd van de bevolking van de EU-27 in 2019 is;
— 
popi,2019 de totale bevolking in lidstaat i in 2019 is;
— 
popEU,2019 de totale bevolking van de EU-27 in 2019 is.

De afname van het reële bbp in 2020 (δGDPi,2020–2019) en de cumulatieve afname van het reële bbp voor de periode 2020-2021 (δGDPi,2020–2019) worden op de najaarsprognoses 2020 van de Commissie gebaseerd en uiterlijk 30 juni 2022 voor elke lidstaat geactualiseerd waarbij de gegevens van de najaarsprognoses 2020 van de Commissie worden vervangen door de werkelijke gegevens die worden gerapporteerd in het kader van de meest recent beschikbare actualisering van de gegevensreeks met de Eurostatcode “tec00115 (Real GDP growth rate - volume)”.




BIJLAGE IV

Toepassing van de in de bijlagen I, II en III ter bedoelde methodiek op het in artikel 6, lid 1, punt a), bedoelde bedrag, omgerekend naar lopende prijzen, levert de volgende aandelen en bedragen voor de maximale financiële bijdrage per lidstaat op, onverminderd de berekening zoals deze tegen 30 juni 2022 wordt geactualiseerd:



Maximiale financiële bijidrage per lidstaat van de Unie

 

voor 70 % van het beschikbare bedrag

voor 30 % van het beschikbare bedrag (indicatief bedrag op basis van de najaarsprognoses 2020 van de Commissie)

 

 

Aandeel als % van het totaal

Bedrag (in EUR 1 000 huidige prijzen)

Aandeel als % van het totaal

Bedrag (in EUR 1 000 huidige prijzen)

Totaal

BE

1,56 %

3 646 437

2,20 %

2 278 834

5 925 271

BG

1,98 %

4 637 074

1,58 %

1 631 632

6 268 706

CZ

1,51 %

3 538 166

3,41 %

3 533 509

7 071 676

DK

0,56 %

1 303 142

0,24 %

248 604

1 551 746

DE

6,95 %

16 294 947

9,01 %

9 324 228

25 619 175

EE

0,32 %

759 715

0,20 %

209 800

969 515

IE

0,39 %

914 572

0,07 %

74 615

989 186

EL

5,77 %

13 518 285

4,11 %

4 255 610

17 773 895

ES

19,88 %

46 603 232

22,15 %

22 924 818

69 528 050

FR

10,38 %

24 328 797

14,54 %

15 048 278

39 377 074

HR

1,98 %

4 632 793

1,61 %

1 664 039

6 296 831

IT

20,45 %

47 935 755

20,25 %

20 960 078

68 895 833

CY

0,35 %

818 396

0,18 %

187 774

1 006 170

LV

0,70 %

1 641 145

0,31 %

321 944

1 963 088

LT

0,89 %

2 092 239

0,13 %

132 450

2 224 690

LU

0,03 %

76 643

0,02 %

16 883

93 526

HU

1,98 %

4 640 462

2,45 %

2 535 376

7 175 838

MT

0,07 %

171 103

0,14 %

145 371

316 474

NL

1,68 %

3 930 283

1,96 %

2 032 041

5 962 324

AT

0,95 %

2 231 230

1,19 %

1 230 938

3 462 169

PL

8,65 %

20 275 293

3,46 %

3 581 694

23 856 987

PT

4,16 %

9 760 675

4,01 %

4 149 713

13 910 387

RO

4,36 %

10 213 809

3,90 %

4 034 211

14 248 020

SI

0,55 %

1 280 399

0,48 %

496 924

1 777 322

SK

1,98 %

4 643 840

1,63 %

1 686 154

6 329 994

FI

0,71 %

1 661 113

0,41 %

424 692

2 085 805

SE

1,24 %

2 911 455

0,36 %

377 792

3 289 248

EU27

100,00 %

234 461 000

100,00 %

103 508 000

337 969 000

▼M1




BIJLAGE IV BIS

Deze bijlage bevat de methode voor de berekening van het voor elke lidstaat beschikbare toewijzingsaandeel van de in artikel 21 bis, lid 1, bedoelde middelen in de vorm van aanvullende niet-terugbetaalbare steun in het kader van de faciliteit. De methode houdt ten aanzien van elke lidstaat rekening met:

— 
de bevolkingsomvang;
— 
de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking;
— 
de prijsdeflator voor bruto-investeringen in vaste activa;
— 
het aandeel van fossiele brandstoffen in het bruto binnenlands energieverbruik.

Om een buitensporige concentratie van middelen te voorkomen:

— 
wordt de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking geplafonneerd op maximaal 160 % van het gewogen Uniegemiddelde;
— 
wordt de inverse van het bbp per hoofd van de bevolking geplafonneerd op maximaal 55 % van het gewogen Uniegemiddelde indien het bbp per hoofd van de bevolking van de betrokken lidstaat meer dan 130 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;
— 
wordt een minimumtoewijzingsaandeel vastgesteld op 0,15 %;
— 
wordt het maximale toewijzingsaandeel vastgesteld op 13,80 %.

De verdeelsleutel die wordt toegepast op het in artikel 21 bis, lid 1, bedoelde bedrag ρi wordt als volgt bepaald:

image

waarbij de lidstaten i tot z de lidstaten zijn die een minimaal beschikbaar toewijzingsaandeel genieten en de lidstaten i tot q de lidstaten zijn die een maximaal beschikbaar toewijzingsaandeel genieten.

waarbij

image

waarbij

image

en

image

en

image

,waarbij

image

voor lidstaten i met

image

en

image

voor lidstaten i met

image

Waarbij ( 10 ):

— 
popi,2021 als de totale bevolking in 2021 in lidstaat i geldt;
— 
popEU,2021 als de totale bevolking in 2021 in de 27 EU-lidstaten geldt;
— 

image

als het gewogen gemiddelde van het nominaal bbp per hoofd van de bevolking van de EU-27 in 2021 geldt;
— 

image

als het nominaal bbp per hoofd van de bevolking in 2021 van lidstaat i geldt;
— 
FFGICi,2020 als het aandeel van fossiele brandstoffen in het bruto binnenlands energieverbruik in 2020 van lidstaat i geldt;
— 
FFGICEU,2020 als het gewogen gemiddelde aandeel van fossiele brandstoffen in het bruto binnenlands energieverbruik in 2020 van de 27 EU-lidstaten geldt;
— 

image

als de verhouding van de prijsindex voor bruto-investeringen in vaste activa (impliciete deflator, 2015=100, nationale valuta, voor seizoensinvloeden en kalendereffecten gecorrigeerde gegevens) van lidstaat i in 2022 Q2 en de prijsindex voor bruto-investeringen in vaste activa (impliciete deflator, 2015=100, nationale valuta, voor seizoensinvloeden en kalendereffecten gecorrigeerde gegevens) van lidstaat i in 2021 Q2 geldt;
— 

image

als de verhouding van de prijsindex voor bruto-investeringen in vaste activa (impliciete deflator, 2015=100, nationale valuta, voor seizoensinvloeden en kalendereffecten gecorrigeerde gegevens) van de 27 EU-lidstaten samen in 2022 Q2 en de prijsindex voor bruto-investeringen in vaste activa (impliciete deflator, 2015=100, nationale valuta, voor seizoensinvloeden en kalendereffecten gecorrigeerde gegevens) van de 27 EU-lidstaten samen in 2021 Q2 geldt.

De toepassing van de methode op het in artikel 21 bis, lid 1, bedoelde bedrag zal resulteren in het volgende aandeel en bedrag per lidstaat:



Lidstaat

Aandeel als % van het totaal

Bedrag (in 1 000  EUR huidige prijzen)

België

1,41  %

282 139

Bulgarije

2,40  %

480 047

Tsjechië

3,41  %

681 565

Denemarken

0,65  %

130 911

Duitsland

10,45  %

2 089 555

Estland

0,42  %

83 423

Ierland

0,45  %

89 598

Griekenland

3,85  %

769 222

Spanje

12,93  %

2 586 147

Frankrijk

11,60  %

2 320 955

Kroatië

1,35  %

269 441

Italië

13,80  %

2 760 000

Cyprus

0,26  %

52 487

Letland

0,62  %

123 983

Litouwen

0,97  %

194 020

Luxemburg

0,15  %

30 000

Hongarije

3,51  %

701 565

Malta

0,15  %

30 000

Nederland

2,28  %

455 042

Oostenrijk

1,05  %

210 620

Polen

13,80  %

2 760 000

Portugal

3,52  %

704 420

Roemenië

7,00  %

1 399 326

Slovenië

0,58  %

116 910

Slowakije

1,83  %

366 959

Finland

0,56  %

112 936

Zweden

0,99  %

198 727

EU27

100,00  %

20 000 000

▼B




BIJLAGE V

Beoordelingsrichtsnoeren voor de faciliteit

1.   Toepassingsgebied

Deze richtsnoeren moeten samen met deze verordening voor de Commissie een basis vormen om de door de lidstaten voorgestelde herstel- en veerkrachtplannen op transparante en billijke wijze te beoordelen en de financiële bijdrage te bepalen in overeenstemming met de in deze verordening neergelegde doelstellingen en andere toepasselijke voorschriften. Deze richtsnoeren vormen de basis voor de toepassing van de beoordelingscriteria en de bepaling van de financiële bijdrage, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 19, lid 3, en artikel 20, lid 4.

De beoordelingsrichtsnoeren zijn bedoeld om:

a) 

een leidraad te verschaffen voor het proces van beoordeling van de door de lidstaten ingediende ontwerpherstel- en veerkrachtplannen;

b) 

nadere gegevens te verstrekken over de beoordelingscriteria en te voorzien in een waarderingssysteem, dat moet worden ingesteld om een billijk en transparant proces te waarborgen, en

c) 

het verband te bepalen tussen de beoordeling die de Commissie aan de hand van de beoordelingscriteria moet uitvoeren en de bepaling van de financiële bijdrage die voor de herstel- en veerkrachtplannen in het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad moet worden vastgesteld.

De richtsnoeren zijn een instrument om de beoordeling door de Commissie van de door de lidstaten ingediende herstel- en veerkrachtplannen te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat de herstel- en veerkrachtplannen steun bieden aan hervormingen en publieke investeringen die relevant zijn en een hoge meerwaarde bieden met betrekking tot de doelstellingen van de faciliteit, terwijl daarbij de gelijke behandeling van de lidstaten gewaarborgd is.

2.   Beoordelingscriteria

Overeenkomstig artikel 19, lid 3, beoordeelt de Commissie de relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie en samenhang van de herstel- en veerkrachtplannen. Als gevolg van de beoordelingsprocedure kent de Commissie aan de door de lidstaten ingediende herstel- en veerkrachtplannen voor elk beoordelingscriterium in artikel 19, lid 3, een score toe om de financiële toewijzing vast te stellen overeenkomstig artikel 20, lid 4.

Ter wille van de vereenvoudiging en de efficiëntie moet het waarderingssysteem de scores A tot en met C omvatten, zoals hieronder uiteengezet:

Relevantie:

2.1.

Het herstel- en veerkrachtplan vormt een alomvattende en voldoende evenwichtige respons op de economische en sociale situatie, en draagt zodoende bij aan elk van de zes in artikel 3 bedoelde pijlers, daarbij rekening houdend met de specifieke uitdagingen van en de financiële toewijzing aan de betrokken lidstaat.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
het herstel- en veerkrachtplan draagt op alomvattende en voldoende evenwichtige wijze bij aan elk van de zes in artikel 3 bedoelde pijlers en houdt daarbij rekening met de specifieke uitdagingen en de financiële bijdrage van de betrokken lidstaat en de gevraagde steun via leningen.

Score

A – 

in hoge mate.

B – 

in redelijke mate.

C – 

in beperkte mate.

2.2.

Het herstel- en veerkrachtplan zal naar verwachting bijdragen tot een doeltreffende aanpak van alle of een aanzienlijk deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van de begrotingsaspecten, en waar passend de aanbevelingen krachtens artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 aan de betrokken lidstaat, of in andere relevante documenten die de Commissie officieel heeft goedgekeurd in het kader van het Europees Semester.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
Het herstel- en veerkrachtplan zal naar verwachting bijdragen tot een doeltreffende aanpak van alle of een aanzienlijk deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van de begrotingsaspecten, en de waar passend aan de betrokken lidstaat gerichte aanbevelingen krachtens artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 of uitdagingen in relevante documenten die de Commissie officieel heeft goedgekeurd in het kader van het Europees Semester, rekening houdend met de financiële bijdrage van de betrokken lidstaat en de gevraagde steun via leningen, alsmede de reikwijdte en omvang van de landspecifieke uitdagingen en de informatie in het nationale hervormingsprogramma;

en

— 
het herstel- en veerkrachtplan vormt een uitgebreid en adequaat antwoord op de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat;

en

— 
de in het herstel- en veerkrachtplan aan de orde gestelde uitdagingen worden van aanzienlijk belang geacht om het groeipotentieel van de economie van de betrokken lidstaat op duurzame wijze een impuls te geven;

en

— 
na de voltooiing van de voorgestelde hervormingen en investeringen zullen de daarmee samenhangende uitdagingen naar verwachting zijn opgelost of zijn aangepakt op een manier die aanzienlijk bijdraagt tot de oplossing ervan.

Score

A – 

het herstel- en veerkrachtplan draagt bij tot een doeltreffende aanpak van alle of een aanzienlijk deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de landspecifieke aanbevelingen of uitdagingen in andere relevante documenten die de Commissie in het kader van het Europees Semester officieel heeft goedgekeurd, en het herstel- en veerkrachtplan vormt een adequaat antwoord op de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat.

B – 

het herstel- en veerkrachtplan draagt bij tot een gedeeltelijke aanpak van alle of een aanzienlijk deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de landspecifieke aanbevelingen of uitdagingen in andere relevante documenten die de Commissie in het kader van het Europees Semester officieel heeft goedgekeurd, en het herstel- en veerkrachtplan vormt een adequaat antwoord op de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat.

C – 

het herstel- en veerkrachtplan draagt niet bij tot de aanpak van uitdagingen die zijn vastgesteld in de landspecifieke aanbevelingen of in andere relevante documenten die de Commissie in het kader van het Europees Semester officieel heeft goedgekeurd, en het herstel- en veerkrachtplan vormt geen adequaat antwoord op de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat.

2.3.

Het herstel- en veerkrachtplan zal naar verwachting op doeltreffende wijze ertoe bijdragen het groeipotentieel en de economische, institutionele en sociale veerkracht van de betrokken lidstaat te versterken en de jobcreatie te stimuleren, waarmee wordt bijgedragen aan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer door middel van de bevordering van beleid inzake kinderen en jongeren, en de economische en sociale gevolgen van de crisis te verzachten, waardoor de economische, sociale en territoriale cohesie en de convergentie binnen de Unie worden bevorderd;

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen die erop gericht zijn economische groei en economische cohesie op inclusieve wijze te bevorderen, door met name zwakke punten in de economie van de lidstaten aan te pakken, het groeipotentieel van de economie van de betrokken lidstaat een impuls te geven, de jobcreatie te stimuleren en de negatieve gevolgen van de crisis te verzachten;

en

— 
het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen die erop gericht zijn sociale cohesie en stelsels voor sociale bescherming te versterken, met inbegrip van beleid inzake kinderen en jongeren, sociale kwetsbaarheden te verminderen en bij te dragen aan de uitvoering van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten en aan de verbetering van de niveaus van de indicatoren van het sociale scorebord;

en

— 
het herstel- en veerkrachtplan is gericht op het verminderen van de economische kwetsbaarheden van de lidstaat bij schokken;

en

— 
het herstel- en veerkrachtplan is gericht op het verhogen van het vermogen van de economische en/of sociale structuren van en instanties in de lidstaat om zich bij schokken aan te passen en overeind te blijven;

en

— 
het herstel- en veerkrachtplan zal naar verwachting bijdragen tot meer economische, sociale en territoriale cohesie en convergentie.

Score

A – 

hoge verwachte impact.

B – 

redelijke verwachte impact.

C – 

lage verwachte impact.

2.4.

Het herstel- en veerkrachtplan zal naar verwachting waarborgen dat geen enkele erin opgenomen maatregel voor de uitvoering van hervormingen en investeringsprojecten ernstig afbreuk doet aan milieudoelstellingen in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 (het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”).

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
geen enkele in het herstel- en veerkrachtplan opgenomen maatregel voor de uitvoering van de in het herstel- en veerkrachtplan inbegrepen hervormingen en investeringsprojecten doet ernstig afbreuk aan milieudoelstellingen in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 (het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”).

Score

A – 

geen enkele maatregel doet ernstig afbreuk aan de milieudoelstellingen (het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”).

C – 

eén of meer maatregelen doen ernstig afbreuk aan milieudoelstellingen (het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”).

2.5.

▼M1

Het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen die op doeltreffende wijze bijdragen tot de groene transitie, met inbegrip van biodiversiteit, of die helpen het hoofd te bieden aan de daaruit voortvloeiende uitdagingen, en beschrijft of ze goed zijn voor ten minste 37 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan, en of deze maatregelen in het REPowerEU-hoofdstuk goed zijn voor een bedrag van ten minste 37 % van de totale geraamde kosten van de in het REPowerEU-hoofdstuk opgenomen maatregelen, op basis van de in bijlage VI beschreven methodologie voor het traceren van klimaatuitgaven; die methodologie wordt dienovereenkomstig gebruikt voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VI vermeld steunverleningsgebied; de coëfficiënten voor ondersteuning van de klimaatdoelstellingen kunnen, mits de Commissie hiermee instemt, worden verhoogd tot een totaalbedrag van 3 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan voor individuele investeringen om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de klimaatdoelstellingen op geloofwaardige wijze bevorderen.

▼B

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
De uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting op doeltreffende wijze bijdragen tot de groene transitie, met inbegrip van biodiversiteit, en waar nodig het hoofd helpen bieden aan de daaruit voortvloeiende uitdagingen, en zodoende bijdragen tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030, waarbij de naleving van de doelstelling van een klimaatneutrale Unie tegen 2050 eveneens in acht wordt genomen;

en

— 
de lidstaten passen een methodologie toe die erin bestaat dat aan de verstrekte steun een specifiek gewicht wordt toegekend dat weergeeft in welke mate de steun bijdraagt tot de verwezenlijking van de milieu- en klimaatdoelstellingen. De wegingscoëfficiënten zijn gebaseerd op de in bijlage VI vastgestelde dimensies en codes voor de steunverleningstypes en kunnen worden verhoogd voor individuele investeringen, dit om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de klimaatdoelstellingen op een geloofwaardige manier bevorderen. Dezelfde weging wordt toegepast voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in de bijlage VI vermeld steunverleningsgebied;

en

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting een blijvend effect sorteren.

Score

A – 

in hoge mate.

B – 

in redelijke mate.

C – 

in beperkte mate.

2.6.

Het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen die op doeltreffende wijze bijdragen tot de digitale transitie, of die helpen het hoofd te bieden aan de uit die transitie voortvloeiende uitdagingen, en beschrijft of ze goed zijn voor ten minste 20 % van de totale toewijzing voor het herstel- en veerkrachtplan, op basis van de methodologie voor digitale tagging als omschreven in bijlage VII; de methodologie wordt dienovereenkomstig gebruikt voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VII vermeld steunverleningsgebied; de coëfficiënten voor ondersteuning van de digitale doelstellingen kunnen worden verhoogd voor individuele investeringen om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de digitale doelstellingen bevorderen.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting aanzienlijk bijdragen tot de digitale transformatie van economische en sociale sectoren;

of

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting aanzienlijk bijdragen tot het aanpakken van de uitdagingen die voortvloeien uit de digitale transitie;

en

— 
de lidstaten passen een methodologie toe die erin bestaat dat aan de verstrekte steun een specifiek gewicht wordt toegekend dat weergeeft in welke mate de steun bijdraagt tot de verwezenlijking van de digitale doelstellingen. De wegingscoëfficiënten zijn gebaseerd op de in bijlage VII vastgestelde dimensies en codes voor de steunverleningstypes en kunnen worden verhoogd voor individuele investeringen, dit om rekening te houden met flankerende hervormingsmaatregelen die het effect ervan op de digitale doelstellingen bevorderen. Dezelfde weging wordt toegepast voor maatregelen die niet rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een in bijlage VII vermeld steunverleningsgebied;

en

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting een blijvend effect sorteren.

Score

A – 

in hoge mate.

B – 

in redelijke mate.

C – 

in beperkte mate.

Doeltreffendheid:

2.7.

Het herstel- en veerkrachtplan zal naar verwachting een blijvend effect sorteren voor de betrokken lidstaat.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting tot een structurele verandering in het bestuur of in relevante instellingen leiden;

of

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting tot een structurele verandering op relevante beleidsterreinen leiden;

en

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting een blijvend effect sorteren.

Score

A – 

in hoge mate.

B – 

in redelijke mate.

C – 

in beperkte mate.

2.8.

De door de betrokken lidstaten voorgestelde regelingen zullen naar verwachting zorgen voor de doeltreffende monitoring en uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van het beoogde tijdschema en de mijlpalen en streefdoelen alsmede de bijbehorende indicatoren.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
In de lidstaat is een structuur belast met: i) de uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan; ii) de monitoring van de voortgang inzake mijlpalen en streefdoelen, en iii) de verslaglegging;

en

— 
de voorgestelde mijlpalen en streefdoelen zijn duidelijk en realistisch, en de voorgestelde indicatoren voor deze mijlpalen en streefdoelen zijn relevant, aanvaardbaar en robuust;

en

— 
het geheel van de door de betrokken lidstaten voorgestelde organisatorische regelingen voor de uitvoering van de hervormingen en investeringen (met inbegrip van bepalingen om ervoor te zorgen dat voldoende personeel wordt toegewezen) is geloofwaardig.

Score

A – 

passende regelingen voor een doeltreffende uitvoering

B – 

minimale regelingen voor een doeltreffende uitvoering

C – 

ontoereikende regelingen voor een doeltreffende uitvoering

Efficiëntie:

2.9.

De door de lidstaat verstrekte motivering van de geraamde totale kosten van het ingediende herstel- en veerkrachtplan is redelijk en aannemelijk, is in overeenstemming met het kostenefficiëntiebeginsel, en de kosten staan in verhouding tot het verwachte nationale economische en sociale effect;

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
De lidstaat heeft voldoende informatie en bewijsstukken verstrekt waaruit blijkt dat de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan passend (redelijk) zijn;

en

— 
de lidstaat heeft voldoende informatie en bewijsstukken verstrekt waaruit blijkt dat de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan in overeenstemming zijn met de aard en het type van de voorgenomen hervormingen en investeringen (aannemelijk);

en

— 
de lidstaat heeft voldoende informatie en bewijsstukken verstrekt waaruit blijkt dat de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan dat uit hoofde van de faciliteit moet worden gefinancierd, niet worden gedekt door bestaande of geplande financiering door de Unie;

en

— 
de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan staan in verhouding tot het verwachte effect van de in het plan opgenomen beoogde maatregelen op de economie van de betrokken lidstaat.

Score

A – 

in hoge mate.

B – 

in redelijke mate.

C – 

in beperkte mate.

2.10.

De door de betrokken lidstaten voorgestelde regelingen zullen naar verwachting corruptie, fraude en belangenconflicten bij het gebruik van de financiële middelen die afkomstig zijn van de faciliteit voorkomen, opsporen en rechtzetten, waaronder regelingen die gericht zijn op het voorkomen van dubbele financiering van de faciliteit en andere Unieprogramma’s.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
het interne controlesysteem dat in het herstel- en veerkrachtplan wordt beschreven, berust op robuuste processen en structuren, en definieert, met het oog op de prestatie van interne controletaken, zowel duidelijke actoren (organen/entiteiten) als hun rollen en verantwoordelijkheden; met name wordt gegarandeerd dat relevante functies op correcte wijze worden gescheiden;

en

— 
het controlesysteem en andere relevante regelingen, waaronder voor de in het herstel- en veerkrachtplan beschreven verzameling en openbaarmaking van gegevens over eindontvangers, in het bijzonder om corruptie, fraude en belangenconflicten te voorkomen, op te sporen en recht te zetten bij het gebruik van de financiële middelen die zijn ontleend aan de faciliteit, volstaan;

en

— 
de in het herstel- en veerkrachtplan beschreven regelingen om dubbele financiering van de faciliteit en andere Unieprogramma’s te voorkomen, volstaan;

en

— 
de actoren (organen/entiteiten) die verantwoordelijk zijn voor controles, beschikken over de wettelijke bevoegdheid en de administratieve capaciteit om de aan hen toebedeelde rollen en taken op zich te nemen.

Score

A – 

passende regelingen

C – 

ontoereikende regelingen

Samenhang:

2.11.

Het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen voor de uitvoering van projecten voor hervormingen en overheidsinvesteringen die samenhangende acties vormen.

De Commissie neemt voor de beoordeling van dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen die elkaars effecten helpen versterken;

of

— 
het herstel- en veerkrachtplan bevat maatregelen die elkaar aanvullen.

Score

A – 

in hoge mate.

B – 

in redelijke mate.

C – 

in beperkte mate.

▼M1

2.12.

De in artikel 21 quater bedoelde maatregelen zullen naar verwachting daadwerkelijk bijdragen tot energiezekerheid, de diversificatie van de energievoorziening van de Unie, een toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en van de energie-efficiëntie, een verhoging van de opslagcapaciteit voor energie of tot de noodzakelijke vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vóór 2030.

De Commissie neemt voor de toetsing van de in artikel 21 quater bedoelde maatregelen aan dit criterium de specifieke uitdagingen en de voor de betrokken lidstaat uit de faciliteit beschikbare aanvullende financiering in aanmerking. De Commissie houdt ook rekening met de volgende elementen:

Bereik

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting daadwerkelijk bijdragen tot het verbeteren van de energie-infrastructuur en -voorzieningen om aan de directe behoeften inzake voorzieningszekerheid voor gas, inclusief vloeibaar aardgas, of olie — indien de afwijking uit hoofde van artikel 21 quater, lid 3, punt a), van toepassing is — te voldoen, met name om diversificatie van de energievoorziening in het belang van de Unie als geheel mogelijk te maken,
of
— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting daadwerkelijk bijdragen tot het stimuleren van energie-efficiëntie in gebouwen en kritieke energie-infrastructuur, tot de decarbonisatie van de industrie, tot het opvoeren van de productie en het gebruik van duurzaam biomethaan en van hernieuwbare of fossielvrije waterstof en tot het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie en het versnellen van de uitrol ervan,
of
— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting daadwerkelijk bijdragen tot het aanpakken van energiearmoede en, in voorkomend geval, voldoende prioriteit geven aan de behoeften van degenen die met energiearmoede kampen en aan het verminderen van kwetsbaarheden in de komende winterseizoenen,
of
— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting daadwerkelijk bijdragen tot het stimuleren van energievraagreductie,
of
— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting interne en grensoverschrijdende knelpunten in de energietransmissie en -distributie aanpakken, de opslag van elektriciteit ondersteunen en de integratie van hernieuwbare energiebronnen versnellen, en emissievrij vervoer en de infrastructuur daarvoor, met inbegrip van de spoorwegen, ondersteunen,
of
— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting daadwerkelijk bijdragen tot het ondersteunen van de doelstellingen in artikel 21 quater, lid 3, punten a) tot en met e), door een versnelde om- en bijscholing van de beroepsbevolking in groene en de daarmee verband houdende digitale vaardigheden, alsmede tot ondersteuning van de aan de groene transitie gerelateerde waardeketens van kritieke grondstoffen en technologieën,
en
— 
de beoogde maatregelen zijn coherent met de inspanningen van de betrokken lidstaat om de in artikel 21 quater, lid 3, bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, rekening houdend met de maatregelen die zijn vervat in het reeds vastgestelde uitvoeringsbesluit van de Raad en andere nationaal gefinancierde en door de Unie gefinancierde aanvullende of begeleidende maatregelen voor de doelstellingen van artikel 21 quater, lid 3.

Score

A — in hoge mate.
B — in redelijke mate.
C — in beperkte mate

2.13.

De in artikel 21 quater, bedoelde maatregelen zullen naar verwachting een grensoverschrijdende of meerlandendimensie dan wel een grensoverschrijdend of meerlandeneffect hebben.

De Commissie neemt voor de toetsing aan dit criterium de volgende elementen in aanmerking:

Bereik

— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen op nationaal niveau zal naar verwachting bijdragen tot het veiligstellen van de energievoorziening in de Unie als geheel, onder meer door de uitdagingen aan te pakken die in de meest recente behoefteanalyse van de Commissie zijn geïdentificeerd, in overeenstemming met de in artikel 21 quater, lid 3, bedoelde doelstellingen, rekening houdend met de voor de betrokken lidstaat beschikbare financiële bijdrage en zijn geografische ligging,
of
— 
de uitvoering van de beoogde maatregelen zal naar verwachting bijdragen tot het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en het verminderen van de vraag naar energie.

Score

A – in hoge mate.
B – in redelijke mate.
C – in beperkte mate.

▼B

3.

Vaststelling van de financiële bijdrage

Overeenkomstig artikel 20, wordt in het voorstel van de Commissie bij de bepaling van de financiële bijdrage rekening gehouden met het belang en de samenhang van het door de betrokken lidstaat voorgestelde herstel- en veerkrachtplan, volgens de beoordeling op basis van de criteria van artikel 19, lid 3. Daartoe worden de volgende criteria toegepast:

a) 

wanneer het herstel- en veerkrachtplan op bevredigende wijze voldoet aan de criteria van artikel 19, lid 3, en het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan gelijk is aan of hoger dan de maximale financiële bijdrage die voor die lidstaat overeenkomstig artikel 11 is berekend, is de aan de betrokken lidstaat toegewezen financiële bijdrage gelijk aan het totale bedrag van de maximale financiële bijdrage die voor die lidstaat overeenkomstig artikel 11 is berekend;

b) 

wanneer het herstel- en veerkrachtplan op bevredigende wijze voldoet aan de criteria van artikel 19, lid 3, en het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan lager is dan de maximale financiële bijdrage die voor die lidstaat overeenkomstig artikel 11 is berekend, is de aan de lidstaat toegewezen financiële bijdrage gelijk aan het bedrag van de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan;

c) 

wanneer het herstel- en veerkrachtplan niet voldoet aan de criteria van artikel 19, lid 3, wordt aan de betrokken lidstaat geen financiële bijdrage toegewezen.

▼C1

Voor de toepassing van deze alinea gelden de volgende formules:

— 
voor a) hierboven: Indien Ci ≥ MFCi ontvangt lidstaat i MFCi
— 
voor b) hierboven: Indien Ci < MFCi ontvangt lidstaat i Ci

waarbij:

— 
i verwijst naar de betrokken lidstaat
— 
MFC staat voor de maximale financiële bijdrage voor de betrokken lidstaat
— 
C staat voor de geraamde totale kosten van het herstel- en veerkrachtplan.

▼B

Uitgaande van het resultaat van het beoordelingsproces en rekening houdend met de scores:

voldoet het herstel- en veerkrachtplan op bevredigende wijze aan de beoordelingscriteria:

als de eindscore voor de criteria onder 2 is opgebouwd uit de volgende scores:

▼M1

— 
een A voor de criteria 2.2, 2.3, 2.5, 2.6 en 2.12

▼B

en voor de overige criteria:

— 
alleen maar A’s,

of

— 
niet meer B’s dan A’s en geen C’s;

voldoet het herstel- en veerkrachtplan niet op bevredigende wijze aan de beoordelingscriteria:

als de eindscore voor de criteria onder 2 is opgebouwd uit de volgende scores:

▼M1

— 
geen A in de criteria 2.2, 2.3, 2.5, 2.6 en 2.12

▼B

en voor de overige criteria:

— 
meer B’s dan A’s,

of

— 
ten minste één C.




BIJLAGE VI

Methodologie voor het traceren van klimaatuitgaven

Dimensies en codes voor de steunverleningstypes voor de faciliteit



 

STEUNVERLENINGSGEBIED

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor klimaatveranderingsdoelstellingen

Coëfficiënt voor de berekening van steun voor milieudoelstellingen

001

Investeringen in vaste activa, met inbegrip van onderzoeksinfrastructuur, in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

002

Investeringen in vaste activa, met inbegrip van onderzoeksinfrastructuur, in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

002bis1

Investeringen in vaste activa, met inbegrip van onderzoeksinfrastructuur, in ondernemingen (1) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

003

Investeringen in vaste activa, met inbegrip van onderzoeksinfrastructuur, in openbare onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

004

Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

005

Investeringen in immateriële activa in kmo’s (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

005bis1

Investeringen in immateriële activa in grote ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

006

Investeringen in immateriële activa in openbare onderzoekscentra en instellingen voor hoger onderwijs die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie

0 %

0 %

007

Onderzoek en innovatie in micro-ondernemingen, waaronder netwerkactiviteiten (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudies)

0 %

0 %

008

Onderzoek en innovatie in kmo’s, waaronder netwerkactiviteiten

0 %

0 %

008bis1

Onderzoek en innovatie in grote ondernemingen, waaronder netwerkactiviteiten

0 %

0 %

009

Onderzoek en innovatie in openbare onderzoekscentra, instellingen voor hoger onderwijs en kenniscentra, waaronder netwerkactiviteiten (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudies)

0 %

0 %

010

Digitalisering van kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van e-commerce, e-business en genetwerkte bedrijfsprocessen, digitale innovatiehubs, levende laboratoria, internetondernemers en startende ondernemingen op het gebied van ICT, b2b)

0 %

0 %

010bis1

Digitalisering van grote ondernemingen (met inbegrip van e-commerce, e-business en genetwerkte bedrijfsprocessen, digitale innovatiehubs, levende laboratoria, internetondernemers en ICT-start-ups, b2b)

0 %

0 %

010ter

Digitalisering van kmo’s of grote ondernemingen (met inbegrip van e-commerce, e-business en genetwerkte bedrijfsprocessen, digitale innovatiehubs, levende laboratoria, internetondernemers en ICT-start-ups, b2b), overeenkomstig criteria op het gebied van broeikasgasemissiereductie of energie-efficiëntie (2)

40 %

0 %

011

ICT-oplossingen, e-diensten, toepassingen van de overheid

0 %

0 %

011bis

ICT-oplossingen, e-diensten, toepassingen van de overheid, overeenkomstig criteria op het gebied van broeikasgasemissiereductie of energie-efficiëntie (2)

40 %

0 %

012

IT-diensten en toepassingen voor digitale vaardigheden en digitale inclusie

0 %

0 %

013

Diensten en toepassingen op het gebied van e-gezondheidszorg (met inbegrip van e-zorg, het internet der dingen voor lichaamsbeweging en omgevingsondersteund wonen)

0 %

0 %

014

Bedrijfsinfrastructuur voor kmo’s (met inbegrip van industriegebieden en locaties)

0 %

0 %

015

Bedrijfsontwikkeling en internationalisering van kmo’s, met inbegrip van productieve investeringen

0 %

0 %

015bis

Steun voor grote ondernemingen via financieringsinstrumenten, met inbegrip van productieve investeringen

0 %

0 %

016

Ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, de industrietransitie, ondernemerschap en het aanpassingsvermogen van ondernemingen;

0 %

0 %

017

Geavanceerde ondersteunende diensten voor kmo’s en groepen van kmo’s (met inbegrip van beheer, marketing en design)

0 %