02019R0631 — NL — 01.03.2021 — 004.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2019/631 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 april 2019

tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/22 VAN DE COMMISSIE van 31 oktober 2019

  L 8

2

14.1.2020

►M2

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/1590 VAN DE COMMISSIE van 19 augustus 2020

  L 360

8

30.10.2020

►M3

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2173 VAN DE COMMISSIE van 16 oktober 2020

  L 433

1

22.12.2020




▼B

VERORDENING (EU) 2019/631 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 april 2019

tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)



Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen

1.  
In deze verordening worden CO2-emissievereisten voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen vastgesteld om bij te dragen aan het bereiken van het in Verordening (EU) 2018/842 neergelegde streefcijfer van de Unie voor het reduceren van haar broeikasgasemissies en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en om de goede werking van de interne markt te garanderen.
2.  
Deze verordening legt met ingang van 1 januari 2020 voor het gehele EU-wagenpark een streefcijfer van 95 g CO2/km vast voor de gemiddelde emissies van nieuwe personenauto's en van 147 g CO2/km voor de gemiddelde emissies van nieuwe, in de Unie geregistreerde lichte bedrijfsvoertuigen, zoals tot en met 31 december 2020 gemeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 692/2008, alsmede de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2017/1152 en (EU) 2017/1153, en met ingang van 1 januari 2021 gemeten overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151.
3.  
Deze verordening zal tot en met 31 december 2024 worden aangevuld met aanvullende maatregelen om een verlaging van de CO2-emissies met 10 g CO2/km te bewerkstelligen, in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie waarnaar wordt verwezen in de mededeling van de Commissie van 7 februari 2007 getiteld "Resultaten van de herziening van de communautaire strategie om de CO2-uitstoot van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen te verminderen".
4.  

Met ingang van 1 januari 2025 zijn voor het gehele wagenpark van de EU de volgende streefcijfers van toepassing:

a) 

voor de gemiddelde emissies van nieuwe personenauto's, een voor het gehele EU-wagenpark geldend streefcijfer gelijk aan een vermindering van 15 % van het streefcijfer in 2021 als vastgesteld overeenkomstig bijlage I, deel A, punt 6.1.1;

b) 

voor de gemiddelde emissies van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen een voor het gehele EU-wagenpark geldend streefcijfer gelijk aan een vermindering van 15 % van het streefcijfer in 2021 als vastgesteld overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 6.1.1.

5.  

Met ingang van 1 januari 2030 zijn de volgende streefcijfers voor het gehele EU-wagenpark van toepassing:

a) 

voor de gemiddelde emissies van nieuwe personenauto's een voor het gehele EU-wagenpark geldend streefcijfer gelijk aan een vermindering van 37,5 % van het streefcijfer in 2021 als vastgesteld overeenkomstig bijlage I, deel A, punt 6.1.2;

b) 

voor de gemiddelde emissies van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen een voor het gehele EU-wagenpark geldend streefcijfer gelijk aan een vermindering van 31 % van het streefcijfer in 2021 als vastgesteld overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 6.1.2.

6.  
Met ingang van 1 januari 2025 geldt er voor emissievrije en emissiearme voertuigen een benchmark gelijk aan een aandeel van 15 % van het desbetreffende wagenpark van nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, overeenkomstig respectievelijk bijlage I, deel A, punt 6.3 en bijlage I, deel B, punt 6.3.
7.  

Met ingang van 1 januari 2030 gelden voor emissievrije en emissiearme voertuigen, overeenkomstig respectievelijk bijlage I, deel A, punt 6.3, en bijlage I, deel B, punt 6.3, de volgende benchmarks:

a) 

een benchmark die gelijk is aan een aandeel van 35 % van het wagenpark van nieuwe personenauto's, en

b) 

een benchmark die gelijk is aan een aandeel van 30 % van het wagenpark van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  

Deze verordening is van toepassing op de volgende motorvoertuigen:

a) 

categorie M1, zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG ("personenauto's"), die voor het eerst in de Unie worden geregistreerd en niet eerder buiten de Unie zijn geregistreerd ("nieuwe personenauto's");

b) 

categorie N1, zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, met een referentiemassa van ten hoogste 2 610  kg, en voertuigen van de categorie N1 waartoe de typegoedkeuring is uitgebreid overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007 ("lichte bedrijfsvoertuigen"), die voor het eerst in de Unie worden geregistreerd en niet eerder buiten de Unie zijn geregistreerd ("nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen"). In het geval van emissievrije voertuigen van categorie N met een referentiemassa van meer dan 2 610  kg of meer dan 2 840  kg, naargelang van het geval, worden deze met ingang van 1 januari 2025 voor de toepassing van deze verordening en zonder afbreuk te doen aan Richtlijn 2007/46/EG en Verordening (EG) nr. 715/2007 geteld als lichte bedrijfsvoertuigen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen indien de overtollige referentiemassa uitsluitend te wijten is aan de massa van het energieopslagsysteem.

2.  
Als een voertuig, alvorens in de Unie te worden geregistreerd, minder dan drie maanden daarvoor buiten de Unie is geregistreerd, wordt met deze eerdere registratie geen rekening gehouden.
3.  
Deze verordening is niet van toepassing op voertuigen voor speciale doeleinden, zoals gedefinieerd in bijlage II, deel A, punt 5, bij Richtlijn 2007/46/EG.
4.  
Artikel 4, artikel 7, lid 4, onder b) en c), artikel 8 en artikel 9, lid 1, onder a) en c), zijn niet van toepassing op een fabrikant die, samen met alle met hem verbonden ondernemingen, in het voorgaande kalenderjaar minder dan 1 000 in de Unie geregistreerde nieuwe personenauto's of minder dan 1 000 in de Unie geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen heeft geproduceerd, tenzij die fabrikant een afwijking aanvraagt en deze hem overeenkomstig artikel 10 wordt toegekend.

Artikel 3

Definities

1.  

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

"gemiddelde specifieke CO2-emissies" : inzake een fabrikant, het gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van alle nieuwe personenauto's of alle nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die door deze fabrikant worden gebouwd;

b)

"conformiteitscertificaat" : het in artikel 18 van Richtlijn 2007/46/EG bedoelde conformiteitscertificaat;

c)

"voltooid voertuig" : een licht bedrijfsvoertuig waarvoor typegoedkeuring wordt verleend na voltooiing van de meerfasentypegoedkeuringsprocedure overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG;

d)

"compleet voertuig" : elk licht bedrijfsvoertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de desbetreffende technische eisen van Richtlijn 2007/46/EG te voldoen;

e)

"basisvoertuig" : een licht bedrijfsvoertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

f)

"fabrikant" : de persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG en die instaat voor de conformiteit van de productie;

g)

"massa in rijklare toestand" of "M" : de massa van de personenauto of het lichte bedrijfsvoertuig in rijklare toestand met carrosserie, zoals vermeld in het conformiteitscertificaat en gedefinieerd in bijlage I, punt 2.6, bij Richtlijn 2007/46/EG;

h)

"specifieke CO2-emissies" : de CO2-emissies van een personenauto of licht bedrijfsvoertuig, gemeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 en de uitvoeringsverordeningen daarvan en op het conformiteitscertificaat van het voertuig vermeld als de CO2-massa-emissies (gemengd). Voor personenauto's of lichte bedrijfsvoertuigen zonder typegoedkeuring overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 betekenen "specifieke CO2-emissies" de CO2-emissies gemeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007, met name overeenkomstig dezelfde meetprocedure als tot en met 31 december 2020 voor dergelijke voertuigen gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 692/2008 en met ingang van 1 januari 2021 in Verordening (EU) 2017/1151, of overeenkomstig de procedures die door de Commissie zijn vastgesteld om de CO2-emissies voor deze voertuigen te bepalen;

i)

"voetafdruk" : de gemiddelde spoorbreedte vermenigvuldigd met de wielbasis, zoals aangegeven in het conformiteitscertificaat en gedefinieerd in bijlage I, afdelingen 2.1 en 2.3, bij Richtlijn 2007/46/EG;

j)

"specifiek emissiestreefcijfer" : inzake een fabrikant, het jaarlijkse overeenkomstig bijlage I bepaalde streefcijfer of, indien de fabrikant een afwijking krachtens artikel 10 geniet, het specifieke emissiestreefcijfer dat overeenkomstig die afwijking is bepaald;

k)

"streefcijfer voor het gehele EU-wagenpark" : de gemiddelde in een bepaalde periode te realiseren CO2-emissies van alle nieuwe personenauto's of alle nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen;

l)

"testmassa" of "TM" : testmassa van een personenauto of licht bedrijfsvoertuig zoals vermeld in het conformiteitscertificaat en gedefinieerd in bijlage XXI, punt 3.2.25, bij Verordening (EU) 2017/1151;

m)

"emissievrij of emissiearm voertuig" : een personenauto of licht bedrijfsvoertuig met uitlaatemissies van nul tot 50 g CO2/km zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151;

n)

"laadvermogen" : het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa van het voertuig in beladen toestand, overeenkomstig bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, en de massa van het voertuig.

2.  

Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt onder "een groep van onderling verbonden fabrikanten" verstaan: een fabrikant en de met hem verbonden ondernemingen. Ten aanzien van een fabrikant wordt onder "verbonden ondernemingen" verstaan:

a) 

ondernemingen waarin de fabrikant direct of indirect:

i) 

de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen, of

ii) 

de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de leden te benoemen van de raad van toezicht, de raad van bestuur of de organen die de onderneming juridisch vertegenwoordigen, of

iii) 

het recht heeft de zaken van de onderneming te beheren;

b) 

ondernemingen die direct of indirect de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden over de fabrikant hebben;

c) 

ondernemingen waarin een onderneming als bedoeld onder b) direct of indirect de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden heeft;

d) 

ondernemingen waarin de fabrikant samen met een of meer onder a), b) of c) bedoelde ondernemingen, of waarin twee of meer onder a), b) of c) bedoelde ondernemingen samen de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden hebben;

e) 

ondernemingen waarbij de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden gezamenlijk in handen zijn van de fabrikant of een of meer van de onder a) tot en met d) bedoelde met hem verbonden ondernemingen en een of meer derde partijen.

Artikel 4

Specifieke emissiestreefcijfers

1.  

De fabrikant zorgt ervoor dat zijn gemiddelde specifieke CO2-emissies niet hoger liggen dan de volgende specifieke emissiestreefcijfers:

a) 

voor het kalenderjaar 2020: voor personenauto's het specifieke emissiestreefcijfer dat overeenkomstig bijlage I, deel A, punten 1 en 2, is vastgesteld, of voor lichte bedrijfsvoertuigen het specifieke emissiestreefcijfer dat overeenkomstig bijlage I, deel B, punten 1 en 2, is vastgesteld, of het specifieke emissiestreefcijfer dat, indien de fabrikant een afwijking krachtens artikel 10 geniet, overeenkomstig die afwijking is vastgesteld;

b) 

voor elk kalenderjaar van 2021 tot en met 2024: de specifieke emissiestreefcijfers die, al naargelang het geval, overeenkomstig bijlage I, deel A of B, punten 3 en 4, zijn vastgesteld of die, indien de fabrikant een afwijking krachtens artikel 10 geniet, overeenkomstig die afwijking en bijlage I, deel A of B, punt 5, zijn vastgesteld;

c) 

voor elk kalenderjaar met ingang van 2025: de specifieke emissiestreefcijfers die overeenkomstig bijlage I, deel A of B, punt 6.3, zijn vastgesteld, of indien de fabrikant een afwijking krachtens artikel 10 geniet, overeenkomstig die afwijking.

2.  
Wat lichte bedrijfsvoertuigen betreft, gebruikt de fabrikant van het basisvoertuig, indien de specifieke CO2-emissies van het voltooide voertuig niet beschikbaar zijn, de specifieke CO2-emissies van het basisvoertuig om de gemiddelde specifieke CO2-emissies te bepalen.
3.  

Om de gemiddelde specifieke CO2-emissies van elke fabrikant te bepalen, wordt rekening gehouden met de volgende percentages van de nieuwe personenauto's van elke fabrikant die in het jaar in kwestie zijn geregistreerd:

— 
95 % in 2020,
— 
100 % vanaf 2021.

Artikel 5

Superkredieten

Bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies telt elke nieuwe personenauto met specifieke CO2-emissies van minder dan 50 g CO2/km als:

— 
2 personenauto's in 2020,
— 
1,67 personenauto's in 2021,
— 
1,33 personenauto's in 2022,
— 
1 personenauto vanaf 2023,

voor het jaar waarin hij is geregistreerd in de periode van 2020 tot en met 2022, met een maximum van 7,5 g CO2/km over deze periode voor elke fabrikant als berekend overeenkomstig artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153.

Artikel 6

Groepsvorming

1.  
Fabrikanten die geen afwijking krachtens artikel 10 genieten, mogen een groep vormen om aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 4 te voldoen.
2.  

Een groepsvormingsovereenkomst kan betrekking hebben op een of meer kalenderjaren, mits de totale duur van elke overeenkomst niet langer is dan vijf jaar, en moet ten laatste worden gesloten op 31 december van het eerste kalenderjaar waarin de emissies worden gegroepeerd. Fabrikanten die een groep vormen, dienen de volgende informatie bij de Commissie in:

a) 

de fabrikanten die deel zullen uitmaken van de groep;

b) 

de fabrikant die is aangesteld als beheerder van de groep, die als contactpersoon voor de groep zal optreden en verantwoordelijk zal zijn voor het betalen van eventuele bijdragen voor overtollige emissies die overeenkomstig artikel 8 aan de groep worden opgelegd;

c) 

informatie waaruit blijkt dat de beheerder van de groep in staat zal zijn de onder b) vermelde verplichtingen na te komen;

d) 

de categorie van voertuigen, geregistreerd als M1 of N1, waarop de groep van toepassing is.

3.  
Als de voorgestelde beheerder van de groep niet voldoet aan de eis van het betalen van eventuele bijdragen voor overtollige emissies die overeenkomstig artikel 8 aan de groep worden opgelegd, stelt de Commissie de fabrikanten hiervan in kennis.
4.  
Fabrikanten die een groep vormen, stellen de Commissie gezamenlijk in kennis van eventuele wijzigingen van de groepsbeheerder of van de financiële toestand van de groep, indien dit een invloed kan hebben op het vermogen om te voldoen aan de eis van het betalen van eventuele bijdragen voor overtollige emissies die overeenkomstig artikel 8 aan de groep worden opgelegd, en van eventuele wijzigingen van het lidmaatschap van de groep of de ontbinding van de groep.
5.  

Fabrikanten mogen groepsafspraken maken voor zover deze in overeenstemming zijn met de artikelen 101 en 102 VWEU en voor zover ze elke fabrikant die daarom verzoekt de mogelijkheid bieden op open, transparante, niet-discriminerende en commercieel redelijke voorwaarden lid te worden van de groep. Onverminderd de algemene toepasselijkheid van de Uniale concurrentieregels op dergelijke groepen, zorgen alle leden van een groep ervoor dat in het kader van hun groepsvormingsovereenkomst alleen ten aanzien van de volgende informatie gegevens gemeenschappelijk worden gebruikt of informatie wordt uitgewisseld:

a) 

de gemiddelde specifieke CO2-emissies;

b) 

het specifieke emissiestreefcijfer;

c) 

het totaal aantal geregistreerde voertuigen.

6.  
Lid 5 is niet van toepassing als alle fabrikanten in de groep deel uitmaken van dezelfde groep van onderling verbonden fabrikanten.
7.  
Behalve wanneer kennisgeving wordt gedaan overeenkomstig lid 3 van dit artikel, worden de fabrikanten die deel uitmaken van een groep waarover informatie is ingediend bij de Commissie met het oog op de naleving van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 4 als één fabrikant beschouwd. Monitoring- en rapporteringgegevens met betrekking tot individuele fabrikanten en groepen zullen worden geregistreerd, gerapporteerd en beschikbaar gesteld in het centrale register als bedoeld in artikel 7, lid 4.
8.  
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de gedetailleerde voorwaarden specificeren die van toepassing zijn op groepsafspraken die overeenkomstig lid 5 van dit artikel worden gemaakt. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 7

Monitoring en rapportering van gemiddelde emissies

1.  
Voor elk kalenderjaar moeten alle lidstaten de in bijlage II, deel A, en bijlage III, deel A, van deze verordening vermelde gegevens registreren voor elke nieuwe personenauto die en elk nieuw licht bedrijfsvoertuig dat op hun grondgebied wordt geregistreerd. Die gegevens worden ter beschikking gesteld van de fabrikanten en hun aangewezen importeurs of vertegenwoordigers in de verschillende lidstaten. De lidstaten stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de rapporteringsorganen op een transparante manier werken. Elke lidstaat zorgt ervoor dat de specifieke CO2-emissies van personenauto's zonder typegoedkeuring overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 worden gemeten en in het conformiteitscertificaat worden vermeld.
2.  
Uiterlijk op 28 februari van elk jaar moet elke lidstaat de in bijlage II, deel A, en bijlage III, deel A, vermelde gegevens met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar vaststellen en aan de Commissie doorgeven. De gegevens worden ingediend in het in bijlage II, deel B, en bijlage III, deel C, gespecificeerde formaat.
3.  
Op verzoek van de Commissie moet een lidstaat ook alle overeenkomstig lid 1 geregistreerde gegevens doorgeven.
4.  

De Commissie houdt een centraal register bij van alle gegevens die de lidstaten overeenkomstig dit artikel doorgeven. Uiterlijk op 30 juni van elk jaar maakt de Commissie voor elke fabrikant een voorlopige berekening van het volgende:

a) 

de gemiddelde specifieke CO2-emissies tijdens het voorafgaande kalenderjaar;

b) 

het specifieke emissiestreefcijfer in het voorafgaande kalenderjaar;

c) 

het verschil tussen de gemiddelde specifieke CO2-emissies tijdens het voorafgaande kalenderjaar en het specifieke emissiestreefcijfer voor dat jaar.

De Commissie stelt elke fabrikant in kennis van haar voorlopige berekening voor die fabrikant. De kennisgeving bevat gegevens voor elke lidstaat over het aantal geregistreerde nieuwe personenwagens en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen en hun specifieke CO2-emissies.

Het register wordt openbaar gemaakt.

5.  
Binnen drie maanden na in kennis te zijn gesteld van de in lid 4 vermelde voorlopige berekening kunnen fabrikanten eventuele fouten in de gegevens aan de Commissie meedelen, met vermelding van de lidstaat waarin de fout zich volgens hen zou hebben voorgedaan.

De Commissie onderzoekt alle door fabrikanten meegedeelde fouten en bevestigt of wijzigt uiterlijk op 31 oktober de in lid 4 vermelde voorlopige berekeningen.

6.  
De lidstaten stellen een instantie aan die bevoegd is voor het verzamelen en meedelen van de krachtens deze verordening vereiste monitoringgegevens en delen aan de Commissie mee welke instantie zij hebben aangesteld.

De aangestelde bevoegde instanties waarborgen de juistheid en volledigheid van de aan de Commissie doorgegeven gegevens en zorgen voor een contactpunt dat beschikbaar dient te zijn om snel op verzoeken van de Commissie te reageren om fouten en lacunes in de doorgegeven datasets te behandelen.

7.  
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels vast inzake de procedures voor de monitoring en rapportering van de in de leden 1 tot en met 6 van dit artikel vermelde gegevens en inzake de toepassing van bijlagen II en III. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8.  
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de bijlagen II en III vervatte gegevensvereisten en gegevensparameters.
9.  
Typegoedkeuringsinstanties stellen de Commissie onverwijld in kennis van afwijkingen in de CO2-emissies van voertuigen tijdens het gebruik in vergelijking met de in de conformiteitscertificaten vermelde specifieke CO2-emissies die zijn vastgesteld als gevolg van overeenkomstig artikel 13 verrichte verificaties.

De Commissie houdt bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant rekening met die afwijkingen.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen nadere voorschriften vast voor de procedures om dergelijke afwijkingen te rapporteren en er bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies rekening mee te houden. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

10.  
De Commissie evalueert uiterlijk in 2023 of het mogelijk is een gemeenschappelijke methode van de Unie te ontwikkelen voor de beoordeling en consistente gegevensrapportering met betrekking tot de CO2-emissies van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen die in de Unie in de handel zijn gebracht, gedurende de volledige levenscyclus ervan. De Commissie doet het Europees Parlement en de Raad die evaluatie toekomen, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor follow-upmaatregelen, zoals wetgevingsvoorstellen.
11.  
De lidstaten moeten, overeenkomstig dit artikel, ook gegevens verzamelen en rapporteren over registraties van voertuigen van de categorieën M2 en N2, zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, met een referentiemassa van ten hoogste 2 610  kg, en voertuigen waartoe de typegoedkeuring is uitgebreid overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007.

Artikel 8

Bijdrage voor overtollige emissies

1.  
Voor elk kalenderjaar legt de Commissie aan fabrikanten of, in voorkomend geval, groepsbeheerders een bijdrage voor overtollige emissies op indien de gemiddelde specifieke CO2-emissies van de fabrikant hoger liggen dan zijn specifieke emissiestreefcijfer.
2.  

De in lid 1 vermelde bijdrage voor overtollige emissies wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

(overtollige emissies × 95 EUR) × het aantal voor het eerst geregistreerde voertuigen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

"overtollige emissies" : het positieve aantal gram per kilometer dat de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant — rekening houdende met CO2-emissiereducties als gevolg van overeenkomstig artikel 11 goedgekeurde innoverende technologieën — hoger liggen dan zijn specifieke emissiestreefcijfer in het kalenderjaar of het gedeelte daarvan waarop de verplichting van artikel 4 van toepassing is, afgerond op drie decimalen, en

"aantal voor het eerst geregistreerde voertuigen" : het aantal door de fabrikant geproduceerde, apart getelde nieuwe personenauto's of nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die in die periode zijn geregistreerd overeenkomstig de in artikel 4, lid 3, uiteengezette introductiecriteria.

3.  
De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de middelen voor het innen van de bijdragen voor overtollige emissies die op grond van lid 1 van dit artikel worden opgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4.  
De bijdragen voor overtollige emissies worden beschouwd als ontvangsten voor de algemene begroting van de Unie.

Artikel 9

Publicatie van de prestaties van de fabrikanten

1.  

Uiterlijk op 31 oktober van elk jaar publiceert de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een lijst waarin het volgende wordt vermeld:

a) 

voor elke fabrikant zijn specifieke emissiestreefcijfer voor het voorafgaande kalenderjaar;

b) 

voor elke fabrikant zijn gemiddelde specifieke CO2-emissies in het voorafgaande kalenderjaar;

c) 

het verschil tussen de gemiddelde specifieke CO2-emissies van de fabrikant in het voorafgaande kalenderjaar en zijn specifieke emissiestreefcijfer voor dat jaar;

d) 

de gemiddelde specifieke CO2-emissies voor alle tijdens het voorafgaande kalenderjaar in de Unie geregistreerde nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen;

e) 

de gemiddelde massa in rijklare toestand van alle tijdens het voorafgaande kalenderjaar tot en met 31 december 2020 in de Unie geregistreerde nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen;

f) 

de gemiddelde testmassa van alle tijdens het voorafgaande kalenderjaar in de Unie geregistreerde nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen.

2.  
Op de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst wordt ook vermeld of de fabrikant tijdens het voorafgaande kalenderjaar heeft voldaan aan de eisen van artikel 4.
3.  

Voor de publicatie uiterlijk op 31 oktober 2022 wordt op de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst ook het volgende vermeld:

a) 

de in artikel 1, leden 4 en 5, bedoelde, voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfers voor 2025 en 2030, door de Commissie berekend overeenkomstig respectievelijk de punten 6.1.1 en 6.1.2 van de delen A en B van bijlage I;

b) 

de waarden voor a2021, a2025 en a2030, door de Commissie berekend overeenkomstig de punten 6.2 van de delen A en B van bijlage I.

Artikel 10

Afwijkingen voor bepaalde fabrikanten

1.  

Een fabrikant kan een afwijking van het overeenkomstig bijlage I berekende specifieke emissiestreefcijfer aanvragen als per kalenderjaar minder dan 10 000 nieuwe personenauto's of 22 000 nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van deze fabrikant in de Unie worden geregistreerd, indien de fabrikant:

a) 

geen deel uitmaakt van een groep onderling verbonden fabrikanten; of

b) 

deel uitmaakt van een groep onderling verbonden fabrikanten waarvan per kalenderjaar in totaal minder dan 10 000 nieuwe personenauto's of 22 000 nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen worden geregistreerd in de Unie; of

c) 

deel uitmaakt van een groep onderling verbonden fabrikanten, maar zijn eigen productiefaciliteiten en een eigen ontwerpcentrum beheert.

2.  

De op grond van lid 1 aangevraagde afwijking wordt toegestaan voor een periode van ten hoogste vijf kalenderjaren, die kan worden verlengd. De aanvraag wordt bij de Commissie ingediend en bevat de volgende informatie:

a) 

de naam en de contactpersoon van de fabrikant;

b) 

bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de fabrikant in aanmerking komt voor de in lid 1 vermelde afwijking;

c) 

bijzonderheden betreffende de door de fabrikant geproduceerde personenauto's of lichte bedrijfsvoertuigen, met inbegrip van de testmassa en de specifieke CO2-emissies van die personenauto's of lichte bedrijfsvoertuigen; en

d) 

een specifiek emissiestreefcijfer dat overeenstemt met het reductiepotentieel van de fabrikant, met inbegrip van het economische en technologische potentieel om zijn specifieke CO2-emissies te beperken, rekening houdend met de kenmerken van de markt voor het geproduceerde type personenauto of licht bedrijfsvoertuig.

3.  
Als de Commissie van oordeel is dat de fabrikant in aanmerking komt voor de op grond van lid 1 aangevraagde afwijking en dat het door de fabrikant voorgestelde specifieke emissiestreefcijfer overeenstemt met zijn reductiepotentieel, met inbegrip van het economische en technologische potentieel om zijn specifieke CO2-emissies te beperken, rekening houdend met de kenmerken van de markt voor het geproduceerde type personenauto of licht bedrijfsvoertuig, kent de Commissie een afwijking toe aan de fabrikant.

De aanvraag wordt uiterlijk op 31 oktober van het eerste jaar waarin de afwijking geldt, ingediend.

4.  
Een aanvraag voor een afwijking van het overeenkomstig bijlage I, deel A, punten 1 tot en met 4 en 6.3, berekende specifieke emissiestreefcijfer mag worden ingediend door een fabrikant die samen met alle met hem verbonden ondernemingen per kalenderjaar goed is voor 10 000 tot 300 000 in de Unie geregistreerde nieuwe personenauto's.

Deze aanvraag mag door een fabrikant worden ingediend voor zichzelf, of voor zichzelf samen met om het even welke van de met hem verbonden ondernemingen. De aanvraag wordt bij de Commissie ingediend en bevat de volgende informatie:

a) 

alle in lid 2, onder a) en c), genoemde informatie, indien van toepassing met inbegrip van informatie over verbonden ondernemingen;

b) 

voor aanvragen die verband houden met bijlage I, deel A, punten 1 tot en met 4, een streefcijfer dat een vermindering met 45 % is van de gemiddelde specifieke CO2-emissies in 2007 of, als één aanvraag wordt ingediend voor een aantal onderling verbonden ondernemingen, een vermindering met 45 % is van het gemiddelde van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van deze ondernemingen in 2007;

c) 

voor aanvragen die verband houden met deel A, punt 6.3, van bijlage I bij deze verordening, een streefcijfer dat van toepassing is in de kalenderjaren 2025 tot en met 2028 en dat overeenstemt met de in artikel 1, lid 4, onder a), van deze verordening gespecificeerde vermindering van het streefcijfer als berekend in overeenstemming met punt b) van dit lid, rekening houdend met de CO2-emissies gemeten overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151.

Als er geen informatie over de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant in 2007 bestaat, bepaalt de Commissie een equivalent reductiestreefcijfer op basis van de best beschikbare technologie voor de vermindering van CO2-emissies die in personenauto's van vergelijkbare massa wordt ingezet, rekening houdend met de kenmerken van de markt voor het geproduceerde type van auto. Dat streefcijfer wordt door de aanvrager voor de toepassing van de tweede alinea, onder b), gebruikt.

De Commissie kent de fabrikant een afwijking toe wanneer is aangetoond dat de in dit lid bedoelde criteria voor de afwijking zijn vervuld.

5.  
Een fabrikant aan wie overeenkomstig dit artikel een afwijking is toegekend, stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van eventuele wijzigingen die een invloed hebben of kunnen hebben op de voorwaarden om voor de afwijking in aanmerking te komen.
6.  
Als de Commissie op basis van de in lid 5 vermelde kennisgeving of om andere redenen beslist dat een fabrikant niet langer in aanmerking komt voor de afwijking, trekt zij de afwijking in met ingang van 1 januari van het volgende kalenderjaar en stelt zij de fabrikant daarvan in kennis.
7.  
Als de fabrikant zijn specifieke emissiestreefcijfer niet haalt, legt de Commissie de fabrikant de in artikel 8 bedoelde bijdrage voor overtollige emissies op.
8.  
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende regels ter aanvulling van de leden 1 tot en met 7 van dit artikel, betreffende de interpretatie van de criteria om in aanmerking te komen voor een afwijking, de inhoud van de aanvragen, alsmede de inhoud en beoordeling van de programma's voor de beperking van de specifieke CO2-emissies.

De Commissie is tevens bevoegd om overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I, deel A, met het oog op de vaststelling van formules voor het berekenen van de afwijkende streefcijfers als bedoeld in lid 4, tweede alinea, onder c), van dit artikel.

9.  
Aanvragen voor een afwijking, met inbegrip van de bijbehorende bewijsstukken, kennisgevingen uit hoofde van lid 5, intrekkingen uit hoofde van lid 6 van dit artikel, een eventuele oplegging van een bijdrage voor overtollige emissies uit hoofde van lid 7, alsmede maatregelen overeenkomstig lid 8, worden ter beschikking gesteld van het publiek, met inachtneming van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ).

Artikel 11

Eco-innovaties

1.  
Op aanvraag van een toeleverancier of een fabrikant wordt rekening gehouden met de CO2-besparingen die worden gerealiseerd door gebruik van innoverende technologieën of een combinatie van innoverende technologieën ("innoverende technologiepakketten").

Met deze technologieën wordt alleen rekening gehouden indien de methode die voor de beoordeling ervan wordt gebruikt verifieerbare, reproduceerbare en vergelijkbare resultaten kan opleveren.

De totale bijdrage van deze technologieën aan de vermindering van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant kan tot 7 g CO2/km bedragen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening door het in de derde alinea van dit lid bedoelde maximum met ingang van 2025 aan te passen om rekening te houden met technologische ontwikkelingen en te zorgen voor een evenwichtige verhouding van het niveau van dat maximum ten opzichte van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van fabrikanten.

2.  

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde bepalingen vast voor een procedure om de innoverende technologieën of innoverende technologiepakketten als bedoeld in lid 1 van dit artikel goed te keuren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Die gedetailleerde bepalingen zijn gebaseerd op de volgende criteria voor innoverende technologieën:

a) 

de CO2-besparingen die worden gerealiseerd door gebruik van innoverende technologieën moeten aan de toeleverancier of de fabrikant zijn toe te schrijven;

b) 

de innoverende technologieën moeten een geverifieerde bijdrage leveren aan de vermindering van de CO2-emissies;

c) 

de innoverende technologieën mogen niet vallen onder de CO2-meting volgens de standaardtestcyclus;

d) 

de innoverende technologieën mogen niet:

i) 

vallen onder bindende bepalingen als gevolg van complementaire aanvullende maatregelen om de in artikel 1, lid 3, bedoelde vermindering met 10 g CO2/km te bewerkstelligen, of

ii) 

verplicht zijn op grond van andere bepalingen van het Unierecht.

Met ingang van 1 januari 2025 is het in de eerste alinea, onder d), i), bedoelde criterium niet van toepassing op efficiëntieverbeteringen van aircosystemen.

3.  
Een toeleverancier of fabrikant die een maatregel als innoverende technologie of als innoverend technologiepakket wil laten goedkeuren, dient bij de Commissie een rapport in, met inbegrip van een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie. In geval van mogelijke interactie tussen de maatregel en een andere, reeds goedgekeurde innoverende technologie of een ander reeds goedgekeurd innoverend technologiepakket, wordt in dat rapport melding van die interactie gemaakt en wordt in het verificatierapport geëvalueerd in hoeverre de interactie gevolgen heeft voor de vermindering die met elke maatregel wordt gerealiseerd.
4.  
De Commissie attesteert de gerealiseerde vermindering op basis van de in lid 2 vastgestelde criteria.

Artikel 12

Werkelijke CO2-emissies en werkelijk brandstof- of energieverbruik

1.  
De Commissie monitort en beoordeelt of de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 bepaalde CO2-emissies en brandstof- of energieverbruikswaarden representatief zijn voor de werkelijkheid.

Bovendien verzamelt de Commissie op regelmatige basis gegevens over de werkelijke CO2-emissies en het werkelijk brandstof- of energieverbruik van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen aan de hand van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik, te beginnen met nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die in 2021 worden geregistreerd.

De Commissie waarborgt dat het publiek wordt ingelicht over hoe die werkelijke representativiteit zich in de loop van de tijd ontwikkelt.

2.  

Met het oog op het bedoelde in lid 1, zorgt de Commissie er met ingang van 1 januari 2021 voor dat de volgende parameters betreffende werkelijke CO2-emissies en werkelijk brandstof- of energieverbruik van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen op gezette tijden ter beschikking worden gesteld, naargelang van het geval door fabrikanten, nationale instanties of via directe gegevensoverdracht uit voertuigen:

a) 

voertuigidentificatienummer;

b) 

brandstof- en/of elektriciteitsverbruik;

c) 

totale afgelegde afstand;

d) 

voor extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen: brandstof- en elektriciteitsverbruik en de afgelegde afstand per rijmodus;

e) 

andere parameters die nodig zijn om te waarborgen dat de verplichtingen van lid 1 kunnen worden nageleefd.

De Commissie verwerkt de uit hoofde van de eerste alinea bedoelde ontvangen gegevens om, onder meer per fabrikant, geanonimiseerde en geaggregeerde datasets tot stand te brengen voor de toepassing van lid 1. De voertuigidentificatienummers worden uitsluitend gebruikt voor de gegevensverwerking en worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor dat doel.

3.  
Teneinde te voorkomen dat de kloof met de werkelijke emissies groter wordt, beoordeelt de Commissie uiterlijk op 1 juni 2023 hoe gegevens over brandstof- en energieverbruik kunnen worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 bepaalde CO2-emissiewaarden en brandstof- of energieverbruikswaarden van voertuigen representatief blijven voor de werkelijke emissies in de loop van de tijd voor elke fabrikant.

De Commissie zorgt voor monitoring van en jaarlijkse rapportering over de ontwikkeling van de in de eerste alinea bedoelde kloof in de periode van 2021 tot 2026 en beoordeelt in 2027 of het haalbaar is een mechanisme in te voeren om de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant vanaf 2030 bij te stellen om te voorkomen dat de kloof groter wordt, en zij komt in voorkomend geval met een wetgevingsvoorstel om een dergelijk mechanisme tot stand te brengen.

4.  
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de gedetailleerde procedure vast voor het verzamelen en verwerken van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 13

Verificatie van de CO2-emissies van voertuigen tijdens het gebruik

1.  
Fabrikanten waarborgen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden die zijn opgenomen in de conformiteitscertificaten overeenstemmen met de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen tijdens het gebruik, in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/1151.
2.  
Na de inwerkingtreding van de in de eerste alinea van lid 4 bedoelde procedures, verifiëren de typegoedkeuringsinstanties, voor de voertuigfamilies waarvoor zij de typegoedkeuring moeten verstrekken, op basis van passende en representatieve steekproeven van voertuigen of de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden die zijn opgenomen in de conformiteitscertificaten overeenstemmen met de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen tijdens het gebruik, als bepaald in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/1151, waarbij zij onder meer rekening houden met beschikbare gegevens van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik.

Typegoedkeuringsinstanties verifiëren tevens of er sprake is van eventuele strategieën aan boord of met betrekking tot de in de steekproef opgenomen voertuigen die de prestaties van het voertuig op kunstmatige wijze verbeteren in de voor typegoedkeuring uitgevoerde tests, onder meer door gebruik te maken van gegevens van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik.

3.  
Indien als gevolg van de uit hoofde van lid 2 uitgevoerde verificaties een gebrek aan overeenstemming tussen CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden wordt vastgesteld of de aanwezigheid van strategieën die de prestaties van het voertuig op kunstmatige wijze verbeteren, neemt de bevoegde typegoedkeuringsinstantie de nodige maatregelen als vastgesteld in hoofdstuk XI van Verordening (EU) 2018/858 en corrigeert zij de conformiteitscertificaten.
4.  
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de procedures vast voor het uitvoeren van de in lid 2 van dit artikel bedoelde verificaties. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De Commissie is bevoegd om voorafgaand aan de vaststelling van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen, overeenkomstig artikel 17 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot aanvulling van deze verordening, waarbij de leidende beginselen en criteria worden vastgesteld voor het bepalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde procedures.

Artikel 14

Aanpassing van de waarden M0 en TM0

1.  

De in bijlage I, delen A en B, bedoelde waarden M0 en TM0 worden als volgt aangepast:

a) 

uiterlijk op 31 oktober 2020 wordt de in bijlage I, deel A, punt 4, bedoelde waarde M0 aangepast aan de gemiddelde massa in rijklare toestand van alle nieuwe in 2017, 2018 en 2019 geregistreerde personenauto's. Die nieuwe waarde M0 is van toepassing van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024;

b) 

uiterlijk op 31 oktober 2022 wordt de in bijlage I, deel B, punt 4, bedoelde waarde M0 aangepast aan de gemiddelde massa in rijklare toestand van alle in 2019, 2020 en 2021 geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen. Die nieuwe M0-waarde is van toepassing in 2024;

c) 

uiterlijk op 31 oktober 2022 wordt de indicatieve waarde TM0 voor 2025 bepaald als de respectieve gemiddelde testmassa van alle in 2021 geregistreerde nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen;

d) 

uiterlijk op 31 oktober 2024, en vervolgens om de twee jaar, wordt de in bijlage I, delen A en B, punt 6.2, bedoelde waarde TM0 aangepast aan de respectieve gemiddelde testmassa van alle nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die in de voorafgaande twee kalenderjaren, met ingang van 2022 en 2023, zijn ingeschreven. Deze nieuwe TM0-waarden zijn van toepassing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de datum van de aanpassing.

2.  
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen vast te stellen.

Artikel 15

Evaluatie en rapportering

1.  
In 2023 verricht de Commissie een grondige evaluatie van de doeltreffendheid van deze verordening en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met het resultaat van deze evaluatie.
2.  
In het in lid 1 bedoelde verslag gaat de Commissie onder meer in op de vraag of de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 bepaalde CO2-emissiewaarden en brandstof- of energieverbruikswaarden representatief zijn voor de werkelijkheid; de uitrol van emissievrije en emissiearme voertuigen op de markt van de Unie, met name wat lichte bedrijfsvoertuigen betreft; de uitrol van oplaad- en tankinfrastructuur waarvan uit hoofde van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) verslag is uitgebracht, met inbegrip van de financiering ervan; de potentiële bijdrage van het gebruik van synthetische en geavanceerde met hernieuwbare energie geproduceerde alternatieve brandstoffen aan emissiereducties; de daadwerkelijk waargenomen CO2-emissiereducties op het niveau van het bestaande wagenpark; de werking van het stimuleringsmechanisme voor emissievrije en emissiearme voertuigen; de potentiële effecten van de overgangsmaatregel waarin is voorzien in bijlage I, deel A, punt 6.3; de gevolgen van deze verordening voor consumenten, met name consumenten met een laag en een middeninkomen; evenals aspecten om een levensvatbare en sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en betaalbare mobiliteit in de Unie verder te vereenvoudigen.

De Commissie tekent in dat verslag tevens een duidelijk traject uit voor verdere CO2-emissiereducties voor personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen na 2030, teneinde in significante mate bij te dragen aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs.

3.  
Het in lid 2 bedoelde verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening, met name met betrekking tot de eventuele herziening van de streefcijfers voor het gehele wagenpark van de EU voor 2030 in het licht van de in lid 2 opgesomde elementen, en de invoering van bindende emissiereductiestreefcijfers voor personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen voor 2035 en voor de periode vanaf 2040, met het oog op een tijdige transformatie van de vervoersector om CO2-neutraliteit te kunnen bereiken, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.
4.  
In het kader van de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie beoordeelt de Commissie of het haalbaar is testprocedures voor emissies onder reële rijomstandigheden met behulp van draagbare emissiemeetsystemen (PEMS) te ontwikkelen. De Commissie houdt rekening met die beoordeling en met de overeenkomstig artikel 12 van deze verordening uitgevoerde beoordelingen en kan, indien nodig, de procedures voor de meting van CO2-emissies als bepaald in Verordening (EG) nr. 715/2007 herzien. De Commissie dient met name passende voorstellen in om deze procedures aan te passen, opdat deze de werkelijke CO2-emissies van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen adequaat weerspiegelen.
5.  
In het kader van de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie beoordeelt de Commissie of het mogelijk is de inkomsten uit de bijdragen voor overtollige emissies toe te wijzen aan een specifiek fonds of een relevant programma, met als doel een rechtvaardige transitie naar een klimaatneutrale economie te waarborgen, als bedoeld in artikel 4.1 van de Overeenkomst van Parijs, met name om de omscholing, bijscholing en andere opleidingen in vaardigheden en het herverdelen van werknemers in de automobielsector te ondersteunen in alle getroffen lidstaten, met name in de regio's en gemeenschappen die het zwaarst worden getroffen door de transitie. In voorkomend geval komt de Commissie met het oog hierop uiterlijk in 2027 met een wetgevingsvoorstel.
6.  
Uiterlijk op 31 december 2020 verricht de Commissie een evaluatie van Richtlijn 1999/94/EG waarin ze ingaat op de behoefte om de consument nauwkeurige, degelijke en vergelijkbare informatie te verstrekken over brandstofverbruik, CO2-emissies en emissies van luchtverontreinigende stoffen van nieuwe personenauto's die in de handel worden gebracht, alsook op de mogelijkheden voor de invoering van een etikettering inzake brandstofverbruik en CO2-emissies voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen. In voorkomend geval gaat de evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
7.  
De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de correlatieparameters die nodig zijn om eventuele veranderingen weer te geven in de regelgevende testprocedure voor de meting van specifieke CO2-emissies als bedoeld in de Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 692/2008 en, indien van toepassing, Verordening (EU) 2017/1151. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.
8.  
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening te wijzigen tot aanpassing van de formules in bijlage I, met gebruikmaking van de krachtens lid 7 van dit artikel vastgestelde methode, waarbij wordt gewaarborgd dat de reductievereisten voor fabrikanten en voertuigen van verschillend nut onder de oude en nieuwe testprocedure van vergelijkbare strengheid zijn.

Artikel 16

Comitéprocedure

1.  
De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 44, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ) ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3.  
Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 17

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden
2.  
De in artikel 7, lid 8, artikel 10, lid 8, artikel 11, lid 1, vierde alinea, artikel 13, lid 4, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 8, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zes jaar met ingang van 15 mei 2019. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.  
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 8, artikel 10, lid 8, artikel 11, lid 1, vierde alinea, artikel 13, lid 4, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  
Een overeenkomstig artikel 7, lid 8, artikel 10, lid 8, artikel 11, lid 1, vierde alinea, artikel 13, lid 4, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 8, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en aan de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 18

Intrekking

De Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 worden met ingang van 1 januari 2020 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

DEEL A

SPECIFIEKE EMISSIESTREEFCIJFERS VOOR PERSONENAUTO'S

1.

Voor het kalenderjaar 2020 worden de specifieke CO2-emissies van alle nieuwe personenauto's voor de toepassing van de berekeningen in dit punt en in punt 2 vastgesteld overeenkomstig de volgende formule:

specifieke CO2-emissies = 95 + a · (M – M0)

waarbij:

M

=

de massa van het voertuig in rijklare toestand in kilogram (kg)

M0

=

1 379,88

a

=

0,0333

2.

Het specifieke emissiestreefcijfer van een fabrikant in 2020 wordt berekend als het gemiddelde van de overeenkomstig punt 1 bepaalde specifieke CO2-emissies van alle nieuwe personenauto's die in dat kalenderjaar zijn geregistreerd, waarvan hij de fabrikant is.

3.

Het specifieke emissiereferentiestreefcijfer voor een fabrikant in 2021 wordt als volgt berekend:

image

waarbij:

WLTPCO2

=

de gemiddelde specifieke CO2-emissies in 2020, bepaald overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 en berekend volgens artikel 4, lid 3, tweede streepje, van deze verordening, exclusief de CO2-besparingen als gevolg van de toepassing van de artikelen 5 en 11 van deze verordening;

NEDCCO2

=

de gemiddelde specifieke CO2-emissies in 2020, bepaald overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 en berekend volgens artikel 4, lid 3, tweede streepje, van deze verordening, exclusief de CO2-besparingen als gevolg van de toepassing van de artikelen 5 en 11 van deze verordening;

NEDC streefcijfer 2020

=

het specifieke emissiestreefcijfer voor 2020, berekend overeenkomstig de punten 1 en 2.

▼M3

3 bis.

Voor een fabrikant waarvoor WLTPCO2 of NEDCCO2 nul is, bedraagt het specifieke emissiereferentiestreefcijfer in 2021 NEDCstreefcijfer 2020 zoals gedefinieerd in punt 3.

3 ter.

Voor een fabrikant die voor het eerst personenauto’s in de handel brengt in de Unie in een van de kalenderjaren 2021 tot en met 2024, is het specifieke emissiereferentiestreefcijfer in 2021 het gemiddelde van de specifieke emissiereferentiestreefcijfers die voor alle fabrikanten zijn vastgesteld overeenkomstig punt 3, gewogen naar het aantal nieuwe personenauto’s dat in 2020 voor die fabrikanten in de Unie is geregistreerd.

3 quater.

Onverminderd punt 3 ter, indien een fabrikant in een van de kalenderjaren 2021 tot en met 2024 voor het eerst personenauto’s in de Unie in de handel brengt, maar die fabrikant werd gevormd door een fusie van twee of meer fabrikanten waarvan er ten minste een verantwoordelijk was voor de registratie van nieuwe personenauto’s in 2020 in de Unie, is het specifieke emissiereferentiestreefcijfer voor de nieuwe fabrikant in 2021 een van de volgende:

a) 

indien twee of meer van de fuserende fabrikanten verantwoordelijk waren voor de registratie van nieuwe personenauto’s in 2020 in de Unie, is het specifieke emissiereferentiestreefcijfer in 2021 het gemiddelde van de specifieke emissiereferentiestreefcijfers die overeenkomstig punt 3 zijn vastgesteld voor die fabrikanten, gewogen naar het aantal nieuwe personenauto’s dat in 2020 voor die fabrikanten in de Unie is geregistreerd;

b) 

indien slechts één van de fuserende fabrikanten verantwoordelijk was voor de registratie van nieuwe personenauto’s in 2020 in de Unie, wordt het specifieke emissiereferentiestreefcijfer voor die fabrikant in 2021 bepaald overeenkomstig punt 3.

▼B

4.

Voor de kalenderjaren 2021 tot en met 2024 wordt het specifieke emissiestreefcijfer voor een fabrikant als volgt berekend:

specifiek emissiestreefcijfer = WLTPreferentiestreefcijfer + a [(Mø – M0) – (Mø2020 – M0,2020)]

waarbij:

WLTPreferentiestreefcijfer

=

het specifieke WLTP-emissiereferentiestreefcijfer voor 2021, berekend overeenkomstig punt 3;

a

=

0,0333;

=

het gemiddelde van de massa in rijklare toestand (M) van de nieuwe personenauto's van de fabrikant geregistreerd in het betreffende doeljaar in kilogram (kg);

M0

=

1 379,88 in 2021, en zoals gedefinieerd in artikel 14, lid 1, onder a), voor de jaren 2022, 2023 en 2024;

Mø2020

=

het gemiddelde van de massa in rijklare toestand (M) van de nieuwe personenauto's van de fabrikant in 2020, in kilogram (kg);

M0,2020

=

1 379,88 .

▼M3

5.

Afwijkende streefcijfers overeenkomstig artikel 10, lid 3 of lid 4
a) 

Voor een fabrikant aan wie overeenkomstig artikel 10, lid 3, in het kalenderjaar 2021 een afwijking met betrekking tot een specifiek op de NEDC gebaseerd emissiestreefcijfer is toegestaan, of een afwijking overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de specifieke emissiestreefcijfers in een van de kalenderjaren 2021 tot en met 2024, wordt het op de WLTP gebaseerd afwijkend streefcijfer voor die jaren als volgt berekend:

image

waarbij:

WLTPCO2

WLTPCO2 zoals gedefinieerd in punt 3;

NEDCCO2

NEDCCO2 zoals gedefinieerd in punt 3;

NEDCafwijkend streefcijfer

het afwijkend streefcijfer dat de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 3 of lid 4 heeft toegekend.

b) 

Onverminderd punt a) wordt voor een fabrikant aan wie overeenkomstig artikel 10, lid 4, een afwijking van de specifieke emissiestreefcijfers in een van de kalenderjaren 2021 tot en met 2024 is toegestaan, maar die niet verantwoordelijk was voor de registratie van nieuwe personenauto’s in de Unie vóór 2021, het afwijkend streefcijfer voor die kalenderjaren berekend volgens de formule in punt a), waarbij de volgende definities van toepassing zijn:

WLTPCO2

de gemiddelde waarde van de WLTPCO2 zoals gedefinieerd in punt 3, van alle individuele fabrikanten, gewogen naar het aantal nieuwe in 2020 geregistreerde personenauto’s;

NEDCCO2

de gemiddelde waarde van de NEDCCO2 zoals gedefinieerd in punt 3, van alle individuele fabrikanten, gewogen naar het aantal nieuwe in 2020 geregistreerde personenauto’s;

NEDCafwijkend streefcijfer

het afwijkend streefcijfer, berekend overeenkomstig artikel 10, lid 4, in samenhang met artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 63/2011.

▼B

6.

Met ingang van 1 januari 2025 worden de voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfers en de specifieke emissiestreefcijfers voor een fabrikant als volgt berekend:

6.0.   Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021: het naar het aantal in 2021 geregistreerde nieuwe personenauto's gewogen gemiddelde van de referentiewaarden2021 die zijn bepaald voor elke afzonderlijke fabrikant waarop overeenkomstig punt 4 een specifiek emissiestreefcijfer van toepassing is.

De referentiewaarde2021 wordt voor elke fabrikant als volgt bepaald:

image

waarbij:

WLTPCO2, gemeten

=

het gemiddelde voor elke fabrikant van de gemeten gecombineerde CO2-emissies van elke nieuwe personenauto die in 2020 is geregistreerd, als bepaald en gerapporteerd overeenkomstig artikel 7 bis van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153;

NEDC2020, streefcijfer wagenpark

=

95 g/km;

NEDCCO2

=

zoals gedefinieerd in punt 3;

Mø2021

=

het gemiddelde van de massa in rijklare toestand van de in 2021 geregistreerde nieuwe geregistreerde personenauto's van de fabrikant, in kilogram (kg);

M0,2021

=

de gemiddelde massa in rijklare toestand, in kilogram (kg), van alle in 2021 geregistreerde nieuwe personenauto's door die fabrikanten waarvoor overeenkomstig punt 4 een specifiek emissiestreefcijfer geldt;

a

=

zoals gedefinieerd in punt 4.

6.1.   Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfers voor 2025 en 2030

6.1.1.   Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer voor 2025 tot en met 2029

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2025 = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021 · (1 – verminderingsfactor2025)

waarbij:

voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.0;

verminderingsfactor2025

=

de in artikel 1, lid 4, onder a), gespecificeerde vermindering.

6.1.2.   Voor het gehele EU-wagenpark geldend streefcijfer vanaf 2030

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030 = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021 · (1 – verminderingsfactor2030)

waarbij:

voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.0;

vermindeirngsfactor2030

=

de in artikel 1, lid 5, onder a), gespecificeerde vermindering.

6.2.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers vanaf 2025

6.2.1.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers voor 2025 tot en met 2029

Het specifieke emissiereferentiestreefcijfer = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2025 + a2025 · (TM – TM0)

waarbij:

Voor het gehele EU wagenpark geldende streefcijfer2025

=

als bepaald overeenkomstig punt 6.1.1;

a2025

=

image

waarbij:

a2021

=

de hellingshoek van de best passende rechte lijn vastgesteld door toepassing van de lineaire kleinstekwadratenmethode op de testmassa (onafhankelijke variabele) en de specifieke CO2-emissies (afhankelijke variabele) van elke nieuwe personenauto geregistreerd in 2021;

gemiddelde emissies2021

=

het gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van alle nieuwe in 2021 geregistreerde personenauto's van die fabrikanten voor wie overeenkomstig punt 4 een specifiek emissiestreefcijfer is berekend;

TM

=

de gemiddelde testmassa in kilogram (kg) van alle in het relevante kalenderjaar geregistreerde nieuwe personenauto's van de fabrikant;

TM0

=

de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder d), bepaalde waarde in kilogram (kg).

6.2.2.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers vanaf 2030

Het specifieke emissiereferentiestreefcijfer = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030 + a2030 · (TM – TM0)

waarbij:

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030

=

als bepaald overeenkomstig punt 6.1.2;

a2030

=

image

waarbij:

a2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1;

gemiddelde emissies2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1;

TM

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1;

TM0

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1.

6.3.   Specifieke emissiestreefcijfers vanaf 2025

Specifiek emissiestreefcijfer = specifiek emissiereferentiestreefcijfer · ZLEV factor

waarbij:

specifiek emissiereferentiestreefcijfer

=

het voor 2025 tot en met 2029 overeenkomstig punt 6.2.1 en vanaf 2030 overeenkomstig punt 6.2.2 bepaalde specifieke CO2-emissiereferentiestreefcijfer;

ZLEV factor

=

(1+y–x), tenzij deze som groter is dan 1,05 of kleiner is dan 1,0; in dat geval wordt de ZLEV factor afhankelijk van het geval op 1,05 of 1,0 vastgesteld;

waarbij:

y

=

het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuwe personenauto's van de fabrikant, berekend als het totale aantal nieuwe emissievrije en emissiearme voertuigen, waarbij elk voertuig als ZLEVspecifiek wordt geteld overeenkomstig de volgende formule, gedeeld door het totale aantal nieuwe in het relevante kalenderjaar geregistreerde personenauto's:

image

In het geval van nieuwe personenauto's geregistreerd in lidstaten met een aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in hun wagenpark van minder dan 60 % van het gemiddelde van de Unie in het jaar 2017 ( 4 ) en met minder dan 1 000 in 2017 geregistreerde nieuwe emissievrije en emissiearme voertuigen, wordt ZLEVspecifiek tot en met 2030 in overeenstemming met de volgende formule berekend:

image

Indien het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuwe personenauto's in een lidstaat, geregistreerd in een jaar tussen 2025 en 2030, meer dan 5 % bedraagt, komt die lidstaat niet in aanmerking voor de toepassing van de multiplicator 1,85 in de daaropvolgende jaren;

x

=

in de jaren 2025 tot en met 2029 15 % en vanaf 2030 35 %.

DEEL B

SPECIFIEKE EMISSIESTREEFCIJFERS VOOR LICHTE BEDRIJFSVOERTUIGEN

1.

Voor het kalenderjaar 2020 worden de specifieke CO2-emissies van elk nieuw licht bedrijfsvoertuig voor de toepassing van de berekeningen in dit punt en in punt 2 vastgesteld overeenkomstig de volgende formule:

specifieke CO2-emissies = 147 + a · (M – M0)

waarbij:

M

=

De massa van het voertuig in rijklare toestand in kilogram (kg);

M0

=

1 766,4

a

=

0,096

2.

Het specifieke emissiestreefcijfer van een fabrikant in 2020 wordt berekend als het gemiddelde van de overeenkomstig punt 1 bepaalde specifieke CO2-emissies van alle nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van die fabrikant die in dat kalenderjaar werden geregistreerd.

3.

Het specifieke emissiereferentiestreefcijfer voor een fabrikant in 2021 wordt als volgt berekend:

image

waarbij:

WLTPCO2

=

de gemiddelde specifieke CO2-emissies in 2020, bepaald overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151, exclusief de CO2-besparingen als gevolg van de toepassing van artikel 11 van deze verordening;

NEDCCO2

=

de gemiddelde specifieke CO2-emissies in 2020, bepaald overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152, exclusief de CO2-besparingen als gevolg van de toepassing van artikel 11 van deze verordening;

NEDC streefcijfer 2020

=

het specifieke emissiestreefcijfer voor 2020, berekend overeenkomstig de punten 1 en 2.

▼M3

3 bis.

Voor een fabrikant waarvoor WLTPCO2 of NEDCCO2 nul is, bedraagt het specifieke emissiereferentiestreefcijfer in 2021 NEDCstreefcijfer 2020 zoals gedefinieerd in punt 3.

3 ter.

Voor een fabrikant die voor het eerst personenauto’s in de handel brengt in de Unie in een van de kalenderjaren 2021 tot en met 2024, is het specifieke emissiereferentiestreefcijfer in 2021 het gemiddelde van de specifieke emissiereferentiestreefcijfers die voor alle fabrikanten zijn vastgesteld overeenkomstig punt 3, gewogen naar het aantal nieuwe lichte bedrijfswagens dat in 2020 voor die fabrikanten in de Unie is geregistreerd.

3 quater.

Onverminderd punt 3 ter, indien een fabrikant in een van de kalenderjaren 2021 tot en met 2024 voor het eerst lichte bedrijfsvoertuigen in de Unie in de handel brengt, maar die fabrikant werd gevormd door een fusie van twee of meer fabrikanten waarvan er ten minste een verantwoordelijk was voor de registratie van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in 2020 in de Unie, is het specifieke emissiereferentiestreefcijfer voor de nieuwe fabrikant in 2021 een van de volgende:

a) 

indien twee of meer van de fuserende fabrikanten verantwoordelijk waren voor de registratie van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in 2020 in de Unie, is het specifieke emissiereferentiestreefcijfer in 2021 het gemiddelde van de specifieke emissiereferentiestreefcijfers die overeenkomstig punt 3 zijn vastgesteld voor die fabrikanten, gewogen naar het aantal nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen dat in 2020 voor die fabrikanten in de Unie is geregistreerd;

b) 

indien slechts één van de fuserende fabrikanten verantwoordelijk was voor de registratie van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in 2020 in de Unie, wordt het specifieke emissiereferentiestreefcijfer voor die fabrikant in 2021 bepaald overeenkomstig punt 3.

▼B

4.

Voor de kalenderjaren 2021 tot en met 2024 wordt het specifieke emissiestreefcijfer voor een fabrikant als volgt berekend:

specifiek emissiestreefcijfer = WLTPreferentiestreefcijfer + a [(Mø – M0) – (Mø2020 – M0,2020)]

waarbij:

WLTPreferentiestreefcijfer

=

het specifieke WLTP-emissiereferentiestreefcijfer voor 2021, berekend overeenkomstig punt 3;

a

=

0,096;

▼M1

Mø

=

het gemiddelde van de massa (M) van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikant geregistreerd in het desbetreffende doeljaar, in kilogram (kg);

waarbij:

— 
in het geval van een voltooid voertuig geldt dat M = de massa in rijklare toestand van dat voertuig;
— 
in het geval van een compleet basisvoertuig waarop een voltooid voertuig wordt gebaseerd, geldt dat M = de massa in rijklare toestand van dat basisvoertuig;
— 
in het geval van een incompleet basisvoertuig waarop een voltooid voertuig wordt gebaseerd, geldt dat M = de monitoringmassa (Mmon) van dat basisvoertuig, waarvan de waarde wordt berekend met de volgende formule:

Mmon = MRObase × B0

waarbij:

MRObase

=

de massa in rijklare toestand van het desbetreffende basisvoertuig;

B0

=

zoals gedefinieerd in bijlage III, deel A, punt 1.2.4, onder a);

▼M2

M0

=

1 766,4 in 2020, 1 825,23 voor de jaren 2021, 2022 en 2023, en voor 2024 de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder b), vastgestelde waarde;

▼B

Mø2020

=

het gemiddelde van de massa in rijklare toestand (M) van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikant geregistreerd in 2020, in kilogram (kg);

M0,2020

=

1 766,4 .

5.

Voor een fabrikant aan wie in 2021 een afwijking met betrekking tot een specifiek op de NEDC gebaseerd emissiestreefcijfer is toegestaan, wordt het op de WLTP gebaseerde afwijkende streefcijfer als volgt berekend:

image

waarbij:

WLTPCO2

=

WLTPCO2 zoals gedefinieerd in punt 3;

NEDCCO2

=

NEDCCO2 zoals gedefinieerd in punt 3;

NEDC streefcijfer 2021

=

het afwijkend streefcijfer voor 2021 dat de Commissie overeenkomstig artikel 10 heeft toegekend.

6.

Met ingang van 1 januari 2025 wordt het voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer en de specifieke emissiestreefcijfers voor een fabrikant als volgt berekend:

6.0.   Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021 = het naar het aantal in 2021 geregistreerde nieuwe lichte bedrijfswagens gewogen gemiddelde van de referentiewaarden2021 die zijn bepaald voor elke afzonderlijke fabrikant waarop overeenkomstig punt 4 een specifiek emissiestreefcijfer van toepassing is.

De referentiewaarde2021 wordt voor elke fabrikant als volgt bepaald:

image

waarbij:

WLTPCO2, gemeten

=

het gemiddelde voor elke fabrikant van de gemeten gecombineerde CO2-emissies van elk nieuw licht bedrijfsvoertuig dat in 2020 is geregistreerd, als bepaald en gerapporteerd overeenkomstig artikel 7 bis van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152;

NEDC2020, streefcijfer wagenpark

=

147 g/km;

NEDCCO2

=

zoals gedefinieerd in punt 3;

Mø2021

=

het gemiddelde van de massa in rijklare toestand van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikant geregistreerd in 2021, in kilogram (kg);

M0,2021

=

de gemiddelde massa in rijklare toestand, in kilogram (kg), van alle in 2021 geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van fabrikanten waarvoor overeenkomstig punt 4 een specifiek emissiestreefcijfer geldt;

a

=

zoals gedefinieerd in punt 4.

6.1.   De voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfers voor 2025 en 2030

6.1.1.   Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer voor 2025 tot en met 2029

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2025 = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021 · (1 – verminderingsfactor2025)

waarbij:

voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.0;

verminderingsfactor2025

=

de in artikel 1, lid 4, onder b), gespecificeerde vermindering.

6.1.2.   Voor het gehele EU-wagenpark geldend streefcijfer vanaf 2030

Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030 = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021 · (1 – verminderingsfactor2030)

waarbij:

voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.0;

verminderingsfactor2030

=

de in artikel 1, lid 5, onder b), gespecificeerde vermindering.

6.2.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers vanaf 2025

6.2.1.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers voor 2025 tot en met 2029

Het specifieke emissiereferentiestreefcijfer = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2025 + α · (TM – TM0)

waarbij:

voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2025

=

als bepaald overeenkomstig punt 6.1.1;

α

=

a2025 indien de gemiddelde testmassa van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van een fabrikant gelijk of lager is dan de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder d), bepaalde TM0 en

=

a2021 indien de gemiddelde testmassa van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van een fabrikant hoger is dan de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder d), bepaalde TM0;

waarbij:

a2025

=

image

a2021

=

de hellingshoek van de best passende rechte lijn vastgesteld door toepassing van de lineaire kleinstekwadratenmethode op de testmassa (onafhankelijke variabele) en de specifieke CO2-emissies (afhankelijke variabele) van elk in 2021 geregistreerd nieuw licht bedrijfsvoertuig;

gemiddelde emissies2021

=

het gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van alle in 2021 geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikanten waarvoor overeenkomstig punt 4 een specifiek emissiestreefcijfer is berekend;

TM

=

de gemiddelde testmassa in kilogram (kg) van alle nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikant die geregistreerd zijn in het relevante kalenderjaar;

TM0

=

de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder d), bepaalde waarde in kilogram (kg).

6.2.2.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers vanaf 2030

Het specifieke emissiereferentiestreefcijfer = Voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030 + α · (TM – TM0)

waarbij:

voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030

=

als bepaald overeenkomstig punt 6.1.2;

α

=

a2030 indien de gemiddelde testmassa van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van een fabrikant gelijk of lager is dan de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder d), bepaalde TM0, en

=

a2021 indien de gemiddelde testmassa van de nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van een fabrikant hoger is dan de overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder d), bepaalde TM0;

waarbij:

a2030

=

image

a2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1;

gemiddelde emissies2021

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1;

TM

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1;

TM0

=

zoals gedefinieerd in punt 6.2.1.

6.3.   Specifieke emissiestreefcijfers vanaf 2025

6.3.1.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers voor 2025 tot en met 2029

Het specifieke emissiestreefcijfer = (specifieke emissiereferentiestreefcijfer – (østreefcijfers – voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2025)) · ZLEV factor

waarbij:

specifieke emissiereferentiestreefcijfer

=

het voor de fabrikant overeenkomstig punt 6.2.1 bepaalde specifieke emissiereferentiestreefcijfer;

østreefcijfers

=

het naar het aantal nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van elke individuele fabrikant gewogen gemiddelde van alle overeenkomstig punt 6.2.1 bepaalde specifieke emissiereferentiestreefcijfers;

ZLEV factor

=

(1+y–x), tenzij deze som groter is dan 1,05 of kleiner is dan 1,0; in dat geval wordt de ZLEV factor afhankelijk van het geval op 1,05 of 1,0 vastgesteld;

waarbij:

y

=

het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikant, berekend als het totale aantal nieuwe emissievrije en emissiearme voertuigen, waarbij elk voertuig als ZLEVspecifiek wordt geteld overeenkomstig de volgende formule, gedeeld door het totale aantal in het relevante kalenderjaar geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen:

image

x

=

15 %.

6.3.2.   Specifieke emissiereferentiestreefcijfers vanaf 2030

Het specifieke emissiestreefcijfer = (specifiek emissiereferentiestreefcijfer – (østreefcijfers – voor het gehele EU-wagenpark geldende streefcijfer2030)) · ZLEV factor

waarbij:

specifiek emissiereferentiestreefcijfer

=

het voor de fabrikant overeenkomstig punt 6.2.2 bepaalde specifieke emissiereferentiestreefcijfer;

østreefcijfers

=

het naar het aantal nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van elke individuele fabrikant gewogen gemiddelde van alle overeenkomstig punt 6.2.2 bepaalde specifieke emissiereferentiestreefcijfers;

ZLEV factor

=

(1+y–x), tenzij deze som groter is dan 1,05 of kleiner is dan 1,0; in dat geval wordt de ZLEV factor afhankelijk van het geval op 1,05 of 1,0 vastgesteld;

waarbij:

y

=

het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen van de fabrikant, berekend als het totale aantal nieuwe emissievrije en emissiearme voertuigen, waarbij elk voertuig als ZLEVspecifiek wordt geteld overeenkomstig de volgende formule, gedeeld door het totale aantal in het relevante kalenderjaar geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen:

image

x

=

30 %.




BIJLAGE II

MONITORING EN RAPPORTERING VAN EMISSIES VAN NIEUWE PERSONENAUTO'S

DEEL A

Het verzamelen van gegevens over nieuwe personenauto's en het vaststellen van informatie voor de controle van de CO2-emissies

▼M3 —————

▼M3

1 bis.

De lidstaten vermelden voor elk kalenderjaar de volgende gedetailleerde gegevens voor elke nieuwe personenauto die op hun grondgebied als een M1-voertuig wordt geregistreerd, met uitzondering van de onder 22), 23) en 24) vermelde gegevens, die op verzoek van de Commissie moeten worden verstrekt:

1) 

de fabrikant;

2) 

typegoedkeuringsnummer en de extensies ervan;

3) 

type, variant en uitvoering;

4) 

merk en handelsbenaming;

5) 

identificatiekenmerk van de interpolatiefamilie van het voertuig;

6) 

voertuigidentificatienummer;

7) 

voertuigcategorie volgens typegoedkeuring;

8) 

categorie van het geregistreerde voertuig;

9) 

datum van eerste registratie;

10) 

specifieke CO2-emissies;

11) 

brandstofverbruik;

12) 

massa in rijklare toestand;

13) 

testmassa;

14) 

brandstoftype en brandstofmodus;

15) 

elektriciteitsverbruik;

16) 

elektrische actieradius;

17) 

eco-innovatiecode(s);

18) 

CO2-emissiebesparingen dankzij eco-innovatie;

19) 

voetafdruk: wielbasis, spoorbreedte van de gestuurde as en spoorbreedte van de andere as;

20) 

cilinderinhoud;

21) 

maximaal nettovermogen;

22) 

rijweerstandscoëfficiënten op de weg: f0, f1 en f2;

23) 

frontaal oppervlak;

24) 

rolweerstandsklasse van de banden.

Overeenkomstig artikel 7 verstrekken de lidstaten alle in dit punt vermelde gegevens aan de Commissie in het in deel B, sectie 2, gespecificeerde formaat. De onder 9) en 11) vermelde gegevens worden geregistreerd met ingang van kalenderjaar 2022 en worden voor het eerst op 28 februari 2023 ter beschikking van de Commissie gesteld.

▼M3

2.

De in punt 1 bedoelde gedetailleerde gegevens worden overgenomen uit het conformiteitscertificaat van de desbetreffende personenauto.

▼M3

2 bis.

Voor voertuigen met twee brandstoffen die rijden op benzine en vloeibaar petroleumgas (LPG) of op benzine en samengedrukt aardgas (CNG) waarbij op de conformiteitscertificaten voor beide brandstoffen specifieke CO2-emissiewaarden staan vermeld, rapporteren de lidstaten de waarde voor LPG of CNG.

In het geval van flexfuelvoertuigen die rijden op benzine en ethanol (E85) rapporteren de lidstaten de specifieke CO2-emissiewaarde voor benzine.

▼B

3.

De lidstaten bepalen voor elk kalenderjaar:

a) 

het totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe personenauto's die zijn onderworpen aan EG-typegoedkeuring;

b) 

het totaal aantal nieuwe registraties van personenauto's met individuele goedkeuring;

c) 

het totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe personenauto's die zijn onderworpen aan een nationale typegoedkeuring van kleine series.

DEEL B

Formaat voor het indienen van gegevens

De lidstaten dienen voor elk jaar de in deel A, punten 1 en 3, gespecificeerde informatie in het volgende formaat in:

SECTIE 1

GEAGGREGEERDE MONITORINGGEGEVENS



Lidstaat (1)

 

Jaar

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe personenauto's die aan EG-typegoedkeuring zijn onderworpen

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe personenauto's met individuele goedkeuring

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe personenauto's die zijn onderworpen aan een nationale typegoedkeuring van kleine series

 

(1)   

ISO 3166-Alfa 2-codes, met uitzondering van Griekenland en het Verenigd Koninkrijk waarvoor de code "EL" respectievelijk "UK" is.

▼M3 —————

▼M3

Sectie 2 bis

Gedetailleerde monitoringgegevens — per afzonderlijk voertuig



Verwijzing naar deel A, punten 1 en 1 bis

Gedetailleerde gegevens per geregistreerd voertuig

Gegevensbronnen

Conformiteitscertificaat (bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie (*1)), tenzij anders aangegeven

1)

Naam fabrikant volgens EU-standaardaanduiding(1)

Naam toegekend door de Commissie

Naam van de fabrikant(2)

0.5, of in het geval van meer dan een naam van een fabrikant, de onder 0.5.1 geregistreerde naam

2)

Typegoedkeuringsnummer en extensies ervan

0.11

3)

Soort

0.2

Variant

Versie

4)

Merk en handelsbenaming

0.1 en 0.2.1

5)

Identificatiekenmerk van de interpolatiefamilie van het voertuig;

0.2.3.1

6)

Voertuigidentificatienummer

0.10

7)

Voertuigcategorie volgens typegoedkeuring

0.4

8)

Categorie geregistreerd voertuig

Registratiebewijs

9)

Datum van eerste registratie

Registratiebewijs

10)

Specifieke CO2-emissies (g/km)

49.4 gecombineerd, of indien van toepassing, gewogen gecombineerd

11)

Brandstofverbruik (l/100 km) of m3/100 km of kg/100 km)

49.4 gecombineerd, of indien van toepassing, gewogen gecombineerd

12)

Massa in rijklare toestand (kg)

13

13)

Testmassa (kg)

47.1.1

14)

Brandstoftype

26

Brandstofmodus

26.1

15)

Elektriciteitsverbruik (Wh/km)

PEV: 49.5.1

OVC-HEV: 49.5.2

16)

Elektrische actieradius (km)

PEV: 49.5.1

OVC-HEV: 49.5.2

17)

Eco-innovatiecode(s)

49.3.1

18)

Eco-innovatiebesparingen (g CO2/km)

49.3.2.2

19)

Wielbasis (mm)

 

Spoorbreedte gestuurde as (as 1) (mm)(3)

30

Spoorbreedte andere as (as 2) (mm)(3)

30

20)

Cilinderinhoud (cm3)

25

21)

Maximaal nettovermogen (kW)

27.1 en 27.3

22)

Rijweerstandscoëfficiënten op de weg(4)

f0, N

47.1.3.0

f1,N/(km/h)

47.1.3.1

f2, N/(km/h)

47.1.3.2

23)

Frontaal oppervlak (m2)(4)

47.1.2

24)

Rolweerstandsklasse van de banden (4)

35

(*1)   

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie van 15 april 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB L 163 van 26.5.2020).

Opmerkingen:

1)  Door de Commissie op CIRCABC gepubliceerde lijst.

2)  In het geval van nationale typegoedkeuring van kleine series (national typeapproval of small series — NSS) of individuele goedkeuring (individual approval — IVA), moet de naam van de fabrikant worden verstrekt in de kolom “Naam van de fabrikant” en moet in de kolom “Naam fabrikant volgens EU-standaardaanduiding” een van de volgende vermeldingen worden opgenomen: “AA-NSS” of “AA-IVA”, naargelang van het geval.

3)  Wanneer een voertuig is uitgerust met assen met verschillende spoorbreedten, moet de grootste spoorbreedte worden gerapporteerd.

4)  Op verzoek van de Commissie.

▼B




BIJLAGE III

MONITORING EN RAPPORTERING VAN EMISSIES VAN NIEUWE LICHTE BEDRIJFSVOERTUIGEN

A.   Het verzamelen van gegevens over nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen en het vaststellen van informatie voor de monitoring van de CO2-emissies

1.   Gedetailleerde gegevens

▼M3 —————

▼M3

1.1 bis.

Complete voertuigen die zijn geregistreerd als voertuigen van categorie N1

De lidstaten vermelden voor elk kalenderjaar de volgende gedetailleerde gegevens voor elk nieuw licht bedrijfsvoertuig dat op hun grondgebied als een N1-voertuig wordt geregistreerd, met uitzondering van de onder 23), 24) en 25) vermelde gegevens, die op verzoek van de Commissie moeten worden verstrekt:

1)

de fabrikant;

2)

typegoedkeuringsnummer en de extensies ervan;

3)

type, variant en uitvoering;

4)

merk en, indien beschikbaar, handelsbenaming;

5)

identificatiekenmerk van de interpolatiefamilie van het voertuig;

6)

voertuigidentificatienummer;

7)

voertuigcategorie volgens typegoedkeuring;

8)

categorie van het geregistreerde voertuig;

9)

datum van eerste registratie;

10)

specifieke CO2-emissies;

11)

brandstofverbruik;

12)

massa in rijklare toestand;

13)

testmassa;

14)

brandstoftype en brandstofmodus;

15)

elektriciteitsverbruik;

16)

elektrische actieradius;

17)

eco-innovatiecode(s);

18)

CO2-emissiebesparingen dankzij eco-innovatie;

19)

voetafdruk: wielbasis, spoorbreedte van de gestuurde as en spoorbreedte van de andere as;

20)

cilinderinhoud;

21)

maximaal nettovermogen;

22)

technisch toelaatbare maximummassa van het voertuig in beladen toestand;

23)

rijweerstandscoëfficiënten op de weg: f0, f1 en f2;

24)

frontaal oppervlak;

25)

rolweerstandsklasse van de banden.

De lidstaten verstrekken de Commissie overeenkomstig artikel 7 alle in dit punt vermelde gegevens in het formaat dat is gespecificeerd in deel C, sectie 2. De onder 9) en 11) vermelde gegevens worden geregistreerd met ingang van kalenderjaar 2022 en worden voor het eerst op 28 februari 2023 ter beschikking van de Commissie gesteld.

▼M1

1.2.

Voltooide voertuigen die zijn geregistreerd als voertuigen van categorie N1

1.2.1.   Rapportering door de lidstaten

Voor de rapportering van gegevens met betrekking tot voltooide voertuigen van categorie N1 wordt gebruikgemaakt van het formaat als vastgesteld in deel C, sectie 2.

Het voertuigidentificatienummer als bedoeld in punt 1.1, onder o), wordt niet openbaar gemaakt.

▼M3 —————

▼M3

1.2.1.2 bis.

Voltooide voertuigen van categorie N1 waarvoor overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 typegoedkeuring is verleend

Voor elk nieuw voltooid voertuig dat in 2020 en de daaropvolgende kalenderjaren wordt geregistreerd, rapporteren de lidstaten ten minste de in punt 1.1 bis, onder 1), 5), 6), 8), 10), 11), 12), 17), 18) en 22) gespecificeerde gegevens, en voor elk nieuw voertuig dat in 2022 en de daaropvolgende kalenderjaren wordt geregistreerd, de in punt 1.1 bis, onder 9), 23), 24) en 25) gespecificeerde gegevens.

▼M1

1.2.2.   Rapportering door fabrikanten

▼M3

Voor elk nieuw voltooid voertuig van categorie N1 waarvoor overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 typegoedkeuring is verleend en dat in 2020 en de daaropvolgende kalenderjaren wordt geregistreerd, rapporteert de fabrikant van het basisvoertuig waarop het voltooide voertuig wordt gebaseerd vanaf 2021 de volgende gegevens over het basisvoertuig aan de Commissie:

▼M1

a) 

als het voltooide voertuig op een incompleet basisvoertuig wordt gebaseerd:

i) 

het voertuigidentificatienummer;

ii) 

het identificatiekenmerk van de voertuigfamilie zoals bedoeld in bijlage XXI, punt 5.0, bij Verordening (EU) 2017/1151;

iii) 

de monitoring-CO2-emissies, bepaald overeenkomstig punt 1.2.4;

iv) 

het frontale oppervlak, met vermelding van de in punt 1.2.4, onder c), bedoelde toepasselijke optie;

v) 

de rolweerstand zoals bedoeld in punt 1.2.4, onder b);

vi) 

de monitoringmassa, bepaald overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 4.1;

vii) 

de massa in rijklare toestand;

viii) 

de massa die representatief is voor de belading van het voertuig zoals gedefinieerd in punt 1.2.4, onder a).

b) 

als het voltooide voertuig op een compleet basisvoertuig wordt gebaseerd:

i) 

het voertuigidentificatienummer;

ii) 

het identificatiekenmerk van de voertuigfamilie zoals bedoeld onder a), ii), van dit punt;

iii) 

de specifieke CO2-emissies van het basisvoertuig;

iv) 

de massa in rijklare toestand.

1.2.3.   Berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies en de specifieke emissiedoelstelling

De Commissie gebruikt de door de fabrikant van de basisvoertuig overeenkomstig punt 1.2.2 gerapporteerde waarden voor de berekening van zijn gemiddelde specifieke CO2-emissies en de specifieke emissiedoelstelling in het kalenderjaar waarin het op dat basisvoertuig gebaseerde voltooide voertuig wordt geregistreerd, behalve indien aan de in punt 1.2.5 bedoelde voorwaarden is voldaan, in welk geval de gegevens voor de voltooide voertuigen worden gebruikt.

Als de fabrikant van het basisvoertuig de in punt 1.2.2 bedoelde gegevens niet rapporteert, worden de door de lidstaten overeenkomstig punt 1.2.1 gerapporteerde specifieke CO2-emissies van het op dat basisvoertuig gebaseerde voltooide voertuig gebruikt voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies en de specifieke emissiedoelstelling van de betrokken fabrikant.

1.2.4.   Berekening van de monitoring-CO2-emissies bij incomplete basisvoertuigen

Vanaf het kalenderjaar 2020 berekent de fabrikant de CO2-emissies afzonderlijk voor elk van zijn incomplete basisvoertuigen in overeenstemming met de in bijlage XXI, subbijlage 7, punt 3.2.3.2 of punt 3.2.4, bij Verordening (EU) 2017/1151 bedoelde interpolatiemethode, volgens de methode die ook bij de EG-typegoedkeuring van het basisvoertuig voor de emissies is gebruikt, waarbij de termen diegene zijn die in die punten worden gedefinieerd, met de volgende uitzonderingen:

a) 

massa van het individuele voertuig

De term „TMind” als bedoeld in bijlage XXI, subbijlage 7, punt 3.2.3.2.2.1 of punt 3.2.4.1.1.1, bij Verordening (EU) 2017/1151 wordt vervangen door de standaardmassa van het basisvoertuig, DMbase. Indien DMbase lager is dan de testmassa van voertuig Low, TML, van de interpolatiefamilie, wordt TMind vervangen door TML. Indien DMbase hoger is dan de testmassa van voertuig High, TMH, van de interpolatiefamilie, wordt TMind vervangen door TMH.

DMbase wordt berekend met de volgende formule:

DMbase = MRObase × B0 + 25 kg + MVL

waarbij:

MRObase

= de massa van het basisvoertuig in rijklare toestand zoals gedefinieerd in bijlage XXI, punt 3.2.5, bij Verordening (EU) 2017/1151;

B0

= de waarde van de massa van de carrosserie van 1,375;

MVL

= de voor de belading van het voertuig representatieve massa, wat neerkomt op 28 % van de maximumbelading van het voertuig, waarbij de maximumbelading van het voertuig wordt gedefinieerd als de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand min de massa in rijklare toestand van het basisvoertuig, vermenigvuldigd met B0, min 25 kg.

De waarde van B0 wordt uiterlijk op 31 oktober 2021 aangepast op basis van de massa in rijklare toestand van de incomplete basisvoertuigen voor alle voltooide voertuigen die in de kalenderjaren 2018, 2019 en 2020 zijn geregistreerd. Dit gebeurt overeenkomstig de onderstaande formules. De nieuwe waarde B0 is van toepassing van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024.

Formule 1:

image

waarbij:

Ai

= de waarde Ay zoals berekend met formule 2 voor het desbetreffende kalenderjaar;

ni

= het aantal incomplete basisvoertuigen waarop in dat kalenderjaar geregistreerde voltooide voertuigen zijn gebaseerd.

Formule 2:

image

waarbij:

Ay

= het gemiddelde van de verhouding tussen Mfi en Mbi voor elk van de kalenderjaren 2018 tot en met 2020;

Mfi

= de massa in rijklare toestand van het incomplete basisvoertuig, vermeerderd met de standaard toegevoegde massa zoals gedefinieerd in bijlage XII, punt 5, bij Verordening (EG) nr. 692/2008;

Mbi

= de massa in rijklare toestand van het incomplete basisvoertuig;

n

= het aantal incomplete basisvoertuigen waarop in dat kalenderjaar geregistreerde voltooide voertuigen zijn gebaseerd.

b) 

rolweerstand van het individuele voertuig

De rolweerstand van het basisvoertuig wordt gebruikt voor de toepassing van bijlage XXI, subbijlage 7, punt 3.2.3.2.2.2 of punt 3.2.4.1.1.2, bij Verordening (EU) 2017/1151.

c) 

frontaal oppervlak

Voor een incompleet basisvoertuig dat tot een wegbelastingmatrixfamilie behoort, bepaalt de fabrikant de in bijlage XXI, subbijlage 7, punt 3.2.3.2.2.3, bij Verordening (EU) 2017/1151 bedoelde term „Af” overeenkomstig een van de volgende opties:

i) 

het frontale oppervlak van het representatieve voertuig van de wegbelastingmatrixfamilie, in m2;

ii) 

de gemiddelde waarde van het frontale oppervlak van voertuig High en voertuig Low van de interpolatiefamilie, in m2;

iii) 

het frontale oppervlak van voertuig High van de interpolatiefamilie indien de interpolatiemethode niet wordt gebruikt, in m2.

Voor een incompleet basisvoertuig dat niet tot een wegbelastingmatrixfamilie behoort, wordt de waarde van het frontale oppervlak van het voertuig High van de interpolatiefamilie gebruikt.

1.2.5.   Representativiteit van de CO2-monitoringwaarde

De Commissie beoordeelt elk jaar de representativiteit van het door de fabrikant van de basisvoertuigen gerapporteerde gemiddelde van de monitoring-CO2-emissies vergeleken met het gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van de op die basisvoertuigen gebaseerde voltooide voertuigen die in het desbetreffende kalenderjaar zijn geregistreerd. De Commissie stelt de fabrikant van het basisvoertuig op de hoogte van de geconstateerde divergentie tussen die waarden.

Indien in elk van twee opeenvolgende kalenderjaren een divergentie van 4 % of meer wordt geconstateerd, gebruikt de Commissie het gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van de voltooide voertuigen in het volgende kalenderjaar voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van de fabrikant van het basisvoertuig of de groep in dat jaar.

▼M3

2.

De in punt 1 bedoelde gedetailleerde gegevens worden overgenomen van het conformiteitscertificaat van het lichte bedrijfsvoertuig in kwestie. Gegevens die niet in het conformiteitscertificaat zijn vermeld, worden overgenomen uit de typegoedkeuringsdocumenten of uit de informatie die door de fabrikant van het basisvoertuig is gerapporteerd overeenkomstig punt 1.2.3.

▼M3

2 bis.

Voor voertuigen met twee brandstoffen die rijden op benzine en vloeibaar petroleumgas (LPG) of op benzine en samengedrukt aardgas (CNG) waarbij op de conformiteitscertificaten voor beide brandstoffen specifieke CO2-emissiewaarden staan vermeld, rapporteren de lidstaten de waarde voor LPG of CNG.

In het geval van flexfuelvoertuigen die rijden op benzine en ethanol (E85) rapporteren de lidstaten de specifieke CO2-emissiewaarde voor benzine.

▼B

3.

De lidstaten bepalen voor elk kalenderjaar:

a) 

het totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan EG-typegoedkeuring;

b) 

het totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan meerfasentypegoedkeuring, waar beschikbaar;

c) 

het totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan individuele goedkeuring;

d) 

het totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan een nationale typegoedkeuring van kleine series.

B.   Methode voor het vaststellen van de informatie voor de monitoring van de CO2-emissies van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen

De lidstaten stellen de overeenkomstig deel A, punten 1 en 3, vereiste monitoringinformatie vast volgens de in dit deel uiteengezette methode.

1.   Aantal geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen

De lidstaten stellen het aantal nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen dat op hun grondgebied is geregistreerd, vast in het respectieve jaar waarop de monitoring betrekking heeft, verdeeld in voertuigen die aan EG-typegoedkeuring zijn onderworpen, met individuele goedkeuring en met nationale typegoedkeuring van kleine series, en, waar beschikbaar, die zijn onderworpen aan een meerfasentypegoedkeuring van kleine series.

2.   Voltooide voertuigen

In het geval van meerfasenvoertuigen worden de specifieke CO2-emissies van voltooide voertuigen toegewezen aan de fabrikant van het basisvoertuig.

Teneinde te waarborgen dat de waarden van de CO2-emissies, brandstofefficiëntie en de massa van voltooide voertuigen representatief zijn, zonder de fabrikant van het basisvoertuig te zwaar te belasten, stelt de Commissie een specifieke monitoringprocedure op en brengt zij waar nodig in de desbetreffende typegoedkeuringswetgeving de noodzakelijke wijzigingen aan.

Hoewel voor de berekening van het streefcijfer voor 2020 overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 2, de standaard toegevoegde massa moet worden overgenomen uit deel C van deze bijlage, mag in het geval waarin de waarde van die massa niet kan worden bepaald, de massa in rijklare toestand van het voltooide voertuig worden gebruikt voor de voorlopige berekening van het in artikel 7, lid 4, bedoelde specifieke emissiestreefcijfer.

Als het basisvoertuig een compleet voertuig is, wordt de massa in rijklare toestand van dat voertuig gebruikt voor de berekening van het specifieke emissiestreefcijfer. Als de waarde van die massa echter niet kan worden bepaald, mag de massa in rijklare toestand van het voltooide voertuig worden gebruikt voor de voorlopige berekening van het specifieke emissiestreefcijfer.

C.   Formaat voor het indienen van gegevens

De lidstaten dienen voor elk jaar de in deel A, punten 1 en 3, gespecificeerde informatie in het volgende formaat in:



Sectie 1

Geaggregeerde monitoringgegevens

Lidstaat (1)

 

Jaar

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan EG-typegoedkeuring

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen met individuele goedkeuring

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan een nationale typegoedkeuring van kleine series

 

Totaal aantal nieuwe registraties van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die zijn onderworpen aan meerfasentypegoedkeuring (waar beschikbaar)

 

(1)   

ISO 3166-Alfa 2-codes, met uitzondering van Griekenland en het Verenigd Koninkrijk waarvoor de code "EL" respectievelijk "UK" is.

▼M3 —————

▼M3

Sectie 2 bis.

Gedetailleerde monitoringgegevens — per afzonderlijk voertuig



Verwijzing naar deel A, punten 1.1 en 1.1 bis

Gedetailleerde gegevens per geregistreerd voertuig

Gegevensbronnen

Conformiteitscertificaat (Bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie), tenzij anders aangegeven

1)

Naam fabrikant (volgens EU-standaardaanduiding(1))

Naam toegekend door de Commissie

Naam van de fabrikant(2)

0.5, of in het geval van meer dan een naam van een fabrikant, de onder 0.5.1 geregistreerde naam

2)

Typegoedkeuringsnummer en extensies ervan

0.11

3)

Soort

0.2

Variant

Versie

4)

Merk en handelsbenaming

0.1 en 0.2.1

5)

Identificatiekenmerk van de interpolatiefamilie van het voertuig;

0.2.3.1

6)

Voertuigidentificatienummer

0.10

7)

Voertuigcategorie volgens typegoedkeuring

0.4

8)

Categorie geregistreerd voertuig

Registratiebewijs

9)

Datum van eerste registratie

Registratiebewijs

10)

Specifieke CO2-emissies (g/km)

49.4 gecombineerd, of indien van toepassing, gewogen gecombineerd

11)

Brandstofverbruik (l/100 km) of m3/100 km of kg/100 km)

49.4 gecombineerd, of indien van toepassing, gewogen gecombineerd

12)

Massa in rijklare toestand (complete en voltooide voertuigen) (kg)

13

13)

Testmassa (complete en voltooide voertuigen) (kg)

47.1.1

14)

Brandstoftype

26

Brandstofmodus

26.1

15)

Elektriciteitsverbruik (Wh/km)

PEV: 49.5.1

OVC-HEV: 49.5.2

16)

Elektrische actieradius (km)

PEV: 49.5.1

OVC-HEV: 49.5.2

17)

Eco-innovatiecode(s)

49.3.1

18)

Eco-innovatiebesparingen (g CO2/km)

49.3.2.2

19 19)

Wielbasis (mm)

4

Spoorbreedte gestuurde as (as 1) (3)

30

Spoorbreedte andere as (as 2) (3)

30

20)

Cilinderinhoud (cm3)

25

21)

Maximaal nettovermogen (kW)

27.1 en 27.3

22)

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (complete en voltooide voertuigen) (kg)

16.1

23)

Rijweerstandscoëfficiënten op de weg(4)

f0, N

47.1.3.0

f1,N/(km/h)

47.1.3.1

f2, N/(km/h)

47.1.3.2

24)

Frontaal oppervlak (m2)(4)

47.1.2

25)

Rolweerstandsklasse van de banden (4)

35

Opmerkingen:

1)  Door de Commissie op CIRCABC gepubliceerde lijst.

2)  In het geval van nationale typegoedkeuring van kleine series (national typeapproval of small series — NSS) of individuele goedkeuring (individual approval — IVA), moet de naam van de fabrikant worden verstrekt in de kolom “Naam van de fabrikant” en moet in de kolom “Naam fabrikant volgens EU-standaardaanduiding” een van de volgende vermeldingen worden opgenomen: “AA-NSS” of “AA-IVA”, naargelang van het geval.

3)  Wanneer een voertuig is uitgerust met assen met verschillende spoorbreedten, moet de grootste spoorbreedte worden gerapporteerd.

4)  Op verzoek van de Commissie.

▼B




BIJLAGE IV

INGETROKKEN VERORDENINGEN MET OVERZICHT VAN DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN



Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 397/2013 van de Commissie

(PB L 120 van 1.5.2013, blz. 4)

Verordening (EU) nr. 333/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 103 van 5.4.2014, blz. 15)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/6 van de Commissie

(PB L 3 van 7.1.2015, blz. 1)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1502 van de Commissie

(PB L 221 van 26.8.2017, blz. 4)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/649 van de Commissie

(PB L 108 van 27.4.2018, blz. 14)

Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 205/2012 van de Commissie

(PB L 72 van 10.3.2012, blz. 2)

Verordening (EU) nr. 253/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 84 van 20.3.2014, blz. 38)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 404/2014 van de Commissie

(PB L 121 van 24.4.2014, blz. 1)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/748 van de Commissie

(PB L 113 van 29.4.2017, blz. 9)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1499 van de Commissie

(PB L 219 van 25.8.2017, blz. 1)




BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL



Verordening (EG) nr. 443/2009

Verordening (EU) nr. 510/2011

Deze verordening

Artikel 1, eerste alinea

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, tweede alinea

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, derde alinea

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 5

Artikel 1, lid 6

Artikel 1, lid 7

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 4

Artikel 3, lid 1, inleidende formule

Artikel 3, lid 1, inleidende formule

Artikel 3, lid 1, inleidende formule

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 1, onder c), d) en e)

Artikel 3, lid 1, onder c), d) en e)

Artikel 3, lid 1, onder c) en d)

Artikel 3, lid 1, onder f) en g)

Artikel 3, lid 1, onder f) en g)

Artikel 3, lid 1, onder f)

Artikel 3, lid 1, onder h)

Artikel 3, lid 1, onder h)

Artikel 3, lid 1, onder e)

Artikel 3, lid 1, onder j)

Artikel 3, lid 1, onder i)

Artikel 3, lid 1, onder g)

Artikel 3, lid 1, onder i)

Artikel 3, lid 1, onder j)

Artikel 3, lid 1, onder k), l) en m)

 

Artikel 3, lid 1, onder k)

Artikel 3, lid 1, onder n)

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 2

Artikel 4, eerste alinea

Artikel 4, eerste alinea

Artikel 4, lid 1, inleidende formule en onder a) en b)

Artikel 4, lid 1, onder c)

Artikel 4, tweede alinea

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, tweede alinea

Artikel 4, derde alinea

Artikel 4, lid 3

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 5 bis

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 7, lid 2, onder a), b) en c)

Artikel 7, lid 2, onder a), b) en c)

Artikel 6, lid 2, onder a), b) en c)

Artikel 6, lid 2, onder d)

Artikel 7, lid 3

Artikel 7, lid 3

Artikel 6, lid 3

Artikel 7, lid 4

Artikel 7, lid 4

Artikel 6, lid 4

Artikel 7, lid 5

Artikel 7, lid 5

Artikel 6, lid 5

Artikel 7, lid 6

Artikel 7, lid 6

Artikel 6, lid 6

Artikel 7, lid 7

Artikel 7, lid 7

Artikel 6, lid 7

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 2

Artikel 7, lid 2

Artikel 8, lid 3

Artikel 8, lid 3

Artikel 7, lid 3

Artikel 8, lid 4, eerste en tweede alinea

Artikel 8, lid 4, eerste en tweede alinea

Artikel 7, lid 4, eerste en tweede alinea

Artikel 8, lid 4, derde alinea

Artikel 8, lid 4, eerste alinea

Artikel 7, lid 4, derde alinea

Artikel 8, lid 5, eerste alinea

Artikel 8, lid 5

Artikel 7, lid 5, eerste alinea

Artikel 8, lid 5, tweede alinea

Artikel 8, lid 6

Artikel 7, lid 5, tweede alinea

Artikel 8, lid 6

Artikel 8, lid 7

Artikel 8, lid 7

Artikel 8, lid 8

Artikel 7, lid 6, eerste alinea

Artikel 7, lid 6, tweede alinea

Artikel 8, lid 8

Artikel 8, lid 9, eerste alinea

Artikel 8, lid 9, eerste alinea

Artikel 7, lid 7

Artikel 8, lid 9, tweede alinea

Artikel 8, lid 9, tweede alinea

Artikel 7, lid 8

Artikel 7, lid 9

Artikel 7, lid 10

Artikel 8, lid 10

Artikel 7, lid 11

Artikel 9, lid 1

Artikel 9, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 9, lid 2, eerste alinea, inleidende formule

Artikel 9, lid 2, eerste alinea, inleidende formule

Artikel 8, lid 2, eerste alinea, eerste deel

Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder a)

Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder a)

Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder b)

Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder b)

Artikel 8, lid 2, eerste alinea, tweede deel

Artikel 9, lid 2, tweede alinea

Artikel 9, lid 2, tweede alinea

Artikel 8, lid 2, tweede alinea

Artikel 9, lid 3

Artikel 9, lid 3

Artikel 8, lid 3

Artikel 9, lid 4

Artikel 9, lid 4

Artikel 8, lid 4

Artikel 10, lid 1, inleidende formule

Artikel 10, lid 1, inleidende formule

Artikel 9, lid 1, inleidende formule

Artikel 10, lid 1, onder a), tot en met e)

Artikel 10, lid 1, onder a), tot en met e)

Artikel 9, lid 1, onder a), tot en met e)

Artikel 9, lid 1, onder f)

Artikel 10, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 9, lid 3

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 10, lid 3, eerste alinea

Artikel 10, lid 3, tweede alinea

Artikel 11, lid 4, eerste alinea

Artikel 10, lid 4, eerste alinea

Artikel 11, lid 4, tweede alinea, inleidende formule

Artikel 10, lid 4, tweede alinea, inleidende formule

Artikel 11, lid 4, tweede alinea, onder a)

Artikel 10, lid 4, tweede alinea, onder a)

Artikel 11, lid 4, tweede alinea, onder b)

Artikel 11, lid 4, tweede alinea, onder c)

Artikel 10, lid 4, tweede alinea, onder b)

Artikel 10, lid 4, tweede alinea, onder c)

Artikel 11, lid 4, derde en vierde alinea

Artikel 10, lid 4, derde en vierde alinea

Artikel 11, lid 5

Artikel 11, lid 4

Artikel 10, lid 5

Artikel 11, lid 6

Artikel 11, lid 5

Artikel 10, lid 6

Artikel 11, lid 7

Artikel 11, lid 6

Artikel 10, lid 7

Artikel 11, lid 8

Artikel 11, lid 7

Artikel 10, lid 8

Artikel 11, lid 9

Artikel 11, lid 8

Artikel 10, lid 9

Artikel 12, lid 1, eerste alinea

Artikel 12, lid 1, eerste alinea

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 12, lid 1, tweede alinea

Artikel 11, lid 1, tweede alinea

Artikel 12, lid 1, derde alinea

Artikel 12, lid 1, tweede alinea

Artikel 11, lid 1, derde alinea

Artikel 11, lid 1, vierde alinea

Artikel 12, lid 2

Artikel 12, lid 2

Artikel 11, lid 2, inleidende formule, onder a), b) en c) en onder d), eerste deel

Artikel 11, lid 2, onder d), laatste deel

Artikel 12, lid 3

Artikel 12, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 12, lid 4

Artikel 12, lid 4

Artikel 11, lid 4

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 14, titel

Artikel 14, lid 1, eerste alinea, inleidende formule

Artikel 13, lid 2, eerste en tweede alinea

Artikel 14, lid 1, onder a)

Artikel 13, lid 5

Artikel 14, lid 1, onder b)

 

 

Artikel 14, lid 1, onder c) en d)

Artikel 13, lid 2, derde alinea

Artikel 13, lid 5

Artikel 14, lid 2

Artikel 15, lid 1

Artikel 15, lid 2

Artikel 15, lid 3

Artikel 13, lid 2

Artikel 15, lid 4, eerste deel

Artikel 13, lid 3

Artikel 13, lid 6, eerste alinea

Artikel 15, lid 4, tweede deel

Artikel 13, lid 4

Artikel 13, lid 4

Artikel 13, lid 6, tweede alinea

Artikel 13, lid 5

Artikel 13, lid 6

Artikel 13, lid 3

Artikel 15, lid 5

Artikel 15, lid 6

Artikel 13, lid 7, eerste alinea

Artikel 13, lid 6, derde alinea

Artikel 15, lid 7

Artikel 13, lid 7, tweede alinea

Artikel 13, lid 6, vierde alinea

Artikel 15, lid 8

Artikel 14, lid 1

Artikel 14, lid 1

Artikel 16, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 2

Artikel 16, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 14, lid 2 bis

Artikel 16, lid 3

Artikel 14 bis, lid 1

Artikel 15, lid 3

Artikel 17, lid 1

Artikel 14 bis, lid 2

Artikel 15, lid 1

Artikel 17, lid 2

Artikel 14 bis, lid 3

Artikel 16

Artikel 17, lid 3

Artikel 14 bis, lid 4

Artikel 15, lid 2

Artikel 17, lid 4

Artikel 14 bis, lid 5

Artikel 17

Artikel 17, lid 5

Artikel 15

Artikel 18

Artikel 16

Artikel 18

Artikel 19

Bijlage I

Bijlage I, deel A, punten 1 tot en met 5

Bijlage I, deel A, punt 6

Bijlage I

Bijlage I, deel B, punten 1 tot en met 5

Bijlage I, deel B, punt 6

Bijlage II, deel A

Bijlage II, deel A

Bijlage II, deel B

Bijlage II, deel C

Bijlage II, deel B

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage V



( 1 ) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

( 2 ) Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).

( 3 ) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

( 4 ) Het aandeel emissievrije en emissiearme voertuigen in het wagenpark van nieuwe personenauto's in een lidstaat in 2017 wordt berekend als het totaal aantal nieuwe emissievrije en emissiearme voertuigen dat in 2017 werd geregistreerd, gedeeld door het totaal aantal in datzelfde jaar geregistreerde nieuwe personenauto's.