02016D0036(01) — NL — 31.12.2020 — 001.002


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

BESLUIT (EU) 2016/2248 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 3 november 2016

inzake de toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (ECB/2016/36)

(herschikking)

(PB L 347 van 20.12.2016, blz. 26)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

BESLUIT (EU) 2020/1735 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK van 12 november 2020

  L 390

60

20.11.2020


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 074, 4.3.2021, blz.  46 (2020/1735)




▼B

BESLUIT (EU) 2016/2248 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 3 november 2016

inzake de toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (ECB/2016/36)

(herschikking)



Artikel 1

Definities

In dit besluit wordt bedoeld met:

a) 

„NCB”: een nationale centrale bank van een lidstaat die de euro als munt heeft;

b) 

„kredietinstelling” betekent ofwel a) een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ), die onderworpen is aan toezicht door een bevoegde autoriteit, of b) een andere kredietinstelling in de zin van artikel 123, lid 2, van het Verdrag die onderworpen is aan toezicht dat vergelijkbaar is met de standaarden voor toezicht door een bevoegde autoriteit;

c) 

„referentiepassiva”: de relevante passiva, op de balans van elke NCB, gespecificeerd in overeenstemming met bijlage I bij dit besluit;

d) 

„de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld”: de datum waarop eurobankbiljetten en muntstukken wettig betaalmiddel worden in een lidstaat die de euro als munt heeft;

e) 

„jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld”: een periode van twaalf maanden beginnende op de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld;

f) 

„tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende in omloop zijnde eurobankbiljetten”: de vorderingen en verplichtingen tussen een NCB en de ECB en tussen een NCB en de overige NCB's die voortvloeien uit de toepassing van artikel 4 van Besluit ECB/2010/29;

g) 

„verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal”: de aandelen van de NCB's, uitgedrukt in percentages, in het geplaatste kapitaal van de ECB die resulteren uit de toepassing op de NCB's van de wegingen in de verdeelsleutel zoals bedoeld in artikel 29.1 van de ESCB-statuten en zoals van toepassing voor het relevante boekjaar;

h) 

„uit circulatie genomen eurobankbiljetten”: een type dat of serie eurobankbiljetten die uit circulatie werd genomen door een besluit van de Raad van bestuur krachtens artikel 5 van Besluit ECB/2003/4;

i) 

„uitgiftefase” met betrekking tot een type of serie eurobankbiljetten: de periode vanaf de datum waarop de eerste uitgifte van een eurobankbiljet van dit type of deze serie werd opgenomen in de referentiepassiva, tot de datum waarop de laatste uitgifte van een eurobankbiljet van dit type of deze serie werd opgenomen in de referentiepassiva;

j) 

„referentierente”: de meest recente marginale rentevoet die door het Eurosysteem wordt gebruikt bij zijn tenders op de basisherfinancieringstransacties uit hoofde van artikel 6 van Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) ( 2 ). Indien meer dan één basisherfinancieringstransactie op dezelfde dag wordt afgewikkeld, wordt een eenvoudig gemiddelde genomen van de rentevoeten van de parallel afgewikkelde transacties;

k) 

„te oormerken activa”: het bedrag aan activa dat als tegenwaarde wordt aangehouden voor de referentiepassiva, op de balans van elke NCB, gespecificeerd in overeenstemming met bijlage II bij dit besluit;

l) 

„referentieperiode”: een periode van 24 maanden beginnende 30 maanden vóór de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld;

m) 

„dagelijkse referentiewisselkoers”: dagelijkse referentiewisselkoers die is gebaseerd op de dagelijkse overlegprocedure tussen centrale banken binnen en buiten het Europees Stelsel van centrale banken die normaliter om 14.15 uur Midden-Europese tijd plaatsvindt ( 3 );

n) 

„afschrijven”: uit circulatie genomen eurobankbiljetten uit de balanspost „bankbiljetten in omloop” verwijderen;

o) 

„uitgiftesleutel”: de gemiddelde verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal gedurende de uitgiftefase van een type of serie uit circulatie genomen eurobankbiljetten;

p) 

„geharmoniseerde balans (GB)”: de geharmoniseerde balans zoals uiteengezet in bijlage VIII bij Richtsnoer (EU) 2016/2249 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/34) ( 4 ).

Artikel 2

Tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop

1.  
De tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop worden op maandbasis berekend en op de eerste werkdag van de volgende maand in de boeken van de ECB en de NCB's opgenomen met als valutadatum de laatste werkdag van de voorbije maand.

Indien een lidstaat de euro aanneemt, wordt de berekening van de tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop krachtens de eerste alinea opgenomen in de boeken van de ECB en de NCB's met als valutadatum de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld.

De tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop worden voor de periode van 1 tot en met 31 januari van het eerste jaar met ingang waarvan elke vijfjaarlijkse aanpassing overeenkomstig artikel 29.3 van de ESCB-statuten van toepassing is, berekend op basis van de aangepaste verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal die wordt toegepast op de tegoeden betreffende het totale aantal op 31 december van het voorafgaande jaar in omloop zijnde eurobankbiljetten.

2.  
Voor de tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop, met inbegrip van de tegoeden die voortvloeien uit de toepassing van artikel 4, wordt een rentevergoeding bepaald tegen de referentierente.
3.  
De in lid 2 bedoelde rentevergoeding wordt op kwartaalbasis verrekend door middel van betalingen via TARGET2.

Artikel 3

Methode ter bepaling van de monetaire inkomsten

1.  

Het bedrag van de monetaire inkomsten van elke NCB wordt bepaald door de feitelijke inkomsten vast te stellen die verkregen worden uit de in de rekeningen van de betreffende NCB opgenomen te oormerken activa. Uitzonderingen daarop:

a) 

goud wordt geacht geen inkomsten te genereren;

b) 

het hiernavolgende wordt geacht inkomsten te genereren tegen de referentierente:

i) 

voor monetairbeleidsdoeleinden uit hoofde van Besluit ECB/2009/16 aangehouden effecten;

ii) 

voor monetairbeleidsdoeleinden uit hoofde van Besluit ECB/2011/17 aangehouden effecten;

▼M1

iii) 

door centrale, regionale en lokale overheden en erkende agentschappen uitgegeven schuldbewijzen en door publieke niet-financiële vennootschappen uitgegeven substituutschuldbewijzen die worden aangehouden voor monetairbeleidsdoeleinden uit hoofde van Besluit (EU) 2020/188 van de Europese Centrale Bank (ECB/2020/9) ( 5 ) of Besluit (EU) 2020/440 van de Europese Centrale Bank (ECB/2020/17) ( 6 ).

▼B

2.  
Als de waarde van te oormerken activa van een NCB hoger of lager is dan de waarde van haar referentiepassiva, wordt het verschil verrekend door de referentierente toe te passen op verschil.

Artikel 4

Aanpassingen van tegoeden binnen het Eurosysteem

1.  

Ten behoeve van de berekening van monetaire inkomsten worden de tegoeden van elke NCB binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop aangepast met een compenserend bedrag dat bepaald wordt met de volgende formule:

C = (K – A) × S

waarbij geldt:

C

is het compenserende bedrag;

K

is het bedrag in euro voor elke NCB dat volgt uit de toepassing van de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal op het gemiddelde bedrag van in de referentieperiode in omloop zijnde bankbiljetten, waarbij het bedrag aan bankbiljetten luidend in de nationale munteenheid van een lidstaat die de euro aanneemt, tijdens de referentieperiode tegen de dagelijkse referentiewisselkoers wordt omgerekend in euro;

A

is voor iedere NCB de gemiddelde waarde in euro van tijdens de referentieperiode in omloop zijnde bankbiljetten, tijdens de referentieperiode tegen de dagelijkse referentiewisselkoers omgerekend in euro;

S

is de volgende coëfficiënt voor ieder boekjaar, met ingang van de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld:



Boekjaar

Coëfficiënt

Jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld

1

Jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld plus één jaar

0,8606735

Jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld plus twee jaar

0,7013472

Jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld plus drie jaar

0,5334835

Jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld plus vier jaar

0,3598237

Jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld plus vijf jaar

0,1817225

2.  
De som van de compenserende bedragen van de NCB's is 0.
3.  
Telkens wanneer een lidstaat de euro aanneemt of wanneer de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal van de ECB verandert, worden de compenserende bedragen berekend.
4.  
Wanneer een NCB toetreedt tot het Eurosysteem, wordt het compenserende bedrag van die NCB toegedeeld aan de overige NCB's naar rato van de respectieve aandelen van de overige NCB's in de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal, met omkering van het teken (+/-), welk compenserend bedrag voor de overige NCB's reeds geldende compenserende bedragen aanvult.
5.  
De compenserende bedragen en de administratieve boekingsposten ter saldering van die compenserende bedragen worden op aparte rekeningen binnen het Eurosysteem in de boeken van elke NCB opgenomen, met als valutadatum de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld en met dezelfde valutadatum in elk daaropvolgend jaar van de aanpassingsperiode. De administratieve boekingsposten ter saldering van de compenserende bedragen worden niet vergoed.
6.  
Indien zich specifieke gebeurtenissen voordoen met betrekking tot veranderingen in patronen van in omloop zijnde bankbiljetten, zoals beschreven in bijlage III bij dit besluit, worden de tegoeden binnen het Eurosysteem van elke NCB betreffende eurobankbiljetten in omloop in afwijking van lid 1 overeenkomstig de in die bijlage uiteengezette bepalingen aangepast.
7.  
De in dit artikel vastgelegde aanpassingen van tegoeden binnen het Eurosysteem gelden niet langer vanaf de eerste dag van het zesde jaar volgend op het desbetreffende jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld.

Artikel 5

Berekening en toedeling van monetaire inkomsten

1.  
De monetaire inkomsten van elke NCB worden door de ECB op een dagelijkse basis berekend. Hierbij wordt uitgegaan van de administratieve gegevens die de deelnemende NCB's aan de ECB verstrekken. Ieder kwartaal informeert de ECB de NCB's over de gecumuleerde bedragen.
2.  
Het bedrag van de monetaire inkomsten van elke NCB wordt aangepast met een bedrag ter grootte van de rente die is opgebouwd, ontvangen of betaald over in de referentiepassiva opgenomen passiva, en overeenkomstig eventuele besluiten van de Raad van bestuur uit hoofde van de tweede alinea van artikel 32.4 van de ESCB-statuten.
3.  
De som van de monetaire inkomsten van elke NCB wordt toegedeeld naar rato van de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal en vindt plaats aan het eind van ieder boekjaar.

Artikel 6

Berekening en toedeling van inkomsten uit de afschrijving van eurobankbiljetten

1.  
Uit circulatie genomen eurobankbiljetten blijven deel uitmaken van de referentiepassiva tot ze vervangen of afgeschreven worden, afhankelijk van hetgeen het eerst gebeurt.
2.  
De Raad van bestuur kan beslissen uit circulatie genomen eurobankbiljetten af te schrijven, in welk geval zij de afschrijvingsdatum en het totale bedrag van de te treffen voorziening voor deze uit circulatie genomen, naar verwachting nog te vervangen eurobankbiljetten vaststelt.
3.  

Uit circulatie genomen eurobankbiljetten worden als volgt afgeschreven:

a) 

op de afschrijvingsdatum worden de balansposten „bankbiljetten in omloop” van de ECB en de NCB's verminderd met het totale bedrag van de uit circulatie genomen, nog in omloop zijnde eurobankbiljetten. Daartoe wordt het actuele bedrag van de uit de circulatie genomen, in omloop gebrachte eurobankbiljetten aangepast aan de pro-ratabedragen die werden berekend overeenkomstig de uitgiftesleutel, en de verschillen worden verevend tussen de ECB en de NCB's;

b) 

het aangepaste bedrag van uit circulatie genomen eurobankbiljetten wordt afgeschreven op de balanspost „bankbiljetten in omloop” op de winst-en-verliesrekeningen van de NCB's;

c) 

elke NCB treft een voorziening voor uit circulatie genomen, naar verwachting nog te vervangen eurobankbiljetten. De voorziening is gelijk aan het aandeel van de desbetreffende NCB in het totale bedrag van de op basis van de uitgiftesleutel berekende voorziening.

4.  
Uit circulatie genomen eurobankbiljetten die na de afschrijvingsdatum worden vervangen, worden opgenomen in de boeken van de NCB die ze in ontvangst heeft genomen. De instroom van uit circulatie genomen eurobankbiljetten wordt minstens eenmaal per jaar onder de NCB's herverdeeld door toepassing van de uitgiftesleutel, en de verschillen worden tussen hen verevend. Alle NCB's verrekenen het pro-ratabedrag met hun voorziening of, indien de instroom hoger is dan de voorziening, nemen zij een overeenkomstige uitgave op in hun winst-en-verliesrekening.
5.  
De Raad van bestuur herziet jaarlijks het totale bedrag van de voorziening.

Artikel 7

Intrekking

1.  
Besluit ECB/2010/23 wordt hierbij ingetrokken.
2.  
Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar dit besluit.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt op 31 december 2016 in werking.




BIJLAGE I

SAMENSTELLING VAN DE REFERENTIEPASSIVA

A. De referentiepassiva omvatten uitsluitend:

1. 

Bankbiljetten in omloop

In het kader van deze bijlage wordt voor elke nationale centrale bank (NCB) die onderdeel wordt van het Eurosysteem in het jaar van omschakeling naar de chartale euro, onder „bankbiljetten in omloop” verstaan:

a) 

door de NCB uitgegeven en in de nationale munteenheid luidende bankbiljetten, en

b) 

verminderd met de waarde van de renteloze leningen in verband met vooraf verstrekte eurobankbiljetten die nog niet zijn gedebiteerd (deel van actiefpost 6 van de geharmoniseerde balans (GB)).

Na het betreffende jaar van omschakeling naar de chartale euro betekent „bankbiljetten in omloop” voor elke NCB uitsluitend in euro luidende bankbiljetten.

Indien de datum van de omschakeling naar de chartale euro een dag is waarop TARGET2 is gesloten, maakt de verplichting van een NCB die voortvloeit uit krachtens Richtsnoer ECB/2006/9 vooraf verstrekte en voor de datum van de chartale omschakeling in omloop gebrachte eurobankbiljetten, deel uit van de referentiepassiva (als deel van de correspondentrekeningen onder passiefpost 10.4 van de GB) totdat de verplichting deel wordt van de uit TARGET2-transacties voorvloeiende verplichtingen binnen het Eurosysteem.

2. 

Verplichtingen jegens kredietinstellingen in het eurogebied in verband met in euro luidende monetairbeleidstransacties, met inbegrip van:

a) 

rekeningen-courant, waaronder reserveverplichtingen uit hoofde van artikel 19.1 van de ESCB-statuten (passiefpost 2.1 van de GB);

b) 

deposito's uit hoofde van de Eurosysteemdepositofaciliteit (passiefpost 2.2 van de GB);

c) 

termijndeposito's (passiefpost 2.3 van de GB);

d) 

verplichtingen uit finetuningtransacties met wederinkoop (passiefpost 2.4 van de GB);

e) 

deposito's uit hoofde van margestortingen (passiefpost 2.5 van de GB).

3. 

Depositoverplichtingen aan wederpartijen van het Eurosysteem wegens wanbetaling van die wederpartijen, welke verplichtingen niet langer worden ingedeeld onder passiefpost 2.1 van de GB.

4. 

Verplichtingen van NCB's binnen het Eurosysteem afkomstig van de uitgifte van ECB-schuldbewijzen uit hoofde van artikel 13 van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) (passiefpost 10.2 van de GB).

5. 

Nettoverplichtingen binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop, met inbegrip van de verplichtingen die het gevolg zijn van de toepassing van artikel 4 van dit besluit (deel van passiefpost 10.3 van de GB).

6. 

Nettoverplichtingen binnen het Eurosysteem afkomstig van TARGET2-transacties tegen de referentierente (deel van passiefpost 10.4 van de GB).

7. 

Opgebouwde rente geboekt per kwartaalultimo door elke NCB op monetairbeleidsverplichtingen met een looptijd van één jaar of langer (deel van passiefpost 12.2 van de GB).

8. 

Passiva ten opzichte van de ECB die onderpand vormen voor een vordering die verband houdt met swapovereenkomsten tussen de ECB en een niet-Eurosysteem centrale bank die netto-inkomsten genereren voor het Eurosysteem (deel van passiva buiten de balanstelling).

B. Het bedrag van de referentiepassiva van elke NCB wordt berekend overeenkomstig de geharmoniseerde grondslagen en regels inzake administratieve verantwoording en verslaglegging zoals vastgelegd in Richtsnoer (EU) 2016/2249 (ECB/2016/34).




BIJLAGE II

TE OORMERKEN ACTIVA

A. Te oormerken activa omvatten uitsluitend:

1. 

Kredietverlening aan kredietinstellingen in het eurogebied, inzake in euro luidende monetairbeleidstransacties (actiefpost 5 van de geharmoniseerde balans (GB)).

2. 

Voor monetairbeleidsdoeleinden aangehouden effecten (deel van actiefpost 7.1 van de GB).

3. 

Vorderingen binnen het Eurosysteem ter grootte van de overdracht van externe reserves aan de ECB, met uitzondering van goud, op grond van artikel 30 van de ESCB-statuten (deel van actiefpost 9.2 van de GB).

4. 

Nettovorderingen binnen het Eurosysteem betreffende eurobankbiljetten in omloop, met inbegrip van de vorderingen die het gevolg zijn van de toepassing van artikel 4 van dit besluit (deel van actiefpost 9.4 van de GB).

5. 

Nettovorderingen binnen het Eurosysteem afkomstig van TARGET2-transacties tegen de referentierente (deel van actiefpost 9.5 van de GB).

6. 

Goud, waaronder vorderingen uit hoofde van aan de ECB overgedragen goud, voor een bedrag dat iedere NCB toestaat een gedeelte van haar goud te oormerken naar rato van haar aandeel in de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal, toegepast op het totale bedrag van het door alle NCB's geoormerkte goud (actiefpost 1 en deel van actiefpost 9.2 van de GB).

In het kader van dit besluit wordt goud gewaardeerd op basis van de op 31 december 2002 geldende goudprijs per fine ounce.

7. 

Vorderingen die vooraf verstrekt zijn krachtens Richtsnoer ECB/2006/9 verstrekte eurobankbiljetten, welke eurobankbiljetten voor de datum waarop naar de chartale euro werd omgeschakeld, in omloop zijn gekomen (deel van actiefpost 4.1 van de GB tot de datum waarop naar de chartale euro werd omgeschakeld en vervolgens deel van de correspondentrekeningen onder actiefpost 9.5 van de GB), evenwel uitsluitend tot een dergelijke vordering deel wordt van de vorderingen binnen het Eurosysteem uit TARGET2-transacties.

8. 

Openstaande vorderingen wegens wanbetaling van Eurosysteemwederpartijen in het kader van Eurosysteemkrediettransacties, en/of financiële activa of vorderingen jegens derden, die toegeëigend en/of verkregen zijn wegens wanbetaling van Eurosysteemwederpartijen na uitwinning van in het kader van Eurosysteemkrediettransacties verstrekt onderpand, worden niet langer ingedeeld onder actiefpost 5 van de GB (deel van actiefpost 11.6 van de GB).

9. 

Opgebouwde rente geboekt per kwartaalultimo door elke NCB op monetairbeleidsverplichtingen met een looptijd van één jaar of langer (deel van actiefpost 11.5 van de GB).

▼M1

9 bis. 

Saldi in verband met opgebouwde couponrente op aan een bijzondere waardevermindering onderhevige effecten die voor monetairbeleidsdoeleinden worden aangehouden (met uitzondering van opgebouwde couponrente op alle in artikel 3, lid 1, onder b), van dit besluit bedoelde aan een bijzondere waardevermindering onderhevige effecten) (deel van actiefpost 11.5 van de GB).

▼B

10. 

Vorderingen op eurogebiedwederpartijen die verband houden met swapovereenkomsten tussen de ECB en een niet-Eurosysteem centrale bank die netto-inkomsten genereren voor het Eurosysteem (deel van actiefpost 3.1 van de GB).

▼C1

11. 

Vorderingen op niet-Eurosysteem centrale banken die verband houden met liquiditeitsverruimende transacties (deel van actiefpost 4.1 van de GB of deel van activa buiten de balansstelling).

▼B

B. Het bedrag van de te oormerken activa van elke NCB wordt berekend overeenkomstig de geharmoniseerde grondslagen en regels inzake administratieve verantwoording en verslaglegging zoals vastgelegd in Richtsnoer (EU) 2016/2249 (ECB/2016/34).




BIJLAGE III

A.    Eerste mogelijke aanpassing

Indien in een jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld, het gemiddelde totale bedrag van in omloop zijnde bankbiljetten lager is dan het gemiddelde totale bedrag in euro van in de referentieperiode in omloop zijnde bankbiljetten (waaronder de bankbiljetten luidende in de nationale munteenheid van de lidstaat die de euro heeft aangenomen, en omgerekend in euro tegen de dagelijkse referentiewisselkoers tijdens de referentieperiode), wordt de coëfficiënt „S”, die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van toepassing is in het jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld, met terugwerkende kracht verlaagd evenredig met de afname in het totale gemiddelde bedrag van in omloop zijnde bankbiljetten.

De verlaging mag niet leiden tot een coëfficiënt die lager is dan 0,8606735. Na toepassing van deze afwijking moet een kwart van de resulterende vermindering van de compenserende bedragen van de NCB's (C) die in het jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld op de NCB's van toepassing zijn, worden toegevoegd aan het compenserende bedrag van elke NCB dat op grond van artikel 4, lid 1, van toepassing is in het tweede tot en met vijfde jaar volgend op het jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld.

B.    Tweede mogelijke aanpassing

Indien de NCB's waarvoor het in artikel 4, lid 1, bedoelde compenserende bedrag positief is, een nettovergoeding betalen op tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende bankbiljetten in omloop, zodat dit bij toevoeging aan de post „nettobaten van het poolen van monetaire inkomsten” op hun winst-en-verliesrekening aan het eind van het jaar resulteert in een nettolast, wordt de coëfficiënt „S”, die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van toepassing is in het jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld, verlaagd voor zover nodig is om deze situatie te voorkomen.

De verlaging mag niet leiden tot een coëfficiënt die lager is dan 0,8606735. Na toepassing van deze afwijking wordt een kwart van de resulterende vermindering van de compenserende bedragen (C) die in het jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld op de NCB's van toepassing zijn, toegevoegd aan het compenserende bedrag van elke NCB dat op grond van artikel 4, lid 1, van toepassing is in het tweede tot en met vijfde jaar volgend op het jaar waarin naar de chartale euro wordt omgeschakeld.




BIJLAGE IV

INGETROKKEN BESLUIT MET LIJST VAN DE OPEENVOLGENDE WIJZIGINGEN



Besluit ECB/2010/23

PB L 35 van 9.2.2011, blz. 17

Besluit ECB/2011/18

PB L 319 van 2.12.2011, blz. 116

Besluit ECB/2014/24

PB L 117 van 7.6.2014, blz. 168

Besluit ECB/2014/56

PB L 53 van 25.2.2015, blz. 21

Besluit ECB/2015/37

PB L 313 van 28.11.2015, blz. 42



( 1 ) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

( 2 ) Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (algemene documentatie richtsnoer) (ECB/2014/60) (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).

( 3 ) Centraal-Europese tijd houdt rekening met de Midden-Europese zomertijd.

( 4 ) Richtsnoer (EU) 2016/2249 van de Europese Centrale Bank van 3 november 2016 betreffende het juridische kader ten behoeve van de financiële administratie en verslaglegging in het Europees Stelsel van centrale banken (ECB/2016/34) (zie bladzijde 37 van dit Publicatieblad).

( 5 ) Besluit (EU) 2020/188 van de Europese Centrale Bank van 3 februari 2020 inzake een programma voor de aankoop van door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen op secundaire markten (ECB/2020/9) (PB L 39 van 12.2.2020, blz. 12).

( 6 ) Besluit (EU) 2020/440 van de Europese Centrale Bank van 24 maart 2020 betreffende een tijdelijk pandemie-noodaankoopprogramma (ECB/2020/17) (PB L 91 van 25.3.2020, blz. 1).